Rechtspraak
College van Beroep voor het bedrijfsleven
2024-09-03
ECLI:NL:CBB:2024:614
Bestuursrecht
Eerste aanleg - meervoudig
9,612 tokens
Inleiding
uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
Zaaknummer: 21/676
uitspraak van de meervoudige kamer van 3 september 2024 in de zaak tussen
[naam 1] , te [plaats] (de onderneming)
(gemachtigde: G. Hoogveen)
en
de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur
(gemachtigde: mr. C.J.M. Daniëls)
Procesverloop
Met het besluit van 9 maart 2021 (het kortingsbesluit) heeft de minister op grond van de Uitvoeringsregeling rechtstreekse betalingen GLB (de Uitvoeringsregeling) een korting toegepast van 2% op aan de onderneming voor het jaar 2020 te verlenen subsidies van het Gemeenschappelijk landbouwbeleid (GLB).
Met het besluit van 17 mei 2021 (het bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van de onderneming ongegrond verklaard.
De onderneming heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
De zitting was op 28 juni 2024. Aan de zitting heeft de gemachtigde van de minister deelgenomen.
Overwegingen
1.1
De onderneming heeft op 11 mei 2020 de gecombineerde opgave 2020 ingediend. Daarin heeft de onderneming onder meer gevraagd om uitbetaling van de basis- en vergroeningsbetaling voor het jaar 2020. Daarbij heeft zij in totaal een oppervlakte opgegeven van 58,43 ha, verdeeld over 21 percelen.
1.2
In 2020 hebben toezichthouders van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) het bedrijf van [naam 2] gecontroleerd. Hiervan is op 5 januari 2021 een rapport van bevindingen opgemaakt. Bij die controle is vastgesteld dat de feitelijke beschikkingsmacht van door [naam 2] in diens gecombineerde opgave 2020 opgegeven percelen met een totale oppervlakte van 9,58 ha niet bij hem lag. Volgens [naam 2] lag die beschikkingsmacht bij de onderneming.
1.3
Op 19 januari 2021 hebben toezichthouders van de NVWA telefonisch contact gehad met de onderneming. Zij hebben de onderneming daarbij meegedeeld dat het bedrijf van [naam 2] is gecontroleerd en dat naar aanleiding daarvan ook de onderneming wordt gecontroleerd. Op 3 februari 2021 heeft de onderneming gegevens verstrekt.
1.4
Met het kortingsbesluit (van 9 maart 2021) heeft de minister een korting toegepast van 2% op de aan de onderneming voor het jaar 2020 te verlenen subsidies van het GLB, omdat de onderneming niet alle landbouwpercelen (9,58 ha) heeft opgegeven in haar gecombineerde opgave 2020 (onderdeclaratie).
1.5
Op 23 maart 2021 hebben toezichthouders van de NVWA de onderneming bezocht.
1.6
De onderneming heeft tegen het kortingsbesluit bezwaar gemaakt.
1.7
Op 14 april 2021 heeft een zogenoemd informeel telefoongesprek met de onderneming plaatsgevonden. Naar aanleiding van dat gesprek heeft de minister het rapport van bevindingen van 5 januari 2021 aan de onderneming toegezonden. Op 7 mei 2021 heeft weer een telefoongesprek plaatsgevonden. Daarin verklaarde de onderneming geen gebruik te willen maken van de mogelijkheid om haar bezwaren tijdens een hoorzitting toe te lichten.
1.8
Vervolgens heeft de minister op 17 mei 2021 het bestreden besluit genomen.
1.9
Op 19 mei 2021 hebben de toezichthouders van de NVWA de onderneming hun bevindingen van de administratieve controle en verhoorvragen toegezonden. Op 31 mei 2021 heeft de onderneming antwoorden op die vragen toegezonden.
1.10
Op 28 juni 2021 hebben de toezichthouders van de NVWA een rapport van bevindingen van de administratieve controle opgemaakt.
2 De onderneming voert aan dat de motivering waarop het bestreden besluit is gebaseerd, onvoldoende is om het besluit te dragen. Uit het bestreden besluit blijkt onvoldoende waarop de conclusie is gebaseerd dat de onderneming de feitelijke beschikkingsmacht had over de betreffende percelen. Er wordt bij het onderdeel 'Geconstateerde overtreding' een opsomming gegeven van wat uit het onderzoek zou zijn gebleken, maar die opsomming wordt niet onderbouwd met bij het besluit gevoegde stukken. Door het ontbreken van controlerapporten of daarmee vergelijkbare stukken zijn de constateringen onvoldoende onderbouwd. De onderneming wordt hierdoor bovendien beperkt in haar mogelijkheid om zich te kunnen verweren.
