Rechtspraak
College van Beroep voor het bedrijfsleven
2024-08-27
ECLI:NL:CBB:2024:585
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
6,748 tokens
Inleiding
uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 22/2459
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 augustus 2024 in de zaak tussen
Stichting [naam 1] , te [woonplaats] (stichting)
(gemachtigde: mr. [naam 2] )
en
de minister van Economische Zaken
(gemachtigden: mr. S.F. Hu en mr. P. van Veen)
Procesverloop
Met het besluit van 22 juni 2022 (afwijzingsbesluit) heeft de minister de aanvraag van de stichting voor een subsidie op grond van de Tijdelijke regeling aanvullende subsidie evenementen COVID-19 (ATE) afgewezen.
Met het besluit van 27 september 2022 (bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van de stichting ongegrond verklaard.
De stichting heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
De zitting was op 27 juni 2024. Aan de zitting hebben deelgenomen [naam 3] en mr. [naam 2] namens de stichting en mr. S.F. Hu en mr. P. van Veen namens de minister.
Overwegingen
Inleiding
1.1
De stichting heeft een subsidie aangevraagd op grond van de ATE. De minister heeft deze aanvraag afgewezen, omdat het evenement ( [naam 4] ) volgens hem niet is geannuleerd, maar in aangepaste vorm is doorgegaan. De ATE biedt in dat geval geen mogelijkheid om subsidie te verlenen. De stichting is het hier niet mee eens en heeft beroep ingesteld. Zij stelt zich op het standpunt dat het evenement is geannuleerd, zodat zij wel degelijk in aanmerking komt voor een subsidie.
1.2
Het toepasselijke wettelijke kader is opgenomen in een bijlage bij deze uitspraak.
Beoordeling
Het evenement is doorgegaan in aangepaste vorm
2.1
De stichting voert aan dat het evenement waarvoor de subsidie is aangevraagd een muziekfestival betreft, dat zou plaatsvinden op [datum] . Tijdens dat muziekfestival, dat diende als afsluiting van een street art festival dat van [cijfer] tot en met [datum] zou plaatsvinden, zouden verschillende artiesten optreden op een groot podium. Op het festivalterrein zou alcoholische drank worden geschonken en zouden foodtrucks aanwezig zijn. Het muziekfestival was een coproductie met de stichting [naam 5] . Dit muziekfestival is volgens de stichting volledig geannuleerd. Op [datum] heeft wel een ander evenement plaatsgevonden, onder dezelfde naam en op dezelfde locatie als het geannuleerde muziekfestival. Dit was een kunstwandeling, waarbij bezoekers langs een aantal kunstwerken konden lopen. Vanwege de coronamaatregelen was dit een doorstroomevenement waarbij nooit meer dan 155 bezoekers tegelijk aanwezig waren op het terrein. Er was alleen koffie en ijs verkrijgbaar. Dit evenement was enkel door de stichting georganiseerd.
2.2
Het College is van oordeel dat de minister terecht tot de conclusie is gekomen dat het evenement niet is geannuleerd, zodat de stichting op grond van artikel 3, eerste lid, van de ATE niet in aanmerking komt voor een subsidie. Het College licht dit oordeel als volgt toe. De subsidie is aangevraagd voor een festival op [datum] met de naam [naam 4] , met als locatie het [adres] in [woonplaats] . Op [datum] heeft op het [adres] in [woonplaats] ook daadwerkelijk een evenement plaatsgevonden met de naam [naam 4] . Dat evenement had een andere vorm dan gepland, zoals de stichting heeft uitgelegd. Maar uit het betoog van de stichting en uit de stukken in het dossier blijkt niet dat het evenement waarvoor de subsidie is aangevraagd volledig is afgelast. Het beeld dat hieruit naar voren komt, is dat [naam 4] wel heeft plaatsgevonden op de geplande datum en op de beoogde locatie, maar met flinke aanpassingen om aan de toen geldende maatregelen te voldoen. Hieruit volgt dat het oorspronkelijke evenement is doorgegaan in een (zeer) afgeslankte vorm en dat het evenement dus niet is geannuleerd. De communicatie vanuit de stichting biedt ook geen aanknopingspunten voor het oordeel dat het evenement is geannuleerd. Op Instagram is bijvoorbeeld vermeld: ‘ [zin] !’.
