Rechtspraak
College van Beroep voor het bedrijfsleven
2024-05-28
ECLI:NL:CBB:2024:359
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
9,790 tokens
Inleiding
uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 22/1267
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 mei 2024 in de zaak tussen
[naam] , te [plaats] (landbouwer)
en
de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit
(gemachtigden: mr. M. van den Brink en mr. J. van Horsen)
Procesverloop
Met de tussenuitspraak van 28 november 2023 (ECLI:NL:CBB:2023:652) heeft het College de minister opgedragen binnen acht weken na verzending van de tussenuitspraak het gebrek in het besluit van 16 juni 2022 (het bestreden besluit) te herstellen, dan wel een ander besluit daarvoor in de plaats te nemen met inachtneming van de tussenuitspraak.
Met een door het College op 8 februari 2024 ontvangen besluit (het vervangingsbesluit) heeft de minister het bestreden besluit ingetrokken, dat besluit vervangen door het vervangingsbesluit en het bezwaar met een aanvullende motivering wederom ongegrond verklaard.
De landbouwer heeft een zienswijze daarop gegeven.
Vervolgens heeft het College het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1. Voor de voorgeschiedenis en de achtergrond van het geschil en voor de van toepassing zijnde wettelijke bepalingen verwijst het College naar de tussenuitspraak.
2 In de tussenuitspraak heeft het College geoordeeld dat de minister mag uitgaan van de bevindingen in een teledetectierapport, tenzij er concrete aanknopingspunten zijn voor twijfel aan de juistheid en volledigheid ervan. Omdat het College vond dat er concrete aanknopingspunten bestonden voor twijfel aan de juistheid en/of volledigheid van de rapportage van 5 januari 2022 (de rapportage), heeft het in de tussenuitspraak geoordeeld dat de minister zijn besluitvorming niet zonder meer mocht baseren op die rapportage. Die twijfel was daarin gelegen dat informatie vermeld in tabel “Detailoverzicht 2: Naleving voorwaarden volgteelten” in de rapportage innerlijk tegenstrijdig lijkt en/of, zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet overeen lijkt te komen met het bij die rapportage gevoegde beeldmateriaal.
3 De landbouwer heeft in zijn zienswijze terecht opgemerkt dat de in de tussenuitspraak aan de minister gegeven termijn van acht weken om het gebrek te herstellen is overschreden. Het College ziet daarin echter geen aanleiding het vervangingsbesluit niet in de beoordeling van het beroep te betrekken.
4 De minister heeft met het vervangingsbesluit het bestreden besluit ingetrokken. Op grond van artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft het beroep tegen het bestreden besluit ook betrekking op het vervangingsbesluit. Gesteld noch gebleken is dat de landbouwer belang heeft bij een beoordeling van zijn beroep tegen het bestreden besluit. In zoverre zal het College zijn beroep niet-ontvankelijk verklaren.
5 In het vervangingsbesluit heeft de minister uiteengezet dat de informatie vermeld in tabel “Detailoverzicht 2” wordt aangeleverd door een zogeheten “delegated body” en een initiële beoordeling betreft van het beeldmateriaal en dat daarna een definitieve beoordeling volgt door de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO). Daarbij wordt op basis van het beeldmateriaal beoordeeld of de vanggewassen gedurende acht weken aanwezig zijn geweest. Tabel “Detailoverzicht 1”geeft de resultaten weer van die definitieve beoordeling. De percelen zijn door RVO geconstateerd met de diagnosecode “F5P”. Dit betekent dat het perceel niet voldoet aan de voorwaarden, omdat er geen of te weinig gewas is geconstateerd, of dat er niet toegestane activiteiten zijn uitgevoerd, zoals maaien, klepelen, begrazen of spuiten. De minister heeft verder toegelicht dat de resultaten van deze definitieve beoordeling kunnen afwijken van de constateringen van de initiële beoordeling, maar dat bij afwijkende resultaten de constateringen van RVO, als bevoegde autoriteit, leidend zijn.
6 Het College is van oordeel dat de minister in het vervangingsbesluit duidelijk heeft gemaakt dat en waarom moet worden uitgegaan van de informatie zoals vermeld in tabel “Detailoverzicht 1” en dat die informatie strookt met het door de minister overgelegde beeldmateriaal. Zoals vastgesteld in de tussenuitspraak is daarop te zien dat de betreffende percelen een groene kleur hebben, wat volgens de rapportage erop duidt dat er geen gewassen of planten op staan. In zoverre bestaat geen concreet aanknopingspunt meer voor twijfel aan de juistheid en/of volledigheid van de rapportage. Dat, zoals de landbouwer in zijn zienswijze aanvoert, het beeldmateriaal uit de rapportage vertroebeld kan zijn door de 10 tot 20 cm hoge mais stompjes die na de oogst boven het ingezaaide gras blijven uitsteken leidt niet tot een ander oordeel, omdat de groene kleur juist erop duidt dat er geen gewassen of planten op staan. Ook wat de landbouwer verder in zijn zienswijze aanvoert, namelijk dat uit de door hem overgelegde factuur van het loonbedrijf van 16 augustus 2021 blijkt dat in juni 2021 al onderzaai op de onderhavige percelen heeft plaatsgevonden en dat de loonwerker dit kan getuigen, levert op zichzelf genomen geen twijfel op over de juistheid van de rapportage. Dit betekent dat de minister van de juistheid van die rapportage mocht uitgaan en hij aldus het in de tussenuitspraak geconstateerde motiveringsgebrek in de besluitvorming heeft hersteld.