3.1
Het betoog van de onderneming stelt onder meer aan de orde de vraag of het bestreden besluit met de vereiste zorgvuldigheid is genomen. Het College beantwoord die vraag ontkennend en overweegt daartoe als volgt.
3.2
De minister heeft de onderneming voorafgaand aan het kortingsbesluit – een voor de onderneming belastend besluit – niet in de gelegenheid gesteld haar zienswijze te geven over zijn voornemen het kortingsbesluit te nemen. Dit had op grond van artikel 4:8, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) wel gemoeten. De minister had dit gebrek in de bezwaarfase kunnen herstellen door de onderneming alsnog te horen. Dat de onderneming tijdens een telefoongesprek te kennen heeft gegeven geen gebruik te willen maken van het recht te worden gehoord, neemt niet weg dat de minister ervoor verantwoordelijk is dat hij een besluit zorgvuldig dient voor te bereiden (artikel 3:2 van de Awb). In dat verband is van belang dat de NVWA de bevindingen van de administratieve controle bij de onderneming pas na het bestreden besluit met de onderneming heeft gedeeld en de minister de reactie van de onderneming daarop niet bij de besluitvorming heeft betrokken. Door het bij het bestreden besluit gehandhaafde kortingsbesluit slechts te baseren op de bevindingen van de controle bij het bedrijf van [naam 2] en niet tevens of vooral op de bevindingen bij de onderneming zelf, heeft de minister het bestreden besluit niet met de vereiste zorgvuldigheid genomen.
4.1
Het College is van oordeel dat het beroep gegrond is en dat het bestreden besluit moet worden vernietigd wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb. Het College zal evenwel met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb bepalen dat de rechtsgevolgen van dit besluit in stand blijven en overweegt daartoe als volgt.
4.2
Op grond van artikel 72, eerste lid, aanhef en onder a, van Verordening (EU) nr. 1306/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 inzake de financiering, het beheer en de monitoring van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (Verordening 1306/2013) dient – kort gezegd – een begunstigde van steunsteunregelingen elk jaar een aanvraag voor rechtstreekse betalingen in voor het desbetreffende areaal, waarin alle landbouwpercelen op het bedrijf worden aangegeven. Artikel 16, eerste lid, van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 640/2014 van de Commissie van 11 maart 2014 tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 1306/2013 bepaalt – kort gezegd – dat indien een begunstigde voor een bepaald jaar niet alle in artikel 72, eerste lid, van Verordening 1306/2013 bedoelde arealen aangeeft en het verschil tussen enerzijds het in de verzamelaanvraag en/of de betalingsaanvraag aangegeven totale areaal en anderzijds de som van het aangegeven areaal en het totale areaal van de niet-aangegeven percelen groter is dan 3% van het aangegeven areaal, het totale bedrag van de areaalgebonden rechtstreekse betalingen in dat jaar aan die begunstigde moet worden betaald, wordt verlaagd met maximaal 3%, afhankelijk van de ernst van het verzuim.
4.3
De minister heeft gemotiveerd uiteengezet dat en waarom de onderneming niet alle bij haar in gebruik zijnde percelen heeft opgegeven in de gecombineerde opgave 2020. Met het rapport van bevindingen van 5 januari 2021 en het rapport van bevindingen van 28 juni 2021 heeft de minister, hoewel pas in de beroepsfase, aannemelijk gemaakt dat de feitelijke beschikkingsmacht van de door [naam 2] opgegeven percelen met een totale oppervlakte van 9,58 ha in 2020 niet bij [naam 2] maar bij de onderneming lag. De onderneming heeft in beroep de gelegenheid gehad op die rapporten te reageren, maar dat wat zij in beroep aanvoert biedt geen aanknopingspunt om te twijfelen aan de juistheid van die rapporten.
4.4
Omdat de onderneming niet alle bij haar in gebruik zijnde percelen heeft opgegeven in de gecombineerde opgave 2020, heeft de minister aan de onderneming terecht een korting opgelegd. Overeenkomstig artikel 1, aanhef en onder b, van de Beleidsregel Uitvoeringsregeling rechtstreekse betalingen GLB heeft de minister die korting terecht vastgesteld op 2%.
