Rechtspraak
College van Beroep voor het bedrijfsleven
2024-07-23
ECLI:NL:CBB:2024:504
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
9,108 tokens
Inleiding
uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 23/264
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 juli 2024 in de zaak tussen
Stichting [naam 1] , te [plaats] (stichting)
(gemachtigde: [naam 2] )
en
de minister van Economische Zaken
(gemachtigden: mr. S.M. Piron en mr. T. Khidous)
Procesverloop
Met het besluit van 15 september 2022 (vaststellingsbesluit) heeft de minister de subsidie voor het derde kwartaal (Q3) van 2021 op grond van de Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19 (TVL) ambtshalve vastgesteld op € 0,- en het aan de stichting betaalde voorschot van € 1.255,56 teruggevorderd.
Met het besluit van 24 november 2022 (bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van de stichting ongegrond verklaard.
De stichting heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
De zitting was op 30 mei 2024. Aan de zitting hebben de gemachtigden van de minister deelgenomen.
Overwegingen
Inleiding
1. Deze zaak gaat over de vraag of de minister bij de berekening van het omzetverlies en de hoogte van de subsidie van de juiste referentie- en subsidieomzet is uitgegaan.
2 Het toepasselijke wettelijke kader is opgenomen in een bijlage bij deze uitspraak.
Standpunt van de stichting
3 De stichting heeft toegelicht dat een deel van haar omzet bestaat uit de opbrengst van de verhuur van de sporthal. Die omzet is vrijgesteld van btw. De facturen voor de verhuur worden veelal achteraf verzonden, waardoor de omzet in een andere periode wordt verantwoord dan de periode waarin de dienst wordt verricht. De stichting vindt echter dat wat betreft het toerekenen aan de omzet van de opbrengst uit verhuur, aansluiting moet worden gezocht bij het jaarrekeningenrecht. Dat betekent dat de opbrengst uit de verhuur niet als omzet moet worden toegerekend aan de periode waarin de verhuur is gefactureerd, maar verdeeld moet worden over de periode waarop de factuur betrekking heeft.
De stichting wijst er tot slot op dat in alle andere perioden waarvoor zij subsidie op grond van de TVL heeft aangevraagd, de subsidie steeds op basis van de door de stichting aangeleverde omzetgegevens is vastgesteld.
Standpunt van de minister
4.1
De minister heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat het omzetverlies van de stichting niet ten minste 30% bedraagt. In deze beroepsprocedure heeft hij dat standpunt gewijzigd. In het verweerschrift heeft de minister, met toepassing van het vijfde lid, eerste en tweede volzin, van artikel 2.4.3 van de TVL, de referentieomzet bepaald op € 13.779,-, inclusief € 365,- aan onbelaste omzet, en de subsidieomzet op € 9.421,-, inclusief € 925,- aan onbelaste omzet. Hierbij is de minister voor de belaste omzet uitgegaan van de aangiften omzetbelasting, die de stichting bij de Belastingdienst heeft ingediend. Voor de onbelaste omzet, die dus bestaat uit huuropbrengsten, is de minister uitgegaan van de grootboekrekeningen 8736 uit de administratie van de stichting. Het omzetverlies wordt berekend op 31,6%, wat betekent dat de stichting recht heeft op een subsidie van € 1.500,- . De minister heeft het College verzocht zelf in de zaak te voorzien door het subsidiebedrag voor Q3 van 2021 op dat bedrag vast te stellen.
4.2
De minister ziet geen ruimte om mee te gaan in de wens van de stichting om aan te sluiten bij het jaarrekeningenrecht en een aantal facturen, waarvan de datum niet is gelegen in de referentie- of de subsidieperiode, mee te nemen bij het bepalen van de omzetten. Zoals het College in zijn uitspraak van 18 juli 2023 (ECLI:NL:CBB:2023:880), heeft geoordeeld, is het ook in de gevallen dat (een deel van) de omzet wordt bepaald op basis van de financiële administratie van een onderneming, een terechte handelwijze om aan de hand van de datum van de factuur te bepalen aan welke periode de omzet moet worden toegerekend.
