Rechtspraak
College van Beroep voor het bedrijfsleven
2024-08-06
ECLI:NL:CBB:2024:548
Bestuursrecht
Verzet
4,028 tokens
Inleiding
uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummers: 23/1861 en 23/1862
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 augustus 2024 op het verzet van
[naam] , te [plaats] (de onderneming)
Procesverloop
De onderneming heeft verzet gedaan tegen twee uitspraken van het College met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, dus zonder zitting, van
30 april 2024. De eerste uitspraak gaat over het beroep met het zaaknummer 23/699, de tweede over de beroepen met de zaaknummers 23/1861 en 23/1862. In deze uitspraak beslist het College op het verzet tegen de tweede uitspraak.
Overwegingen
1.1
De onderneming heeft op 2 maart 2023 bij het College beroep ingesteld. Bij het beroepschrift zit een afschrift van een besluit op bezwaar van de minister van Economische Zaken en Klimaat (thans: de minister van Economische Zaken) van 22 februari 2023 waarbij het bezwaar van de onderneming tegen een besluit van 28 juni 2022 niet-ontvankelijk is verklaard wegens onverschoonbare overschrijding van de bezwaartermijn. Dat beroep, met het zaaknummer 23/699, heeft het College ongegrond verklaard.
1.2
Op 26 oktober 2023 heeft de onderneming bij het College beroep ingesteld tegen (1) een besluit op bezwaar van de minister van (eveneens) 22 februari 2023 waarbij is beslist op het bezwaar van de onderneming tegen een besluit van 7 juli 2022 en (2) tegen een besluit op bezwaar van de minister van 24 februari 2023 waarbij is beslist op het bezwaar van de onderneming tegen een besluit van 28 juni 2022. De beroepen, met de zaaknummers 23/1861 en 23/1862, heeft het College niet-ontvankelijk verklaard wegens onverschoonbare overschrijding van de beroepstermijn.
3. Naar aanleiding van wat de onderneming in verzet tegen de uitspraak met de zaaknummers 23/1861 en 23/1862 heeft aangevoerd komt het College tot de volgende beoordeling.
3.1
In de aanhef van het beroepschrift van 2 maart 2023 wordt niet alleen verwezen naar het subsidiekwartaal waar de besluitvorming van 28 juni 2022 en 22 februari 2023 over gaat, maar ook naar twee andere subsidiekwartalen. Gebleken is dat die verwijzing betrekking heeft op de besluitvorming van 7 juli 2022 en 22 februari 2023 respectievelijk 6 augustus 2022 en 24 februari 2023. Dat betekent dat de onderneming al op 2 maart 2023, en daarmee tijdig, beroep heeft ingesteld tegen het (tweede) besluit op bezwaar van 22 februari 2023 en het besluit op bezwaar van 24 februari 2023. Het College heeft dat aanvankelijk niet onderkend. Daardoor heeft de onderneming tegen die besluiten later opnieuw beroep ingesteld. Dat was dus achteraf niet nodig.
3.2
Het verzet is gegrond, de uitspraak van het College van 30 april 2024 met de zaaknummers 23/1861 en 23/1862 vervalt en de onderzoeken worden hervat in de stand waarin deze zich bevonden.
4 Wat betekent dit voor het vervolg? Het College zal de beroepen met de zaaknummers 23/1861 en 23/1862 en het verzet tegen de uitspraak met het zaaknummer 23/699 tegelijkertijd op een zitting behandelen. Dat kan pas als de minister in de zaken met de zaaknummers 23/1861 en 23/1862 de op die zaken betrekking hebbende stukken aan het College heeft gezonden en verweerschriften heeft ingediend. Het College verzoekt de minister dit binnen vier weken na de dag van deze uitpraak te doen.