Dictum
Het College:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het bestreden besluit;
bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand blijven;
draagt de minister op het betaalde griffierecht van € 181,- aan de onderneming te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Venekamp, mr. T. Pavićević, en mr. P.H.A. Knol in aanwezigheid van mr. M.Y. Douglas-Hamilton, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 september 2024.
w.g. A. Venekamp w.g. M.Y. Douglas-Hamilton
Inleiding
uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
Zaaknummer: 21/676
uitspraak van de meervoudige kamer van 3 september 2024 in de zaak tussen
[naam 1] , te [plaats] (de onderneming)
(gemachtigde: G. Hoogveen)
en
de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur
(gemachtigde: mr. C.J.M. Daniëls)
Procesverloop
Met het besluit van 9 maart 2021 (het kortingsbesluit) heeft de minister op grond van de Uitvoeringsregeling rechtstreekse betalingen GLB (de Uitvoeringsregeling) een korting toegepast van 2% op aan de onderneming voor het jaar 2020 te verlenen subsidies van het Gemeenschappelijk landbouwbeleid (GLB).
Met het besluit van 17 mei 2021 (het bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van de onderneming ongegrond verklaard.
De onderneming heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
De zitting was op 28 juni 2024. Aan de zitting heeft de gemachtigde van de minister deelgenomen.
Overwegingen
1.1
De onderneming heeft op 11 mei 2020 de gecombineerde opgave 2020 ingediend. Daarin heeft de onderneming onder meer gevraagd om uitbetaling van de basis- en vergroeningsbetaling voor het jaar 2020. Daarbij heeft zij in totaal een oppervlakte opgegeven van 58,43 ha, verdeeld over 21 percelen.
1.2
In 2020 hebben toezichthouders van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) het bedrijf van [naam 2] gecontroleerd. Hiervan is op 5 januari 2021 een rapport van bevindingen opgemaakt. Bij die controle is vastgesteld dat de feitelijke beschikkingsmacht van door [naam 2] in diens gecombineerde opgave 2020 opgegeven percelen met een totale oppervlakte van 9,58 ha niet bij hem lag. Volgens [naam 2] lag die beschikkingsmacht bij de onderneming.
1.3
Op 19 januari 2021 hebben toezichthouders van de NVWA telefonisch contact gehad met de onderneming. Zij hebben de onderneming daarbij meegedeeld dat het bedrijf van [naam 2] is gecontroleerd en dat naar aanleiding daarvan ook de onderneming wordt gecontroleerd. Op 3 februari 2021 heeft de onderneming gegevens verstrekt.
1.4
Met het kortingsbesluit (van 9 maart 2021) heeft de minister een korting toegepast van 2% op de aan de onderneming voor het jaar 2020 te verlenen subsidies van het GLB, omdat de onderneming niet alle landbouwpercelen (9,58 ha) heeft opgegeven in haar gecombineerde opgave 2020 (onderdeclaratie).
1.5
Op 23 maart 2021 hebben toezichthouders van de NVWA de onderneming bezocht.
1.6
De onderneming heeft tegen het kortingsbesluit bezwaar gemaakt.
1.7
Op 14 april 2021 heeft een zogenoemd informeel telefoongesprek met de onderneming plaatsgevonden. Naar aanleiding van dat gesprek heeft de minister het rapport van bevindingen van 5 januari 2021 aan de onderneming toegezonden. Op 7 mei 2021 heeft weer een telefoongesprek plaatsgevonden. Daarin verklaarde de onderneming geen gebruik te willen maken van de mogelijkheid om haar bezwaren tijdens een hoorzitting toe te lichten.
1.8
Vervolgens heeft de minister op 17 mei 2021 het bestreden besluit genomen.
1.9
Op 19 mei 2021 hebben de toezichthouders van de NVWA de onderneming hun bevindingen van de administratieve controle en verhoorvragen toegezonden. Op 31 mei 2021 heeft de onderneming antwoorden op die vragen toegezonden.
1.10
Op 28 juni 2021 hebben de toezichthouders van de NVWA een rapport van bevindingen van de administratieve controle opgemaakt.
2 De onderneming voert aan dat de motivering waarop het bestreden besluit is gebaseerd, onvoldoende is om het besluit te dragen. Uit het bestreden besluit blijkt onvoldoende waarop de conclusie is gebaseerd dat de onderneming de feitelijke beschikkingsmacht had over de betreffende percelen. Er wordt bij het onderdeel 'Geconstateerde overtreding' een opsomming gegeven van wat uit het onderzoek zou zijn gebleken, maar die opsomming wordt niet onderbouwd met bij het besluit gevoegde stukken. Door het ontbreken van controlerapporten of daarmee vergelijkbare stukken zijn de constateringen onvoldoende onderbouwd. De onderneming wordt hierdoor bovendien beperkt in haar mogelijkheid om zich te kunnen verweren.