Het beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt niet
3.1
De stichting doet een beroep op het vertrouwensbeginsel en stelt dat de minister bij de stichting het gerechtvaardigde vertrouwen heeft gewekt dat de subsidieaanvraag zou worden toegewezen.
3.2
Het College volgt de stichting hierin niet. Uit de mailwisseling die de stichting heeft overgelegd, volgt niet dat namens de minister een toezegging is gedaan. Naast algemene informatie over welke kosten subsidiabel zijn, bevat de mail slechts uitleg over hoe de aanvraag kan worden gedaan en wat daarbij moet worden vermeld. Tijdens de zitting heeft de stichting toegelicht dat zij ook door de communicatie met de gemeente [woonplaats] het idee had gekregen dat de subsidieaanvraag zou worden toegewezen. Uitlatingen van de gemeente [woonplaats] kunnen echter niet het vertrouwen wekken dat de minister (een ander bestuursorgaan) een subsidie zal toekennen.
Conclusie
4 De stichting heeft het evenement niet geannuleerd, zodat zij niet in aanmerking komt voor een subsidie. Het beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt niet. Het beroep is ongegrond. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Dictum
Het College verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Brugman, in aanwezigheid van mr. A.M. Slierendrecht, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 27 augustus 2024.
w.g. D. Brugman w.g. A.M. Slierendrecht
Bijlage
Tijdelijke regeling aanvullende subsidie evenementen COVID-19
Artikel 3. Subsidieverstrekking
1. De minister verstrekt aan de organisator van een evenement op aanvraag subsidie ter dekking van de kosten voor het organiseren van een evenement dat moest worden geannuleerd als gevolg van een evenementenverbod.
2. De subsidie wordt uitsluitend verstrekt ten behoeve van een evenement, waarvan de geplande startdatum in de periode van 10 juli 2021 tot en met 31 december 2021 lag, en dat geheel of gedeeltelijk in Nederland zou plaatsvinden.
3. Indien meerdere organisatoren tezamen verantwoordelijk waren voor het organiseren van een evenement en het financiële risico daarvan dragen, wordt de subsidie uitsluitend verstrekt indien zij samenwerken in een samenwerkingsverband.
Inleiding
uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 22/2459
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 augustus 2024 in de zaak tussen
Stichting [naam 1] , te [woonplaats] (stichting)
(gemachtigde: mr. [naam 2] )
en
de minister van Economische Zaken
(gemachtigden: mr. S.F. Hu en mr. P. van Veen)
Procesverloop
Met het besluit van 22 juni 2022 (afwijzingsbesluit) heeft de minister de aanvraag van de stichting voor een subsidie op grond van de Tijdelijke regeling aanvullende subsidie evenementen COVID-19 (ATE) afgewezen.
Met het besluit van 27 september 2022 (bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van de stichting ongegrond verklaard.
De stichting heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
De zitting was op 27 juni 2024. Aan de zitting hebben deelgenomen [naam 3] en mr. [naam 2] namens de stichting en mr. S.F. Hu en mr. P. van Veen namens de minister.
Overwegingen
Inleiding
1.1
De stichting heeft een subsidie aangevraagd op grond van de ATE. De minister heeft deze aanvraag afgewezen, omdat het evenement ( [naam 4] ) volgens hem niet is geannuleerd, maar in aangepaste vorm is doorgegaan. De ATE biedt in dat geval geen mogelijkheid om subsidie te verlenen. De stichting is het hier niet mee eens en heeft beroep ingesteld. Zij stelt zich op het standpunt dat het evenement is geannuleerd, zodat zij wel degelijk in aanmerking komt voor een subsidie.
1.2
Het toepasselijke wettelijke kader is opgenomen in een bijlage bij deze uitspraak.