7 Op grond van de rapportage en meer in het bijzonder het beeldmateriaal heeft de minister terecht vastgesteld dat in de acht weken ná 15 oktober 2021 geen vanggewas op de percelen in geconstateerd. Dat wat de landbouwer in beroep heeft aangevoerd (zoals weergegeven onder 3 van de tussenuitspraak) heeft de minister in zijn verweerschrift (zoals weergegeven onder 4 van de tussenuitspraak) afdoende weerlegd. Verder deelt het College niet het standpunt van de landbouwer dat de minister de percelen ter plaatse had moeten onderzoeken. Uit artikel 40, aanhef en onder b, van Verordening 809/2014 volgt dat hij dit door middel van teledetectie kan doen. Omdat die controle de minister hier de gewenste duidelijkheid heeft gebracht, mocht hij een fysieke controle ter plaatse achterwege laten (vergelijk onder 7.4 van de uitspraak van het College van 18 december 2018, ECLI:NL:CBB:2018:674).
8 Het voorgaande heeft tot gevolg dat de minister de percelen 124, 125, 127, 128 en 149 terecht niet voor de inrichting van het ecologisch aandachtsgebied in aanmerking heeft genomen. Omdat de landbouwer niet heeft voldaan aan de voorwaarden voor de inrichting van het ecologisch aandachtsgebied, heeft hij niet voldaan aan de vergroeningsvoorwaarden voor het jaar 2021. De minister heeft dan ook terecht een verlaging van de vergroeningsbetaling toegepast, gelet op de artikelen 26 en 28 van Verordening 640/2014 van de Commissie van 11 maart 2014.
9 Het beroep tegen het vervangingsbesluit is dus ongegrond.
10 Het College ziet aanleiding te bepalen dat de minister het door de landbouwer betaalde griffierecht vergoedt. Er zijn geen proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen.
Dictum
Het College:
- verklaart het beroep voor zover gericht tegen het bestreden besluit niet-ontvankelijk;
- verklaart het beroep voor zover gericht tegen het vervangingsbesluit ongegrond;
- draagt de minister op het betaalde griffierecht van € 184,- aan de landbouwer te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Venekamp, in aanwezigheid van
mr. M.Y. Douglas-Hamilton, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 28 mei 2024.
w.g. A. Venekamp w.g. M.Y. Douglas-Hamilton
Inleiding
uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 22/1267
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 mei 2024 in de zaak tussen
[naam] , te [plaats] (landbouwer)
en
de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit
(gemachtigden: mr. M. van den Brink en mr. J. van Horsen)
Procesverloop
Met de tussenuitspraak van 28 november 2023 (ECLI:NL:CBB:2023:652) heeft het College de minister opgedragen binnen acht weken na verzending van de tussenuitspraak het gebrek in het besluit van 16 juni 2022 (het bestreden besluit) te herstellen, dan wel een ander besluit daarvoor in de plaats te nemen met inachtneming van de tussenuitspraak.
Met een door het College op 8 februari 2024 ontvangen besluit (het vervangingsbesluit) heeft de minister het bestreden besluit ingetrokken, dat besluit vervangen door het vervangingsbesluit en het bezwaar met een aanvullende motivering wederom ongegrond verklaard.
De landbouwer heeft een zienswijze daarop gegeven.
Vervolgens heeft het College het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1. Voor de voorgeschiedenis en de achtergrond van het geschil en voor de van toepassing zijnde wettelijke bepalingen verwijst het College naar de tussenuitspraak.
2 In de tussenuitspraak heeft het College geoordeeld dat de minister mag uitgaan van de bevindingen in een teledetectierapport, tenzij er concrete aanknopingspunten zijn voor twijfel aan de juistheid en volledigheid ervan. Omdat het College vond dat er concrete aanknopingspunten bestonden voor twijfel aan de juistheid en/of volledigheid van de rapportage van 5 januari 2022 (de rapportage), heeft het in de tussenuitspraak geoordeeld dat de minister zijn besluitvorming niet zonder meer mocht baseren op die rapportage. Die twijfel was daarin gelegen dat informatie vermeld in tabel “Detailoverzicht 2: Naleving voorwaarden volgteelten” in de rapportage innerlijk tegenstrijdig lijkt en/of, zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet overeen lijkt te komen met het bij die rapportage gevoegde beeldmateriaal.