3.1
Het betoog van de onderneming stelt onder meer aan de orde de vraag of het bestreden besluit met de vereiste zorgvuldigheid is genomen. Het College beantwoord die vraag ontkennend en overweegt daartoe als volgt.
3.2
De minister heeft de onderneming voorafgaand aan het kortingsbesluit – een voor de onderneming belastend besluit – niet in de gelegenheid gesteld haar zienswijze te geven over zijn voornemen het kortingsbesluit te nemen. Dit had op grond van artikel 4:8, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) wel gemoeten. De minister had dit gebrek in de bezwaarfase kunnen herstellen door de onderneming alsnog te horen. Dat de onderneming tijdens een telefoongesprek te kennen heeft gegeven geen gebruik te willen maken van het recht te worden gehoord, neemt niet weg dat de minister ervoor verantwoordelijk is dat hij een besluit zorgvuldig dient voor te bereiden (artikel 3:2 van de Awb). In dat verband is van belang dat de NVWA de bevindingen van de administratieve controle bij de onderneming pas na het bestreden besluit met de onderneming heeft gedeeld en de minister de reactie van de onderneming daarop niet bij de besluitvorming heeft betrokken. Door het bij het bestreden besluit gehandhaafde kortingsbesluit slechts te baseren op de bevindingen van de controle bij het bedrijf van [naam 2] en niet tevens of vooral op de bevindingen bij de onderneming zelf, heeft de minister het bestreden besluit niet met de vereiste zorgvuldigheid genomen.
4.1
Het College is van oordeel dat het beroep gegrond is en dat het bestreden besluit moet worden vernietigd wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb. Het College zal evenwel met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb bepalen dat de rechtsgevolgen van dit besluit in stand blijven en overweegt daartoe als volgt.
4.2
Op grond van artikel 72, eerste lid, aanhef en onder a, van Verordening (EU) nr. 1306/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 inzake de financiering, het beheer en de monitoring van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (Verordening 1306/2013) dient – kort gezegd – een begunstigde van steunsteunregelingen elk jaar een aanvraag voor rechtstreekse betalingen in voor het desbetreffende areaal, waarin alle landbouwpercelen op het bedrijf worden aangegeven. Artikel 16, eerste lid, van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 640/2014 van de Commissie van 11 maart 2014 tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 1306/2013 bepaalt – kort gezegd – dat indien een begunstigde voor een bepaald jaar niet alle in artikel 72, eerste lid, van Verordening 1306/2013 bedoelde arealen aangeeft en het verschil tussen enerzijds het in de verzamelaanvraag en/of de betalingsaanvraag aangegeven totale areaal en anderzijds de som van het aangegeven areaal en het totale areaal van de niet-aangegeven percelen groter is dan 3% van het aangegeven areaal, het totale bedrag van de areaalgebonden rechtstreekse betalingen in dat jaar aan die begunstigde moet worden betaald, wordt verlaagd met maximaal 3%, afhankelijk van de ernst van het verzuim.
4.3
De minister heeft gemotiveerd uiteengezet dat en waarom de onderneming niet alle bij haar in gebruik zijnde percelen heeft opgegeven in de gecombineerde opgave 2020. Met het rapport van bevindingen van 5 januari 2021 en het rapport van bevindingen van 28 juni 2021 heeft de minister, hoewel pas in de beroepsfase, aannemelijk gemaakt dat de feitelijke beschikkingsmacht van de door [naam 2] opgegeven percelen met een totale oppervlakte van 9,58 ha in 2020 niet bij [naam 2] maar bij de onderneming lag. De onderneming heeft in beroep de gelegenheid gehad op die rapporten te reageren, maar dat wat zij in beroep aanvoert biedt geen aanknopingspunt om te twijfelen aan de juistheid van die rapporten.
4.4
Omdat de onderneming niet alle bij haar in gebruik zijnde percelen heeft opgegeven in de gecombineerde opgave 2020, heeft de minister aan de onderneming terecht een korting opgelegd. Overeenkomstig artikel 1, aanhef en onder b, van de Beleidsregel Uitvoeringsregeling rechtstreekse betalingen GLB heeft de minister die korting terecht vastgesteld op 2%.