Beoordeling
Het evenement is doorgegaan in aangepaste vorm
2.1
De stichting voert aan dat het evenement waarvoor de subsidie is aangevraagd een muziekfestival betreft, dat zou plaatsvinden op [datum] . Tijdens dat muziekfestival, dat diende als afsluiting van een street art festival dat van [cijfer] tot en met [datum] zou plaatsvinden, zouden verschillende artiesten optreden op een groot podium. Op het festivalterrein zou alcoholische drank worden geschonken en zouden foodtrucks aanwezig zijn. Het muziekfestival was een coproductie met de stichting [naam 5] . Dit muziekfestival is volgens de stichting volledig geannuleerd. Op [datum] heeft wel een ander evenement plaatsgevonden, onder dezelfde naam en op dezelfde locatie als het geannuleerde muziekfestival. Dit was een kunstwandeling, waarbij bezoekers langs een aantal kunstwerken konden lopen. Vanwege de coronamaatregelen was dit een doorstroomevenement waarbij nooit meer dan 155 bezoekers tegelijk aanwezig waren op het terrein. Er was alleen koffie en ijs verkrijgbaar. Dit evenement was enkel door de stichting georganiseerd.
2.2
Het College is van oordeel dat de minister terecht tot de conclusie is gekomen dat het evenement niet is geannuleerd, zodat de stichting op grond van artikel 3, eerste lid, van de ATE niet in aanmerking komt voor een subsidie. Het College licht dit oordeel als volgt toe. De subsidie is aangevraagd voor een festival op [datum] met de naam [naam 4] , met als locatie het [adres] in [woonplaats] . Op [datum] heeft op het [adres] in [woonplaats] ook daadwerkelijk een evenement plaatsgevonden met de naam [naam 4] . Dat evenement had een andere vorm dan gepland, zoals de stichting heeft uitgelegd. Maar uit het betoog van de stichting en uit de stukken in het dossier blijkt niet dat het evenement waarvoor de subsidie is aangevraagd volledig is afgelast. Het beeld dat hieruit naar voren komt, is dat [naam 4] wel heeft plaatsgevonden op de geplande datum en op de beoogde locatie, maar met flinke aanpassingen om aan de toen geldende maatregelen te voldoen. Hieruit volgt dat het oorspronkelijke evenement is doorgegaan in een (zeer) afgeslankte vorm en dat het evenement dus niet is geannuleerd. De communicatie vanuit de stichting biedt ook geen aanknopingspunten voor het oordeel dat het evenement is geannuleerd. Op Instagram is bijvoorbeeld vermeld: ‘ [zin] !’.
Het beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt niet
3.1
De stichting doet een beroep op het vertrouwensbeginsel en stelt dat de minister bij de stichting het gerechtvaardigde vertrouwen heeft gewekt dat de subsidieaanvraag zou worden toegewezen.
3.2
Het College volgt de stichting hierin niet. Uit de mailwisseling die de stichting heeft overgelegd, volgt niet dat namens de minister een toezegging is gedaan. Naast algemene informatie over welke kosten subsidiabel zijn, bevat de mail slechts uitleg over hoe de aanvraag kan worden gedaan en wat daarbij moet worden vermeld. Tijdens de zitting heeft de stichting toegelicht dat zij ook door de communicatie met de gemeente [woonplaats] het idee had gekregen dat de subsidieaanvraag zou worden toegewezen. Uitlatingen van de gemeente [woonplaats] kunnen echter niet het vertrouwen wekken dat de minister (een ander bestuursorgaan) een subsidie zal toekennen.
Conclusie
4 De stichting heeft het evenement niet geannuleerd, zodat zij niet in aanmerking komt voor een subsidie. Het beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt niet. Het beroep is ongegrond. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Dictum
Het College verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Brugman, in aanwezigheid van mr. A.M. Slierendrecht, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 27 augustus 2024.
w.g. D. Brugman w.g. A.M. Slierendrecht
Bijlage
Tijdelijke regeling aanvullende subsidie evenementen COVID-19
Artikel 3. Subsidieverstrekking
1. De minister verstrekt aan de organisator van een evenement op aanvraag subsidie ter dekking van de kosten voor het organiseren van een evenement dat moest worden geannuleerd als gevolg van een evenementenverbod.
2. De subsidie wordt uitsluitend verstrekt ten behoeve van een evenement, waarvan de geplande startdatum in de periode van 10 juli 2021 tot en met 31 december 2021 lag, en dat geheel of gedeeltelijk in Nederland zou plaatsvinden.
3. Indien meerdere organisatoren tezamen verantwoordelijk waren voor het organiseren van een evenement en het financiële risico daarvan dragen, wordt de subsidie uitsluitend verstrekt indien zij samenwerken in een samenwerkingsverband.