3 De landbouwer heeft in zijn zienswijze terecht opgemerkt dat de in de tussenuitspraak aan de minister gegeven termijn van acht weken om het gebrek te herstellen is overschreden. Het College ziet daarin echter geen aanleiding het vervangingsbesluit niet in de beoordeling van het beroep te betrekken.
4 De minister heeft met het vervangingsbesluit het bestreden besluit ingetrokken. Op grond van artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft het beroep tegen het bestreden besluit ook betrekking op het vervangingsbesluit. Gesteld noch gebleken is dat de landbouwer belang heeft bij een beoordeling van zijn beroep tegen het bestreden besluit. In zoverre zal het College zijn beroep niet-ontvankelijk verklaren.
5 In het vervangingsbesluit heeft de minister uiteengezet dat de informatie vermeld in tabel “Detailoverzicht 2” wordt aangeleverd door een zogeheten “delegated body” en een initiële beoordeling betreft van het beeldmateriaal en dat daarna een definitieve beoordeling volgt door de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO). Daarbij wordt op basis van het beeldmateriaal beoordeeld of de vanggewassen gedurende acht weken aanwezig zijn geweest. Tabel “Detailoverzicht 1”geeft de resultaten weer van die definitieve beoordeling. De percelen zijn door RVO geconstateerd met de diagnosecode “F5P”. Dit betekent dat het perceel niet voldoet aan de voorwaarden, omdat er geen of te weinig gewas is geconstateerd, of dat er niet toegestane activiteiten zijn uitgevoerd, zoals maaien, klepelen, begrazen of spuiten. De minister heeft verder toegelicht dat de resultaten van deze definitieve beoordeling kunnen afwijken van de constateringen van de initiële beoordeling, maar dat bij afwijkende resultaten de constateringen van RVO, als bevoegde autoriteit, leidend zijn.
6 Het College is van oordeel dat de minister in het vervangingsbesluit duidelijk heeft gemaakt dat en waarom moet worden uitgegaan van de informatie zoals vermeld in tabel “Detailoverzicht 1” en dat die informatie strookt met het door de minister overgelegde beeldmateriaal. Zoals vastgesteld in de tussenuitspraak is daarop te zien dat de betreffende percelen een groene kleur hebben, wat volgens de rapportage erop duidt dat er geen gewassen of planten op staan. In zoverre bestaat geen concreet aanknopingspunt meer voor twijfel aan de juistheid en/of volledigheid van de rapportage. Dat, zoals de landbouwer in zijn zienswijze aanvoert, het beeldmateriaal uit de rapportage vertroebeld kan zijn door de 10 tot 20 cm hoge mais stompjes die na de oogst boven het ingezaaide gras blijven uitsteken leidt niet tot een ander oordeel, omdat de groene kleur juist erop duidt dat er geen gewassen of planten op staan. Ook wat de landbouwer verder in zijn zienswijze aanvoert, namelijk dat uit de door hem overgelegde factuur van het loonbedrijf van 16 augustus 2021 blijkt dat in juni 2021 al onderzaai op de onderhavige percelen heeft plaatsgevonden en dat de loonwerker dit kan getuigen, levert op zichzelf genomen geen twijfel op over de juistheid van de rapportage. Dit betekent dat de minister van de juistheid van die rapportage mocht uitgaan en hij aldus het in de tussenuitspraak geconstateerde motiveringsgebrek in de besluitvorming heeft hersteld.
7 Op grond van de rapportage en meer in het bijzonder het beeldmateriaal heeft de minister terecht vastgesteld dat in de acht weken ná 15 oktober 2021 geen vanggewas op de percelen in geconstateerd. Dat wat de landbouwer in beroep heeft aangevoerd (zoals weergegeven onder 3 van de tussenuitspraak) heeft de minister in zijn verweerschrift (zoals weergegeven onder 4 van de tussenuitspraak) afdoende weerlegd. Verder deelt het College niet het standpunt van de landbouwer dat de minister de percelen ter plaatse had moeten onderzoeken. Uit artikel 40, aanhef en onder b, van Verordening 809/2014 volgt dat hij dit door middel van teledetectie kan doen. Omdat die controle de minister hier de gewenste duidelijkheid heeft gebracht, mocht hij een fysieke controle ter plaatse achterwege laten (vergelijk onder 7.4 van de uitspraak van het College van 18 december 2018, ECLI:NL:CBB:2018:674).
