Rechtspraak
College van Beroep voor het bedrijfsleven
2024-08-06
ECLI:NL:CBB:2024:554
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
4,460 tokens
Inleiding
uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 23/418
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 augustus 2024 in de zaak tussen
[naam] B.V., te [plaats] , in staat van faillissement verklaard op 13 juni 2023 (onderneming)
(curator: mr. J. van Meerkerk)
en
de minister van Economische Zaken
(gemachtigden: mr. S.F. Hu en mr. J.P.W. van Oosten)
Procesverloop
Met het besluit van 18 augustus 2022 (vaststellingsbesluit) heeft de minister de subsidie voor het eerste kwartaal van 2022 op grond van de Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19 (TVL) vastgesteld op € 0,- en het betaalde voorschot teruggevorderd.
Met het besluit van 13 december 2022 (bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van de onderneming ongegrond verklaard.
De onderneming heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Met de brief van 5 juli 2023 heeft de curator van de onderneming het College bericht dat de onderneming bij vonnis van de rechtbank Rotterdam van 13 juni 2023 (C/10/23/178 F) met ingang van dezelfde datum in staat van faillissement is verklaard.
Met de brief van 8 februari 2024 heeft het College partijen uitgenodigd voor een zitting op 3 juni 2024.
Met de brief van 13 februari 2024 heeft het College het geding geschorst en de curator van de onderneming in de gelegenheid gesteld om te laten weten of hij het geding al dan niet overneemt.
Met de brief van 21 februari 2024 heeft de curator het College bericht dat hij het geding niet overneemt.
Met de brief van 27 februari 2024 heeft het College de minister in de gelegenheid gesteld om te verzoeken om ontslag van instantie.
Met de brief van 11 maart 2024 heeft de minister om ontslag van instantie wegens faillissement van de onderneming.
De zitting was op 3 juni 2024. Aan de zitting hebben de gemachtigden van de minister deelgenomen.
Overwegingen
1. De onderneming is met ingang van 13 juni 2023 in staat van faillissement verklaard. Op grond van artikel 8:22, eerste lid, van de Awb is in geval van faillissement artikel 27 van de Fw van overeenkomstige toepassing. Artikel 27, eerste lid, van de Fw bepaalt dat indien de rechtsvordering tijdens de faillietverklaring aanhangig en door de schuldenaar ingesteld is, het geding ten verzoeke van de gedaagde geschorst wordt, teneinde deze gelegenheid te geven, binnen een door de rechter te bepalen termijn, de curator tot overneming van het geding op te roepen.
2 De curator heeft het College bericht dat hij de procedure van de onderneming niet wenst over te nemen. De minister heeft vervolgens op grond van artikel 27, tweede lid, van de Fw om ontslag van instantie verzocht.
3 Ter beoordeling ligt voor of het verzoek van de minister om ontslag van instantie te verlenen kan worden toegewezen.
4 Het College weegt in dat verband het belang van de minister bij ontslag van instantie af tegen het belang van de onderneming bij het verkrijgen van een beslissing op het aan het College voorgelegde materiële geschil. Als het verzoek wordt gehonoreerd, volgt niet-ontvankelijkverklaring van het beroep van de onderneming. Een niet-ontvankelijkverklaring blijft achterwege als is gebleken van (gegronde) redenen om de procedure voort te zetten.
5 Nu de curator heeft bericht dat hij de procedure niet wenst over te nemen en de onderneming niet kenbaar heeft gemaakt waarom zij belang heeft bij het verkrijgen van een beslissing op het geschil, is het College niet gebleken van redenen de procedure voort te zetten. Daarom wijst het College het verzoek van de minister om ontslag van instantie toe. Dit betekent dat het beroep niet-ontvankelijk is.
5 Het College verklaart het beroep niet-ontvankelijk. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Dictum
Het College verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van Duuren, in aanwezigheid van mr. K. Naganathar, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 6 augustus 2024.
w.g. M. van Duuren w.g. K. Naganathar
Inleiding
uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 23/418
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 augustus 2024 in de zaak tussen
[naam] B.V., te [plaats] , in staat van faillissement verklaard op 13 juni 2023 (onderneming)
(curator: mr. J. van Meerkerk)
en
de minister van Economische Zaken
(gemachtigden: mr. S.F. Hu en mr. J.P.W. van Oosten)
Procesverloop
Met het besluit van 18 augustus 2022 (vaststellingsbesluit) heeft de minister de subsidie voor het eerste kwartaal van 2022 op grond van de Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19 (TVL) vastgesteld op € 0,- en het betaalde voorschot teruggevorderd.
Met het besluit van 13 december 2022 (bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van de onderneming ongegrond verklaard.
De onderneming heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Met de brief van 5 juli 2023 heeft de curator van de onderneming het College bericht dat de onderneming bij vonnis van de rechtbank Rotterdam van 13 juni 2023 (C/10/23/178 F) met ingang van dezelfde datum in staat van faillissement is verklaard.
Met de brief van 8 februari 2024 heeft het College partijen uitgenodigd voor een zitting op 3 juni 2024.