Beoordeling
5.1
Het College stelt vast dat de stichting de omzetten die de minister heeft bepaald en het op basis daarvan berekende omzetverlies, zoals weergegeven in het verweerschrift, niet heeft betwist. Dat geldt ook voor de hoogte van het opnieuw vast te stellen subsidiebedrag van € 1.500,-. Gelet daarop behoeft wat de stichting in het kader van de omzetbepaling heeft aangevoerd over het jaarrekeningenrecht geen bespreking meer.
5.2
De stichting heeft er nog op gewezen dat de minister in voorgaande subsidieperioden steeds op basis van de omzetgegevens die zij heeft aangeleverd, en zonder nader onderzoek, subsidie op grond van de TVL aan haar heeft verleend en vastgesteld. Voor zover de stichting hiermee heeft bedoeld een beroep op het rechtszekerheidsbeginsel te doen, stelt het College vast dat inmiddels het verzoek van de minister voorligt, aan het College, om de subsidie voor Q3 van 2021 op € 1.500,- vast te stellen. Gelet hierop is aan een beroep op het rechtszekerheidsbeginsel de feitelijke grondslag ontvallen.
6 Het College stelt vast dat de minister in het verweerschrift en op de zitting heeft erkend dat hij in het bestreden besluit bij de berekening van het omzetverlies verkeerde omzetgegevens tot uitgangspunt heeft genomen. Daarmee berust het bestreden besluit op een onjuiste motivering en komt dat besluit wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet voor bestuursrecht (Awb) voor vernietiging in aanmerking.
7 Gelet op het geconstateerde motiveringsgebrek is het beroep gegrond. Het College zal het bestreden besluit vernietigen. Met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb zal het College, in overeenstemming met het verzoek van de minister, zelf in de zaak voorzien door het vaststellingsbesluit te herroepen en de subsidie voor Q3 van 2021 vast te stellen op het door de minister berekende bedrag van € 1.500,-.
8 Omdat het beroep gegrond is, moet de minister het door de stichting betaalde griffierecht aan haar vergoeden. Het College zal verder de minister veroordelen in de door de stichting in beroep gemaakte proceskosten. Deze proceskosten stelt het College op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 875,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 875,-).
Dictum
Het College:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het bestreden besluit;
herroept het vaststellingsbesluit, stelt de op grond van de TVL aan de stichting verstrekte subsidie voor Q3 van 2021 vast op € 1.500,- en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;
draagt de minister op het betaalde griffierecht van € 365,- aan de stichting te vergoeden;
veroordeelt de minister in de proceskosten van de stichting tot een bedrag van € 875,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.P. Glerum, in aanwezigheid van mr. J.M. Baars, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 juli 2024.
De voorzitter is verhinderd w.g. J.M. Baars
de uitspraak te ondertekenen.
Bijlage
Algemene wet bestuursrecht
Artikel 7:12, eerste lid en eerste volzin
Dictum
Artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b
3. De bestuursrechter kan bepalen dat:
b. zijn uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit of het vernietigde gedeelte daarvan.
Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19
Artikel 2.4.3, eerste en vijfde lid
1. Het omzetverlies wordt berekend door het verschil tussen de omzet in de referentieperiode en de omzet in de subsidieperiode te bepalen en deze te delen door de omzet in de referentieperiode. De uitkomst van deze berekening wordt uitgedrukt in procenten.
5 Als omzet van de getroffen MKB-onderneming wordt beschouwd het bedrag ten aanzien waarvan de getroffen MKB-onderneming aangifte doet voor de omzetbelasting, overeenkomstig het bepaalde bij en krachtens de Wet op de omzetbelasting 1968. Tevens wordt als omzet beschouwd omzet die niet in een aangifte omzetbelasting gerapporteerd wordt, maar op eenvoudige en duidelijke wijze blijkt uit de financiële administratie of uit een ander bewijsstuk van de getroffen MKB-onderneming.
Artikel 2.4.4 eerste en tweede lid
1. De subsidie bedraagt ten hoogste € 550.000 en wordt berekend op de volgende wijze:
A x B x C x D.
