Rechtspraak
College van Beroep voor het bedrijfsleven
2024-06-25
ECLI:NL:CBB:2024:426
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,560 tokens
Inleiding
uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 23/372
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 juni 2024 in de zaak tussen
[naam 1] , handelend onder de naam [naam 2], te [plaats] , (ondernemer)
(gemachtigde: mr. A.P. Flinterman)
en
de minister van Economische Zaken en Klimaat
(gemachtigden: mr. M. Achalhi en mr. T. Khidouz).
Procesverloop
Met het besluit van 11 oktober 2022 heeft de minister de subsidie van de ondernemer voor de periode januari tot en met maart 2022 (Q1 2022) op grond van de Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19 (TVL) vastgesteld op € 0,- en het betaalde voorschot van € 5.375,14 teruggevorderd.
Met het besluit van 15 december 2022 (bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van de ondernemer ongegrond verklaard.
De ondernemer heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De minister heeft met het besluit van 29 februari 2024 (herzieningsbesluit) het bestreden besluit ingetrokken, het besluit van 11 oktober 2022 herroepen en de subsidie van de ondernemer vastgesteld op € 3.616, 86.
De zitting was op 23 mei 2024. Aan de zitting hebben de gemachtigden van partijen deelgenomen.
Overwegingen
1. De ondernemer heeft het beroep op de zitting ingetrokken en het College verzocht de minister te veroordelen tot vergoeding van de kosten in beroep en bezwaar. De reden voor de intrekking van het beroep is dat de minister met het herzieningsbesluit alsnog een subsidie op grond van de TVL voor de ondernemer heeft vastgesteld. Hiermee is de minister de ondernemer geheel tegemoetgekomen.
2 Indien het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoet gekomen, kan het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak in de kosten worden veroordeeld, zo bepaalt artikel 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
3 De vaststelling van de hoogte van de proceskosten vindt plaats aan de hand van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Besluit). Hierin is vermeld voor welke proceshandelingen kosten worden vergoed met een systeem van vaste bedragen, gebaseerd op punten en wegingsfactoren.
4 Op de zitting zijn partijen overeengekomen dat twee punten kunnen worden vastgesteld overeenkomstig het Besluit. De ondernemer heeft namelijk in de bezwaarfase niet om een vergoeding van de gemaakte proceskosten verzocht.
5 Het College veroordeelt de minister tot vergoeding van de proceskosten in beroep. Deze kosten worden vastgesteld op € 1.750,- (1 punt ter waarde van € 875,- voor het indienen van het beroepschrift met een wegingsfactor 1,0 en 1 punt ter waarde van € 875,- voor het verschijnen op de zitting).
6 Ter voorlichting aan partijen merkt het College nog op dat de verplichting om de kosten van het griffierecht ten bedrage van € 184,- te vergoeden voor de minister rechtstreeks voortvloeit uit artikel 8:41, zevende lid, van de Awb.
Dictum
Het College veroordeelt de minister in de proceskosten van de ondernemer tot een bedrag van € 1.750,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.P. Glerum, in aanwezigheid van mr. A. Verhoeven, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 25 juni 2024.
w.g. M.P. Glerum w.g. A. Verhoeven
Inleiding
uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 23/372
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 juni 2024 in de zaak tussen
[naam 1] , handelend onder de naam [naam 2], te [plaats] , (ondernemer)
(gemachtigde: mr. A.P. Flinterman)
en
de minister van Economische Zaken en Klimaat
(gemachtigden: mr. M. Achalhi en mr. T. Khidouz).
Procesverloop
Met het besluit van 11 oktober 2022 heeft de minister de subsidie van de ondernemer voor de periode januari tot en met maart 2022 (Q1 2022) op grond van de Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19 (TVL) vastgesteld op € 0,- en het betaalde voorschot van € 5.375,14 teruggevorderd.
Met het besluit van 15 december 2022 (bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van de ondernemer ongegrond verklaard.
De ondernemer heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De minister heeft met het besluit van 29 februari 2024 (herzieningsbesluit) het bestreden besluit ingetrokken, het besluit van 11 oktober 2022 herroepen en de subsidie van de ondernemer vastgesteld op € 3.616, 86.
