Rechtspraak
College van Beroep voor het bedrijfsleven
2024-07-23
ECLI:NL:CBB:2024:519
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
6,380 tokens
Inleiding
uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 23/589
uitspraak zonder zitting van de enkelvoudige kamer van 23 juli 2024 in de zaak tussen
[naam] B.V., te [plaats] (de onderneming)
(gemachtigde: mr. drs. A.W.C. Fenijn)
en
de minister van Economische Zaken
Procesverloop
Met het besluit van 7 oktober 2022 heeft de minister de brief van de onderneming van 30 september 2022 aangemerkt als pro-forma-aanvraag om een subsidie op grond van de Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19 (TVL) voor het vierde kwartaal (Q4) van 2020 en deze vervolgens afgewezen.
Met het besluit van 6 januari 2023 (bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van de onderneming ongegrond verklaard.
De onderneming heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
Beoordeling
1 Het College doet uitspraak zonder zitting, omdat het na lezing van het beroepschrift en de andere stukken in het dossier over voldoende informatie beschikt om tot een oordeel te komen. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat een zitting in dat geval niet nodig is.
2.1
Een subsidieaanvraag voor Q4 van 2020 kon worden ingediend in de periode van 25 november 2020 (vanaf 12.00 uur) tot en met 29 januari 2021 (vóór 17.00 uur). Uit de TVL volgt dat de minister een aanvraag moet afwijzen als deze niet tijdig is ingediend. De Awb en de Kaderwet EZK- en LNV-subsidies (waar de TVL op gebaseerd is), bieden geen grondslag om daarvan af te wijken.
2.2
Als een ondernemer na het verstrijken van de aanvraagperiode contact opneemt met de minister om een probleem bij de aanvraag te melden, merkt de minister deze melding aan als pro-forma-aanvraag en beoordeelt vervolgens of de door een ondernemer aangevoerde omstandigheden aanleiding geven om hem op grond van het evenredigheidsbeginsel alsnog de mogelijkheid te bieden een aanvraag in te dienen. Bij die beoordeling neemt de minister als uitgangspunt dat het de eigen verantwoordelijkheid van ondernemers is om tijdig een aanvraag in te dienen. In sommige gevallen vindt de minister het tegenwerpen van deze eigen verantwoordelijkheid echter niet evenredig. Dan gaat het om gevallen waarin ten tijde van de aanvraagperiode sprake was van ‘ernstige persoonlijke omstandigheden’. Ondernemers kunnen ook een beroep doen op ‘overige omstandigheden’. Zie ook de uitspraak van het College van 13 juni 2023 (ECLI:NL:CBB:2023:293) waarin deze werkwijze van de minister is besproken. Het College merkt op dat het daarbij gaat om beleid dat zijn grondslag vindt in het ongeschreven evenredigheidsbeginsel. Daaraan zal ook het bestreden besluit worden getoetst.
3. De onderneming heeft aangevoerd dat na invoering van de gegevens in het digitale aanvraagformulier, en met name de mededeling dat over de referentieperiode tot 15 maart 2020 geen omzet was behaald, slechts de melding verscheen dat zij niet in aanmerking kwam voor subsidie. Een mogelijkheid om het aanvraagformulier toch in te dienen of nader te laten beoordelen was er niet. Gezien de moeilijke omstandigheden waarin de onderneming op dat moment verkeerde, is er geen werk gemaakt van deze gang van zaken. Men heeft het gelaten geaccepteerd als een voldongen feit. Op 20 september 2022 heeft het College echter een uitspraak gedaan (ECLI:NL:CBB:2022:618) waarin is bepaald dat maatwerk moet worden toegepast bij ondernemingen die geen referentieperiode hebben voor 15 maart 2020. Op grond van deze uitspraak zou de onderneming toch voor subsidie in aanmerking kunnen komen en daarom heeft zij geprobeerd alsnog een aanvraag in te dienen. Ten onrechte heeft de minister de aanvraag afgewezen op een formeel aspect, namelijk het buiten de aanvraagperiode indienen van de aanvraag.
