Rechtspraak
College van Beroep voor het bedrijfsleven
2024-03-26
ECLI:NL:CBB:2024:212
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
8,930 tokens
Inleiding
uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 22/1120
uitspraak zonder zitting van de enkelvoudige kamer van 26 maart 2024 in de zaak tussen
[naam 1] en [naam 2] , te [plaats 1] ,
en
de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit,
(gemachtigde: mr. M.W. Schilperoort).
Met als derde-partij
[naam 3]
, vennoot van [naam 4] , kantoorhoudende te [plaats 2] (curator)
Samenvatting
Deze uitspraak gaat over de brief van 11 maart 2022 die de minister aan [naam 1] en [naam 2] heeft gestuurd, waarin de minister hen informeert dat een aantal van hun dieren in bewaring zijn genomen omdat niet was voldaan aan een eerder opgelegde last onder bestuursdwang. Met het besluit van 18 mei 2022 (bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van [naam 1] en [naam 2] tegen deze brief niet-ontvankelijk verklaard.
In deze uitspraak beslist het College op het beroep dat [naam 1] en [naam 2] hebben ingesteld tegen het bestreden besluit. [naam 1] en [naam 2] krijgen geen gelijk. De minister heeft hen terecht niet-ontvankelijk verklaard in hun bezwaar. De brief van 11 maart 2022 is geen besluit waartegen bezwaar en beroep openstaat. Dat betekent dat het College de grieven die zij hebben tegen de brief van de minister om deze reden niet inhoudelijk zal behandelen.
Verder speelt hier dat [naam 1] en [naam 2] allebei onder curatele zijn gesteld. De curator heeft weliswaar aangegeven de beroepsprocedure van [naam 1] en [naam 2] niet over te willen nemen, maar het College moet daarnaast ook zelf beoordelen of [naam 1] en [naam 2] in staat kunnen worden geacht om zelf in dit geding op te treden. Aan deze beoordeling komt het College echter niet toe, omdat zoals hiervoor al is aangegeven deze procedure voor hen nergens toe kan leiden.
Hierna zal het College zijn oordeel motiveren en zijn beslissing geven.
Beoordeling
1. Het College doet deze uitspraak zonder zitting, omdat het over voldoende informatie beschikt om tot dit oordeel te komen. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat een zitting in dat geval niet nodig is.
2 Het toepasselijke wettelijke kader is opgenomen in een bijlage bij deze uitspraak.
3 Het College stelt ambtshalve vast dat [naam 1] en [naam 2] allebei door de kantonrechter op 5 april 2022 onder curatele zijn gesteld wegens lichamelijk of geestelijke toestand. De curator heeft desgevraagd aangegeven het beroep dat [naam 1] en [naam 2] hebben ingesteld bij het College niet te willen overnemen. Ondanks deze mededeling van de curator ligt het bij het College om, gelet op artikel 8:21, tweede lid, van de Awb, te beoordelen of [naam 1] en [naam 2] tot redelijke waardering van hun belangen in staat kunnen worden geacht en dus ook zelf in dit geding kunnen optreden. In dit geval is zo’n beoordeling in deze procedure lastig omdat het College uit de uitspraak van de kantonrechter opmaakt dat aan de ondercuratelestelling geen deskundigenverklaring ten grondslag heeft gelegen.
4 Aan de beoordeling als bedoeld in artikel 8:21, tweede lid, van de Awb komt het College echter niet toe. Daarvoor is van belang dat [naam 1] en [naam 2] geen gelijk krijgen in hun beroep.
5 De brief van 11 maart 2022 waar zij tegen opkomen is namelijk geen besluit in de zin van artikel 1:3, van de Awb waartegen een rechtsmiddel kan worden ingesteld. In deze brief heeft de minister namelijk aan [naam 1] en [naam 2] medegedeeld dat hij toepassing heeft gegeven aan een eerder op 28 januari 2022 aan hen opgelegde last onder bestuursdwang en dat honden, baardagamen en een kat in bewaring worden genomen. Het College stelt vast dat de minister met deze brief [naam 1] en [naam 2] in kennis stelt van de feitelijke tenuitvoerlegging van de aan hen opgelegde last onder bestuursdwang. Deze brief is daarom gelet op vaste jurisprudentie van het College (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 26 maart 2019, ECLI:NL:CBB:127 onder 5.3) niet gericht op rechtsgevolg, maar een feitelijke mededeling. De minister heeft gelet daarop hun bezwaar terecht niet-ontvankelijk verklaard. Nader onderzoek acht het College niet nodig.