2 De subsidie bedraagt € 1.500, indien de uitkomst van de berekening, bedoeld in het eerste lid, minder is dan € 1.500.
Inleiding
uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 23/264
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 juli 2024 in de zaak tussen
Stichting [naam 1] , te [plaats] (stichting)
(gemachtigde: [naam 2] )
en
de minister van Economische Zaken
(gemachtigden: mr. S.M. Piron en mr. T. Khidous)
Procesverloop
Met het besluit van 15 september 2022 (vaststellingsbesluit) heeft de minister de subsidie voor het derde kwartaal (Q3) van 2021 op grond van de Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19 (TVL) ambtshalve vastgesteld op € 0,- en het aan de stichting betaalde voorschot van € 1.255,56 teruggevorderd.
Met het besluit van 24 november 2022 (bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van de stichting ongegrond verklaard.
De stichting heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
De zitting was op 30 mei 2024. Aan de zitting hebben de gemachtigden van de minister deelgenomen.
Overwegingen
Inleiding
1. Deze zaak gaat over de vraag of de minister bij de berekening van het omzetverlies en de hoogte van de subsidie van de juiste referentie- en subsidieomzet is uitgegaan.
2 Het toepasselijke wettelijke kader is opgenomen in een bijlage bij deze uitspraak.
Standpunt van de stichting
3 De stichting heeft toegelicht dat een deel van haar omzet bestaat uit de opbrengst van de verhuur van de sporthal. Die omzet is vrijgesteld van btw. De facturen voor de verhuur worden veelal achteraf verzonden, waardoor de omzet in een andere periode wordt verantwoord dan de periode waarin de dienst wordt verricht. De stichting vindt echter dat wat betreft het toerekenen aan de omzet van de opbrengst uit verhuur, aansluiting moet worden gezocht bij het jaarrekeningenrecht. Dat betekent dat de opbrengst uit de verhuur niet als omzet moet worden toegerekend aan de periode waarin de verhuur is gefactureerd, maar verdeeld moet worden over de periode waarop de factuur betrekking heeft.
De stichting wijst er tot slot op dat in alle andere perioden waarvoor zij subsidie op grond van de TVL heeft aangevraagd, de subsidie steeds op basis van de door de stichting aangeleverde omzetgegevens is vastgesteld.
Standpunt van de minister
4.1
De minister heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat het omzetverlies van de stichting niet ten minste 30% bedraagt. In deze beroepsprocedure heeft hij dat standpunt gewijzigd. In het verweerschrift heeft de minister, met toepassing van het vijfde lid, eerste en tweede volzin, van artikel 2.4.3 van de TVL, de referentieomzet bepaald op € 13.779,-, inclusief € 365,- aan onbelaste omzet, en de subsidieomzet op € 9.421,-, inclusief € 925,- aan onbelaste omzet. Hierbij is de minister voor de belaste omzet uitgegaan van de aangiften omzetbelasting, die de stichting bij de Belastingdienst heeft ingediend. Voor de onbelaste omzet, die dus bestaat uit huuropbrengsten, is de minister uitgegaan van de grootboekrekeningen 8736 uit de administratie van de stichting. Het omzetverlies wordt berekend op 31,6%, wat betekent dat de stichting recht heeft op een subsidie van € 1.500,- . De minister heeft het College verzocht zelf in de zaak te voorzien door het subsidiebedrag voor Q3 van 2021 op dat bedrag vast te stellen.
4.2
De minister ziet geen ruimte om mee te gaan in de wens van de stichting om aan te sluiten bij het jaarrekeningenrecht en een aantal facturen, waarvan de datum niet is gelegen in de referentie- of de subsidieperiode, mee te nemen bij het bepalen van de omzetten. Zoals het College in zijn uitspraak van 18 juli 2023 (ECLI:NL:CBB:2023:880), heeft geoordeeld, is het ook in de gevallen dat (een deel van) de omzet wordt bepaald op basis van de financiële administratie van een onderneming, een terechte handelwijze om aan de hand van de datum van de factuur te bepalen aan welke periode de omzet moet worden toegerekend.