4. Het College is van oordeel dat in dit geval het afwijzen van de aanvraag niet in strijd is met het evenredigheidsbeginsel. Het buiten de aanvraagperiode indienen van de aanvraag komt daarom voor rekening van de onderneming. Voor dit oordeel is het volgende van belang. De minister heeft in het verweerschrift toegelicht dat het wel mogelijk was om een aanvraag in te dienen als er voor 15 maart 2020 nog geen omzet was behaald. Het College stelt vast dat de onderneming mogelijk tijdens het aanvraagproces een melding te zien kreeg dat ze niet in aanmerking kwam voor subsidie, maar niet is gebleken dat het onmogelijk was om een aanvraag in te dienen. Op het moment dat de onderneming tegen problemen in het digitale aanvraagsysteem aanliep, had zij contact op kunnen nemen met de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland. Niet is gebleken dat zij dit (binnen de aanvraagperiode) heeft gedaan. Het College begrijpt dat de onderneming destijds in moeilijke omstandigheden verkeerde, maar dat neemt niet weg dat zij een eigen verantwoordelijkheid heeft om tijdig een aanvraag in te dienen. Dat de onderneming naar aanleiding van de uitspraak van het College van 20 september 2022 wellicht toch in aanmerking had kunnen komen voor subsidie, is geen bijzondere omstandigheid die de afwijzing onevenredig maakt.
5. Het beroep is (kennelijk) ongegrond.
Dictum
Het College verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B. Bastein, in aanwezigheid van mr. A.A. Dijk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 juli 2024.
w.g. B. Bastein w.g. A.A. Dijk
Afschrift verzonden aan partijen op:
Wat u kunt doen als u het niet eens bent met deze uitspraak
Tegen deze uitspraak kunt u in verzet gaan bij het College. U doet dit door in een brief (het verzetschrift) toe te lichten waarom u het niet eens bent met de uitspraak. Zorg ervoor dat het College uw verzetschrift op tijd ontvangt, namelijk binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. In uw verzetschrift kunt u het College vragen om mondeling te mogen toelichten waarom u het niet eens bent met de uitspraak.
De uitspraken van het College zijn te vinden op www.rechtspraak.nl.
Inleiding
uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 23/589
uitspraak zonder zitting van de enkelvoudige kamer van 23 juli 2024 in de zaak tussen
[naam] B.V., te [plaats] (de onderneming)
(gemachtigde: mr. drs. A.W.C. Fenijn)
en
de minister van Economische Zaken
Procesverloop
Met het besluit van 7 oktober 2022 heeft de minister de brief van de onderneming van 30 september 2022 aangemerkt als pro-forma-aanvraag om een subsidie op grond van de Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19 (TVL) voor het vierde kwartaal (Q4) van 2020 en deze vervolgens afgewezen.
Met het besluit van 6 januari 2023 (bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van de onderneming ongegrond verklaard.
De onderneming heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
Beoordeling
1 Het College doet uitspraak zonder zitting, omdat het na lezing van het beroepschrift en de andere stukken in het dossier over voldoende informatie beschikt om tot een oordeel te komen. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat een zitting in dat geval niet nodig is.
2.1
Een subsidieaanvraag voor Q4 van 2020 kon worden ingediend in de periode van 25 november 2020 (vanaf 12.00 uur) tot en met 29 januari 2021 (vóór 17.00 uur). Uit de TVL volgt dat de minister een aanvraag moet afwijzen als deze niet tijdig is ingediend. De Awb en de Kaderwet EZK- en LNV-subsidies (waar de TVL op gebaseerd is), bieden geen grondslag om daarvan af te wijken.