8 Het voorgaande heeft tot gevolg dat de minister de percelen 124, 125, 127, 128 en 149 terecht niet voor de inrichting van het ecologisch aandachtsgebied in aanmerking heeft genomen. Omdat de landbouwer niet heeft voldaan aan de voorwaarden voor de inrichting van het ecologisch aandachtsgebied, heeft hij niet voldaan aan de vergroeningsvoorwaarden voor het jaar 2021. De minister heeft dan ook terecht een verlaging van de vergroeningsbetaling toegepast, gelet op de artikelen 26 en 28 van Verordening 640/2014 van de Commissie van 11 maart 2014.
9 Het beroep tegen het vervangingsbesluit is dus ongegrond.
10 Het College ziet aanleiding te bepalen dat de minister het door de landbouwer betaalde griffierecht vergoedt. Er zijn geen proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen.
Dictum
Het College:
- verklaart het beroep voor zover gericht tegen het bestreden besluit niet-ontvankelijk;
- verklaart het beroep voor zover gericht tegen het vervangingsbesluit ongegrond;
- draagt de minister op het betaalde griffierecht van € 184,- aan de landbouwer te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Venekamp, in aanwezigheid van
mr. M.Y. Douglas-Hamilton, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 28 mei 2024.
w.g. A. Venekamp w.g. M.Y. Douglas-Hamilton
Inleiding
uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 22/1267
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 mei 2024 in de zaak tussen
[naam] , te [plaats] (landbouwer)
en
de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit
(gemachtigden: mr. M. van den Brink en mr. J. van Horsen)
Procesverloop
Met de tussenuitspraak van 28 november 2023 (ECLI:NL:CBB:2023:652) heeft het College de minister opgedragen binnen acht weken na verzending van de tussenuitspraak het gebrek in het besluit van 16 juni 2022 (het bestreden besluit) te herstellen, dan wel een ander besluit daarvoor in de plaats te nemen met inachtneming van de tussenuitspraak.
Met een door het College op 8 februari 2024 ontvangen besluit (het vervangingsbesluit) heeft de minister het bestreden besluit ingetrokken, dat besluit vervangen door het vervangingsbesluit en het bezwaar met een aanvullende motivering wederom ongegrond verklaard.
De landbouwer heeft een zienswijze daarop gegeven.
Vervolgens heeft het College het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1. Voor de voorgeschiedenis en de achtergrond van het geschil en voor de van toepassing zijnde wettelijke bepalingen verwijst het College naar de tussenuitspraak.
2 In de tussenuitspraak heeft het College geoordeeld dat de minister mag uitgaan van de bevindingen in een teledetectierapport, tenzij er concrete aanknopingspunten zijn voor twijfel aan de juistheid en volledigheid ervan. Omdat het College vond dat er concrete aanknopingspunten bestonden voor twijfel aan de juistheid en/of volledigheid van de rapportage van 5 januari 2022 (de rapportage), heeft het in de tussenuitspraak geoordeeld dat de minister zijn besluitvorming niet zonder meer mocht baseren op die rapportage. Die twijfel was daarin gelegen dat informatie vermeld in tabel “Detailoverzicht 2: Naleving voorwaarden volgteelten” in de rapportage innerlijk tegenstrijdig lijkt en/of, zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet overeen lijkt te komen met het bij die rapportage gevoegde beeldmateriaal.
3 De landbouwer heeft in zijn zienswijze terecht opgemerkt dat de in de tussenuitspraak aan de minister gegeven termijn van acht weken om het gebrek te herstellen is overschreden. Het College ziet daarin echter geen aanleiding het vervangingsbesluit niet in de beoordeling van het beroep te betrekken.
4 De minister heeft met het vervangingsbesluit het bestreden besluit ingetrokken. Op grond van artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft het beroep tegen het bestreden besluit ook betrekking op het vervangingsbesluit. Gesteld noch gebleken is dat de landbouwer belang heeft bij een beoordeling van zijn beroep tegen het bestreden besluit. In zoverre zal het College zijn beroep niet-ontvankelijk verklaren.
5 In het vervangingsbesluit heeft de minister uiteengezet dat de informatie vermeld in tabel “Detailoverzicht 2” wordt aangeleverd door een zogeheten “delegated body” en een initiële beoordeling betreft van het beeldmateriaal en dat daarna een definitieve beoordeling volgt door de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO). Daarbij wordt op basis van het beeldmateriaal beoordeeld of de vanggewassen gedurende acht weken aanwezig zijn geweest. Tabel “Detailoverzicht 1”geeft de resultaten weer van die definitieve beoordeling. De percelen zijn door RVO geconstateerd met de diagnosecode “F5P”. Dit betekent dat het perceel niet voldoet aan de voorwaarden, omdat er geen of te weinig gewas is geconstateerd, of dat er niet toegestane activiteiten zijn uitgevoerd, zoals maaien, klepelen, begrazen of spuiten. De minister heeft verder toegelicht dat de resultaten van deze definitieve beoordeling kunnen afwijken van de constateringen van de initiële beoordeling, maar dat bij afwijkende resultaten de constateringen van RVO, als bevoegde autoriteit, leidend zijn.