5. De minister hoeft geen proceskosten van het verzet te vergoeden.
Dictum
Het College verklaart het verzet tegen de uitspraak van 30 april 2024 met de zaaknummers 23/1861 en 23/1862 gegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.G.M. Simons, in aanwezigheid van mr. S. van Noordt, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 6 augustus 2024.
w.g. T.G.M. Simons w.g. S. van Noordt
Inleiding
uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummers: 23/1861 en 23/1862
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 augustus 2024 op het verzet van
[naam] , te [plaats] (de onderneming)
Procesverloop
De onderneming heeft verzet gedaan tegen twee uitspraken van het College met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, dus zonder zitting, van
30 april 2024. De eerste uitspraak gaat over het beroep met het zaaknummer 23/699, de tweede over de beroepen met de zaaknummers 23/1861 en 23/1862. In deze uitspraak beslist het College op het verzet tegen de tweede uitspraak.
Overwegingen
1.1
De onderneming heeft op 2 maart 2023 bij het College beroep ingesteld. Bij het beroepschrift zit een afschrift van een besluit op bezwaar van de minister van Economische Zaken en Klimaat (thans: de minister van Economische Zaken) van 22 februari 2023 waarbij het bezwaar van de onderneming tegen een besluit van 28 juni 2022 niet-ontvankelijk is verklaard wegens onverschoonbare overschrijding van de bezwaartermijn. Dat beroep, met het zaaknummer 23/699, heeft het College ongegrond verklaard.
1.2
Op 26 oktober 2023 heeft de onderneming bij het College beroep ingesteld tegen (1) een besluit op bezwaar van de minister van (eveneens) 22 februari 2023 waarbij is beslist op het bezwaar van de onderneming tegen een besluit van 7 juli 2022 en (2) tegen een besluit op bezwaar van de minister van 24 februari 2023 waarbij is beslist op het bezwaar van de onderneming tegen een besluit van 28 juni 2022. De beroepen, met de zaaknummers 23/1861 en 23/1862, heeft het College niet-ontvankelijk verklaard wegens onverschoonbare overschrijding van de beroepstermijn.
3. Naar aanleiding van wat de onderneming in verzet tegen de uitspraak met de zaaknummers 23/1861 en 23/1862 heeft aangevoerd komt het College tot de volgende beoordeling.
3.1
In de aanhef van het beroepschrift van 2 maart 2023 wordt niet alleen verwezen naar het subsidiekwartaal waar de besluitvorming van 28 juni 2022 en 22 februari 2023 over gaat, maar ook naar twee andere subsidiekwartalen. Gebleken is dat die verwijzing betrekking heeft op de besluitvorming van 7 juli 2022 en 22 februari 2023 respectievelijk 6 augustus 2022 en 24 februari 2023. Dat betekent dat de onderneming al op 2 maart 2023, en daarmee tijdig, beroep heeft ingesteld tegen het (tweede) besluit op bezwaar van 22 februari 2023 en het besluit op bezwaar van 24 februari 2023. Het College heeft dat aanvankelijk niet onderkend. Daardoor heeft de onderneming tegen die besluiten later opnieuw beroep ingesteld. Dat was dus achteraf niet nodig.
3.2
Het verzet is gegrond, de uitspraak van het College van 30 april 2024 met de zaaknummers 23/1861 en 23/1862 vervalt en de onderzoeken worden hervat in de stand waarin deze zich bevonden.
4 Wat betekent dit voor het vervolg? Het College zal de beroepen met de zaaknummers 23/1861 en 23/1862 en het verzet tegen de uitspraak met het zaaknummer 23/699 tegelijkertijd op een zitting behandelen. Dat kan pas als de minister in de zaken met de zaaknummers 23/1861 en 23/1862 de op die zaken betrekking hebbende stukken aan het College heeft gezonden en verweerschriften heeft ingediend. Het College verzoekt de minister dit binnen vier weken na de dag van deze uitpraak te doen.