2.2
Als een ondernemer na het verstrijken van de aanvraagperiode contact opneemt met de minister om een probleem bij de aanvraag te melden, merkt de minister deze melding aan als pro-forma-aanvraag en beoordeelt vervolgens of de door een ondernemer aangevoerde omstandigheden aanleiding geven om hem op grond van het evenredigheidsbeginsel alsnog de mogelijkheid te bieden een aanvraag in te dienen. Bij die beoordeling neemt de minister als uitgangspunt dat het de eigen verantwoordelijkheid van ondernemers is om tijdig een aanvraag in te dienen. In sommige gevallen vindt de minister het tegenwerpen van deze eigen verantwoordelijkheid echter niet evenredig. Dan gaat het om gevallen waarin ten tijde van de aanvraagperiode sprake was van ‘ernstige persoonlijke omstandigheden’. Ondernemers kunnen ook een beroep doen op ‘overige omstandigheden’. Zie ook de uitspraak van het College van 13 juni 2023 (ECLI:NL:CBB:2023:293) waarin deze werkwijze van de minister is besproken. Het College merkt op dat het daarbij gaat om beleid dat zijn grondslag vindt in het ongeschreven evenredigheidsbeginsel. Daaraan zal ook het bestreden besluit worden getoetst.
3. De onderneming heeft aangevoerd dat na invoering van de gegevens in het digitale aanvraagformulier, en met name de mededeling dat over de referentieperiode tot 15 maart 2020 geen omzet was behaald, slechts de melding verscheen dat zij niet in aanmerking kwam voor subsidie. Een mogelijkheid om het aanvraagformulier toch in te dienen of nader te laten beoordelen was er niet. Gezien de moeilijke omstandigheden waarin de onderneming op dat moment verkeerde, is er geen werk gemaakt van deze gang van zaken. Men heeft het gelaten geaccepteerd als een voldongen feit. Op 20 september 2022 heeft het College echter een uitspraak gedaan (ECLI:NL:CBB:2022:618) waarin is bepaald dat maatwerk moet worden toegepast bij ondernemingen die geen referentieperiode hebben voor 15 maart 2020. Op grond van deze uitspraak zou de onderneming toch voor subsidie in aanmerking kunnen komen en daarom heeft zij geprobeerd alsnog een aanvraag in te dienen. Ten onrechte heeft de minister de aanvraag afgewezen op een formeel aspect, namelijk het buiten de aanvraagperiode indienen van de aanvraag.
4. Het College is van oordeel dat in dit geval het afwijzen van de aanvraag niet in strijd is met het evenredigheidsbeginsel. Het buiten de aanvraagperiode indienen van de aanvraag komt daarom voor rekening van de onderneming. Voor dit oordeel is het volgende van belang. De minister heeft in het verweerschrift toegelicht dat het wel mogelijk was om een aanvraag in te dienen als er voor 15 maart 2020 nog geen omzet was behaald. Het College stelt vast dat de onderneming mogelijk tijdens het aanvraagproces een melding te zien kreeg dat ze niet in aanmerking kwam voor subsidie, maar niet is gebleken dat het onmogelijk was om een aanvraag in te dienen. Op het moment dat de onderneming tegen problemen in het digitale aanvraagsysteem aanliep, had zij contact op kunnen nemen met de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland. Niet is gebleken dat zij dit (binnen de aanvraagperiode) heeft gedaan. Het College begrijpt dat de onderneming destijds in moeilijke omstandigheden verkeerde, maar dat neemt niet weg dat zij een eigen verantwoordelijkheid heeft om tijdig een aanvraag in te dienen. Dat de onderneming naar aanleiding van de uitspraak van het College van 20 september 2022 wellicht toch in aanmerking had kunnen komen voor subsidie, is geen bijzondere omstandigheid die de afwijzing onevenredig maakt.
5. Het beroep is (kennelijk) ongegrond.
Dictum
Het College verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B. Bastein, in aanwezigheid van mr. A.A. Dijk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 juli 2024.
w.g. B. Bastein w.g. A.A. Dijk
Afschrift verzonden aan partijen op:
Wat u kunt doen als u het niet eens bent met deze uitspraak
Tegen deze uitspraak kunt u in verzet gaan bij het College. U doet dit door in een brief (het verzetschrift) toe te lichten waarom u het niet eens bent met de uitspraak. Zorg ervoor dat het College uw verzetschrift op tijd ontvangt, namelijk binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. In uw verzetschrift kunt u het College vragen om mondeling te mogen toelichten waarom u het niet eens bent met de uitspraak.