6 Omdat het College het beroep van [naam 1] en [naam 2] kennelijk ongegrond zal verklaren en het beroep voor hen nergens toe zal leiden, kiest het College er in dit geval voor om de beoordeling als bedoeld in artikel 8:21, tweede lid, van de Awb achterwege te laten.
Conclusie
Dit leidt tot de conclusie dat de minister het bezwaar terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Nader onderzoek is niet nodig. Het College zal het beroep daarom kennelijk ongegrond verklaren.
Dictum
Het College verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T. Pavićević, in aanwezigheid van Y.R. Boonstra-van Herwijnen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 26 maart 2024.
w.g. T. Pavićević w.g. Y.R. Boonstra-van Herwijnen
Afschrift verzonden aan partijen op:
Wat u kunt doen als u het niet eens bent met deze uitspraak
Tegen deze uitspraak kunt u in verzet gaan bij het College. U doet dit door in een brief (het verzetschrift) toe te lichten waarom u het niet eens bent met de uitspraak. Zorg ervoor dat het College uw verzetschrift op tijd ontvangt, namelijk binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. In uw verzetschrift kunt u het College vragen om mondeling te mogen toelichten waarom u het niet eens bent met de uitspraak.
Bijlage
Algemene wet bestuursrecht
Artikel 1:3, eerste lid
1. Onder besluit wordt verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.
Artikel 8:21
1. Natuurlijke personen, onbekwaam om in rechte te staan, worden in het geding vertegenwoordigd door hun vertegenwoordigers naar burgerlijk recht. De wettelijke vertegenwoordiger behoeft niet de machtiging van de kantonrechter, bedoeld in artikel 349 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek.
2. De in het eerste lid bedoelde personen kunnen zelf in het geding optreden, indien zij tot redelijke waardering van hun belangen in staat kunnen worden geacht.
Artikel 8:54
1. Totdat partijen zijn uitgenodigd om op een zitting van de bestuursrechter te verschijnen, kan de bestuursrechter het onderzoek sluiten, indien voortzetting van het onderzoek niet nodig is, omdat:
a. de bestuursrechter kennelijk onbevoegd is,
b. het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is,
c. het beroep kennelijk ongegrond is, of
d. het beroep kennelijk gegrond is.
2. In de uitspraak na toepassing van het eerste lid worden partijen gewezen op artikel 8:55, eerste lid.
Inleiding
uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 22/1120
uitspraak zonder zitting van de enkelvoudige kamer van 26 maart 2024 in de zaak tussen
[naam 1] en [naam 2] , te [plaats 1] ,
en
de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit,
(gemachtigde: mr. M.W. Schilperoort).
Met als derde-partij
[naam 3]
, vennoot van [naam 4] , kantoorhoudende te [plaats 2] (curator)
Samenvatting
Deze uitspraak gaat over de brief van 11 maart 2022 die de minister aan [naam 1] en [naam 2] heeft gestuurd, waarin de minister hen informeert dat een aantal van hun dieren in bewaring zijn genomen omdat niet was voldaan aan een eerder opgelegde last onder bestuursdwang. Met het besluit van 18 mei 2022 (bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van [naam 1] en [naam 2] tegen deze brief niet-ontvankelijk verklaard.
In deze uitspraak beslist het College op het beroep dat [naam 1] en [naam 2] hebben ingesteld tegen het bestreden besluit. [naam 1] en [naam 2] krijgen geen gelijk. De minister heeft hen terecht niet-ontvankelijk verklaard in hun bezwaar. De brief van 11 maart 2022 is geen besluit waartegen bezwaar en beroep openstaat. Dat betekent dat het College de grieven die zij hebben tegen de brief van de minister om deze reden niet inhoudelijk zal behandelen.