5. De minister hoeft geen proceskosten van het verzet te vergoeden.
Dictum
Het College verklaart het verzet tegen de uitspraak van 30 april 2024 met de zaaknummers 23/1861 en 23/1862 gegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.G.M. Simons, in aanwezigheid van mr. S. van Noordt, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 6 augustus 2024.
w.g. T.G.M. Simons w.g. S. van Noordt
Inleiding
uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummers: 23/1861 en 23/1862
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 augustus 2024 op het verzet van
[naam] , te [plaats] (de onderneming)
Procesverloop
De onderneming heeft verzet gedaan tegen twee uitspraken van het College met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, dus zonder zitting, van
30 april 2024. De eerste uitspraak gaat over het beroep met het zaaknummer 23/699, de tweede over de beroepen met de zaaknummers 23/1861 en 23/1862. In deze uitspraak beslist het College op het verzet tegen de tweede uitspraak.
Overwegingen
1.1
De onderneming heeft op 2 maart 2023 bij het College beroep ingesteld. Bij het beroepschrift zit een afschrift van een besluit op bezwaar van de minister van Economische Zaken en Klimaat (thans: de minister van Economische Zaken) van 22 februari 2023 waarbij het bezwaar van de onderneming tegen een besluit van 28 juni 2022 niet-ontvankelijk is verklaard wegens onverschoonbare overschrijding van de bezwaartermijn. Dat beroep, met het zaaknummer 23/699, heeft het College ongegrond verklaard.
1.2
Op 26 oktober 2023 heeft de onderneming bij het College beroep ingesteld tegen (1) een besluit op bezwaar van de minister van (eveneens) 22 februari 2023 waarbij is beslist op het bezwaar van de onderneming tegen een besluit van 7 juli 2022 en (2) tegen een besluit op bezwaar van de minister van 24 februari 2023 waarbij is beslist op het bezwaar van de onderneming tegen een besluit van 28 juni 2022. De beroepen, met de zaaknummers 23/1861 en 23/1862, heeft het College niet-ontvankelijk verklaard wegens onverschoonbare overschrijding van de beroepstermijn.
3. Naar aanleiding van wat de onderneming in verzet tegen de uitspraak met de zaaknummers 23/1861 en 23/1862 heeft aangevoerd komt het College tot de volgende beoordeling.
3.1
In de aanhef van het beroepschrift van 2 maart 2023 wordt niet alleen verwezen naar het subsidiekwartaal waar de besluitvorming van 28 juni 2022 en 22 februari 2023 over gaat, maar ook naar twee andere subsidiekwartalen. Gebleken is dat die verwijzing betrekking heeft op de besluitvorming van 7 juli 2022 en 22 februari 2023 respectievelijk 6 augustus 2022 en 24 februari 2023. Dat betekent dat de onderneming al op 2 maart 2023, en daarmee tijdig, beroep heeft ingesteld tegen het (tweede) besluit op bezwaar van 22 februari 2023 en het besluit op bezwaar van 24 februari 2023. Het College heeft dat aanvankelijk niet onderkend. Daardoor heeft de onderneming tegen die besluiten later opnieuw beroep ingesteld. Dat was dus achteraf niet nodig.
3.2
Het verzet is gegrond, de uitspraak van het College van 30 april 2024 met de zaaknummers 23/1861 en 23/1862 vervalt en de onderzoeken worden hervat in de stand waarin deze zich bevonden.
4 Wat betekent dit voor het vervolg? Het College zal de beroepen met de zaaknummers 23/1861 en 23/1862 en het verzet tegen de uitspraak met het zaaknummer 23/699 tegelijkertijd op een zitting behandelen. Dat kan pas als de minister in de zaken met de zaaknummers 23/1861 en 23/1862 de op die zaken betrekking hebbende stukken aan het College heeft gezonden en verweerschriften heeft ingediend. Het College verzoekt de minister dit binnen vier weken na de dag van deze uitpraak te doen.