De zitting was op 23 mei 2024. Aan de zitting hebben de gemachtigden van partijen deelgenomen.
Overwegingen
1. De ondernemer heeft het beroep op de zitting ingetrokken en het College verzocht de minister te veroordelen tot vergoeding van de kosten in beroep en bezwaar. De reden voor de intrekking van het beroep is dat de minister met het herzieningsbesluit alsnog een subsidie op grond van de TVL voor de ondernemer heeft vastgesteld. Hiermee is de minister de ondernemer geheel tegemoetgekomen.
2 Indien het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoet gekomen, kan het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak in de kosten worden veroordeeld, zo bepaalt artikel 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
3 De vaststelling van de hoogte van de proceskosten vindt plaats aan de hand van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Besluit). Hierin is vermeld voor welke proceshandelingen kosten worden vergoed met een systeem van vaste bedragen, gebaseerd op punten en wegingsfactoren.
4 Op de zitting zijn partijen overeengekomen dat twee punten kunnen worden vastgesteld overeenkomstig het Besluit. De ondernemer heeft namelijk in de bezwaarfase niet om een vergoeding van de gemaakte proceskosten verzocht.
5 Het College veroordeelt de minister tot vergoeding van de proceskosten in beroep. Deze kosten worden vastgesteld op € 1.750,- (1 punt ter waarde van € 875,- voor het indienen van het beroepschrift met een wegingsfactor 1,0 en 1 punt ter waarde van € 875,- voor het verschijnen op de zitting).
6 Ter voorlichting aan partijen merkt het College nog op dat de verplichting om de kosten van het griffierecht ten bedrage van € 184,- te vergoeden voor de minister rechtstreeks voortvloeit uit artikel 8:41, zevende lid, van de Awb.
Dictum
Het College veroordeelt de minister in de proceskosten van de ondernemer tot een bedrag van € 1.750,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.P. Glerum, in aanwezigheid van mr. A. Verhoeven, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 25 juni 2024.
w.g. M.P. Glerum w.g. A. Verhoeven
Inleiding
uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 23/372
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 juni 2024 in de zaak tussen
[naam 1] , handelend onder de naam [naam 2], te [plaats] , (ondernemer)
(gemachtigde: mr. A.P. Flinterman)
en
de minister van Economische Zaken en Klimaat
(gemachtigden: mr. M. Achalhi en mr. T. Khidouz).
Procesverloop
Met het besluit van 11 oktober 2022 heeft de minister de subsidie van de ondernemer voor de periode januari tot en met maart 2022 (Q1 2022) op grond van de Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19 (TVL) vastgesteld op € 0,- en het betaalde voorschot van € 5.375,14 teruggevorderd.
Met het besluit van 15 december 2022 (bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van de ondernemer ongegrond verklaard.
De ondernemer heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De minister heeft met het besluit van 29 februari 2024 (herzieningsbesluit) het bestreden besluit ingetrokken, het besluit van 11 oktober 2022 herroepen en de subsidie van de ondernemer vastgesteld op € 3.616, 86.
De zitting was op 23 mei 2024. Aan de zitting hebben de gemachtigden van partijen deelgenomen.
Overwegingen
1. De ondernemer heeft het beroep op de zitting ingetrokken en het College verzocht de minister te veroordelen tot vergoeding van de kosten in beroep en bezwaar. De reden voor de intrekking van het beroep is dat de minister met het herzieningsbesluit alsnog een subsidie op grond van de TVL voor de ondernemer heeft vastgesteld. Hiermee is de minister de ondernemer geheel tegemoetgekomen.
2 Indien het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoet gekomen, kan het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak in de kosten worden veroordeeld, zo bepaalt artikel 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
3 De vaststelling van de hoogte van de proceskosten vindt plaats aan de hand van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Besluit). Hierin is vermeld voor welke proceshandelingen kosten worden vergoed met een systeem van vaste bedragen, gebaseerd op punten en wegingsfactoren.