Dictum
Het College:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het bestreden besluit;
bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand blijven;
draagt de minister op het betaalde griffierecht van € 181,- aan de onderneming te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Venekamp, mr. T. Pavićević, en mr. P.H.A. Knol in aanwezigheid van mr. M.Y. Douglas-Hamilton, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 september 2024.
w.g. A. Venekamp w.g. M.Y. Douglas-Hamilton
Inleiding
uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
Zaaknummer: 21/676
uitspraak van de meervoudige kamer van 3 september 2024 in de zaak tussen
[naam 1] , te [plaats] (de onderneming)
(gemachtigde: G. Hoogveen)
en
de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur
(gemachtigde: mr. C.J.M. Daniëls)
Procesverloop
Met het besluit van 9 maart 2021 (het kortingsbesluit) heeft de minister op grond van de Uitvoeringsregeling rechtstreekse betalingen GLB (de Uitvoeringsregeling) een korting toegepast van 2% op aan de onderneming voor het jaar 2020 te verlenen subsidies van het Gemeenschappelijk landbouwbeleid (GLB).
Met het besluit van 17 mei 2021 (het bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van de onderneming ongegrond verklaard.
De onderneming heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
De zitting was op 28 juni 2024. Aan de zitting heeft de gemachtigde van de minister deelgenomen.
Overwegingen
1.1
De onderneming heeft op 11 mei 2020 de gecombineerde opgave 2020 ingediend. Daarin heeft de onderneming onder meer gevraagd om uitbetaling van de basis- en vergroeningsbetaling voor het jaar 2020. Daarbij heeft zij in totaal een oppervlakte opgegeven van 58,43 ha, verdeeld over 21 percelen.
1.2
In 2020 hebben toezichthouders van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) het bedrijf van [naam 2] gecontroleerd. Hiervan is op 5 januari 2021 een rapport van bevindingen opgemaakt. Bij die controle is vastgesteld dat de feitelijke beschikkingsmacht van door [naam 2] in diens gecombineerde opgave 2020 opgegeven percelen met een totale oppervlakte van 9,58 ha niet bij hem lag. Volgens [naam 2] lag die beschikkingsmacht bij de onderneming.
1.3
Op 19 januari 2021 hebben toezichthouders van de NVWA telefonisch contact gehad met de onderneming. Zij hebben de onderneming daarbij meegedeeld dat het bedrijf van [naam 2] is gecontroleerd en dat naar aanleiding daarvan ook de onderneming wordt gecontroleerd. Op 3 februari 2021 heeft de onderneming gegevens verstrekt.
1.4
Met het kortingsbesluit (van 9 maart 2021) heeft de minister een korting toegepast van 2% op de aan de onderneming voor het jaar 2020 te verlenen subsidies van het GLB, omdat de onderneming niet alle landbouwpercelen (9,58 ha) heeft opgegeven in haar gecombineerde opgave 2020 (onderdeclaratie).
1.5
Op 23 maart 2021 hebben toezichthouders van de NVWA de onderneming bezocht.
1.6
De onderneming heeft tegen het kortingsbesluit bezwaar gemaakt.
1.7
Op 14 april 2021 heeft een zogenoemd informeel telefoongesprek met de onderneming plaatsgevonden. Naar aanleiding van dat gesprek heeft de minister het rapport van bevindingen van 5 januari 2021 aan de onderneming toegezonden. Op 7 mei 2021 heeft weer een telefoongesprek plaatsgevonden. Daarin verklaarde de onderneming geen gebruik te willen maken van de mogelijkheid om haar bezwaren tijdens een hoorzitting toe te lichten.
1.8
Vervolgens heeft de minister op 17 mei 2021 het bestreden besluit genomen.
1.9
Op 19 mei 2021 hebben de toezichthouders van de NVWA de onderneming hun bevindingen van de administratieve controle en verhoorvragen toegezonden. Op 31 mei 2021 heeft de onderneming antwoorden op die vragen toegezonden.
1.10
Op 28 juni 2021 hebben de toezichthouders van de NVWA een rapport van bevindingen van de administratieve controle opgemaakt.
2 De onderneming voert aan dat de motivering waarop het bestreden besluit is gebaseerd, onvoldoende is om het besluit te dragen. Uit het bestreden besluit blijkt onvoldoende waarop de conclusie is gebaseerd dat de onderneming de feitelijke beschikkingsmacht had over de betreffende percelen. Er wordt bij het onderdeel 'Geconstateerde overtreding' een opsomming gegeven van wat uit het onderzoek zou zijn gebleken, maar die opsomming wordt niet onderbouwd met bij het besluit gevoegde stukken. Door het ontbreken van controlerapporten of daarmee vergelijkbare stukken zijn de constateringen onvoldoende onderbouwd. De onderneming wordt hierdoor bovendien beperkt in haar mogelijkheid om zich te kunnen verweren.
