Rechtspraak
College van Beroep voor het bedrijfsleven
2024-07-30
ECLI:NL:CBB:2024:536
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
4,704 tokens
Inleiding
uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 23/600
uitspraak zonder zitting van de enkelvoudige kamer van 30 juli 2024 in de zaak tussen
[naam] B.V., te [plaats] (de onderneming)
en
de minister van Economische Zaken
Procesverloop
Met het besluit van 6 augustus 2022 heeft de minister de op grond van de Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19 (TVL) aan de onderneming verleende subsidie voor het eerste kwartaal (Q1) van 2021 vastgesteld op € 0,- en het betaalde voorschot van € 25.025,91 teruggevorderd.
Met het besluit van 19 januari 2023 (bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van de onderneming ongegrond verklaard.
De onderneming heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
Beoordeling
Het College doet uitspraak zonder zitting, omdat het na lezing van het beroepschrift en de andere stukken in het dossier over voldoende informatie beschikt om tot een oordeel te komen. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht bepaalt dat een zitting in dat geval niet nodig is.
De minister heeft de subsidie vastgesteld op € 0,-, omdat uit de gegevens van de Belastingdienst is gebleken dat de onderneming niet voldoet aan het vereiste van ten minste 30% omzetverlies.
De onderneming voert aan dat zij bij haar aanvraag is uitgegaan van de geschreven omzetten die per week worden bijgehouden. Dit is de werkelijke omzet. Deze onderbouwing van de omzet is door het ministerie van Sociale Zaken goedgekeurd in het kader van de NOW-aanvragen van de onderneming. De omzet die in de aangifte omzetbelasting is opgenomen, is gebaseerd op de ontvangen bedragen per kas en per bank in de betreffende periode. De onderneming vindt dat ook voor de TVL van de door haar bij de aanvraag opgegeven, werkelijke, omzet moet worden uitgegaan en niet van de omzet die uit de aangifte omzetbelasting blijkt.
Het College heeft al veel vergelijkbare zaken behandeld. Daarin heeft het telkens geoordeeld dat als een onderneming over haar gehele omzet omzetbelasting betaalt, de minister de aangifte omzetbelasting moet gebruiken voor het bepalen van de omzet en het berekenen van het omzetverlies. De belangrijkste reden daarvoor is dat dit een bewuste keuze van de regelgever is geweest, om zo de TVL uitvoerbaar te houden en de administratieve lasten te beperken. Zie onder andere de uitspraken van het College van 11 januari 2022 (ECLI:NL:CBB:2022:5), 14 juni 2022 (ECLI:NL:CBB:2022:307) en 21 juni 2022 (ECLI:NL:CBB:2022:323). Ook in dit geval is het College van oordeel dat de minister terecht is uitgegaan van de omzet die uit de aangifte omzetbelasting blijkt. Dat er bij de NOW-aanvragen van de onderneming wel is uitgegaan van de door de onderneming opgegeven omzet, leidt niet tot een ander oordeel. De NOW is een andere regeling met andere voorwaarden. Bovendien volgt zowel uit de TVL zelf als uit het aanvraagformulier, dat bij de berekening van het omzetverlies wordt uitgegaan van de omzet zoals die blijkt uit de aangifte omzetbelasting. De onderneming had daar dus van op de hoogte kunnen en moeten zijn. De minister heeft dan ook terecht geconcludeerd dat niet is voldaan aan het vereiste van ten minste 30% omzetverlies. De minister mocht daarom gebruik maken van zijn bevoegdheid om de subsidie lager (op € 0,-) vast te stellen en het betaalde voorschot terug te vorderen.
5 Het beroep is (kennelijk) ongegrond.
Dictum
Het College verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.W.L. Koopmans, in aanwezigheid van mr. A.A. Dijk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 30 juli 2024.
w.g. R.W.L. Koopmans w.g. A.A. Dijk
Afschrift verzonden aan partijen op:
Wat u kunt doen als u het niet eens bent met deze uitspraak
Tegen deze uitspraak kunt u in verzet gaan bij het College. U doet dit door in een brief (het verzetschrift) toe te lichten waarom u het niet eens bent met de uitspraak. Zorg ervoor dat het College uw verzetschrift op tijd ontvangt, namelijk binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. In uw verzetschrift kunt u het College vragen om mondeling te mogen toelichten waarom u het niet eens bent met de uitspraak.