6 Het College is van oordeel dat de minister in het vervangingsbesluit duidelijk heeft gemaakt dat en waarom moet worden uitgegaan van de informatie zoals vermeld in tabel “Detailoverzicht 1” en dat die informatie strookt met het door de minister overgelegde beeldmateriaal. Zoals vastgesteld in de tussenuitspraak is daarop te zien dat de betreffende percelen een groene kleur hebben, wat volgens de rapportage erop duidt dat er geen gewassen of planten op staan. In zoverre bestaat geen concreet aanknopingspunt meer voor twijfel aan de juistheid en/of volledigheid van de rapportage. Dat, zoals de landbouwer in zijn zienswijze aanvoert, het beeldmateriaal uit de rapportage vertroebeld kan zijn door de 10 tot 20 cm hoge mais stompjes die na de oogst boven het ingezaaide gras blijven uitsteken leidt niet tot een ander oordeel, omdat de groene kleur juist erop duidt dat er geen gewassen of planten op staan. Ook wat de landbouwer verder in zijn zienswijze aanvoert, namelijk dat uit de door hem overgelegde factuur van het loonbedrijf van 16 augustus 2021 blijkt dat in juni 2021 al onderzaai op de onderhavige percelen heeft plaatsgevonden en dat de loonwerker dit kan getuigen, levert op zichzelf genomen geen twijfel op over de juistheid van de rapportage. Dit betekent dat de minister van de juistheid van die rapportage mocht uitgaan en hij aldus het in de tussenuitspraak geconstateerde motiveringsgebrek in de besluitvorming heeft hersteld.
7 Op grond van de rapportage en meer in het bijzonder het beeldmateriaal heeft de minister terecht vastgesteld dat in de acht weken ná 15 oktober 2021 geen vanggewas op de percelen in geconstateerd. Dat wat de landbouwer in beroep heeft aangevoerd (zoals weergegeven onder 3 van de tussenuitspraak) heeft de minister in zijn verweerschrift (zoals weergegeven onder 4 van de tussenuitspraak) afdoende weerlegd. Verder deelt het College niet het standpunt van de landbouwer dat de minister de percelen ter plaatse had moeten onderzoeken. Uit artikel 40, aanhef en onder b, van Verordening 809/2014 volgt dat hij dit door middel van teledetectie kan doen. Omdat die controle de minister hier de gewenste duidelijkheid heeft gebracht, mocht hij een fysieke controle ter plaatse achterwege laten (vergelijk onder 7.4 van de uitspraak van het College van 18 december 2018, ECLI:NL:CBB:2018:674).
8 Het voorgaande heeft tot gevolg dat de minister de percelen 124, 125, 127, 128 en 149 terecht niet voor de inrichting van het ecologisch aandachtsgebied in aanmerking heeft genomen. Omdat de landbouwer niet heeft voldaan aan de voorwaarden voor de inrichting van het ecologisch aandachtsgebied, heeft hij niet voldaan aan de vergroeningsvoorwaarden voor het jaar 2021. De minister heeft dan ook terecht een verlaging van de vergroeningsbetaling toegepast, gelet op de artikelen 26 en 28 van Verordening 640/2014 van de Commissie van 11 maart 2014.
9 Het beroep tegen het vervangingsbesluit is dus ongegrond.
10 Het College ziet aanleiding te bepalen dat de minister het door de landbouwer betaalde griffierecht vergoedt. Er zijn geen proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen.
Dictum
Het College:
- verklaart het beroep voor zover gericht tegen het bestreden besluit niet-ontvankelijk;
- verklaart het beroep voor zover gericht tegen het vervangingsbesluit ongegrond;
- draagt de minister op het betaalde griffierecht van € 184,- aan de landbouwer te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Venekamp, in aanwezigheid van
mr. M.Y. Douglas-Hamilton, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 28 mei 2024.
w.g. A. Venekamp w.g. M.Y. Douglas-Hamilton
Inleiding
uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 22/1267
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 mei 2024 in de zaak tussen
[naam] , te [plaats] (landbouwer)
en
de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit
(gemachtigden: mr. M. van den Brink en mr. J. van Horsen)
Procesverloop
Met de tussenuitspraak van 28 november 2023 (ECLI:NL:CBB:2023:652) heeft het College de minister opgedragen binnen acht weken na verzending van de tussenuitspraak het gebrek in het besluit van 16 juni 2022 (het bestreden besluit) te herstellen, dan wel een ander besluit daarvoor in de plaats te nemen met inachtneming van de tussenuitspraak.
Met een door het College op 8 februari 2024 ontvangen besluit (het vervangingsbesluit) heeft de minister het bestreden besluit ingetrokken, dat besluit vervangen door het vervangingsbesluit en het bezwaar met een aanvullende motivering wederom ongegrond verklaard.