De uitspraken van het College zijn te vinden op www.rechtspraak.nl.
Inleiding
uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 23/589
uitspraak zonder zitting van de enkelvoudige kamer van 23 juli 2024 in de zaak tussen
[naam] B.V., te [plaats] (de onderneming)
(gemachtigde: mr. drs. A.W.C. Fenijn)
en
de minister van Economische Zaken
Procesverloop
Met het besluit van 7 oktober 2022 heeft de minister de brief van de onderneming van 30 september 2022 aangemerkt als pro-forma-aanvraag om een subsidie op grond van de Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19 (TVL) voor het vierde kwartaal (Q4) van 2020 en deze vervolgens afgewezen.
Met het besluit van 6 januari 2023 (bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van de onderneming ongegrond verklaard.
De onderneming heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
Beoordeling
1 Het College doet uitspraak zonder zitting, omdat het na lezing van het beroepschrift en de andere stukken in het dossier over voldoende informatie beschikt om tot een oordeel te komen. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat een zitting in dat geval niet nodig is.
2.1
Een subsidieaanvraag voor Q4 van 2020 kon worden ingediend in de periode van 25 november 2020 (vanaf 12.00 uur) tot en met 29 januari 2021 (vóór 17.00 uur). Uit de TVL volgt dat de minister een aanvraag moet afwijzen als deze niet tijdig is ingediend. De Awb en de Kaderwet EZK- en LNV-subsidies (waar de TVL op gebaseerd is), bieden geen grondslag om daarvan af te wijken.
2.2
Als een ondernemer na het verstrijken van de aanvraagperiode contact opneemt met de minister om een probleem bij de aanvraag te melden, merkt de minister deze melding aan als pro-forma-aanvraag en beoordeelt vervolgens of de door een ondernemer aangevoerde omstandigheden aanleiding geven om hem op grond van het evenredigheidsbeginsel alsnog de mogelijkheid te bieden een aanvraag in te dienen. Bij die beoordeling neemt de minister als uitgangspunt dat het de eigen verantwoordelijkheid van ondernemers is om tijdig een aanvraag in te dienen. In sommige gevallen vindt de minister het tegenwerpen van deze eigen verantwoordelijkheid echter niet evenredig. Dan gaat het om gevallen waarin ten tijde van de aanvraagperiode sprake was van ‘ernstige persoonlijke omstandigheden’. Ondernemers kunnen ook een beroep doen op ‘overige omstandigheden’. Zie ook de uitspraak van het College van 13 juni 2023 (ECLI:NL:CBB:2023:293) waarin deze werkwijze van de minister is besproken. Het College merkt op dat het daarbij gaat om beleid dat zijn grondslag vindt in het ongeschreven evenredigheidsbeginsel. Daaraan zal ook het bestreden besluit worden getoetst.
3. De onderneming heeft aangevoerd dat na invoering van de gegevens in het digitale aanvraagformulier, en met name de mededeling dat over de referentieperiode tot 15 maart 2020 geen omzet was behaald, slechts de melding verscheen dat zij niet in aanmerking kwam voor subsidie. Een mogelijkheid om het aanvraagformulier toch in te dienen of nader te laten beoordelen was er niet. Gezien de moeilijke omstandigheden waarin de onderneming op dat moment verkeerde, is er geen werk gemaakt van deze gang van zaken. Men heeft het gelaten geaccepteerd als een voldongen feit. Op 20 september 2022 heeft het College echter een uitspraak gedaan (ECLI:NL:CBB:2022:618) waarin is bepaald dat maatwerk moet worden toegepast bij ondernemingen die geen referentieperiode hebben voor 15 maart 2020. Op grond van deze uitspraak zou de onderneming toch voor subsidie in aanmerking kunnen komen en daarom heeft zij geprobeerd alsnog een aanvraag in te dienen. Ten onrechte heeft de minister de aanvraag afgewezen op een formeel aspect, namelijk het buiten de aanvraagperiode indienen van de aanvraag.