Verder speelt hier dat [naam 1] en [naam 2] allebei onder curatele zijn gesteld. De curator heeft weliswaar aangegeven de beroepsprocedure van [naam 1] en [naam 2] niet over te willen nemen, maar het College moet daarnaast ook zelf beoordelen of [naam 1] en [naam 2] in staat kunnen worden geacht om zelf in dit geding op te treden. Aan deze beoordeling komt het College echter niet toe, omdat zoals hiervoor al is aangegeven deze procedure voor hen nergens toe kan leiden.
Hierna zal het College zijn oordeel motiveren en zijn beslissing geven.
Beoordeling
1. Het College doet deze uitspraak zonder zitting, omdat het over voldoende informatie beschikt om tot dit oordeel te komen. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat een zitting in dat geval niet nodig is.
2 Het toepasselijke wettelijke kader is opgenomen in een bijlage bij deze uitspraak.
3 Het College stelt ambtshalve vast dat [naam 1] en [naam 2] allebei door de kantonrechter op 5 april 2022 onder curatele zijn gesteld wegens lichamelijk of geestelijke toestand. De curator heeft desgevraagd aangegeven het beroep dat [naam 1] en [naam 2] hebben ingesteld bij het College niet te willen overnemen. Ondanks deze mededeling van de curator ligt het bij het College om, gelet op artikel 8:21, tweede lid, van de Awb, te beoordelen of [naam 1] en [naam 2] tot redelijke waardering van hun belangen in staat kunnen worden geacht en dus ook zelf in dit geding kunnen optreden. In dit geval is zo’n beoordeling in deze procedure lastig omdat het College uit de uitspraak van de kantonrechter opmaakt dat aan de ondercuratelestelling geen deskundigenverklaring ten grondslag heeft gelegen.
4 Aan de beoordeling als bedoeld in artikel 8:21, tweede lid, van de Awb komt het College echter niet toe. Daarvoor is van belang dat [naam 1] en [naam 2] geen gelijk krijgen in hun beroep.
5 De brief van 11 maart 2022 waar zij tegen opkomen is namelijk geen besluit in de zin van artikel 1:3, van de Awb waartegen een rechtsmiddel kan worden ingesteld. In deze brief heeft de minister namelijk aan [naam 1] en [naam 2] medegedeeld dat hij toepassing heeft gegeven aan een eerder op 28 januari 2022 aan hen opgelegde last onder bestuursdwang en dat honden, baardagamen en een kat in bewaring worden genomen. Het College stelt vast dat de minister met deze brief [naam 1] en [naam 2] in kennis stelt van de feitelijke tenuitvoerlegging van de aan hen opgelegde last onder bestuursdwang. Deze brief is daarom gelet op vaste jurisprudentie van het College (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 26 maart 2019, ECLI:NL:CBB:127 onder 5.3) niet gericht op rechtsgevolg, maar een feitelijke mededeling. De minister heeft gelet daarop hun bezwaar terecht niet-ontvankelijk verklaard. Nader onderzoek acht het College niet nodig.
6 Omdat het College het beroep van [naam 1] en [naam 2] kennelijk ongegrond zal verklaren en het beroep voor hen nergens toe zal leiden, kiest het College er in dit geval voor om de beoordeling als bedoeld in artikel 8:21, tweede lid, van de Awb achterwege te laten.
Conclusie
Dit leidt tot de conclusie dat de minister het bezwaar terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Nader onderzoek is niet nodig. Het College zal het beroep daarom kennelijk ongegrond verklaren.
Dictum
Het College verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T. Pavićević, in aanwezigheid van Y.R. Boonstra-van Herwijnen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 26 maart 2024.
w.g. T. Pavićević w.g. Y.R. Boonstra-van Herwijnen
Afschrift verzonden aan partijen op:
Wat u kunt doen als u het niet eens bent met deze uitspraak
Tegen deze uitspraak kunt u in verzet gaan bij het College. U doet dit door in een brief (het verzetschrift) toe te lichten waarom u het niet eens bent met de uitspraak. Zorg ervoor dat het College uw verzetschrift op tijd ontvangt, namelijk binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. In uw verzetschrift kunt u het College vragen om mondeling te mogen toelichten waarom u het niet eens bent met de uitspraak.