Deze uitspraken zijn te vinden op www.rechtspraak.nl.
Inleiding
uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 23/600
uitspraak zonder zitting van de enkelvoudige kamer van 30 juli 2024 in de zaak tussen
[naam] B.V., te [plaats] (de onderneming)
en
de minister van Economische Zaken
Procesverloop
Met het besluit van 6 augustus 2022 heeft de minister de op grond van de Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19 (TVL) aan de onderneming verleende subsidie voor het eerste kwartaal (Q1) van 2021 vastgesteld op € 0,- en het betaalde voorschot van € 25.025,91 teruggevorderd.
Met het besluit van 19 januari 2023 (bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van de onderneming ongegrond verklaard.
De onderneming heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
Beoordeling
Het College doet uitspraak zonder zitting, omdat het na lezing van het beroepschrift en de andere stukken in het dossier over voldoende informatie beschikt om tot een oordeel te komen. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht bepaalt dat een zitting in dat geval niet nodig is.
De minister heeft de subsidie vastgesteld op € 0,-, omdat uit de gegevens van de Belastingdienst is gebleken dat de onderneming niet voldoet aan het vereiste van ten minste 30% omzetverlies.
De onderneming voert aan dat zij bij haar aanvraag is uitgegaan van de geschreven omzetten die per week worden bijgehouden. Dit is de werkelijke omzet. Deze onderbouwing van de omzet is door het ministerie van Sociale Zaken goedgekeurd in het kader van de NOW-aanvragen van de onderneming. De omzet die in de aangifte omzetbelasting is opgenomen, is gebaseerd op de ontvangen bedragen per kas en per bank in de betreffende periode. De onderneming vindt dat ook voor de TVL van de door haar bij de aanvraag opgegeven, werkelijke, omzet moet worden uitgegaan en niet van de omzet die uit de aangifte omzetbelasting blijkt.
Het College heeft al veel vergelijkbare zaken behandeld. Daarin heeft het telkens geoordeeld dat als een onderneming over haar gehele omzet omzetbelasting betaalt, de minister de aangifte omzetbelasting moet gebruiken voor het bepalen van de omzet en het berekenen van het omzetverlies. De belangrijkste reden daarvoor is dat dit een bewuste keuze van de regelgever is geweest, om zo de TVL uitvoerbaar te houden en de administratieve lasten te beperken. Zie onder andere de uitspraken van het College van 11 januari 2022 (ECLI:NL:CBB:2022:5), 14 juni 2022 (ECLI:NL:CBB:2022:307) en 21 juni 2022 (ECLI:NL:CBB:2022:323). Ook in dit geval is het College van oordeel dat de minister terecht is uitgegaan van de omzet die uit de aangifte omzetbelasting blijkt. Dat er bij de NOW-aanvragen van de onderneming wel is uitgegaan van de door de onderneming opgegeven omzet, leidt niet tot een ander oordeel. De NOW is een andere regeling met andere voorwaarden. Bovendien volgt zowel uit de TVL zelf als uit het aanvraagformulier, dat bij de berekening van het omzetverlies wordt uitgegaan van de omzet zoals die blijkt uit de aangifte omzetbelasting. De onderneming had daar dus van op de hoogte kunnen en moeten zijn. De minister heeft dan ook terecht geconcludeerd dat niet is voldaan aan het vereiste van ten minste 30% omzetverlies. De minister mocht daarom gebruik maken van zijn bevoegdheid om de subsidie lager (op € 0,-) vast te stellen en het betaalde voorschot terug te vorderen.
5 Het beroep is (kennelijk) ongegrond.
Dictum
Het College verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.W.L. Koopmans, in aanwezigheid van mr. A.A. Dijk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 30 juli 2024.
w.g. R.W.L. Koopmans w.g. A.A. Dijk
Afschrift verzonden aan partijen op:
Wat u kunt doen als u het niet eens bent met deze uitspraak
Tegen deze uitspraak kunt u in verzet gaan bij het College. U doet dit door in een brief (het verzetschrift) toe te lichten waarom u het niet eens bent met de uitspraak. Zorg ervoor dat het College uw verzetschrift op tijd ontvangt, namelijk binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. In uw verzetschrift kunt u het College vragen om mondeling te mogen toelichten waarom u het niet eens bent met de uitspraak.
