Rechtspraak
College van Beroep voor het bedrijfsleven
2024-04-30
ECLI:NL:CBB:2024:317
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
4,470 tokens
Inleiding
uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 22/2660
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 april 2024 in de zaak tussen
[naam] V.O.F., te [plaats] (de onderneming)
en
de minister van Economische Zaken en Klimaat
(gemachtigden: W. Dam en mr. F. Tarrahi).
Procesverloop
Met het besluit van 7 maart 2022 (subsidiebesluit) heeft de minister de onderneming een subsidie toegekend van € 2.592,25 op grond van de Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19 (TVL) voor de periode oktober tot en met december 2021 (Q4 2021).
Met het besluit van 14 oktober 2022 (bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van de onderneming ongegrond verklaard.
De onderneming heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De minister heeft met het besluit van 7 december 2023 (herzieningsbesluit) het bestreden besluit ingetrokken en het bezwaar gegrond verklaard. Daarbij heeft de minister het subsidiebesluit herroepen en een subsidie van € 4.147,60 toegekend.
De zitting was op 18 januari 2024. Aan de zitting hebben de gemachtigden van de minister deelgenomen.
Overwegingen
1. De minister heeft met het herzieningsbesluit alsnog subsidie op grond van de TVL voor Q4 van 2021 aan de onderneming verleend. Naar aanleiding van dat besluit heeft het College de onderneming verzocht om aan te geven of zij het beroep tegen het bestreden besluit wil intrekken, en zo niet, of zij dan wil aangeven welk belang zij nog meent te hebben bij een uitspraak van het College. Daarop is geen reactie van de onderneming ontvangen. Aan de zitting van 18 januari 2024 heeft de onderneming, zonder bericht, niet deelgenomen.
2 Vast staat dat de onderneming niet kenbaar heeft gemaakt welk belang zij nog heeft bij handhaving van het beroep. Het College houdt het ervoor dat de minister met het herzieningsbesluit volledig tegemoet is gekomen aan het beroep van de onderneming tegen het bestreden besluit. In zoverre heeft de onderneming geen belang meer bij een inhoudelijke beoordeling van dat beroep. Omdat ook van een ander belang van de onderneming bij een beoordeling niet is gebleken, zal het beroep tegen het bestreden besluit niet-ontvankelijk worden verklaard.
3 In de omstandigheid dat de minister met het herzieningsbesluit is tegemoetgekomen aan het beroep van de onderneming tegen het bestreden besluit, ziet het College aanleiding te bepalen dat de minister het griffierecht moet vergoeden dat de onderneming heeft betaald. Er is niet gebleken dat de onderneming proceskosten heeft gemaakt. De minister hoeft daarom geen proceskosten te vergoeden.
4 Volledigheidshalve merkt het College nog op dat, omdat het (proces)belang is komen te vervallen, er tegen het herzieningsbesluit geen van rechtswege beroep op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht is ontstaan.
Dictum
Het College:
verklaart het beroep tegen het bestreden besluit niet-ontvankelijk;
draagt de minister op het betaalde griffierecht van € 365,- aan de onderneming te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.P. Glerum, in aanwezigheid van mr. A. Verhoeven, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 30 april 2024.
w.g. M.P. Glerum w.g. A. Verhoeven
Inleiding
uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 22/2660
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 april 2024 in de zaak tussen
[naam] V.O.F., te [plaats] (de onderneming)
en
de minister van Economische Zaken en Klimaat
(gemachtigden: W. Dam en mr. F. Tarrahi).
Procesverloop
Met het besluit van 7 maart 2022 (subsidiebesluit) heeft de minister de onderneming een subsidie toegekend van € 2.592,25 op grond van de Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19 (TVL) voor de periode oktober tot en met december 2021 (Q4 2021).
Met het besluit van 14 oktober 2022 (bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van de onderneming ongegrond verklaard.