3.1
Het betoog van de onderneming stelt onder meer aan de orde de vraag of het bestreden besluit met de vereiste zorgvuldigheid is genomen. Het College beantwoord die vraag ontkennend en overweegt daartoe als volgt.
3.2
De minister heeft de onderneming voorafgaand aan het kortingsbesluit – een voor de onderneming belastend besluit – niet in de gelegenheid gesteld haar zienswijze te geven over zijn voornemen het kortingsbesluit te nemen. Dit had op grond van artikel 4:8, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) wel gemoeten. De minister had dit gebrek in de bezwaarfase kunnen herstellen door de onderneming alsnog te horen. Dat de onderneming tijdens een telefoongesprek te kennen heeft gegeven geen gebruik te willen maken van het recht te worden gehoord, neemt niet weg dat de minister ervoor verantwoordelijk is dat hij een besluit zorgvuldig dient voor te bereiden (artikel 3:2 van de Awb). In dat verband is van belang dat de NVWA de bevindingen van de administratieve controle bij de onderneming pas na het bestreden besluit met de onderneming heeft gedeeld en de minister de reactie van de onderneming daarop niet bij de besluitvorming heeft betrokken. Door het bij het bestreden besluit gehandhaafde kortingsbesluit slechts te baseren op de bevindingen van de controle bij het bedrijf van [naam 2] en niet tevens of vooral op de bevindingen bij de onderneming zelf, heeft de minister het bestreden besluit niet met de vereiste zorgvuldigheid genomen.
4.1
Het College is van oordeel dat het beroep gegrond is en dat het bestreden besluit moet worden vernietigd wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb. Het College zal evenwel met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb bepalen dat de rechtsgevolgen van dit besluit in stand blijven en overweegt daartoe als volgt.
4.2
Op grond van artikel 72, eerste lid, aanhef en onder a, van Verordening (EU) nr. 1306/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 inzake de financiering, het beheer en de monitoring van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (Verordening 1306/2013) dient – kort gezegd – een begunstigde van steunsteunregelingen elk jaar een aanvraag voor rechtstreekse betalingen in voor het desbetreffende areaal, waarin alle landbouwpercelen op het bedrijf worden aangegeven. Artikel 16, eerste lid, van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 640/2014 van de Commissie van 11 maart 2014 tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 1306/2013 bepaalt – kort gezegd – dat indien een begunstigde voor een bepaald jaar niet alle in artikel 72, eerste lid, van Verordening 1306/2013 bedoelde arealen aangeeft en het verschil tussen enerzijds het in de verzamelaanvraag en/of de betalingsaanvraag aangegeven totale areaal en anderzijds de som van het aangegeven areaal en het totale areaal van de niet-aangegeven percelen groter is dan 3% van het aangegeven areaal, het totale bedrag van de areaalgebonden rechtstreekse betalingen in dat jaar aan die begunstigde moet worden betaald, wordt verlaagd met maximaal 3%, afhankelijk van de ernst van het verzuim.
4.3
De minister heeft gemotiveerd uiteengezet dat en waarom de onderneming niet alle bij haar in gebruik zijnde percelen heeft opgegeven in de gecombineerde opgave 2020. Met het rapport van bevindingen van 5 januari 2021 en het rapport van bevindingen van 28 juni 2021 heeft de minister, hoewel pas in de beroepsfase, aannemelijk gemaakt dat de feitelijke beschikkingsmacht van de door [naam 2] opgegeven percelen met een totale oppervlakte van 9,58 ha in 2020 niet bij [naam 2] maar bij de onderneming lag. De onderneming heeft in beroep de gelegenheid gehad op die rapporten te reageren, maar dat wat zij in beroep aanvoert biedt geen aanknopingspunt om te twijfelen aan de juistheid van die rapporten.
4.4
Omdat de onderneming niet alle bij haar in gebruik zijnde percelen heeft opgegeven in de gecombineerde opgave 2020, heeft de minister aan de onderneming terecht een korting opgelegd. Overeenkomstig artikel 1, aanhef en onder b, van de Beleidsregel Uitvoeringsregeling rechtstreekse betalingen GLB heeft de minister die korting terecht vastgesteld op 2%.