4. Het College is van oordeel dat in dit geval het afwijzen van de aanvraag niet in strijd is met het evenredigheidsbeginsel. Het buiten de aanvraagperiode indienen van de aanvraag komt daarom voor rekening van de onderneming. Voor dit oordeel is het volgende van belang. De minister heeft in het verweerschrift toegelicht dat het wel mogelijk was om een aanvraag in te dienen als er voor 15 maart 2020 nog geen omzet was behaald. Het College stelt vast dat de onderneming mogelijk tijdens het aanvraagproces een melding te zien kreeg dat ze niet in aanmerking kwam voor subsidie, maar niet is gebleken dat het onmogelijk was om een aanvraag in te dienen. Op het moment dat de onderneming tegen problemen in het digitale aanvraagsysteem aanliep, had zij contact op kunnen nemen met de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland. Niet is gebleken dat zij dit (binnen de aanvraagperiode) heeft gedaan. Het College begrijpt dat de onderneming destijds in moeilijke omstandigheden verkeerde, maar dat neemt niet weg dat zij een eigen verantwoordelijkheid heeft om tijdig een aanvraag in te dienen. Dat de onderneming naar aanleiding van de uitspraak van het College van 20 september 2022 wellicht toch in aanmerking had kunnen komen voor subsidie, is geen bijzondere omstandigheid die de afwijzing onevenredig maakt.
5. Het beroep is (kennelijk) ongegrond.
Dictum
Het College verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B. Bastein, in aanwezigheid van mr. A.A. Dijk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 juli 2024.
w.g. B. Bastein w.g. A.A. Dijk
Afschrift verzonden aan partijen op:
Wat u kunt doen als u het niet eens bent met deze uitspraak
Tegen deze uitspraak kunt u in verzet gaan bij het College. U doet dit door in een brief (het verzetschrift) toe te lichten waarom u het niet eens bent met de uitspraak. Zorg ervoor dat het College uw verzetschrift op tijd ontvangt, namelijk binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. In uw verzetschrift kunt u het College vragen om mondeling te mogen toelichten waarom u het niet eens bent met de uitspraak.
De uitspraken van het College zijn te vinden op www.rechtspraak.nl.
Inleiding
uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 23/589
uitspraak zonder zitting van de enkelvoudige kamer van 23 juli 2024 in de zaak tussen
[naam] B.V., te [plaats] (de onderneming)
(gemachtigde: mr. drs. A.W.C. Fenijn)
en
de minister van Economische Zaken
Procesverloop
Met het besluit van 7 oktober 2022 heeft de minister de brief van de onderneming van 30 september 2022 aangemerkt als pro-forma-aanvraag om een subsidie op grond van de Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19 (TVL) voor het vierde kwartaal (Q4) van 2020 en deze vervolgens afgewezen.
Met het besluit van 6 januari 2023 (bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van de onderneming ongegrond verklaard.
De onderneming heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
Beoordeling
1 Het College doet uitspraak zonder zitting, omdat het na lezing van het beroepschrift en de andere stukken in het dossier over voldoende informatie beschikt om tot een oordeel te komen. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat een zitting in dat geval niet nodig is.
2.1
Een subsidieaanvraag voor Q4 van 2020 kon worden ingediend in de periode van 25 november 2020 (vanaf 12.00 uur) tot en met 29 januari 2021 (vóór 17.00 uur). Uit de TVL volgt dat de minister een aanvraag moet afwijzen als deze niet tijdig is ingediend. De Awb en de Kaderwet EZK- en LNV-subsidies (waar de TVL op gebaseerd is), bieden geen grondslag om daarvan af te wijken.