De onderneming heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De minister heeft met het besluit van 7 december 2023 (herzieningsbesluit) het bestreden besluit ingetrokken en het bezwaar gegrond verklaard. Daarbij heeft de minister het subsidiebesluit herroepen en een subsidie van € 4.147,60 toegekend.
De zitting was op 18 januari 2024. Aan de zitting hebben de gemachtigden van de minister deelgenomen.
Overwegingen
1. De minister heeft met het herzieningsbesluit alsnog subsidie op grond van de TVL voor Q4 van 2021 aan de onderneming verleend. Naar aanleiding van dat besluit heeft het College de onderneming verzocht om aan te geven of zij het beroep tegen het bestreden besluit wil intrekken, en zo niet, of zij dan wil aangeven welk belang zij nog meent te hebben bij een uitspraak van het College. Daarop is geen reactie van de onderneming ontvangen. Aan de zitting van 18 januari 2024 heeft de onderneming, zonder bericht, niet deelgenomen.
2 Vast staat dat de onderneming niet kenbaar heeft gemaakt welk belang zij nog heeft bij handhaving van het beroep. Het College houdt het ervoor dat de minister met het herzieningsbesluit volledig tegemoet is gekomen aan het beroep van de onderneming tegen het bestreden besluit. In zoverre heeft de onderneming geen belang meer bij een inhoudelijke beoordeling van dat beroep. Omdat ook van een ander belang van de onderneming bij een beoordeling niet is gebleken, zal het beroep tegen het bestreden besluit niet-ontvankelijk worden verklaard.
3 In de omstandigheid dat de minister met het herzieningsbesluit is tegemoetgekomen aan het beroep van de onderneming tegen het bestreden besluit, ziet het College aanleiding te bepalen dat de minister het griffierecht moet vergoeden dat de onderneming heeft betaald. Er is niet gebleken dat de onderneming proceskosten heeft gemaakt. De minister hoeft daarom geen proceskosten te vergoeden.
4 Volledigheidshalve merkt het College nog op dat, omdat het (proces)belang is komen te vervallen, er tegen het herzieningsbesluit geen van rechtswege beroep op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht is ontstaan.
Dictum
Het College:
verklaart het beroep tegen het bestreden besluit niet-ontvankelijk;
draagt de minister op het betaalde griffierecht van € 365,- aan de onderneming te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.P. Glerum, in aanwezigheid van mr. A. Verhoeven, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 30 april 2024.
w.g. M.P. Glerum w.g. A. Verhoeven
Inleiding
uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 22/2660
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 april 2024 in de zaak tussen
[naam] V.O.F., te [plaats] (de onderneming)
en
de minister van Economische Zaken en Klimaat
(gemachtigden: W. Dam en mr. F. Tarrahi).
Procesverloop
Met het besluit van 7 maart 2022 (subsidiebesluit) heeft de minister de onderneming een subsidie toegekend van € 2.592,25 op grond van de Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19 (TVL) voor de periode oktober tot en met december 2021 (Q4 2021).
Met het besluit van 14 oktober 2022 (bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van de onderneming ongegrond verklaard.
De onderneming heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De minister heeft met het besluit van 7 december 2023 (herzieningsbesluit) het bestreden besluit ingetrokken en het bezwaar gegrond verklaard. Daarbij heeft de minister het subsidiebesluit herroepen en een subsidie van € 4.147,60 toegekend.
De zitting was op 18 januari 2024. Aan de zitting hebben de gemachtigden van de minister deelgenomen.
Overwegingen
1. De minister heeft met het herzieningsbesluit alsnog subsidie op grond van de TVL voor Q4 van 2021 aan de onderneming verleend. Naar aanleiding van dat besluit heeft het College de onderneming verzocht om aan te geven of zij het beroep tegen het bestreden besluit wil intrekken, en zo niet, of zij dan wil aangeven welk belang zij nog meent te hebben bij een uitspraak van het College. Daarop is geen reactie van de onderneming ontvangen. Aan de zitting van 18 januari 2024 heeft de onderneming, zonder bericht, niet deelgenomen.