Inleiding
uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 22/2459
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 augustus 2024 in de zaak tussen
Stichting [naam 1] , te [woonplaats] (stichting)
(gemachtigde: mr. [naam 2] )
en
de minister van Economische Zaken
(gemachtigden: mr. S.F. Hu en mr. P. van Veen)
Procesverloop
Met het besluit van 22 juni 2022 (afwijzingsbesluit) heeft de minister de aanvraag van de stichting voor een subsidie op grond van de Tijdelijke regeling aanvullende subsidie evenementen COVID-19 (ATE) afgewezen.
Met het besluit van 27 september 2022 (bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van de stichting ongegrond verklaard.
De stichting heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
De zitting was op 27 juni 2024. Aan de zitting hebben deelgenomen [naam 3] en mr. [naam 2] namens de stichting en mr. S.F. Hu en mr. P. van Veen namens de minister.
Overwegingen
Inleiding
1.1
De stichting heeft een subsidie aangevraagd op grond van de ATE. De minister heeft deze aanvraag afgewezen, omdat het evenement ( [naam 4] ) volgens hem niet is geannuleerd, maar in aangepaste vorm is doorgegaan. De ATE biedt in dat geval geen mogelijkheid om subsidie te verlenen. De stichting is het hier niet mee eens en heeft beroep ingesteld. Zij stelt zich op het standpunt dat het evenement is geannuleerd, zodat zij wel degelijk in aanmerking komt voor een subsidie.
1.2
Het toepasselijke wettelijke kader is opgenomen in een bijlage bij deze uitspraak.
Beoordeling
Het evenement is doorgegaan in aangepaste vorm
2.1
De stichting voert aan dat het evenement waarvoor de subsidie is aangevraagd een muziekfestival betreft, dat zou plaatsvinden op [datum] . Tijdens dat muziekfestival, dat diende als afsluiting van een street art festival dat van [cijfer] tot en met [datum] zou plaatsvinden, zouden verschillende artiesten optreden op een groot podium. Op het festivalterrein zou alcoholische drank worden geschonken en zouden foodtrucks aanwezig zijn. Het muziekfestival was een coproductie met de stichting [naam 5] . Dit muziekfestival is volgens de stichting volledig geannuleerd. Op [datum] heeft wel een ander evenement plaatsgevonden, onder dezelfde naam en op dezelfde locatie als het geannuleerde muziekfestival. Dit was een kunstwandeling, waarbij bezoekers langs een aantal kunstwerken konden lopen. Vanwege de coronamaatregelen was dit een doorstroomevenement waarbij nooit meer dan 155 bezoekers tegelijk aanwezig waren op het terrein. Er was alleen koffie en ijs verkrijgbaar. Dit evenement was enkel door de stichting georganiseerd.
2.2
Het College is van oordeel dat de minister terecht tot de conclusie is gekomen dat het evenement niet is geannuleerd, zodat de stichting op grond van artikel 3, eerste lid, van de ATE niet in aanmerking komt voor een subsidie. Het College licht dit oordeel als volgt toe. De subsidie is aangevraagd voor een festival op [datum] met de naam [naam 4] , met als locatie het [adres] in [woonplaats] . Op [datum] heeft op het [adres] in [woonplaats] ook daadwerkelijk een evenement plaatsgevonden met de naam [naam 4] . Dat evenement had een andere vorm dan gepland, zoals de stichting heeft uitgelegd. Maar uit het betoog van de stichting en uit de stukken in het dossier blijkt niet dat het evenement waarvoor de subsidie is aangevraagd volledig is afgelast. Het beeld dat hieruit naar voren komt, is dat [naam 4] wel heeft plaatsgevonden op de geplande datum en op de beoogde locatie, maar met flinke aanpassingen om aan de toen geldende maatregelen te voldoen. Hieruit volgt dat het oorspronkelijke evenement is doorgegaan in een (zeer) afgeslankte vorm en dat het evenement dus niet is geannuleerd. De communicatie vanuit de stichting biedt ook geen aanknopingspunten voor het oordeel dat het evenement is geannuleerd. Op Instagram is bijvoorbeeld vermeld: ‘ [zin] !’.