Beoordeling
5.1
Het College stelt vast dat de stichting de omzetten die de minister heeft bepaald en het op basis daarvan berekende omzetverlies, zoals weergegeven in het verweerschrift, niet heeft betwist. Dat geldt ook voor de hoogte van het opnieuw vast te stellen subsidiebedrag van € 1.500,-. Gelet daarop behoeft wat de stichting in het kader van de omzetbepaling heeft aangevoerd over het jaarrekeningenrecht geen bespreking meer.
5.2
De stichting heeft er nog op gewezen dat de minister in voorgaande subsidieperioden steeds op basis van de omzetgegevens die zij heeft aangeleverd, en zonder nader onderzoek, subsidie op grond van de TVL aan haar heeft verleend en vastgesteld. Voor zover de stichting hiermee heeft bedoeld een beroep op het rechtszekerheidsbeginsel te doen, stelt het College vast dat inmiddels het verzoek van de minister voorligt, aan het College, om de subsidie voor Q3 van 2021 op € 1.500,- vast te stellen. Gelet hierop is aan een beroep op het rechtszekerheidsbeginsel de feitelijke grondslag ontvallen.
6 Het College stelt vast dat de minister in het verweerschrift en op de zitting heeft erkend dat hij in het bestreden besluit bij de berekening van het omzetverlies verkeerde omzetgegevens tot uitgangspunt heeft genomen. Daarmee berust het bestreden besluit op een onjuiste motivering en komt dat besluit wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet voor bestuursrecht (Awb) voor vernietiging in aanmerking.
7 Gelet op het geconstateerde motiveringsgebrek is het beroep gegrond. Het College zal het bestreden besluit vernietigen. Met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb zal het College, in overeenstemming met het verzoek van de minister, zelf in de zaak voorzien door het vaststellingsbesluit te herroepen en de subsidie voor Q3 van 2021 vast te stellen op het door de minister berekende bedrag van € 1.500,-.
8 Omdat het beroep gegrond is, moet de minister het door de stichting betaalde griffierecht aan haar vergoeden. Het College zal verder de minister veroordelen in de door de stichting in beroep gemaakte proceskosten. Deze proceskosten stelt het College op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 875,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 875,-).
Dictum
Het College:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het bestreden besluit;
herroept het vaststellingsbesluit, stelt de op grond van de TVL aan de stichting verstrekte subsidie voor Q3 van 2021 vast op € 1.500,- en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;
draagt de minister op het betaalde griffierecht van € 365,- aan de stichting te vergoeden;
veroordeelt de minister in de proceskosten van de stichting tot een bedrag van € 875,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.P. Glerum, in aanwezigheid van mr. J.M. Baars, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 juli 2024.
De voorzitter is verhinderd w.g. J.M. Baars
de uitspraak te ondertekenen.
Bijlage
Algemene wet bestuursrecht
Artikel 7:12, eerste lid en eerste volzin
Dictum
Artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b
3. De bestuursrechter kan bepalen dat:
b. zijn uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit of het vernietigde gedeelte daarvan.
Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19
Artikel 2.4.3, eerste en vijfde lid
1. Het omzetverlies wordt berekend door het verschil tussen de omzet in de referentieperiode en de omzet in de subsidieperiode te bepalen en deze te delen door de omzet in de referentieperiode. De uitkomst van deze berekening wordt uitgedrukt in procenten.
5 Als omzet van de getroffen MKB-onderneming wordt beschouwd het bedrag ten aanzien waarvan de getroffen MKB-onderneming aangifte doet voor de omzetbelasting, overeenkomstig het bepaalde bij en krachtens de Wet op de omzetbelasting 1968. Tevens wordt als omzet beschouwd omzet die niet in een aangifte omzetbelasting gerapporteerd wordt, maar op eenvoudige en duidelijke wijze blijkt uit de financiële administratie of uit een ander bewijsstuk van de getroffen MKB-onderneming.
Artikel 2.4.4 eerste en tweede lid
1. De subsidie bedraagt ten hoogste € 550.000 en wordt berekend op de volgende wijze:
A x B x C x D.
