Rechtspraak
College van Beroep voor het bedrijfsleven
2024-05-16
ECLI:NL:CBB:2024:385
Bestuursrecht
Mondelinge uitspraak
2,412 tokens
Inleiding
proces-verbaal uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 23/228
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van
16 mei 2024 in de zaak tussen
E.J. Klip, te Hilvarenbeek
en
de minister voor Klimaat en Energie
(gemachtigde: mr. C. Cromheecke)
Procesverloop
Met het besluit van 16 november 2022 (subsidiebesluit) heeft de minister de aanvraag om subsidie op grond van titel 4.5 Investeringssubsidie duurzame energie en energiebesparing (ISDE) van de Regeling nationale EZK- en LNV-subsidies (Regeling) gedeeltelijk afgewezen.
Met het besluit van 18 januari 2023 (bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van Klip ongegrond verklaard.
Klip heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
De zitting was op 16 mei 2024. Aan de zitting hebben deelgenomen Klip en de gemachtigde van de minister.
Na sluiting van het onderzoek op de zitting heeft het College onmiddellijk uitspraak gedaan.
Overwegingen
1. Klip is het niet eens met de strenge voorwaarden van de Regeling, waarbij binnen een beperkte periode voldoende energiebesparende maatregelen moeten worden genomen om voor subsidie in aanmerking te komen. Om praktische en financiële redenen heeft hij zijn huis gefaseerd verduurzaamd. Daardoor loopt hij subsidie mis, terwijl zijn maatregelen wel bijdragen aan de doelstelling van de Regeling.
2 De minister heeft toegelicht dat het achterliggende doel van de (voorwaarden in de) Regeling is dat wordt gestimuleerd dat in een korte periode een grote(re) investering wordt gedaan. Dat is een politiek-beleidsmatige keuze van de regelgever. Het College ziet geen aanleiding voor het oordeel dat de Regeling om die reden onevenredig is. Verder zijn de door Klip aangevoerde omstandigheden niet zo bijzonder dat toepassing van de Regeling in het geval van Klip tot een onevenredige uitkomst zou leiden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Brugman in aanwezigheid van mr. E.C.C. Deen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 16 mei 2024.
D. Brugman E.C.C. Deen
Inleiding
proces-verbaal uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 23/228
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van
16 mei 2024 in de zaak tussen
E.J. Klip, te Hilvarenbeek
en
de minister voor Klimaat en Energie
(gemachtigde: mr. C. Cromheecke)
Procesverloop
Met het besluit van 16 november 2022 (subsidiebesluit) heeft de minister de aanvraag om subsidie op grond van titel 4.5 Investeringssubsidie duurzame energie en energiebesparing (ISDE) van de Regeling nationale EZK- en LNV-subsidies (Regeling) gedeeltelijk afgewezen.
Met het besluit van 18 januari 2023 (bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van Klip ongegrond verklaard.
Klip heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
De zitting was op 16 mei 2024. Aan de zitting hebben deelgenomen Klip en de gemachtigde van de minister.
Na sluiting van het onderzoek op de zitting heeft het College onmiddellijk uitspraak gedaan.
Overwegingen
1. Klip is het niet eens met de strenge voorwaarden van de Regeling, waarbij binnen een beperkte periode voldoende energiebesparende maatregelen moeten worden genomen om voor subsidie in aanmerking te komen. Om praktische en financiële redenen heeft hij zijn huis gefaseerd verduurzaamd. Daardoor loopt hij subsidie mis, terwijl zijn maatregelen wel bijdragen aan de doelstelling van de Regeling.
2 De minister heeft toegelicht dat het achterliggende doel van de (voorwaarden in de) Regeling is dat wordt gestimuleerd dat in een korte periode een grote(re) investering wordt gedaan. Dat is een politiek-beleidsmatige keuze van de regelgever. Het College ziet geen aanleiding voor het oordeel dat de Regeling om die reden onevenredig is. Verder zijn de door Klip aangevoerde omstandigheden niet zo bijzonder dat toepassing van de Regeling in het geval van Klip tot een onevenredige uitkomst zou leiden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Brugman in aanwezigheid van mr. E.C.C. Deen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 16 mei 2024.