Het beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt niet
3.1
De stichting doet een beroep op het vertrouwensbeginsel en stelt dat de minister bij de stichting het gerechtvaardigde vertrouwen heeft gewekt dat de subsidieaanvraag zou worden toegewezen.
3.2
Het College volgt de stichting hierin niet. Uit de mailwisseling die de stichting heeft overgelegd, volgt niet dat namens de minister een toezegging is gedaan. Naast algemene informatie over welke kosten subsidiabel zijn, bevat de mail slechts uitleg over hoe de aanvraag kan worden gedaan en wat daarbij moet worden vermeld. Tijdens de zitting heeft de stichting toegelicht dat zij ook door de communicatie met de gemeente [woonplaats] het idee had gekregen dat de subsidieaanvraag zou worden toegewezen. Uitlatingen van de gemeente [woonplaats] kunnen echter niet het vertrouwen wekken dat de minister (een ander bestuursorgaan) een subsidie zal toekennen.
Conclusie
4 De stichting heeft het evenement niet geannuleerd, zodat zij niet in aanmerking komt voor een subsidie. Het beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt niet. Het beroep is ongegrond. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Dictum
Het College verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Brugman, in aanwezigheid van mr. A.M. Slierendrecht, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 27 augustus 2024.
w.g. D. Brugman w.g. A.M. Slierendrecht
Bijlage
Tijdelijke regeling aanvullende subsidie evenementen COVID-19
Artikel 3. Subsidieverstrekking
1. De minister verstrekt aan de organisator van een evenement op aanvraag subsidie ter dekking van de kosten voor het organiseren van een evenement dat moest worden geannuleerd als gevolg van een evenementenverbod.
2. De subsidie wordt uitsluitend verstrekt ten behoeve van een evenement, waarvan de geplande startdatum in de periode van 10 juli 2021 tot en met 31 december 2021 lag, en dat geheel of gedeeltelijk in Nederland zou plaatsvinden.
3. Indien meerdere organisatoren tezamen verantwoordelijk waren voor het organiseren van een evenement en het financiële risico daarvan dragen, wordt de subsidie uitsluitend verstrekt indien zij samenwerken in een samenwerkingsverband.
Inleiding
uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 22/2459
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 augustus 2024 in de zaak tussen
Stichting [naam 1] , te [woonplaats] (stichting)
(gemachtigde: mr. [naam 2] )
en
de minister van Economische Zaken
(gemachtigden: mr. S.F. Hu en mr. P. van Veen)
Procesverloop
Met het besluit van 22 juni 2022 (afwijzingsbesluit) heeft de minister de aanvraag van de stichting voor een subsidie op grond van de Tijdelijke regeling aanvullende subsidie evenementen COVID-19 (ATE) afgewezen.
Met het besluit van 27 september 2022 (bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van de stichting ongegrond verklaard.
De stichting heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
De zitting was op 27 juni 2024. Aan de zitting hebben deelgenomen [naam 3] en mr. [naam 2] namens de stichting en mr. S.F. Hu en mr. P. van Veen namens de minister.
Overwegingen
Inleiding
1.1
De stichting heeft een subsidie aangevraagd op grond van de ATE. De minister heeft deze aanvraag afgewezen, omdat het evenement ( [naam 4] ) volgens hem niet is geannuleerd, maar in aangepaste vorm is doorgegaan. De ATE biedt in dat geval geen mogelijkheid om subsidie te verlenen. De stichting is het hier niet mee eens en heeft beroep ingesteld. Zij stelt zich op het standpunt dat het evenement is geannuleerd, zodat zij wel degelijk in aanmerking komt voor een subsidie.
1.2
Het toepasselijke wettelijke kader is opgenomen in een bijlage bij deze uitspraak.