Dictum
Het College:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het bestreden besluit;
bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand blijven;
draagt de minister op het betaalde griffierecht van € 181,- aan de onderneming te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Venekamp, mr. T. Pavićević, en mr. P.H.A. Knol in aanwezigheid van mr. M.Y. Douglas-Hamilton, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 september 2024.
w.g. A. Venekamp w.g. M.Y. Douglas-Hamilton
Inleiding
uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
Zaaknummer: 21/676
uitspraak van de meervoudige kamer van 3 september 2024 in de zaak tussen
[naam 1] , te [plaats] (de onderneming)
(gemachtigde: G. Hoogveen)
en
de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur
(gemachtigde: mr. C.J.M. Daniëls)
Procesverloop
Met het besluit van 9 maart 2021 (het kortingsbesluit) heeft de minister op grond van de Uitvoeringsregeling rechtstreekse betalingen GLB (de Uitvoeringsregeling) een korting toegepast van 2% op aan de onderneming voor het jaar 2020 te verlenen subsidies van het Gemeenschappelijk landbouwbeleid (GLB).
Met het besluit van 17 mei 2021 (het bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van de onderneming ongegrond verklaard.
De onderneming heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
De zitting was op 28 juni 2024. Aan de zitting heeft de gemachtigde van de minister deelgenomen.
Overwegingen
1.1
De onderneming heeft op 11 mei 2020 de gecombineerde opgave 2020 ingediend. Daarin heeft de onderneming onder meer gevraagd om uitbetaling van de basis- en vergroeningsbetaling voor het jaar 2020. Daarbij heeft zij in totaal een oppervlakte opgegeven van 58,43 ha, verdeeld over 21 percelen.
1.2
In 2020 hebben toezichthouders van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) het bedrijf van [naam 2] gecontroleerd. Hiervan is op 5 januari 2021 een rapport van bevindingen opgemaakt. Bij die controle is vastgesteld dat de feitelijke beschikkingsmacht van door [naam 2] in diens gecombineerde opgave 2020 opgegeven percelen met een totale oppervlakte van 9,58 ha niet bij hem lag. Volgens [naam 2] lag die beschikkingsmacht bij de onderneming.
1.3
Op 19 januari 2021 hebben toezichthouders van de NVWA telefonisch contact gehad met de onderneming. Zij hebben de onderneming daarbij meegedeeld dat het bedrijf van [naam 2] is gecontroleerd en dat naar aanleiding daarvan ook de onderneming wordt gecontroleerd. Op 3 februari 2021 heeft de onderneming gegevens verstrekt.
1.4
Met het kortingsbesluit (van 9 maart 2021) heeft de minister een korting toegepast van 2% op de aan de onderneming voor het jaar 2020 te verlenen subsidies van het GLB, omdat de onderneming niet alle landbouwpercelen (9,58 ha) heeft opgegeven in haar gecombineerde opgave 2020 (onderdeclaratie).
1.5
Op 23 maart 2021 hebben toezichthouders van de NVWA de onderneming bezocht.
1.6
De onderneming heeft tegen het kortingsbesluit bezwaar gemaakt.
1.7
Op 14 april 2021 heeft een zogenoemd informeel telefoongesprek met de onderneming plaatsgevonden. Naar aanleiding van dat gesprek heeft de minister het rapport van bevindingen van 5 januari 2021 aan de onderneming toegezonden. Op 7 mei 2021 heeft weer een telefoongesprek plaatsgevonden. Daarin verklaarde de onderneming geen gebruik te willen maken van de mogelijkheid om haar bezwaren tijdens een hoorzitting toe te lichten.
1.8
Vervolgens heeft de minister op 17 mei 2021 het bestreden besluit genomen.
1.9
Op 19 mei 2021 hebben de toezichthouders van de NVWA de onderneming hun bevindingen van de administratieve controle en verhoorvragen toegezonden. Op 31 mei 2021 heeft de onderneming antwoorden op die vragen toegezonden.
1.10
Op 28 juni 2021 hebben de toezichthouders van de NVWA een rapport van bevindingen van de administratieve controle opgemaakt.
2 De onderneming voert aan dat de motivering waarop het bestreden besluit is gebaseerd, onvoldoende is om het besluit te dragen. Uit het bestreden besluit blijkt onvoldoende waarop de conclusie is gebaseerd dat de onderneming de feitelijke beschikkingsmacht had over de betreffende percelen. Er wordt bij het onderdeel 'Geconstateerde overtreding' een opsomming gegeven van wat uit het onderzoek zou zijn gebleken, maar die opsomming wordt niet onderbouwd met bij het besluit gevoegde stukken. Door het ontbreken van controlerapporten of daarmee vergelijkbare stukken zijn de constateringen onvoldoende onderbouwd. De onderneming wordt hierdoor bovendien beperkt in haar mogelijkheid om zich te kunnen verweren.