D. Brugman E.C.C. Deen
Inleiding
proces-verbaal uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 23/228
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van
16 mei 2024 in de zaak tussen
E.J. Klip, te Hilvarenbeek
en
de minister voor Klimaat en Energie
(gemachtigde: mr. C. Cromheecke)
Procesverloop
Met het besluit van 16 november 2022 (subsidiebesluit) heeft de minister de aanvraag om subsidie op grond van titel 4.5 Investeringssubsidie duurzame energie en energiebesparing (ISDE) van de Regeling nationale EZK- en LNV-subsidies (Regeling) gedeeltelijk afgewezen.
Met het besluit van 18 januari 2023 (bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van Klip ongegrond verklaard.
Klip heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
De zitting was op 16 mei 2024. Aan de zitting hebben deelgenomen Klip en de gemachtigde van de minister.
Na sluiting van het onderzoek op de zitting heeft het College onmiddellijk uitspraak gedaan.
Overwegingen
1. Klip is het niet eens met de strenge voorwaarden van de Regeling, waarbij binnen een beperkte periode voldoende energiebesparende maatregelen moeten worden genomen om voor subsidie in aanmerking te komen. Om praktische en financiële redenen heeft hij zijn huis gefaseerd verduurzaamd. Daardoor loopt hij subsidie mis, terwijl zijn maatregelen wel bijdragen aan de doelstelling van de Regeling.
2 De minister heeft toegelicht dat het achterliggende doel van de (voorwaarden in de) Regeling is dat wordt gestimuleerd dat in een korte periode een grote(re) investering wordt gedaan. Dat is een politiek-beleidsmatige keuze van de regelgever. Het College ziet geen aanleiding voor het oordeel dat de Regeling om die reden onevenredig is. Verder zijn de door Klip aangevoerde omstandigheden niet zo bijzonder dat toepassing van de Regeling in het geval van Klip tot een onevenredige uitkomst zou leiden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Brugman in aanwezigheid van mr. E.C.C. Deen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 16 mei 2024.
D. Brugman E.C.C. Deen
Inleiding
proces-verbaal uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 23/228
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van
16 mei 2024 in de zaak tussen
E.J. Klip, te Hilvarenbeek
en
de minister voor Klimaat en Energie
(gemachtigde: mr. C. Cromheecke)
Procesverloop
Met het besluit van 16 november 2022 (subsidiebesluit) heeft de minister de aanvraag om subsidie op grond van titel 4.5 Investeringssubsidie duurzame energie en energiebesparing (ISDE) van de Regeling nationale EZK- en LNV-subsidies (Regeling) gedeeltelijk afgewezen.
Met het besluit van 18 januari 2023 (bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van Klip ongegrond verklaard.
Klip heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
De zitting was op 16 mei 2024. Aan de zitting hebben deelgenomen Klip en de gemachtigde van de minister.
Na sluiting van het onderzoek op de zitting heeft het College onmiddellijk uitspraak gedaan.
Overwegingen
1. Klip is het niet eens met de strenge voorwaarden van de Regeling, waarbij binnen een beperkte periode voldoende energiebesparende maatregelen moeten worden genomen om voor subsidie in aanmerking te komen. Om praktische en financiële redenen heeft hij zijn huis gefaseerd verduurzaamd. Daardoor loopt hij subsidie mis, terwijl zijn maatregelen wel bijdragen aan de doelstelling van de Regeling.
2 De minister heeft toegelicht dat het achterliggende doel van de (voorwaarden in de) Regeling is dat wordt gestimuleerd dat in een korte periode een grote(re) investering wordt gedaan. Dat is een politiek-beleidsmatige keuze van de regelgever. Het College ziet geen aanleiding voor het oordeel dat de Regeling om die reden onevenredig is. Verder zijn de door Klip aangevoerde omstandigheden niet zo bijzonder dat toepassing van de Regeling in het geval van Klip tot een onevenredige uitkomst zou leiden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Brugman in aanwezigheid van mr. E.C.C. Deen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 16 mei 2024.
D. Brugman E.C.C. Deen