Bijlage
Algemene wet bestuursrecht
Artikel 1:3, eerste lid
1. Onder besluit wordt verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.
Artikel 8:21
1. Natuurlijke personen, onbekwaam om in rechte te staan, worden in het geding vertegenwoordigd door hun vertegenwoordigers naar burgerlijk recht. De wettelijke vertegenwoordiger behoeft niet de machtiging van de kantonrechter, bedoeld in artikel 349 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek.
2. De in het eerste lid bedoelde personen kunnen zelf in het geding optreden, indien zij tot redelijke waardering van hun belangen in staat kunnen worden geacht.
Artikel 8:54
1. Totdat partijen zijn uitgenodigd om op een zitting van de bestuursrechter te verschijnen, kan de bestuursrechter het onderzoek sluiten, indien voortzetting van het onderzoek niet nodig is, omdat:
a. de bestuursrechter kennelijk onbevoegd is,
b. het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is,
c. het beroep kennelijk ongegrond is, of
d. het beroep kennelijk gegrond is.
2. In de uitspraak na toepassing van het eerste lid worden partijen gewezen op artikel 8:55, eerste lid.
Inleiding
uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 22/1120
uitspraak zonder zitting van de enkelvoudige kamer van 26 maart 2024 in de zaak tussen
[naam 1] en [naam 2] , te [plaats 1] ,
en
de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit,
(gemachtigde: mr. M.W. Schilperoort).
Met als derde-partij
[naam 3]
, vennoot van [naam 4] , kantoorhoudende te [plaats 2] (curator)
Samenvatting
Deze uitspraak gaat over de brief van 11 maart 2022 die de minister aan [naam 1] en [naam 2] heeft gestuurd, waarin de minister hen informeert dat een aantal van hun dieren in bewaring zijn genomen omdat niet was voldaan aan een eerder opgelegde last onder bestuursdwang. Met het besluit van 18 mei 2022 (bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van [naam 1] en [naam 2] tegen deze brief niet-ontvankelijk verklaard.
In deze uitspraak beslist het College op het beroep dat [naam 1] en [naam 2] hebben ingesteld tegen het bestreden besluit. [naam 1] en [naam 2] krijgen geen gelijk. De minister heeft hen terecht niet-ontvankelijk verklaard in hun bezwaar. De brief van 11 maart 2022 is geen besluit waartegen bezwaar en beroep openstaat. Dat betekent dat het College de grieven die zij hebben tegen de brief van de minister om deze reden niet inhoudelijk zal behandelen.
Verder speelt hier dat [naam 1] en [naam 2] allebei onder curatele zijn gesteld. De curator heeft weliswaar aangegeven de beroepsprocedure van [naam 1] en [naam 2] niet over te willen nemen, maar het College moet daarnaast ook zelf beoordelen of [naam 1] en [naam 2] in staat kunnen worden geacht om zelf in dit geding op te treden. Aan deze beoordeling komt het College echter niet toe, omdat zoals hiervoor al is aangegeven deze procedure voor hen nergens toe kan leiden.
Hierna zal het College zijn oordeel motiveren en zijn beslissing geven.
Beoordeling
1. Het College doet deze uitspraak zonder zitting, omdat het over voldoende informatie beschikt om tot dit oordeel te komen. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat een zitting in dat geval niet nodig is.
2 Het toepasselijke wettelijke kader is opgenomen in een bijlage bij deze uitspraak.
3 Het College stelt ambtshalve vast dat [naam 1] en [naam 2] allebei door de kantonrechter op 5 april 2022 onder curatele zijn gesteld wegens lichamelijk of geestelijke toestand. De curator heeft desgevraagd aangegeven het beroep dat [naam 1] en [naam 2] hebben ingesteld bij het College niet te willen overnemen. Ondanks deze mededeling van de curator ligt het bij het College om, gelet op artikel 8:21, tweede lid, van de Awb, te beoordelen of [naam 1] en [naam 2] tot redelijke waardering van hun belangen in staat kunnen worden geacht en dus ook zelf in dit geding kunnen optreden. In dit geval is zo’n beoordeling in deze procedure lastig omdat het College uit de uitspraak van de kantonrechter opmaakt dat aan de ondercuratelestelling geen deskundigenverklaring ten grondslag heeft gelegen.