2.2
Als een ondernemer na het verstrijken van de aanvraagperiode contact opneemt met de minister om een probleem bij de aanvraag te melden, merkt de minister deze melding aan als pro-forma-aanvraag en beoordeelt vervolgens of de door een ondernemer aangevoerde omstandigheden aanleiding geven om hem op grond van het evenredigheidsbeginsel alsnog de mogelijkheid te bieden een aanvraag in te dienen. Bij die beoordeling neemt de minister als uitgangspunt dat het de eigen verantwoordelijkheid van ondernemers is om tijdig een aanvraag in te dienen. In sommige gevallen vindt de minister het tegenwerpen van deze eigen verantwoordelijkheid echter niet evenredig. Dan gaat het om gevallen waarin ten tijde van de aanvraagperiode sprake was van ‘ernstige persoonlijke omstandigheden’. Ondernemers kunnen ook een beroep doen op ‘overige omstandigheden’. Zie ook de uitspraak van het College van 13 juni 2023 (ECLI:NL:CBB:2023:293) waarin deze werkwijze van de minister is besproken. Het College merkt op dat het daarbij gaat om beleid dat zijn grondslag vindt in het ongeschreven evenredigheidsbeginsel. Daaraan zal ook het bestreden besluit worden getoetst.
3. De onderneming heeft aangevoerd dat na invoering van de gegevens in het digitale aanvraagformulier, en met name de mededeling dat over de referentieperiode tot 15 maart 2020 geen omzet was behaald, slechts de melding verscheen dat zij niet in aanmerking kwam voor subsidie. Een mogelijkheid om het aanvraagformulier toch in te dienen of nader te laten beoordelen was er niet. Gezien de moeilijke omstandigheden waarin de onderneming op dat moment verkeerde, is er geen werk gemaakt van deze gang van zaken. Men heeft het gelaten geaccepteerd als een voldongen feit. Op 20 september 2022 heeft het College echter een uitspraak gedaan (ECLI:NL:CBB:2022:618) waarin is bepaald dat maatwerk moet worden toegepast bij ondernemingen die geen referentieperiode hebben voor 15 maart 2020. Op grond van deze uitspraak zou de onderneming toch voor subsidie in aanmerking kunnen komen en daarom heeft zij geprobeerd alsnog een aanvraag in te dienen. Ten onrechte heeft de minister de aanvraag afgewezen op een formeel aspect, namelijk het buiten de aanvraagperiode indienen van de aanvraag.
4. Het College is van oordeel dat in dit geval het afwijzen van de aanvraag niet in strijd is met het evenredigheidsbeginsel. Het buiten de aanvraagperiode indienen van de aanvraag komt daarom voor rekening van de onderneming. Voor dit oordeel is het volgende van belang. De minister heeft in het verweerschrift toegelicht dat het wel mogelijk was om een aanvraag in te dienen als er voor 15 maart 2020 nog geen omzet was behaald. Het College stelt vast dat de onderneming mogelijk tijdens het aanvraagproces een melding te zien kreeg dat ze niet in aanmerking kwam voor subsidie, maar niet is gebleken dat het onmogelijk was om een aanvraag in te dienen. Op het moment dat de onderneming tegen problemen in het digitale aanvraagsysteem aanliep, had zij contact op kunnen nemen met de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland. Niet is gebleken dat zij dit (binnen de aanvraagperiode) heeft gedaan. Het College begrijpt dat de onderneming destijds in moeilijke omstandigheden verkeerde, maar dat neemt niet weg dat zij een eigen verantwoordelijkheid heeft om tijdig een aanvraag in te dienen. Dat de onderneming naar aanleiding van de uitspraak van het College van 20 september 2022 wellicht toch in aanmerking had kunnen komen voor subsidie, is geen bijzondere omstandigheid die de afwijzing onevenredig maakt.
5. Het beroep is (kennelijk) ongegrond.
Dictum
Het College verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B. Bastein, in aanwezigheid van mr. A.A. Dijk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 juli 2024.
w.g. B. Bastein w.g. A.A. Dijk
Afschrift verzonden aan partijen op:
Wat u kunt doen als u het niet eens bent met deze uitspraak
Tegen deze uitspraak kunt u in verzet gaan bij het College. U doet dit door in een brief (het verzetschrift) toe te lichten waarom u het niet eens bent met de uitspraak. Zorg ervoor dat het College uw verzetschrift op tijd ontvangt, namelijk binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. In uw verzetschrift kunt u het College vragen om mondeling te mogen toelichten waarom u het niet eens bent met de uitspraak.
De uitspraken van het College zijn te vinden op www.rechtspraak.nl.