2 De subsidie bedraagt € 1.500, indien de uitkomst van de berekening, bedoeld in het eerste lid, minder is dan € 1.500.
Inleiding
uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 23/264
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 juli 2024 in de zaak tussen
Stichting [naam 1] , te [plaats] (stichting)
(gemachtigde: [naam 2] )
en
de minister van Economische Zaken
(gemachtigden: mr. S.M. Piron en mr. T. Khidous)
Procesverloop
Met het besluit van 15 september 2022 (vaststellingsbesluit) heeft de minister de subsidie voor het derde kwartaal (Q3) van 2021 op grond van de Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19 (TVL) ambtshalve vastgesteld op € 0,- en het aan de stichting betaalde voorschot van € 1.255,56 teruggevorderd.
Met het besluit van 24 november 2022 (bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van de stichting ongegrond verklaard.
De stichting heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
De zitting was op 30 mei 2024. Aan de zitting hebben de gemachtigden van de minister deelgenomen.
Overwegingen
Inleiding
1. Deze zaak gaat over de vraag of de minister bij de berekening van het omzetverlies en de hoogte van de subsidie van de juiste referentie- en subsidieomzet is uitgegaan.
2 Het toepasselijke wettelijke kader is opgenomen in een bijlage bij deze uitspraak.
Standpunt van de stichting
3 De stichting heeft toegelicht dat een deel van haar omzet bestaat uit de opbrengst van de verhuur van de sporthal. Die omzet is vrijgesteld van btw. De facturen voor de verhuur worden veelal achteraf verzonden, waardoor de omzet in een andere periode wordt verantwoord dan de periode waarin de dienst wordt verricht. De stichting vindt echter dat wat betreft het toerekenen aan de omzet van de opbrengst uit verhuur, aansluiting moet worden gezocht bij het jaarrekeningenrecht. Dat betekent dat de opbrengst uit de verhuur niet als omzet moet worden toegerekend aan de periode waarin de verhuur is gefactureerd, maar verdeeld moet worden over de periode waarop de factuur betrekking heeft.
De stichting wijst er tot slot op dat in alle andere perioden waarvoor zij subsidie op grond van de TVL heeft aangevraagd, de subsidie steeds op basis van de door de stichting aangeleverde omzetgegevens is vastgesteld.
Standpunt van de minister
4.1
De minister heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat het omzetverlies van de stichting niet ten minste 30% bedraagt. In deze beroepsprocedure heeft hij dat standpunt gewijzigd. In het verweerschrift heeft de minister, met toepassing van het vijfde lid, eerste en tweede volzin, van artikel 2.4.3 van de TVL, de referentieomzet bepaald op € 13.779,-, inclusief € 365,- aan onbelaste omzet, en de subsidieomzet op € 9.421,-, inclusief € 925,- aan onbelaste omzet. Hierbij is de minister voor de belaste omzet uitgegaan van de aangiften omzetbelasting, die de stichting bij de Belastingdienst heeft ingediend. Voor de onbelaste omzet, die dus bestaat uit huuropbrengsten, is de minister uitgegaan van de grootboekrekeningen 8736 uit de administratie van de stichting. Het omzetverlies wordt berekend op 31,6%, wat betekent dat de stichting recht heeft op een subsidie van € 1.500,- . De minister heeft het College verzocht zelf in de zaak te voorzien door het subsidiebedrag voor Q3 van 2021 op dat bedrag vast te stellen.
4.2
De minister ziet geen ruimte om mee te gaan in de wens van de stichting om aan te sluiten bij het jaarrekeningenrecht en een aantal facturen, waarvan de datum niet is gelegen in de referentie- of de subsidieperiode, mee te nemen bij het bepalen van de omzetten. Zoals het College in zijn uitspraak van 18 juli 2023 (ECLI:NL:CBB:2023:880), heeft geoordeeld, is het ook in de gevallen dat (een deel van) de omzet wordt bepaald op basis van de financiële administratie van een onderneming, een terechte handelwijze om aan de hand van de datum van de factuur te bepalen aan welke periode de omzet moet worden toegerekend.