Met de brief van 13 februari 2024 heeft het College het geding geschorst en de curator van de onderneming in de gelegenheid gesteld om te laten weten of hij het geding al dan niet overneemt.
Met de brief van 21 februari 2024 heeft de curator het College bericht dat hij het geding niet overneemt.
Met de brief van 27 februari 2024 heeft het College de minister in de gelegenheid gesteld om te verzoeken om ontslag van instantie.
Met de brief van 11 maart 2024 heeft de minister om ontslag van instantie wegens faillissement van de onderneming.
De zitting was op 3 juni 2024. Aan de zitting hebben de gemachtigden van de minister deelgenomen.
Overwegingen
1. De onderneming is met ingang van 13 juni 2023 in staat van faillissement verklaard. Op grond van artikel 8:22, eerste lid, van de Awb is in geval van faillissement artikel 27 van de Fw van overeenkomstige toepassing. Artikel 27, eerste lid, van de Fw bepaalt dat indien de rechtsvordering tijdens de faillietverklaring aanhangig en door de schuldenaar ingesteld is, het geding ten verzoeke van de gedaagde geschorst wordt, teneinde deze gelegenheid te geven, binnen een door de rechter te bepalen termijn, de curator tot overneming van het geding op te roepen.
2 De curator heeft het College bericht dat hij de procedure van de onderneming niet wenst over te nemen. De minister heeft vervolgens op grond van artikel 27, tweede lid, van de Fw om ontslag van instantie verzocht.
3 Ter beoordeling ligt voor of het verzoek van de minister om ontslag van instantie te verlenen kan worden toegewezen.
4 Het College weegt in dat verband het belang van de minister bij ontslag van instantie af tegen het belang van de onderneming bij het verkrijgen van een beslissing op het aan het College voorgelegde materiële geschil. Als het verzoek wordt gehonoreerd, volgt niet-ontvankelijkverklaring van het beroep van de onderneming. Een niet-ontvankelijkverklaring blijft achterwege als is gebleken van (gegronde) redenen om de procedure voort te zetten.
5 Nu de curator heeft bericht dat hij de procedure niet wenst over te nemen en de onderneming niet kenbaar heeft gemaakt waarom zij belang heeft bij het verkrijgen van een beslissing op het geschil, is het College niet gebleken van redenen de procedure voort te zetten. Daarom wijst het College het verzoek van de minister om ontslag van instantie toe. Dit betekent dat het beroep niet-ontvankelijk is.
5 Het College verklaart het beroep niet-ontvankelijk. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Dictum
Het College verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van Duuren, in aanwezigheid van mr. K. Naganathar, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 6 augustus 2024.
w.g. M. van Duuren w.g. K. Naganathar
Inleiding
uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 23/418
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 augustus 2024 in de zaak tussen
[naam] B.V., te [plaats] , in staat van faillissement verklaard op 13 juni 2023 (onderneming)
(curator: mr. J. van Meerkerk)
en
de minister van Economische Zaken
(gemachtigden: mr. S.F. Hu en mr. J.P.W. van Oosten)
Procesverloop
Met het besluit van 18 augustus 2022 (vaststellingsbesluit) heeft de minister de subsidie voor het eerste kwartaal van 2022 op grond van de Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19 (TVL) vastgesteld op € 0,- en het betaalde voorschot teruggevorderd.
Met het besluit van 13 december 2022 (bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van de onderneming ongegrond verklaard.
De onderneming heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Met de brief van 5 juli 2023 heeft de curator van de onderneming het College bericht dat de onderneming bij vonnis van de rechtbank Rotterdam van 13 juni 2023 (C/10/23/178 F) met ingang van dezelfde datum in staat van faillissement is verklaard.
Met de brief van 8 februari 2024 heeft het College partijen uitgenodigd voor een zitting op 3 juni 2024.
Met de brief van 13 februari 2024 heeft het College het geding geschorst en de curator van de onderneming in de gelegenheid gesteld om te laten weten of hij het geding al dan niet overneemt.
Met de brief van 21 februari 2024 heeft de curator het College bericht dat hij het geding niet overneemt.
Met de brief van 27 februari 2024 heeft het College de minister in de gelegenheid gesteld om te verzoeken om ontslag van instantie.
Met de brief van 11 maart 2024 heeft de minister om ontslag van instantie wegens faillissement van de onderneming.
De zitting was op 3 juni 2024. Aan de zitting hebben de gemachtigden van de minister deelgenomen.
Overwegingen
1. De onderneming is met ingang van 13 juni 2023 in staat van faillissement verklaard. Op grond van artikel 8:22, eerste lid, van de Awb is in geval van faillissement artikel 27 van de Fw van overeenkomstige toepassing. Artikel 27, eerste lid, van de Fw bepaalt dat indien de rechtsvordering tijdens de faillietverklaring aanhangig en door de schuldenaar ingesteld is, het geding ten verzoeke van de gedaagde geschorst wordt, teneinde deze gelegenheid te geven, binnen een door de rechter te bepalen termijn, de curator tot overneming van het geding op te roepen.
2 De curator heeft het College bericht dat hij de procedure van de onderneming niet wenst over te nemen. De minister heeft vervolgens op grond van artikel 27, tweede lid, van de Fw om ontslag van instantie verzocht.