4 Aan de beoordeling als bedoeld in artikel 8:21, tweede lid, van de Awb komt het College echter niet toe. Daarvoor is van belang dat [naam 1] en [naam 2] geen gelijk krijgen in hun beroep.
5 De brief van 11 maart 2022 waar zij tegen opkomen is namelijk geen besluit in de zin van artikel 1:3, van de Awb waartegen een rechtsmiddel kan worden ingesteld. In deze brief heeft de minister namelijk aan [naam 1] en [naam 2] medegedeeld dat hij toepassing heeft gegeven aan een eerder op 28 januari 2022 aan hen opgelegde last onder bestuursdwang en dat honden, baardagamen en een kat in bewaring worden genomen. Het College stelt vast dat de minister met deze brief [naam 1] en [naam 2] in kennis stelt van de feitelijke tenuitvoerlegging van de aan hen opgelegde last onder bestuursdwang. Deze brief is daarom gelet op vaste jurisprudentie van het College (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 26 maart 2019, ECLI:NL:CBB:127 onder 5.3) niet gericht op rechtsgevolg, maar een feitelijke mededeling. De minister heeft gelet daarop hun bezwaar terecht niet-ontvankelijk verklaard. Nader onderzoek acht het College niet nodig.
6 Omdat het College het beroep van [naam 1] en [naam 2] kennelijk ongegrond zal verklaren en het beroep voor hen nergens toe zal leiden, kiest het College er in dit geval voor om de beoordeling als bedoeld in artikel 8:21, tweede lid, van de Awb achterwege te laten.
Conclusie
Dit leidt tot de conclusie dat de minister het bezwaar terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Nader onderzoek is niet nodig. Het College zal het beroep daarom kennelijk ongegrond verklaren.
Dictum
Het College verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T. Pavićević, in aanwezigheid van Y.R. Boonstra-van Herwijnen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 26 maart 2024.
w.g. T. Pavićević w.g. Y.R. Boonstra-van Herwijnen
Afschrift verzonden aan partijen op:
Wat u kunt doen als u het niet eens bent met deze uitspraak
Tegen deze uitspraak kunt u in verzet gaan bij het College. U doet dit door in een brief (het verzetschrift) toe te lichten waarom u het niet eens bent met de uitspraak. Zorg ervoor dat het College uw verzetschrift op tijd ontvangt, namelijk binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. In uw verzetschrift kunt u het College vragen om mondeling te mogen toelichten waarom u het niet eens bent met de uitspraak.
Bijlage
Algemene wet bestuursrecht
Artikel 1:3, eerste lid
1. Onder besluit wordt verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.
Artikel 8:21
1. Natuurlijke personen, onbekwaam om in rechte te staan, worden in het geding vertegenwoordigd door hun vertegenwoordigers naar burgerlijk recht. De wettelijke vertegenwoordiger behoeft niet de machtiging van de kantonrechter, bedoeld in artikel 349 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek.
2. De in het eerste lid bedoelde personen kunnen zelf in het geding optreden, indien zij tot redelijke waardering van hun belangen in staat kunnen worden geacht.
Artikel 8:54
1. Totdat partijen zijn uitgenodigd om op een zitting van de bestuursrechter te verschijnen, kan de bestuursrechter het onderzoek sluiten, indien voortzetting van het onderzoek niet nodig is, omdat:
a. de bestuursrechter kennelijk onbevoegd is,
b. het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is,
c. het beroep kennelijk ongegrond is, of
d. het beroep kennelijk gegrond is.
2. In de uitspraak na toepassing van het eerste lid worden partijen gewezen op artikel 8:55, eerste lid.
Inleiding
uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 22/1120
uitspraak zonder zitting van de enkelvoudige kamer van 26 maart 2024 in de zaak tussen
[naam 1] en [naam 2] , te [plaats 1] ,
en
de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit,
(gemachtigde: mr. M.W. Schilperoort).