2 Vast staat dat de onderneming niet kenbaar heeft gemaakt welk belang zij nog heeft bij handhaving van het beroep. Het College houdt het ervoor dat de minister met het herzieningsbesluit volledig tegemoet is gekomen aan het beroep van de onderneming tegen het bestreden besluit. In zoverre heeft de onderneming geen belang meer bij een inhoudelijke beoordeling van dat beroep. Omdat ook van een ander belang van de onderneming bij een beoordeling niet is gebleken, zal het beroep tegen het bestreden besluit niet-ontvankelijk worden verklaard.
3 In de omstandigheid dat de minister met het herzieningsbesluit is tegemoetgekomen aan het beroep van de onderneming tegen het bestreden besluit, ziet het College aanleiding te bepalen dat de minister het griffierecht moet vergoeden dat de onderneming heeft betaald. Er is niet gebleken dat de onderneming proceskosten heeft gemaakt. De minister hoeft daarom geen proceskosten te vergoeden.
4 Volledigheidshalve merkt het College nog op dat, omdat het (proces)belang is komen te vervallen, er tegen het herzieningsbesluit geen van rechtswege beroep op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht is ontstaan.
Dictum
Het College:
verklaart het beroep tegen het bestreden besluit niet-ontvankelijk;
draagt de minister op het betaalde griffierecht van € 365,- aan de onderneming te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.P. Glerum, in aanwezigheid van mr. A. Verhoeven, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 30 april 2024.
w.g. M.P. Glerum w.g. A. Verhoeven
Inleiding
uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 22/2660
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 april 2024 in de zaak tussen
[naam] V.O.F., te [plaats] (de onderneming)
en
de minister van Economische Zaken en Klimaat
(gemachtigden: W. Dam en mr. F. Tarrahi).
Procesverloop
Met het besluit van 7 maart 2022 (subsidiebesluit) heeft de minister de onderneming een subsidie toegekend van € 2.592,25 op grond van de Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19 (TVL) voor de periode oktober tot en met december 2021 (Q4 2021).
Met het besluit van 14 oktober 2022 (bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van de onderneming ongegrond verklaard.
De onderneming heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De minister heeft met het besluit van 7 december 2023 (herzieningsbesluit) het bestreden besluit ingetrokken en het bezwaar gegrond verklaard. Daarbij heeft de minister het subsidiebesluit herroepen en een subsidie van € 4.147,60 toegekend.
De zitting was op 18 januari 2024. Aan de zitting hebben de gemachtigden van de minister deelgenomen.
Overwegingen
1. De minister heeft met het herzieningsbesluit alsnog subsidie op grond van de TVL voor Q4 van 2021 aan de onderneming verleend. Naar aanleiding van dat besluit heeft het College de onderneming verzocht om aan te geven of zij het beroep tegen het bestreden besluit wil intrekken, en zo niet, of zij dan wil aangeven welk belang zij nog meent te hebben bij een uitspraak van het College. Daarop is geen reactie van de onderneming ontvangen. Aan de zitting van 18 januari 2024 heeft de onderneming, zonder bericht, niet deelgenomen.
2 Vast staat dat de onderneming niet kenbaar heeft gemaakt welk belang zij nog heeft bij handhaving van het beroep. Het College houdt het ervoor dat de minister met het herzieningsbesluit volledig tegemoet is gekomen aan het beroep van de onderneming tegen het bestreden besluit. In zoverre heeft de onderneming geen belang meer bij een inhoudelijke beoordeling van dat beroep. Omdat ook van een ander belang van de onderneming bij een beoordeling niet is gebleken, zal het beroep tegen het bestreden besluit niet-ontvankelijk worden verklaard.