De landbouwer heeft een zienswijze daarop gegeven.
Vervolgens heeft het College het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1. Voor de voorgeschiedenis en de achtergrond van het geschil en voor de van toepassing zijnde wettelijke bepalingen verwijst het College naar de tussenuitspraak.
2 In de tussenuitspraak heeft het College geoordeeld dat de minister mag uitgaan van de bevindingen in een teledetectierapport, tenzij er concrete aanknopingspunten zijn voor twijfel aan de juistheid en volledigheid ervan. Omdat het College vond dat er concrete aanknopingspunten bestonden voor twijfel aan de juistheid en/of volledigheid van de rapportage van 5 januari 2022 (de rapportage), heeft het in de tussenuitspraak geoordeeld dat de minister zijn besluitvorming niet zonder meer mocht baseren op die rapportage. Die twijfel was daarin gelegen dat informatie vermeld in tabel “Detailoverzicht 2: Naleving voorwaarden volgteelten” in de rapportage innerlijk tegenstrijdig lijkt en/of, zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet overeen lijkt te komen met het bij die rapportage gevoegde beeldmateriaal.
3 De landbouwer heeft in zijn zienswijze terecht opgemerkt dat de in de tussenuitspraak aan de minister gegeven termijn van acht weken om het gebrek te herstellen is overschreden. Het College ziet daarin echter geen aanleiding het vervangingsbesluit niet in de beoordeling van het beroep te betrekken.
4 De minister heeft met het vervangingsbesluit het bestreden besluit ingetrokken. Op grond van artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft het beroep tegen het bestreden besluit ook betrekking op het vervangingsbesluit. Gesteld noch gebleken is dat de landbouwer belang heeft bij een beoordeling van zijn beroep tegen het bestreden besluit. In zoverre zal het College zijn beroep niet-ontvankelijk verklaren.
5 In het vervangingsbesluit heeft de minister uiteengezet dat de informatie vermeld in tabel “Detailoverzicht 2” wordt aangeleverd door een zogeheten “delegated body” en een initiële beoordeling betreft van het beeldmateriaal en dat daarna een definitieve beoordeling volgt door de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO). Daarbij wordt op basis van het beeldmateriaal beoordeeld of de vanggewassen gedurende acht weken aanwezig zijn geweest. Tabel “Detailoverzicht 1”geeft de resultaten weer van die definitieve beoordeling. De percelen zijn door RVO geconstateerd met de diagnosecode “F5P”. Dit betekent dat het perceel niet voldoet aan de voorwaarden, omdat er geen of te weinig gewas is geconstateerd, of dat er niet toegestane activiteiten zijn uitgevoerd, zoals maaien, klepelen, begrazen of spuiten. De minister heeft verder toegelicht dat de resultaten van deze definitieve beoordeling kunnen afwijken van de constateringen van de initiële beoordeling, maar dat bij afwijkende resultaten de constateringen van RVO, als bevoegde autoriteit, leidend zijn.
6 Het College is van oordeel dat de minister in het vervangingsbesluit duidelijk heeft gemaakt dat en waarom moet worden uitgegaan van de informatie zoals vermeld in tabel “Detailoverzicht 1” en dat die informatie strookt met het door de minister overgelegde beeldmateriaal. Zoals vastgesteld in de tussenuitspraak is daarop te zien dat de betreffende percelen een groene kleur hebben, wat volgens de rapportage erop duidt dat er geen gewassen of planten op staan. In zoverre bestaat geen concreet aanknopingspunt meer voor twijfel aan de juistheid en/of volledigheid van de rapportage. Dat, zoals de landbouwer in zijn zienswijze aanvoert, het beeldmateriaal uit de rapportage vertroebeld kan zijn door de 10 tot 20 cm hoge mais stompjes die na de oogst boven het ingezaaide gras blijven uitsteken leidt niet tot een ander oordeel, omdat de groene kleur juist erop duidt dat er geen gewassen of planten op staan. Ook wat de landbouwer verder in zijn zienswijze aanvoert, namelijk dat uit de door hem overgelegde factuur van het loonbedrijf van 16 augustus 2021 blijkt dat in juni 2021 al onderzaai op de onderhavige percelen heeft plaatsgevonden en dat de loonwerker dit kan getuigen, levert op zichzelf genomen geen twijfel op over de juistheid van de rapportage. Dit betekent dat de minister van de juistheid van die rapportage mocht uitgaan en hij aldus het in de tussenuitspraak geconstateerde motiveringsgebrek in de besluitvorming heeft hersteld.