Deze uitspraken zijn te vinden op www.rechtspraak.nl.
Inleiding
uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 23/600
uitspraak zonder zitting van de enkelvoudige kamer van 30 juli 2024 in de zaak tussen
[naam] B.V., te [plaats] (de onderneming)
en
de minister van Economische Zaken
Procesverloop
Met het besluit van 6 augustus 2022 heeft de minister de op grond van de Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19 (TVL) aan de onderneming verleende subsidie voor het eerste kwartaal (Q1) van 2021 vastgesteld op € 0,- en het betaalde voorschot van € 25.025,91 teruggevorderd.
Met het besluit van 19 januari 2023 (bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van de onderneming ongegrond verklaard.
De onderneming heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
Beoordeling
Het College doet uitspraak zonder zitting, omdat het na lezing van het beroepschrift en de andere stukken in het dossier over voldoende informatie beschikt om tot een oordeel te komen. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht bepaalt dat een zitting in dat geval niet nodig is.
De minister heeft de subsidie vastgesteld op € 0,-, omdat uit de gegevens van de Belastingdienst is gebleken dat de onderneming niet voldoet aan het vereiste van ten minste 30% omzetverlies.
De onderneming voert aan dat zij bij haar aanvraag is uitgegaan van de geschreven omzetten die per week worden bijgehouden. Dit is de werkelijke omzet. Deze onderbouwing van de omzet is door het ministerie van Sociale Zaken goedgekeurd in het kader van de NOW-aanvragen van de onderneming. De omzet die in de aangifte omzetbelasting is opgenomen, is gebaseerd op de ontvangen bedragen per kas en per bank in de betreffende periode. De onderneming vindt dat ook voor de TVL van de door haar bij de aanvraag opgegeven, werkelijke, omzet moet worden uitgegaan en niet van de omzet die uit de aangifte omzetbelasting blijkt.
Het College heeft al veel vergelijkbare zaken behandeld. Daarin heeft het telkens geoordeeld dat als een onderneming over haar gehele omzet omzetbelasting betaalt, de minister de aangifte omzetbelasting moet gebruiken voor het bepalen van de omzet en het berekenen van het omzetverlies. De belangrijkste reden daarvoor is dat dit een bewuste keuze van de regelgever is geweest, om zo de TVL uitvoerbaar te houden en de administratieve lasten te beperken. Zie onder andere de uitspraken van het College van 11 januari 2022 (ECLI:NL:CBB:2022:5), 14 juni 2022 (ECLI:NL:CBB:2022:307) en 21 juni 2022 (ECLI:NL:CBB:2022:323). Ook in dit geval is het College van oordeel dat de minister terecht is uitgegaan van de omzet die uit de aangifte omzetbelasting blijkt. Dat er bij de NOW-aanvragen van de onderneming wel is uitgegaan van de door de onderneming opgegeven omzet, leidt niet tot een ander oordeel. De NOW is een andere regeling met andere voorwaarden. Bovendien volgt zowel uit de TVL zelf als uit het aanvraagformulier, dat bij de berekening van het omzetverlies wordt uitgegaan van de omzet zoals die blijkt uit de aangifte omzetbelasting. De onderneming had daar dus van op de hoogte kunnen en moeten zijn. De minister heeft dan ook terecht geconcludeerd dat niet is voldaan aan het vereiste van ten minste 30% omzetverlies. De minister mocht daarom gebruik maken van zijn bevoegdheid om de subsidie lager (op € 0,-) vast te stellen en het betaalde voorschot terug te vorderen.
5 Het beroep is (kennelijk) ongegrond.
Dictum
Het College verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.W.L. Koopmans, in aanwezigheid van mr. A.A. Dijk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 30 juli 2024.
w.g. R.W.L. Koopmans w.g. A.A. Dijk
Afschrift verzonden aan partijen op:
Wat u kunt doen als u het niet eens bent met deze uitspraak
Tegen deze uitspraak kunt u in verzet gaan bij het College. U doet dit door in een brief (het verzetschrift) toe te lichten waarom u het niet eens bent met de uitspraak. Zorg ervoor dat het College uw verzetschrift op tijd ontvangt, namelijk binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. In uw verzetschrift kunt u het College vragen om mondeling te mogen toelichten waarom u het niet eens bent met de uitspraak.