3 In de omstandigheid dat de minister met het herzieningsbesluit is tegemoetgekomen aan het beroep van de onderneming tegen het bestreden besluit, ziet het College aanleiding te bepalen dat de minister het griffierecht moet vergoeden dat de onderneming heeft betaald. Er is niet gebleken dat de onderneming proceskosten heeft gemaakt. De minister hoeft daarom geen proceskosten te vergoeden.
4 Volledigheidshalve merkt het College nog op dat, omdat het (proces)belang is komen te vervallen, er tegen het herzieningsbesluit geen van rechtswege beroep op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht is ontstaan.
Dictum
Het College:
verklaart het beroep tegen het bestreden besluit niet-ontvankelijk;
draagt de minister op het betaalde griffierecht van € 365,- aan de onderneming te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.P. Glerum, in aanwezigheid van mr. A. Verhoeven, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 30 april 2024.
w.g. M.P. Glerum w.g. A. Verhoeven
Inleiding
uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 22/2660
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 april 2024 in de zaak tussen
[naam] V.O.F., te [plaats] (de onderneming)
en
de minister van Economische Zaken en Klimaat
(gemachtigden: W. Dam en mr. F. Tarrahi).
Procesverloop
Met het besluit van 7 maart 2022 (subsidiebesluit) heeft de minister de onderneming een subsidie toegekend van € 2.592,25 op grond van de Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19 (TVL) voor de periode oktober tot en met december 2021 (Q4 2021).
Met het besluit van 14 oktober 2022 (bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van de onderneming ongegrond verklaard.
De onderneming heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De minister heeft met het besluit van 7 december 2023 (herzieningsbesluit) het bestreden besluit ingetrokken en het bezwaar gegrond verklaard. Daarbij heeft de minister het subsidiebesluit herroepen en een subsidie van € 4.147,60 toegekend.
De zitting was op 18 januari 2024. Aan de zitting hebben de gemachtigden van de minister deelgenomen.
Overwegingen
1. De minister heeft met het herzieningsbesluit alsnog subsidie op grond van de TVL voor Q4 van 2021 aan de onderneming verleend. Naar aanleiding van dat besluit heeft het College de onderneming verzocht om aan te geven of zij het beroep tegen het bestreden besluit wil intrekken, en zo niet, of zij dan wil aangeven welk belang zij nog meent te hebben bij een uitspraak van het College. Daarop is geen reactie van de onderneming ontvangen. Aan de zitting van 18 januari 2024 heeft de onderneming, zonder bericht, niet deelgenomen.
2 Vast staat dat de onderneming niet kenbaar heeft gemaakt welk belang zij nog heeft bij handhaving van het beroep. Het College houdt het ervoor dat de minister met het herzieningsbesluit volledig tegemoet is gekomen aan het beroep van de onderneming tegen het bestreden besluit. In zoverre heeft de onderneming geen belang meer bij een inhoudelijke beoordeling van dat beroep. Omdat ook van een ander belang van de onderneming bij een beoordeling niet is gebleken, zal het beroep tegen het bestreden besluit niet-ontvankelijk worden verklaard.
3 In de omstandigheid dat de minister met het herzieningsbesluit is tegemoetgekomen aan het beroep van de onderneming tegen het bestreden besluit, ziet het College aanleiding te bepalen dat de minister het griffierecht moet vergoeden dat de onderneming heeft betaald. Er is niet gebleken dat de onderneming proceskosten heeft gemaakt. De minister hoeft daarom geen proceskosten te vergoeden.
4 Volledigheidshalve merkt het College nog op dat, omdat het (proces)belang is komen te vervallen, er tegen het herzieningsbesluit geen van rechtswege beroep op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht is ontstaan.
Dictum
Het College:
verklaart het beroep tegen het bestreden besluit niet-ontvankelijk;
draagt de minister op het betaalde griffierecht van € 365,- aan de onderneming te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.P. Glerum, in aanwezigheid van mr. A. Verhoeven, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 30 april 2024.
w.g. M.P. Glerum w.g. A. Verhoeven