3 Ter beoordeling ligt voor of het verzoek van de minister om ontslag van instantie te verlenen kan worden toegewezen.
4 Het College weegt in dat verband het belang van de minister bij ontslag van instantie af tegen het belang van de onderneming bij het verkrijgen van een beslissing op het aan het College voorgelegde materiële geschil. Als het verzoek wordt gehonoreerd, volgt niet-ontvankelijkverklaring van het beroep van de onderneming. Een niet-ontvankelijkverklaring blijft achterwege als is gebleken van (gegronde) redenen om de procedure voort te zetten.
5 Nu de curator heeft bericht dat hij de procedure niet wenst over te nemen en de onderneming niet kenbaar heeft gemaakt waarom zij belang heeft bij het verkrijgen van een beslissing op het geschil, is het College niet gebleken van redenen de procedure voort te zetten. Daarom wijst het College het verzoek van de minister om ontslag van instantie toe. Dit betekent dat het beroep niet-ontvankelijk is.
5 Het College verklaart het beroep niet-ontvankelijk. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Dictum
Het College verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van Duuren, in aanwezigheid van mr. K. Naganathar, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 6 augustus 2024.
w.g. M. van Duuren w.g. K. Naganathar
Inleiding
uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 23/418
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 augustus 2024 in de zaak tussen
[naam] B.V., te [plaats] , in staat van faillissement verklaard op 13 juni 2023 (onderneming)
(curator: mr. J. van Meerkerk)
en
de minister van Economische Zaken
(gemachtigden: mr. S.F. Hu en mr. J.P.W. van Oosten)
Procesverloop
Met het besluit van 18 augustus 2022 (vaststellingsbesluit) heeft de minister de subsidie voor het eerste kwartaal van 2022 op grond van de Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19 (TVL) vastgesteld op € 0,- en het betaalde voorschot teruggevorderd.
Met het besluit van 13 december 2022 (bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van de onderneming ongegrond verklaard.
De onderneming heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Met de brief van 5 juli 2023 heeft de curator van de onderneming het College bericht dat de onderneming bij vonnis van de rechtbank Rotterdam van 13 juni 2023 (C/10/23/178 F) met ingang van dezelfde datum in staat van faillissement is verklaard.
Met de brief van 8 februari 2024 heeft het College partijen uitgenodigd voor een zitting op 3 juni 2024.
Met de brief van 13 februari 2024 heeft het College het geding geschorst en de curator van de onderneming in de gelegenheid gesteld om te laten weten of hij het geding al dan niet overneemt.
Met de brief van 21 februari 2024 heeft de curator het College bericht dat hij het geding niet overneemt.
Met de brief van 27 februari 2024 heeft het College de minister in de gelegenheid gesteld om te verzoeken om ontslag van instantie.
Met de brief van 11 maart 2024 heeft de minister om ontslag van instantie wegens faillissement van de onderneming.
De zitting was op 3 juni 2024. Aan de zitting hebben de gemachtigden van de minister deelgenomen.
Overwegingen
1. De onderneming is met ingang van 13 juni 2023 in staat van faillissement verklaard. Op grond van artikel 8:22, eerste lid, van de Awb is in geval van faillissement artikel 27 van de Fw van overeenkomstige toepassing. Artikel 27, eerste lid, van de Fw bepaalt dat indien de rechtsvordering tijdens de faillietverklaring aanhangig en door de schuldenaar ingesteld is, het geding ten verzoeke van de gedaagde geschorst wordt, teneinde deze gelegenheid te geven, binnen een door de rechter te bepalen termijn, de curator tot overneming van het geding op te roepen.
2 De curator heeft het College bericht dat hij de procedure van de onderneming niet wenst over te nemen. De minister heeft vervolgens op grond van artikel 27, tweede lid, van de Fw om ontslag van instantie verzocht.
3 Ter beoordeling ligt voor of het verzoek van de minister om ontslag van instantie te verlenen kan worden toegewezen.
4 Het College weegt in dat verband het belang van de minister bij ontslag van instantie af tegen het belang van de onderneming bij het verkrijgen van een beslissing op het aan het College voorgelegde materiële geschil. Als het verzoek wordt gehonoreerd, volgt niet-ontvankelijkverklaring van het beroep van de onderneming. Een niet-ontvankelijkverklaring blijft achterwege als is gebleken van (gegronde) redenen om de procedure voort te zetten.
5 Nu de curator heeft bericht dat hij de procedure niet wenst over te nemen en de onderneming niet kenbaar heeft gemaakt waarom zij belang heeft bij het verkrijgen van een beslissing op het geschil, is het College niet gebleken van redenen de procedure voort te zetten. Daarom wijst het College het verzoek van de minister om ontslag van instantie toe. Dit betekent dat het beroep niet-ontvankelijk is.
5 Het College verklaart het beroep niet-ontvankelijk. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Dictum
Het College verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van Duuren, in aanwezigheid van mr. K. Naganathar, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 6 augustus 2024.
w.g. M. van Duuren w.g. K. Naganathar