3.1
Het betoog van de onderneming stelt onder meer aan de orde de vraag of het bestreden besluit met de vereiste zorgvuldigheid is genomen. Het College beantwoord die vraag ontkennend en overweegt daartoe als volgt.
3.2
De minister heeft de onderneming voorafgaand aan het kortingsbesluit – een voor de onderneming belastend besluit – niet in de gelegenheid gesteld haar zienswijze te geven over zijn voornemen het kortingsbesluit te nemen. Dit had op grond van artikel 4:8, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) wel gemoeten. De minister had dit gebrek in de bezwaarfase kunnen herstellen door de onderneming alsnog te horen. Dat de onderneming tijdens een telefoongesprek te kennen heeft gegeven geen gebruik te willen maken van het recht te worden gehoord, neemt niet weg dat de minister ervoor verantwoordelijk is dat hij een besluit zorgvuldig dient voor te bereiden (artikel 3:2 van de Awb). In dat verband is van belang dat de NVWA de bevindingen van de administratieve controle bij de onderneming pas na het bestreden besluit met de onderneming heeft gedeeld en de minister de reactie van de onderneming daarop niet bij de besluitvorming heeft betrokken. Door het bij het bestreden besluit gehandhaafde kortingsbesluit slechts te baseren op de bevindingen van de controle bij het bedrijf van [naam 2] en niet tevens of vooral op de bevindingen bij de onderneming zelf, heeft de minister het bestreden besluit niet met de vereiste zorgvuldigheid genomen.
4.1
Het College is van oordeel dat het beroep gegrond is en dat het bestreden besluit moet worden vernietigd wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb. Het College zal evenwel met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb bepalen dat de rechtsgevolgen van dit besluit in stand blijven en overweegt daartoe als volgt.
4.2
Op grond van artikel 72, eerste lid, aanhef en onder a, van Verordening (EU) nr. 1306/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 inzake de financiering, het beheer en de monitoring van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (Verordening 1306/2013) dient – kort gezegd – een begunstigde van steunsteunregelingen elk jaar een aanvraag voor rechtstreekse betalingen in voor het desbetreffende areaal, waarin alle landbouwpercelen op het bedrijf worden aangegeven. Artikel 16, eerste lid, van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 640/2014 van de Commissie van 11 maart 2014 tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 1306/2013 bepaalt – kort gezegd – dat indien een begunstigde voor een bepaald jaar niet alle in artikel 72, eerste lid, van Verordening 1306/2013 bedoelde arealen aangeeft en het verschil tussen enerzijds het in de verzamelaanvraag en/of de betalingsaanvraag aangegeven totale areaal en anderzijds de som van het aangegeven areaal en het totale areaal van de niet-aangegeven percelen groter is dan 3% van het aangegeven areaal, het totale bedrag van de areaalgebonden rechtstreekse betalingen in dat jaar aan die begunstigde moet worden betaald, wordt verlaagd met maximaal 3%, afhankelijk van de ernst van het verzuim.
4.3
De minister heeft gemotiveerd uiteengezet dat en waarom de onderneming niet alle bij haar in gebruik zijnde percelen heeft opgegeven in de gecombineerde opgave 2020. Met het rapport van bevindingen van 5 januari 2021 en het rapport van bevindingen van 28 juni 2021 heeft de minister, hoewel pas in de beroepsfase, aannemelijk gemaakt dat de feitelijke beschikkingsmacht van de door [naam 2] opgegeven percelen met een totale oppervlakte van 9,58 ha in 2020 niet bij [naam 2] maar bij de onderneming lag. De onderneming heeft in beroep de gelegenheid gehad op die rapporten te reageren, maar dat wat zij in beroep aanvoert biedt geen aanknopingspunt om te twijfelen aan de juistheid van die rapporten.
4.4
Omdat de onderneming niet alle bij haar in gebruik zijnde percelen heeft opgegeven in de gecombineerde opgave 2020, heeft de minister aan de onderneming terecht een korting opgelegd. Overeenkomstig artikel 1, aanhef en onder b, van de Beleidsregel Uitvoeringsregeling rechtstreekse betalingen GLB heeft de minister die korting terecht vastgesteld op 2%.
Dictum
Het College:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het bestreden besluit;
bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand blijven;
draagt de minister op het betaalde griffierecht van € 181,- aan de onderneming te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Venekamp, mr. T. Pavićević, en mr. P.H.A. Knol in aanwezigheid van mr. M.Y. Douglas-Hamilton, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 september 2024.
w.g. A. Venekamp w.g. M.Y. Douglas-Hamilton