Met als derde-partij
[naam 3]
, vennoot van [naam 4] , kantoorhoudende te [plaats 2] (curator)
Samenvatting
Deze uitspraak gaat over de brief van 11 maart 2022 die de minister aan [naam 1] en [naam 2] heeft gestuurd, waarin de minister hen informeert dat een aantal van hun dieren in bewaring zijn genomen omdat niet was voldaan aan een eerder opgelegde last onder bestuursdwang. Met het besluit van 18 mei 2022 (bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van [naam 1] en [naam 2] tegen deze brief niet-ontvankelijk verklaard.
In deze uitspraak beslist het College op het beroep dat [naam 1] en [naam 2] hebben ingesteld tegen het bestreden besluit. [naam 1] en [naam 2] krijgen geen gelijk. De minister heeft hen terecht niet-ontvankelijk verklaard in hun bezwaar. De brief van 11 maart 2022 is geen besluit waartegen bezwaar en beroep openstaat. Dat betekent dat het College de grieven die zij hebben tegen de brief van de minister om deze reden niet inhoudelijk zal behandelen.
Verder speelt hier dat [naam 1] en [naam 2] allebei onder curatele zijn gesteld. De curator heeft weliswaar aangegeven de beroepsprocedure van [naam 1] en [naam 2] niet over te willen nemen, maar het College moet daarnaast ook zelf beoordelen of [naam 1] en [naam 2] in staat kunnen worden geacht om zelf in dit geding op te treden. Aan deze beoordeling komt het College echter niet toe, omdat zoals hiervoor al is aangegeven deze procedure voor hen nergens toe kan leiden.
Hierna zal het College zijn oordeel motiveren en zijn beslissing geven.
Beoordeling
1. Het College doet deze uitspraak zonder zitting, omdat het over voldoende informatie beschikt om tot dit oordeel te komen. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat een zitting in dat geval niet nodig is.
2 Het toepasselijke wettelijke kader is opgenomen in een bijlage bij deze uitspraak.
3 Het College stelt ambtshalve vast dat [naam 1] en [naam 2] allebei door de kantonrechter op 5 april 2022 onder curatele zijn gesteld wegens lichamelijk of geestelijke toestand. De curator heeft desgevraagd aangegeven het beroep dat [naam 1] en [naam 2] hebben ingesteld bij het College niet te willen overnemen. Ondanks deze mededeling van de curator ligt het bij het College om, gelet op artikel 8:21, tweede lid, van de Awb, te beoordelen of [naam 1] en [naam 2] tot redelijke waardering van hun belangen in staat kunnen worden geacht en dus ook zelf in dit geding kunnen optreden. In dit geval is zo’n beoordeling in deze procedure lastig omdat het College uit de uitspraak van de kantonrechter opmaakt dat aan de ondercuratelestelling geen deskundigenverklaring ten grondslag heeft gelegen.
4 Aan de beoordeling als bedoeld in artikel 8:21, tweede lid, van de Awb komt het College echter niet toe. Daarvoor is van belang dat [naam 1] en [naam 2] geen gelijk krijgen in hun beroep.
5 De brief van 11 maart 2022 waar zij tegen opkomen is namelijk geen besluit in de zin van artikel 1:3, van de Awb waartegen een rechtsmiddel kan worden ingesteld. In deze brief heeft de minister namelijk aan [naam 1] en [naam 2] medegedeeld dat hij toepassing heeft gegeven aan een eerder op 28 januari 2022 aan hen opgelegde last onder bestuursdwang en dat honden, baardagamen en een kat in bewaring worden genomen. Het College stelt vast dat de minister met deze brief [naam 1] en [naam 2] in kennis stelt van de feitelijke tenuitvoerlegging van de aan hen opgelegde last onder bestuursdwang. Deze brief is daarom gelet op vaste jurisprudentie van het College (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 26 maart 2019, ECLI:NL:CBB:127 onder 5.3) niet gericht op rechtsgevolg, maar een feitelijke mededeling. De minister heeft gelet daarop hun bezwaar terecht niet-ontvankelijk verklaard. Nader onderzoek acht het College niet nodig.