4 Op de zitting zijn partijen overeengekomen dat twee punten kunnen worden vastgesteld overeenkomstig het Besluit. De ondernemer heeft namelijk in de bezwaarfase niet om een vergoeding van de gemaakte proceskosten verzocht.
5 Het College veroordeelt de minister tot vergoeding van de proceskosten in beroep. Deze kosten worden vastgesteld op € 1.750,- (1 punt ter waarde van € 875,- voor het indienen van het beroepschrift met een wegingsfactor 1,0 en 1 punt ter waarde van € 875,- voor het verschijnen op de zitting).
6 Ter voorlichting aan partijen merkt het College nog op dat de verplichting om de kosten van het griffierecht ten bedrage van € 184,- te vergoeden voor de minister rechtstreeks voortvloeit uit artikel 8:41, zevende lid, van de Awb.
Dictum
Het College veroordeelt de minister in de proceskosten van de ondernemer tot een bedrag van € 1.750,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.P. Glerum, in aanwezigheid van mr. A. Verhoeven, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 25 juni 2024.
w.g. M.P. Glerum w.g. A. Verhoeven
Inleiding
uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 23/372
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 juni 2024 in de zaak tussen
[naam 1] , handelend onder de naam [naam 2], te [plaats] , (ondernemer)
(gemachtigde: mr. A.P. Flinterman)
en
de minister van Economische Zaken en Klimaat
(gemachtigden: mr. M. Achalhi en mr. T. Khidouz).
Procesverloop
Met het besluit van 11 oktober 2022 heeft de minister de subsidie van de ondernemer voor de periode januari tot en met maart 2022 (Q1 2022) op grond van de Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19 (TVL) vastgesteld op € 0,- en het betaalde voorschot van € 5.375,14 teruggevorderd.
Met het besluit van 15 december 2022 (bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van de ondernemer ongegrond verklaard.
De ondernemer heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De minister heeft met het besluit van 29 februari 2024 (herzieningsbesluit) het bestreden besluit ingetrokken, het besluit van 11 oktober 2022 herroepen en de subsidie van de ondernemer vastgesteld op € 3.616, 86.
De zitting was op 23 mei 2024. Aan de zitting hebben de gemachtigden van partijen deelgenomen.
Overwegingen
1. De ondernemer heeft het beroep op de zitting ingetrokken en het College verzocht de minister te veroordelen tot vergoeding van de kosten in beroep en bezwaar. De reden voor de intrekking van het beroep is dat de minister met het herzieningsbesluit alsnog een subsidie op grond van de TVL voor de ondernemer heeft vastgesteld. Hiermee is de minister de ondernemer geheel tegemoetgekomen.
2 Indien het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoet gekomen, kan het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak in de kosten worden veroordeeld, zo bepaalt artikel 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
3 De vaststelling van de hoogte van de proceskosten vindt plaats aan de hand van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Besluit). Hierin is vermeld voor welke proceshandelingen kosten worden vergoed met een systeem van vaste bedragen, gebaseerd op punten en wegingsfactoren.
4 Op de zitting zijn partijen overeengekomen dat twee punten kunnen worden vastgesteld overeenkomstig het Besluit. De ondernemer heeft namelijk in de bezwaarfase niet om een vergoeding van de gemaakte proceskosten verzocht.
5 Het College veroordeelt de minister tot vergoeding van de proceskosten in beroep. Deze kosten worden vastgesteld op € 1.750,- (1 punt ter waarde van € 875,- voor het indienen van het beroepschrift met een wegingsfactor 1,0 en 1 punt ter waarde van € 875,- voor het verschijnen op de zitting).
6 Ter voorlichting aan partijen merkt het College nog op dat de verplichting om de kosten van het griffierecht ten bedrage van € 184,- te vergoeden voor de minister rechtstreeks voortvloeit uit artikel 8:41, zevende lid, van de Awb.
Dictum
Het College veroordeelt de minister in de proceskosten van de ondernemer tot een bedrag van € 1.750,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.P. Glerum, in aanwezigheid van mr. A. Verhoeven, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 25 juni 2024.
w.g. M.P. Glerum w.g. A. Verhoeven