7 Op grond van de rapportage en meer in het bijzonder het beeldmateriaal heeft de minister terecht vastgesteld dat in de acht weken ná 15 oktober 2021 geen vanggewas op de percelen in geconstateerd. Dat wat de landbouwer in beroep heeft aangevoerd (zoals weergegeven onder 3 van de tussenuitspraak) heeft de minister in zijn verweerschrift (zoals weergegeven onder 4 van de tussenuitspraak) afdoende weerlegd. Verder deelt het College niet het standpunt van de landbouwer dat de minister de percelen ter plaatse had moeten onderzoeken. Uit artikel 40, aanhef en onder b, van Verordening 809/2014 volgt dat hij dit door middel van teledetectie kan doen. Omdat die controle de minister hier de gewenste duidelijkheid heeft gebracht, mocht hij een fysieke controle ter plaatse achterwege laten (vergelijk onder 7.4 van de uitspraak van het College van 18 december 2018, ECLI:NL:CBB:2018:674).
8 Het voorgaande heeft tot gevolg dat de minister de percelen 124, 125, 127, 128 en 149 terecht niet voor de inrichting van het ecologisch aandachtsgebied in aanmerking heeft genomen. Omdat de landbouwer niet heeft voldaan aan de voorwaarden voor de inrichting van het ecologisch aandachtsgebied, heeft hij niet voldaan aan de vergroeningsvoorwaarden voor het jaar 2021. De minister heeft dan ook terecht een verlaging van de vergroeningsbetaling toegepast, gelet op de artikelen 26 en 28 van Verordening 640/2014 van de Commissie van 11 maart 2014.
9 Het beroep tegen het vervangingsbesluit is dus ongegrond.
10 Het College ziet aanleiding te bepalen dat de minister het door de landbouwer betaalde griffierecht vergoedt. Er zijn geen proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen.
Dictum
Het College:
- verklaart het beroep voor zover gericht tegen het bestreden besluit niet-ontvankelijk;
- verklaart het beroep voor zover gericht tegen het vervangingsbesluit ongegrond;
- draagt de minister op het betaalde griffierecht van € 184,- aan de landbouwer te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Venekamp, in aanwezigheid van
mr. M.Y. Douglas-Hamilton, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 28 mei 2024.
w.g. A. Venekamp w.g. M.Y. Douglas-Hamilton
Inleiding
uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 22/1267
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 mei 2024 in de zaak tussen
[naam] , te [plaats] (landbouwer)
en
de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit
(gemachtigden: mr. M. van den Brink en mr. J. van Horsen)
Procesverloop
Met de tussenuitspraak van 28 november 2023 (ECLI:NL:CBB:2023:652) heeft het College de minister opgedragen binnen acht weken na verzending van de tussenuitspraak het gebrek in het besluit van 16 juni 2022 (het bestreden besluit) te herstellen, dan wel een ander besluit daarvoor in de plaats te nemen met inachtneming van de tussenuitspraak.
Met een door het College op 8 februari 2024 ontvangen besluit (het vervangingsbesluit) heeft de minister het bestreden besluit ingetrokken, dat besluit vervangen door het vervangingsbesluit en het bezwaar met een aanvullende motivering wederom ongegrond verklaard.
De landbouwer heeft een zienswijze daarop gegeven.
Vervolgens heeft het College het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1. Voor de voorgeschiedenis en de achtergrond van het geschil en voor de van toepassing zijnde wettelijke bepalingen verwijst het College naar de tussenuitspraak.
2 In de tussenuitspraak heeft het College geoordeeld dat de minister mag uitgaan van de bevindingen in een teledetectierapport, tenzij er concrete aanknopingspunten zijn voor twijfel aan de juistheid en volledigheid ervan. Omdat het College vond dat er concrete aanknopingspunten bestonden voor twijfel aan de juistheid en/of volledigheid van de rapportage van 5 januari 2022 (de rapportage), heeft het in de tussenuitspraak geoordeeld dat de minister zijn besluitvorming niet zonder meer mocht baseren op die rapportage. Die twijfel was daarin gelegen dat informatie vermeld in tabel “Detailoverzicht 2: Naleving voorwaarden volgteelten” in de rapportage innerlijk tegenstrijdig lijkt en/of, zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet overeen lijkt te komen met het bij die rapportage gevoegde beeldmateriaal.
3 De landbouwer heeft in zijn zienswijze terecht opgemerkt dat de in de tussenuitspraak aan de minister gegeven termijn van acht weken om het gebrek te herstellen is overschreden. Het College ziet daarin echter geen aanleiding het vervangingsbesluit niet in de beoordeling van het beroep te betrekken.
4 De minister heeft met het vervangingsbesluit het bestreden besluit ingetrokken. Op grond van artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft het beroep tegen het bestreden besluit ook betrekking op het vervangingsbesluit. Gesteld noch gebleken is dat de landbouwer belang heeft bij een beoordeling van zijn beroep tegen het bestreden besluit. In zoverre zal het College zijn beroep niet-ontvankelijk verklaren.