6 Omdat het College het beroep van [naam 1] en [naam 2] kennelijk ongegrond zal verklaren en het beroep voor hen nergens toe zal leiden, kiest het College er in dit geval voor om de beoordeling als bedoeld in artikel 8:21, tweede lid, van de Awb achterwege te laten.
Conclusie
Dit leidt tot de conclusie dat de minister het bezwaar terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Nader onderzoek is niet nodig. Het College zal het beroep daarom kennelijk ongegrond verklaren.
Dictum
Het College verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T. Pavićević, in aanwezigheid van Y.R. Boonstra-van Herwijnen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 26 maart 2024.
w.g. T. Pavićević w.g. Y.R. Boonstra-van Herwijnen
Afschrift verzonden aan partijen op:
Wat u kunt doen als u het niet eens bent met deze uitspraak
Tegen deze uitspraak kunt u in verzet gaan bij het College. U doet dit door in een brief (het verzetschrift) toe te lichten waarom u het niet eens bent met de uitspraak. Zorg ervoor dat het College uw verzetschrift op tijd ontvangt, namelijk binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. In uw verzetschrift kunt u het College vragen om mondeling te mogen toelichten waarom u het niet eens bent met de uitspraak.
Bijlage
Algemene wet bestuursrecht
Artikel 1:3, eerste lid
1. Onder besluit wordt verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.
Artikel 8:21
1. Natuurlijke personen, onbekwaam om in rechte te staan, worden in het geding vertegenwoordigd door hun vertegenwoordigers naar burgerlijk recht. De wettelijke vertegenwoordiger behoeft niet de machtiging van de kantonrechter, bedoeld in artikel 349 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek.
2. De in het eerste lid bedoelde personen kunnen zelf in het geding optreden, indien zij tot redelijke waardering van hun belangen in staat kunnen worden geacht.
Artikel 8:54
1. Totdat partijen zijn uitgenodigd om op een zitting van de bestuursrechter te verschijnen, kan de bestuursrechter het onderzoek sluiten, indien voortzetting van het onderzoek niet nodig is, omdat:
a. de bestuursrechter kennelijk onbevoegd is,
b. het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is,
c. het beroep kennelijk ongegrond is, of
d. het beroep kennelijk gegrond is.
2. In de uitspraak na toepassing van het eerste lid worden partijen gewezen op artikel 8:55, eerste lid.
Inleiding
uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 22/1120
uitspraak zonder zitting van de enkelvoudige kamer van 26 maart 2024 in de zaak tussen
[naam 1] en [naam 2] , te [plaats 1] ,
en
de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit,
(gemachtigde: mr. M.W. Schilperoort).
Met als derde-partij
[naam 3]
, vennoot van [naam 4] , kantoorhoudende te [plaats 2] (curator)
Samenvatting
Deze uitspraak gaat over de brief van 11 maart 2022 die de minister aan [naam 1] en [naam 2] heeft gestuurd, waarin de minister hen informeert dat een aantal van hun dieren in bewaring zijn genomen omdat niet was voldaan aan een eerder opgelegde last onder bestuursdwang. Met het besluit van 18 mei 2022 (bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van [naam 1] en [naam 2] tegen deze brief niet-ontvankelijk verklaard.
In deze uitspraak beslist het College op het beroep dat [naam 1] en [naam 2] hebben ingesteld tegen het bestreden besluit. [naam 1] en [naam 2] krijgen geen gelijk. De minister heeft hen terecht niet-ontvankelijk verklaard in hun bezwaar. De brief van 11 maart 2022 is geen besluit waartegen bezwaar en beroep openstaat. Dat betekent dat het College de grieven die zij hebben tegen de brief van de minister om deze reden niet inhoudelijk zal behandelen.
