Rechtspraak
College van Beroep voor het bedrijfsleven
2024-06-05
ECLI:NL:CBB:2024:395
Bestuursrecht
Voorlopige voorziening
3,828 tokens
Inleiding
uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 24/410
uitspraak van de voorzieningenrechter van 5 juni 2024 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen
[naam] te [plaats] ,
(gemachtigde: mr. J.A.J Purperhart)
en
de staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat, verweerder,
(gemachtigde: mr. H. Spaargaren).
Procesverloop
Bij besluit van 19 maart 2024 heeft de staatssecretaris de chauffeurskaart van [naam] tot 11 juni 2024 geschorst (schorsingsbesluit).
[naam] heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Daarnaast heeft hij de voorzieningenrechter verzocht om bij wijze van voorlopige voorziening het schorsingsbesluit te schorsen.
De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.
Geen van de partijen heeft verklaard gebruik te willen maken van het recht om op een zitting te worden gehoord, waarna de voorzieningenrechter met toepassing van artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft.
Overwegingen
Inleiding
1.1
[naam] is taxichauffeur. De staatssecretaris heeft zijn chauffeurskaart op grond van artikel 10, derde lid, van de Regeling gebruik boordcomputer en boordcomputerkaarten (Regeling) geschorst, omdat hij vermoedt dat [naam] niet langer voldoet aan de eisen voor het afgeven van een verklaring omtrent het gedrag (VOG). Dat vermoeden heeft de staatssecretaris omdat [naam] wordt verdacht van een strafbaar feit, namelijk overtreding van de Opiumwet. De staatssecretaris heeft [naam] vervolgens op grond van artikel 82, zesde lid, van het Besluit personenvervoer 2000, verzocht om binnen vier weken na 16 april 2024 een nieuwe VOG te overleggen.
1.2
[naam] heeft de voorzieningenrechter verzocht om het schorsingsbesluit te schorsen.
2.1
Met een besluit van 3 juni 2024, dat in deze procedure niet ter voorlopige beoordeling door de voorzieningenrechter voorligt, heeft de staatssecretaris de chauffeurskaart op grond van artikel 10, eerste lid, aanhef en onder d, van de Regeling, ingetrokken. Daaraan is ten grondslag gelegd dat [naam] niet tijdig een nieuwe VOG heeft overgelegd. [naam] voldoet daarom niet meer aan de eisen voor de verstrekking van een chauffeurskaart.
2.2
[naam] heeft zijn verzoek om het schorsingsbesluit te schorsen, gehandhaafd.
Beoordeling
3 Op grond van artikel 8:81 van de Awb kan, indien tegen een besluit, voorafgaand aan een mogelijk beroep, bezwaar is gemaakt, op verzoek een voorlopige voorziening worden getroffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
4 De voorzieningenrechter stelt vast dat het schorsingsbesluit door het intrekkingsbesluit feitelijk is uitgewerkt. Zelfs als het verzoek om voorlopige voorziening wordt toegewezen kan [naam] geen gebruik maken van zijn chauffeurskaart, omdat deze is ingetrokken. De voorzieningenrechter volgt daarom de staatssecretaris in zijn standpunt dat [naam] geen belang meer heeft bij de door hem gevraagde voorlopige voorziening en dus ook geen spoedeisend belang heeft.
Conclusie
5 Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen.
6 De minister hoeft geen proceskosten te betalen.
Dictum
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W.J.A.M. van Brussel, in aanwezigheid van mr. J.W.E. Pinckaers, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 5 juni 2024.
w.g. W.J.A.M. van Brussel w.g. J.W.E. Pinckaers
Inleiding
uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 24/410
uitspraak van de voorzieningenrechter van 5 juni 2024 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen
[naam] te [plaats] ,
(gemachtigde: mr. J.A.J Purperhart)
en
de staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat, verweerder,
(gemachtigde: mr. H. Spaargaren).
Procesverloop
Bij besluit van 19 maart 2024 heeft de staatssecretaris de chauffeurskaart van [naam] tot 11 juni 2024 geschorst (schorsingsbesluit).
[naam] heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Daarnaast heeft hij de voorzieningenrechter verzocht om bij wijze van voorlopige voorziening het schorsingsbesluit te schorsen.
De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.
Geen van de partijen heeft verklaard gebruik te willen maken van het recht om op een zitting te worden gehoord, waarna de voorzieningenrechter met toepassing van artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft.