Deze uitspraken zijn te vinden op www.rechtspraak.nl.
Inleiding
uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 23/600
uitspraak zonder zitting van de enkelvoudige kamer van 30 juli 2024 in de zaak tussen
[naam] B.V., te [plaats] (de onderneming)
en
de minister van Economische Zaken
Procesverloop
Met het besluit van 6 augustus 2022 heeft de minister de op grond van de Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19 (TVL) aan de onderneming verleende subsidie voor het eerste kwartaal (Q1) van 2021 vastgesteld op € 0,- en het betaalde voorschot van € 25.025,91 teruggevorderd.
Met het besluit van 19 januari 2023 (bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van de onderneming ongegrond verklaard.
De onderneming heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
Beoordeling
Het College doet uitspraak zonder zitting, omdat het na lezing van het beroepschrift en de andere stukken in het dossier over voldoende informatie beschikt om tot een oordeel te komen. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht bepaalt dat een zitting in dat geval niet nodig is.
De minister heeft de subsidie vastgesteld op € 0,-, omdat uit de gegevens van de Belastingdienst is gebleken dat de onderneming niet voldoet aan het vereiste van ten minste 30% omzetverlies.
De onderneming voert aan dat zij bij haar aanvraag is uitgegaan van de geschreven omzetten die per week worden bijgehouden. Dit is de werkelijke omzet. Deze onderbouwing van de omzet is door het ministerie van Sociale Zaken goedgekeurd in het kader van de NOW-aanvragen van de onderneming. De omzet die in de aangifte omzetbelasting is opgenomen, is gebaseerd op de ontvangen bedragen per kas en per bank in de betreffende periode. De onderneming vindt dat ook voor de TVL van de door haar bij de aanvraag opgegeven, werkelijke, omzet moet worden uitgegaan en niet van de omzet die uit de aangifte omzetbelasting blijkt.
Het College heeft al veel vergelijkbare zaken behandeld. Daarin heeft het telkens geoordeeld dat als een onderneming over haar gehele omzet omzetbelasting betaalt, de minister de aangifte omzetbelasting moet gebruiken voor het bepalen van de omzet en het berekenen van het omzetverlies. De belangrijkste reden daarvoor is dat dit een bewuste keuze van de regelgever is geweest, om zo de TVL uitvoerbaar te houden en de administratieve lasten te beperken. Zie onder andere de uitspraken van het College van 11 januari 2022 (ECLI:NL:CBB:2022:5), 14 juni 2022 (ECLI:NL:CBB:2022:307) en 21 juni 2022 (ECLI:NL:CBB:2022:323). Ook in dit geval is het College van oordeel dat de minister terecht is uitgegaan van de omzet die uit de aangifte omzetbelasting blijkt. Dat er bij de NOW-aanvragen van de onderneming wel is uitgegaan van de door de onderneming opgegeven omzet, leidt niet tot een ander oordeel. De NOW is een andere regeling met andere voorwaarden. Bovendien volgt zowel uit de TVL zelf als uit het aanvraagformulier, dat bij de berekening van het omzetverlies wordt uitgegaan van de omzet zoals die blijkt uit de aangifte omzetbelasting. De onderneming had daar dus van op de hoogte kunnen en moeten zijn. De minister heeft dan ook terecht geconcludeerd dat niet is voldaan aan het vereiste van ten minste 30% omzetverlies. De minister mocht daarom gebruik maken van zijn bevoegdheid om de subsidie lager (op € 0,-) vast te stellen en het betaalde voorschot terug te vorderen.
5 Het beroep is (kennelijk) ongegrond.
Dictum
Het College verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.W.L. Koopmans, in aanwezigheid van mr. A.A. Dijk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 30 juli 2024.
w.g. R.W.L. Koopmans w.g. A.A. Dijk
Afschrift verzonden aan partijen op:
Wat u kunt doen als u het niet eens bent met deze uitspraak
Tegen deze uitspraak kunt u in verzet gaan bij het College. U doet dit door in een brief (het verzetschrift) toe te lichten waarom u het niet eens bent met de uitspraak. Zorg ervoor dat het College uw verzetschrift op tijd ontvangt, namelijk binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. In uw verzetschrift kunt u het College vragen om mondeling te mogen toelichten waarom u het niet eens bent met de uitspraak.
Deze uitspraken zijn te vinden op www.rechtspraak.nl.