Beoordeling
5.1
Het College stelt vast dat de stichting de omzetten die de minister heeft bepaald en het op basis daarvan berekende omzetverlies, zoals weergegeven in het verweerschrift, niet heeft betwist. Dat geldt ook voor de hoogte van het opnieuw vast te stellen subsidiebedrag van € 1.500,-. Gelet daarop behoeft wat de stichting in het kader van de omzetbepaling heeft aangevoerd over het jaarrekeningenrecht geen bespreking meer.
5.2
De stichting heeft er nog op gewezen dat de minister in voorgaande subsidieperioden steeds op basis van de omzetgegevens die zij heeft aangeleverd, en zonder nader onderzoek, subsidie op grond van de TVL aan haar heeft verleend en vastgesteld. Voor zover de stichting hiermee heeft bedoeld een beroep op het rechtszekerheidsbeginsel te doen, stelt het College vast dat inmiddels het verzoek van de minister voorligt, aan het College, om de subsidie voor Q3 van 2021 op € 1.500,- vast te stellen. Gelet hierop is aan een beroep op het rechtszekerheidsbeginsel de feitelijke grondslag ontvallen.
6 Het College stelt vast dat de minister in het verweerschrift en op de zitting heeft erkend dat hij in het bestreden besluit bij de berekening van het omzetverlies verkeerde omzetgegevens tot uitgangspunt heeft genomen. Daarmee berust het bestreden besluit op een onjuiste motivering en komt dat besluit wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet voor bestuursrecht (Awb) voor vernietiging in aanmerking.
7 Gelet op het geconstateerde motiveringsgebrek is het beroep gegrond. Het College zal het bestreden besluit vernietigen. Met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb zal het College, in overeenstemming met het verzoek van de minister, zelf in de zaak voorzien door het vaststellingsbesluit te herroepen en de subsidie voor Q3 van 2021 vast te stellen op het door de minister berekende bedrag van € 1.500,-.
8 Omdat het beroep gegrond is, moet de minister het door de stichting betaalde griffierecht aan haar vergoeden. Het College zal verder de minister veroordelen in de door de stichting in beroep gemaakte proceskosten. Deze proceskosten stelt het College op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 875,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 875,-).
Dictum
Het College:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het bestreden besluit;
herroept het vaststellingsbesluit, stelt de op grond van de TVL aan de stichting verstrekte subsidie voor Q3 van 2021 vast op € 1.500,- en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;
draagt de minister op het betaalde griffierecht van € 365,- aan de stichting te vergoeden;
veroordeelt de minister in de proceskosten van de stichting tot een bedrag van € 875,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.P. Glerum, in aanwezigheid van mr. J.M. Baars, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 juli 2024.
De voorzitter is verhinderd w.g. J.M. Baars
de uitspraak te ondertekenen.
Bijlage
Algemene wet bestuursrecht
Artikel 7:12, eerste lid en eerste volzin
Dictum
Artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b
3. De bestuursrechter kan bepalen dat:
b. zijn uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit of het vernietigde gedeelte daarvan.
Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19
Artikel 2.4.3, eerste en vijfde lid
1. Het omzetverlies wordt berekend door het verschil tussen de omzet in de referentieperiode en de omzet in de subsidieperiode te bepalen en deze te delen door de omzet in de referentieperiode. De uitkomst van deze berekening wordt uitgedrukt in procenten.
5 Als omzet van de getroffen MKB-onderneming wordt beschouwd het bedrag ten aanzien waarvan de getroffen MKB-onderneming aangifte doet voor de omzetbelasting, overeenkomstig het bepaalde bij en krachtens de Wet op de omzetbelasting 1968. Tevens wordt als omzet beschouwd omzet die niet in een aangifte omzetbelasting gerapporteerd wordt, maar op eenvoudige en duidelijke wijze blijkt uit de financiële administratie of uit een ander bewijsstuk van de getroffen MKB-onderneming.
Artikel 2.4.4 eerste en tweede lid
1. De subsidie bedraagt ten hoogste € 550.000 en wordt berekend op de volgende wijze:
A x B x C x D.