Overwegingen
Inleiding
1.1
[naam] is taxichauffeur. De staatssecretaris heeft zijn chauffeurskaart op grond van artikel 10, derde lid, van de Regeling gebruik boordcomputer en boordcomputerkaarten (Regeling) geschorst, omdat hij vermoedt dat [naam] niet langer voldoet aan de eisen voor het afgeven van een verklaring omtrent het gedrag (VOG). Dat vermoeden heeft de staatssecretaris omdat [naam] wordt verdacht van een strafbaar feit, namelijk overtreding van de Opiumwet. De staatssecretaris heeft [naam] vervolgens op grond van artikel 82, zesde lid, van het Besluit personenvervoer 2000, verzocht om binnen vier weken na 16 april 2024 een nieuwe VOG te overleggen.
1.2
[naam] heeft de voorzieningenrechter verzocht om het schorsingsbesluit te schorsen.
2.1
Met een besluit van 3 juni 2024, dat in deze procedure niet ter voorlopige beoordeling door de voorzieningenrechter voorligt, heeft de staatssecretaris de chauffeurskaart op grond van artikel 10, eerste lid, aanhef en onder d, van de Regeling, ingetrokken. Daaraan is ten grondslag gelegd dat [naam] niet tijdig een nieuwe VOG heeft overgelegd. [naam] voldoet daarom niet meer aan de eisen voor de verstrekking van een chauffeurskaart.
2.2
[naam] heeft zijn verzoek om het schorsingsbesluit te schorsen, gehandhaafd.
Beoordeling
3 Op grond van artikel 8:81 van de Awb kan, indien tegen een besluit, voorafgaand aan een mogelijk beroep, bezwaar is gemaakt, op verzoek een voorlopige voorziening worden getroffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
4 De voorzieningenrechter stelt vast dat het schorsingsbesluit door het intrekkingsbesluit feitelijk is uitgewerkt. Zelfs als het verzoek om voorlopige voorziening wordt toegewezen kan [naam] geen gebruik maken van zijn chauffeurskaart, omdat deze is ingetrokken. De voorzieningenrechter volgt daarom de staatssecretaris in zijn standpunt dat [naam] geen belang meer heeft bij de door hem gevraagde voorlopige voorziening en dus ook geen spoedeisend belang heeft.
Conclusie
5 Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen.
6 De minister hoeft geen proceskosten te betalen.
Dictum
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W.J.A.M. van Brussel, in aanwezigheid van mr. J.W.E. Pinckaers, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 5 juni 2024.
w.g. W.J.A.M. van Brussel w.g. J.W.E. Pinckaers
Inleiding
uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 24/410
uitspraak van de voorzieningenrechter van 5 juni 2024 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen
[naam] te [plaats] ,
(gemachtigde: mr. J.A.J Purperhart)
en
de staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat, verweerder,
(gemachtigde: mr. H. Spaargaren).
Procesverloop
Bij besluit van 19 maart 2024 heeft de staatssecretaris de chauffeurskaart van [naam] tot 11 juni 2024 geschorst (schorsingsbesluit).
[naam] heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Daarnaast heeft hij de voorzieningenrechter verzocht om bij wijze van voorlopige voorziening het schorsingsbesluit te schorsen.
De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.
Geen van de partijen heeft verklaard gebruik te willen maken van het recht om op een zitting te worden gehoord, waarna de voorzieningenrechter met toepassing van artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft.
Overwegingen
Inleiding
1.1
[naam] is taxichauffeur. De staatssecretaris heeft zijn chauffeurskaart op grond van artikel 10, derde lid, van de Regeling gebruik boordcomputer en boordcomputerkaarten (Regeling) geschorst, omdat hij vermoedt dat [naam] niet langer voldoet aan de eisen voor het afgeven van een verklaring omtrent het gedrag (VOG). Dat vermoeden heeft de staatssecretaris omdat [naam] wordt verdacht van een strafbaar feit, namelijk overtreding van de Opiumwet. De staatssecretaris heeft [naam] vervolgens op grond van artikel 82, zesde lid, van het Besluit personenvervoer 2000, verzocht om binnen vier weken na 16 april 2024 een nieuwe VOG te overleggen.
1.2
[naam] heeft de voorzieningenrechter verzocht om het schorsingsbesluit te schorsen.
2.1
Met een besluit van 3 juni 2024, dat in deze procedure niet ter voorlopige beoordeling door de voorzieningenrechter voorligt, heeft de staatssecretaris de chauffeurskaart op grond van artikel 10, eerste lid, aanhef en onder d, van de Regeling, ingetrokken. Daaraan is ten grondslag gelegd dat [naam] niet tijdig een nieuwe VOG heeft overgelegd. [naam] voldoet daarom niet meer aan de eisen voor de verstrekking van een chauffeurskaart.