5 In het vervangingsbesluit heeft de minister uiteengezet dat de informatie vermeld in tabel “Detailoverzicht 2” wordt aangeleverd door een zogeheten “delegated body” en een initiële beoordeling betreft van het beeldmateriaal en dat daarna een definitieve beoordeling volgt door de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO). Daarbij wordt op basis van het beeldmateriaal beoordeeld of de vanggewassen gedurende acht weken aanwezig zijn geweest. Tabel “Detailoverzicht 1”geeft de resultaten weer van die definitieve beoordeling. De percelen zijn door RVO geconstateerd met de diagnosecode “F5P”. Dit betekent dat het perceel niet voldoet aan de voorwaarden, omdat er geen of te weinig gewas is geconstateerd, of dat er niet toegestane activiteiten zijn uitgevoerd, zoals maaien, klepelen, begrazen of spuiten. De minister heeft verder toegelicht dat de resultaten van deze definitieve beoordeling kunnen afwijken van de constateringen van de initiële beoordeling, maar dat bij afwijkende resultaten de constateringen van RVO, als bevoegde autoriteit, leidend zijn.
6 Het College is van oordeel dat de minister in het vervangingsbesluit duidelijk heeft gemaakt dat en waarom moet worden uitgegaan van de informatie zoals vermeld in tabel “Detailoverzicht 1” en dat die informatie strookt met het door de minister overgelegde beeldmateriaal. Zoals vastgesteld in de tussenuitspraak is daarop te zien dat de betreffende percelen een groene kleur hebben, wat volgens de rapportage erop duidt dat er geen gewassen of planten op staan. In zoverre bestaat geen concreet aanknopingspunt meer voor twijfel aan de juistheid en/of volledigheid van de rapportage. Dat, zoals de landbouwer in zijn zienswijze aanvoert, het beeldmateriaal uit de rapportage vertroebeld kan zijn door de 10 tot 20 cm hoge mais stompjes die na de oogst boven het ingezaaide gras blijven uitsteken leidt niet tot een ander oordeel, omdat de groene kleur juist erop duidt dat er geen gewassen of planten op staan. Ook wat de landbouwer verder in zijn zienswijze aanvoert, namelijk dat uit de door hem overgelegde factuur van het loonbedrijf van 16 augustus 2021 blijkt dat in juni 2021 al onderzaai op de onderhavige percelen heeft plaatsgevonden en dat de loonwerker dit kan getuigen, levert op zichzelf genomen geen twijfel op over de juistheid van de rapportage. Dit betekent dat de minister van de juistheid van die rapportage mocht uitgaan en hij aldus het in de tussenuitspraak geconstateerde motiveringsgebrek in de besluitvorming heeft hersteld.
7 Op grond van de rapportage en meer in het bijzonder het beeldmateriaal heeft de minister terecht vastgesteld dat in de acht weken ná 15 oktober 2021 geen vanggewas op de percelen in geconstateerd. Dat wat de landbouwer in beroep heeft aangevoerd (zoals weergegeven onder 3 van de tussenuitspraak) heeft de minister in zijn verweerschrift (zoals weergegeven onder 4 van de tussenuitspraak) afdoende weerlegd. Verder deelt het College niet het standpunt van de landbouwer dat de minister de percelen ter plaatse had moeten onderzoeken. Uit artikel 40, aanhef en onder b, van Verordening 809/2014 volgt dat hij dit door middel van teledetectie kan doen. Omdat die controle de minister hier de gewenste duidelijkheid heeft gebracht, mocht hij een fysieke controle ter plaatse achterwege laten (vergelijk onder 7.4 van de uitspraak van het College van 18 december 2018, ECLI:NL:CBB:2018:674).
8 Het voorgaande heeft tot gevolg dat de minister de percelen 124, 125, 127, 128 en 149 terecht niet voor de inrichting van het ecologisch aandachtsgebied in aanmerking heeft genomen. Omdat de landbouwer niet heeft voldaan aan de voorwaarden voor de inrichting van het ecologisch aandachtsgebied, heeft hij niet voldaan aan de vergroeningsvoorwaarden voor het jaar 2021. De minister heeft dan ook terecht een verlaging van de vergroeningsbetaling toegepast, gelet op de artikelen 26 en 28 van Verordening 640/2014 van de Commissie van 11 maart 2014.
9 Het beroep tegen het vervangingsbesluit is dus ongegrond.
10 Het College ziet aanleiding te bepalen dat de minister het door de landbouwer betaalde griffierecht vergoedt. Er zijn geen proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen.
Dictum
Het College:
- verklaart het beroep voor zover gericht tegen het bestreden besluit niet-ontvankelijk;
- verklaart het beroep voor zover gericht tegen het vervangingsbesluit ongegrond;
- draagt de minister op het betaalde griffierecht van € 184,- aan de landbouwer te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Venekamp, in aanwezigheid van
mr. M.Y. Douglas-Hamilton, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 28 mei 2024.
w.g. A. Venekamp w.g. M.Y. Douglas-Hamilton