2 De subsidie bedraagt € 1.500, indien de uitkomst van de berekening, bedoeld in het eerste lid, minder is dan € 1.500.
Inleiding
uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 23/264
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 juli 2024 in de zaak tussen
Stichting [naam 1] , te [plaats] (stichting)
(gemachtigde: [naam 2] )
en
de minister van Economische Zaken
(gemachtigden: mr. S.M. Piron en mr. T. Khidous)
Procesverloop
Met het besluit van 15 september 2022 (vaststellingsbesluit) heeft de minister de subsidie voor het derde kwartaal (Q3) van 2021 op grond van de Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19 (TVL) ambtshalve vastgesteld op € 0,- en het aan de stichting betaalde voorschot van € 1.255,56 teruggevorderd.
Met het besluit van 24 november 2022 (bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van de stichting ongegrond verklaard.
De stichting heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
De zitting was op 30 mei 2024. Aan de zitting hebben de gemachtigden van de minister deelgenomen.
Overwegingen
Inleiding
1. Deze zaak gaat over de vraag of de minister bij de berekening van het omzetverlies en de hoogte van de subsidie van de juiste referentie- en subsidieomzet is uitgegaan.
2 Het toepasselijke wettelijke kader is opgenomen in een bijlage bij deze uitspraak.
Standpunt van de stichting
3 De stichting heeft toegelicht dat een deel van haar omzet bestaat uit de opbrengst van de verhuur van de sporthal. Die omzet is vrijgesteld van btw. De facturen voor de verhuur worden veelal achteraf verzonden, waardoor de omzet in een andere periode wordt verantwoord dan de periode waarin de dienst wordt verricht. De stichting vindt echter dat wat betreft het toerekenen aan de omzet van de opbrengst uit verhuur, aansluiting moet worden gezocht bij het jaarrekeningenrecht. Dat betekent dat de opbrengst uit de verhuur niet als omzet moet worden toegerekend aan de periode waarin de verhuur is gefactureerd, maar verdeeld moet worden over de periode waarop de factuur betrekking heeft.
De stichting wijst er tot slot op dat in alle andere perioden waarvoor zij subsidie op grond van de TVL heeft aangevraagd, de subsidie steeds op basis van de door de stichting aangeleverde omzetgegevens is vastgesteld.
Standpunt van de minister
4.1
De minister heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat het omzetverlies van de stichting niet ten minste 30% bedraagt. In deze beroepsprocedure heeft hij dat standpunt gewijzigd. In het verweerschrift heeft de minister, met toepassing van het vijfde lid, eerste en tweede volzin, van artikel 2.4.3 van de TVL, de referentieomzet bepaald op € 13.779,-, inclusief € 365,- aan onbelaste omzet, en de subsidieomzet op € 9.421,-, inclusief € 925,- aan onbelaste omzet. Hierbij is de minister voor de belaste omzet uitgegaan van de aangiften omzetbelasting, die de stichting bij de Belastingdienst heeft ingediend. Voor de onbelaste omzet, die dus bestaat uit huuropbrengsten, is de minister uitgegaan van de grootboekrekeningen 8736 uit de administratie van de stichting. Het omzetverlies wordt berekend op 31,6%, wat betekent dat de stichting recht heeft op een subsidie van € 1.500,- . De minister heeft het College verzocht zelf in de zaak te voorzien door het subsidiebedrag voor Q3 van 2021 op dat bedrag vast te stellen.
4.2
De minister ziet geen ruimte om mee te gaan in de wens van de stichting om aan te sluiten bij het jaarrekeningenrecht en een aantal facturen, waarvan de datum niet is gelegen in de referentie- of de subsidieperiode, mee te nemen bij het bepalen van de omzetten. Zoals het College in zijn uitspraak van 18 juli 2023 (ECLI:NL:CBB:2023:880), heeft geoordeeld, is het ook in de gevallen dat (een deel van) de omzet wordt bepaald op basis van de financiële administratie van een onderneming, een terechte handelwijze om aan de hand van de datum van de factuur te bepalen aan welke periode de omzet moet worden toegerekend.