Beoordeling
Het evenement is doorgegaan in aangepaste vorm
2.1
De stichting voert aan dat het evenement waarvoor de subsidie is aangevraagd een muziekfestival betreft, dat zou plaatsvinden op [datum] . Tijdens dat muziekfestival, dat diende als afsluiting van een street art festival dat van [cijfer] tot en met [datum] zou plaatsvinden, zouden verschillende artiesten optreden op een groot podium. Op het festivalterrein zou alcoholische drank worden geschonken en zouden foodtrucks aanwezig zijn. Het muziekfestival was een coproductie met de stichting [naam 5] . Dit muziekfestival is volgens de stichting volledig geannuleerd. Op [datum] heeft wel een ander evenement plaatsgevonden, onder dezelfde naam en op dezelfde locatie als het geannuleerde muziekfestival. Dit was een kunstwandeling, waarbij bezoekers langs een aantal kunstwerken konden lopen. Vanwege de coronamaatregelen was dit een doorstroomevenement waarbij nooit meer dan 155 bezoekers tegelijk aanwezig waren op het terrein. Er was alleen koffie en ijs verkrijgbaar. Dit evenement was enkel door de stichting georganiseerd.
2.2
Het College is van oordeel dat de minister terecht tot de conclusie is gekomen dat het evenement niet is geannuleerd, zodat de stichting op grond van artikel 3, eerste lid, van de ATE niet in aanmerking komt voor een subsidie. Het College licht dit oordeel als volgt toe. De subsidie is aangevraagd voor een festival op [datum] met de naam [naam 4] , met als locatie het [adres] in [woonplaats] . Op [datum] heeft op het [adres] in [woonplaats] ook daadwerkelijk een evenement plaatsgevonden met de naam [naam 4] . Dat evenement had een andere vorm dan gepland, zoals de stichting heeft uitgelegd. Maar uit het betoog van de stichting en uit de stukken in het dossier blijkt niet dat het evenement waarvoor de subsidie is aangevraagd volledig is afgelast. Het beeld dat hieruit naar voren komt, is dat [naam 4] wel heeft plaatsgevonden op de geplande datum en op de beoogde locatie, maar met flinke aanpassingen om aan de toen geldende maatregelen te voldoen. Hieruit volgt dat het oorspronkelijke evenement is doorgegaan in een (zeer) afgeslankte vorm en dat het evenement dus niet is geannuleerd. De communicatie vanuit de stichting biedt ook geen aanknopingspunten voor het oordeel dat het evenement is geannuleerd. Op Instagram is bijvoorbeeld vermeld: ‘ [zin] !’.
Het beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt niet
3.1
De stichting doet een beroep op het vertrouwensbeginsel en stelt dat de minister bij de stichting het gerechtvaardigde vertrouwen heeft gewekt dat de subsidieaanvraag zou worden toegewezen.
3.2
Het College volgt de stichting hierin niet. Uit de mailwisseling die de stichting heeft overgelegd, volgt niet dat namens de minister een toezegging is gedaan. Naast algemene informatie over welke kosten subsidiabel zijn, bevat de mail slechts uitleg over hoe de aanvraag kan worden gedaan en wat daarbij moet worden vermeld. Tijdens de zitting heeft de stichting toegelicht dat zij ook door de communicatie met de gemeente [woonplaats] het idee had gekregen dat de subsidieaanvraag zou worden toegewezen. Uitlatingen van de gemeente [woonplaats] kunnen echter niet het vertrouwen wekken dat de minister (een ander bestuursorgaan) een subsidie zal toekennen.
Conclusie
4 De stichting heeft het evenement niet geannuleerd, zodat zij niet in aanmerking komt voor een subsidie. Het beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt niet. Het beroep is ongegrond. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Dictum
Het College verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Brugman, in aanwezigheid van mr. A.M. Slierendrecht, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 27 augustus 2024.
w.g. D. Brugman w.g. A.M. Slierendrecht
Bijlage
Tijdelijke regeling aanvullende subsidie evenementen COVID-19
Artikel 3. Subsidieverstrekking
1. De minister verstrekt aan de organisator van een evenement op aanvraag subsidie ter dekking van de kosten voor het organiseren van een evenement dat moest worden geannuleerd als gevolg van een evenementenverbod.
2. De subsidie wordt uitsluitend verstrekt ten behoeve van een evenement, waarvan de geplande startdatum in de periode van 10 juli 2021 tot en met 31 december 2021 lag, en dat geheel of gedeeltelijk in Nederland zou plaatsvinden.
3. Indien meerdere organisatoren tezamen verantwoordelijk waren voor het organiseren van een evenement en het financiële risico daarvan dragen, wordt de subsidie uitsluitend verstrekt indien zij samenwerken in een samenwerkingsverband.