5. De minister hoeft geen proceskosten van het verzet te vergoeden.
Dictum
Het College verklaart het verzet tegen de uitspraak van 30 april 2024 met de zaaknummers 23/1861 en 23/1862 gegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.G.M. Simons, in aanwezigheid van mr. S. van Noordt, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 6 augustus 2024.
w.g. T.G.M. Simons w.g. S. van Noordt
Inleiding
uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummers: 23/1861 en 23/1862
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 augustus 2024 op het verzet van
[naam] , te [plaats] (de onderneming)
Procesverloop
De onderneming heeft verzet gedaan tegen twee uitspraken van het College met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, dus zonder zitting, van
30 april 2024. De eerste uitspraak gaat over het beroep met het zaaknummer 23/699, de tweede over de beroepen met de zaaknummers 23/1861 en 23/1862. In deze uitspraak beslist het College op het verzet tegen de tweede uitspraak.
Overwegingen
1.1
De onderneming heeft op 2 maart 2023 bij het College beroep ingesteld. Bij het beroepschrift zit een afschrift van een besluit op bezwaar van de minister van Economische Zaken en Klimaat (thans: de minister van Economische Zaken) van 22 februari 2023 waarbij het bezwaar van de onderneming tegen een besluit van 28 juni 2022 niet-ontvankelijk is verklaard wegens onverschoonbare overschrijding van de bezwaartermijn. Dat beroep, met het zaaknummer 23/699, heeft het College ongegrond verklaard.
1.2
Op 26 oktober 2023 heeft de onderneming bij het College beroep ingesteld tegen (1) een besluit op bezwaar van de minister van (eveneens) 22 februari 2023 waarbij is beslist op het bezwaar van de onderneming tegen een besluit van 7 juli 2022 en (2) tegen een besluit op bezwaar van de minister van 24 februari 2023 waarbij is beslist op het bezwaar van de onderneming tegen een besluit van 28 juni 2022. De beroepen, met de zaaknummers 23/1861 en 23/1862, heeft het College niet-ontvankelijk verklaard wegens onverschoonbare overschrijding van de beroepstermijn.
3. Naar aanleiding van wat de onderneming in verzet tegen de uitspraak met de zaaknummers 23/1861 en 23/1862 heeft aangevoerd komt het College tot de volgende beoordeling.
3.1
In de aanhef van het beroepschrift van 2 maart 2023 wordt niet alleen verwezen naar het subsidiekwartaal waar de besluitvorming van 28 juni 2022 en 22 februari 2023 over gaat, maar ook naar twee andere subsidiekwartalen. Gebleken is dat die verwijzing betrekking heeft op de besluitvorming van 7 juli 2022 en 22 februari 2023 respectievelijk 6 augustus 2022 en 24 februari 2023. Dat betekent dat de onderneming al op 2 maart 2023, en daarmee tijdig, beroep heeft ingesteld tegen het (tweede) besluit op bezwaar van 22 februari 2023 en het besluit op bezwaar van 24 februari 2023. Het College heeft dat aanvankelijk niet onderkend. Daardoor heeft de onderneming tegen die besluiten later opnieuw beroep ingesteld. Dat was dus achteraf niet nodig.
3.2
Het verzet is gegrond, de uitspraak van het College van 30 april 2024 met de zaaknummers 23/1861 en 23/1862 vervalt en de onderzoeken worden hervat in de stand waarin deze zich bevonden.
4 Wat betekent dit voor het vervolg? Het College zal de beroepen met de zaaknummers 23/1861 en 23/1862 en het verzet tegen de uitspraak met het zaaknummer 23/699 tegelijkertijd op een zitting behandelen. Dat kan pas als de minister in de zaken met de zaaknummers 23/1861 en 23/1862 de op die zaken betrekking hebbende stukken aan het College heeft gezonden en verweerschriften heeft ingediend. Het College verzoekt de minister dit binnen vier weken na de dag van deze uitpraak te doen.
5. De minister hoeft geen proceskosten van het verzet te vergoeden.
Dictum
Het College verklaart het verzet tegen de uitspraak van 30 april 2024 met de zaaknummers 23/1861 en 23/1862 gegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.G.M. Simons, in aanwezigheid van mr. S. van Noordt, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 6 augustus 2024.
w.g. T.G.M. Simons w.g. S. van Noordt