2.2
[naam] heeft zijn verzoek om het schorsingsbesluit te schorsen, gehandhaafd.
Beoordeling
3 Op grond van artikel 8:81 van de Awb kan, indien tegen een besluit, voorafgaand aan een mogelijk beroep, bezwaar is gemaakt, op verzoek een voorlopige voorziening worden getroffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
4 De voorzieningenrechter stelt vast dat het schorsingsbesluit door het intrekkingsbesluit feitelijk is uitgewerkt. Zelfs als het verzoek om voorlopige voorziening wordt toegewezen kan [naam] geen gebruik maken van zijn chauffeurskaart, omdat deze is ingetrokken. De voorzieningenrechter volgt daarom de staatssecretaris in zijn standpunt dat [naam] geen belang meer heeft bij de door hem gevraagde voorlopige voorziening en dus ook geen spoedeisend belang heeft.
Conclusie
5 Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen.
6 De minister hoeft geen proceskosten te betalen.
Dictum
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W.J.A.M. van Brussel, in aanwezigheid van mr. J.W.E. Pinckaers, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 5 juni 2024.
w.g. W.J.A.M. van Brussel w.g. J.W.E. Pinckaers
Inleiding
uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 24/410
uitspraak van de voorzieningenrechter van 5 juni 2024 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen
[naam] te [plaats] ,
(gemachtigde: mr. J.A.J Purperhart)
en
de staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat, verweerder,
(gemachtigde: mr. H. Spaargaren).
Procesverloop
Bij besluit van 19 maart 2024 heeft de staatssecretaris de chauffeurskaart van [naam] tot 11 juni 2024 geschorst (schorsingsbesluit).
[naam] heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Daarnaast heeft hij de voorzieningenrechter verzocht om bij wijze van voorlopige voorziening het schorsingsbesluit te schorsen.
De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.
Geen van de partijen heeft verklaard gebruik te willen maken van het recht om op een zitting te worden gehoord, waarna de voorzieningenrechter met toepassing van artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft.
Overwegingen
Inleiding
1.1
[naam] is taxichauffeur. De staatssecretaris heeft zijn chauffeurskaart op grond van artikel 10, derde lid, van de Regeling gebruik boordcomputer en boordcomputerkaarten (Regeling) geschorst, omdat hij vermoedt dat [naam] niet langer voldoet aan de eisen voor het afgeven van een verklaring omtrent het gedrag (VOG). Dat vermoeden heeft de staatssecretaris omdat [naam] wordt verdacht van een strafbaar feit, namelijk overtreding van de Opiumwet. De staatssecretaris heeft [naam] vervolgens op grond van artikel 82, zesde lid, van het Besluit personenvervoer 2000, verzocht om binnen vier weken na 16 april 2024 een nieuwe VOG te overleggen.
1.2
[naam] heeft de voorzieningenrechter verzocht om het schorsingsbesluit te schorsen.
2.1
Met een besluit van 3 juni 2024, dat in deze procedure niet ter voorlopige beoordeling door de voorzieningenrechter voorligt, heeft de staatssecretaris de chauffeurskaart op grond van artikel 10, eerste lid, aanhef en onder d, van de Regeling, ingetrokken. Daaraan is ten grondslag gelegd dat [naam] niet tijdig een nieuwe VOG heeft overgelegd. [naam] voldoet daarom niet meer aan de eisen voor de verstrekking van een chauffeurskaart.
2.2
[naam] heeft zijn verzoek om het schorsingsbesluit te schorsen, gehandhaafd.
Beoordeling
3 Op grond van artikel 8:81 van de Awb kan, indien tegen een besluit, voorafgaand aan een mogelijk beroep, bezwaar is gemaakt, op verzoek een voorlopige voorziening worden getroffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
4 De voorzieningenrechter stelt vast dat het schorsingsbesluit door het intrekkingsbesluit feitelijk is uitgewerkt. Zelfs als het verzoek om voorlopige voorziening wordt toegewezen kan [naam] geen gebruik maken van zijn chauffeurskaart, omdat deze is ingetrokken. De voorzieningenrechter volgt daarom de staatssecretaris in zijn standpunt dat [naam] geen belang meer heeft bij de door hem gevraagde voorlopige voorziening en dus ook geen spoedeisend belang heeft.
Conclusie
5 Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen.
6 De minister hoeft geen proceskosten te betalen.
Dictum
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W.J.A.M. van Brussel, in aanwezigheid van mr. J.W.E. Pinckaers, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 5 juni 2024.
w.g. W.J.A.M. van Brussel w.g. J.W.E. Pinckaers