Beoordeling
5.1
Het College stelt vast dat de stichting de omzetten die de minister heeft bepaald en het op basis daarvan berekende omzetverlies, zoals weergegeven in het verweerschrift, niet heeft betwist. Dat geldt ook voor de hoogte van het opnieuw vast te stellen subsidiebedrag van € 1.500,-. Gelet daarop behoeft wat de stichting in het kader van de omzetbepaling heeft aangevoerd over het jaarrekeningenrecht geen bespreking meer.
5.2
De stichting heeft er nog op gewezen dat de minister in voorgaande subsidieperioden steeds op basis van de omzetgegevens die zij heeft aangeleverd, en zonder nader onderzoek, subsidie op grond van de TVL aan haar heeft verleend en vastgesteld. Voor zover de stichting hiermee heeft bedoeld een beroep op het rechtszekerheidsbeginsel te doen, stelt het College vast dat inmiddels het verzoek van de minister voorligt, aan het College, om de subsidie voor Q3 van 2021 op € 1.500,- vast te stellen. Gelet hierop is aan een beroep op het rechtszekerheidsbeginsel de feitelijke grondslag ontvallen.
6 Het College stelt vast dat de minister in het verweerschrift en op de zitting heeft erkend dat hij in het bestreden besluit bij de berekening van het omzetverlies verkeerde omzetgegevens tot uitgangspunt heeft genomen. Daarmee berust het bestreden besluit op een onjuiste motivering en komt dat besluit wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet voor bestuursrecht (Awb) voor vernietiging in aanmerking.
7 Gelet op het geconstateerde motiveringsgebrek is het beroep gegrond. Het College zal het bestreden besluit vernietigen. Met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb zal het College, in overeenstemming met het verzoek van de minister, zelf in de zaak voorzien door het vaststellingsbesluit te herroepen en de subsidie voor Q3 van 2021 vast te stellen op het door de minister berekende bedrag van € 1.500,-.
8 Omdat het beroep gegrond is, moet de minister het door de stichting betaalde griffierecht aan haar vergoeden. Het College zal verder de minister veroordelen in de door de stichting in beroep gemaakte proceskosten. Deze proceskosten stelt het College op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 875,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 875,-).
Dictum
Het College:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het bestreden besluit;
herroept het vaststellingsbesluit, stelt de op grond van de TVL aan de stichting verstrekte subsidie voor Q3 van 2021 vast op € 1.500,- en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;
draagt de minister op het betaalde griffierecht van € 365,- aan de stichting te vergoeden;
veroordeelt de minister in de proceskosten van de stichting tot een bedrag van € 875,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.P. Glerum, in aanwezigheid van mr. J.M. Baars, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 juli 2024.
De voorzitter is verhinderd w.g. J.M. Baars
de uitspraak te ondertekenen.
Bijlage
Algemene wet bestuursrecht
Artikel 7:12, eerste lid en eerste volzin
Dictum
Artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b
3. De bestuursrechter kan bepalen dat:
b. zijn uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit of het vernietigde gedeelte daarvan.
Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19
Artikel 2.4.3, eerste en vijfde lid
1. Het omzetverlies wordt berekend door het verschil tussen de omzet in de referentieperiode en de omzet in de subsidieperiode te bepalen en deze te delen door de omzet in de referentieperiode. De uitkomst van deze berekening wordt uitgedrukt in procenten.
5 Als omzet van de getroffen MKB-onderneming wordt beschouwd het bedrag ten aanzien waarvan de getroffen MKB-onderneming aangifte doet voor de omzetbelasting, overeenkomstig het bepaalde bij en krachtens de Wet op de omzetbelasting 1968. Tevens wordt als omzet beschouwd omzet die niet in een aangifte omzetbelasting gerapporteerd wordt, maar op eenvoudige en duidelijke wijze blijkt uit de financiële administratie of uit een ander bewijsstuk van de getroffen MKB-onderneming.
Artikel 2.4.4 eerste en tweede lid
1. De subsidie bedraagt ten hoogste € 550.000 en wordt berekend op de volgende wijze:
A x B x C x D.
2 De subsidie bedraagt € 1.500, indien de uitkomst van de berekening, bedoeld in het eerste lid, minder is dan € 1.500.