Verder speelt hier dat [naam 1] en [naam 2] allebei onder curatele zijn gesteld. De curator heeft weliswaar aangegeven de beroepsprocedure van [naam 1] en [naam 2] niet over te willen nemen, maar het College moet daarnaast ook zelf beoordelen of [naam 1] en [naam 2] in staat kunnen worden geacht om zelf in dit geding op te treden. Aan deze beoordeling komt het College echter niet toe, omdat zoals hiervoor al is aangegeven deze procedure voor hen nergens toe kan leiden.
Hierna zal het College zijn oordeel motiveren en zijn beslissing geven.
Beoordeling
1. Het College doet deze uitspraak zonder zitting, omdat het over voldoende informatie beschikt om tot dit oordeel te komen. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat een zitting in dat geval niet nodig is.
2 Het toepasselijke wettelijke kader is opgenomen in een bijlage bij deze uitspraak.
3 Het College stelt ambtshalve vast dat [naam 1] en [naam 2] allebei door de kantonrechter op 5 april 2022 onder curatele zijn gesteld wegens lichamelijk of geestelijke toestand. De curator heeft desgevraagd aangegeven het beroep dat [naam 1] en [naam 2] hebben ingesteld bij het College niet te willen overnemen. Ondanks deze mededeling van de curator ligt het bij het College om, gelet op artikel 8:21, tweede lid, van de Awb, te beoordelen of [naam 1] en [naam 2] tot redelijke waardering van hun belangen in staat kunnen worden geacht en dus ook zelf in dit geding kunnen optreden. In dit geval is zo’n beoordeling in deze procedure lastig omdat het College uit de uitspraak van de kantonrechter opmaakt dat aan de ondercuratelestelling geen deskundigenverklaring ten grondslag heeft gelegen.
4 Aan de beoordeling als bedoeld in artikel 8:21, tweede lid, van de Awb komt het College echter niet toe. Daarvoor is van belang dat [naam 1] en [naam 2] geen gelijk krijgen in hun beroep.
5 De brief van 11 maart 2022 waar zij tegen opkomen is namelijk geen besluit in de zin van artikel 1:3, van de Awb waartegen een rechtsmiddel kan worden ingesteld. In deze brief heeft de minister namelijk aan [naam 1] en [naam 2] medegedeeld dat hij toepassing heeft gegeven aan een eerder op 28 januari 2022 aan hen opgelegde last onder bestuursdwang en dat honden, baardagamen en een kat in bewaring worden genomen. Het College stelt vast dat de minister met deze brief [naam 1] en [naam 2] in kennis stelt van de feitelijke tenuitvoerlegging van de aan hen opgelegde last onder bestuursdwang. Deze brief is daarom gelet op vaste jurisprudentie van het College (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 26 maart 2019, ECLI:NL:CBB:127 onder 5.3) niet gericht op rechtsgevolg, maar een feitelijke mededeling. De minister heeft gelet daarop hun bezwaar terecht niet-ontvankelijk verklaard. Nader onderzoek acht het College niet nodig.
6 Omdat het College het beroep van [naam 1] en [naam 2] kennelijk ongegrond zal verklaren en het beroep voor hen nergens toe zal leiden, kiest het College er in dit geval voor om de beoordeling als bedoeld in artikel 8:21, tweede lid, van de Awb achterwege te laten.
Conclusie
Dit leidt tot de conclusie dat de minister het bezwaar terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Nader onderzoek is niet nodig. Het College zal het beroep daarom kennelijk ongegrond verklaren.
Dictum
Het College verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T. Pavićević, in aanwezigheid van Y.R. Boonstra-van Herwijnen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 26 maart 2024.
w.g. T. Pavićević w.g. Y.R. Boonstra-van Herwijnen
Afschrift verzonden aan partijen op:
Wat u kunt doen als u het niet eens bent met deze uitspraak
Tegen deze uitspraak kunt u in verzet gaan bij het College. U doet dit door in een brief (het verzetschrift) toe te lichten waarom u het niet eens bent met de uitspraak. Zorg ervoor dat het College uw verzetschrift op tijd ontvangt, namelijk binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. In uw verzetschrift kunt u het College vragen om mondeling te mogen toelichten waarom u het niet eens bent met de uitspraak.
Bijlage
Algemene wet bestuursrecht
Artikel 1:3, eerste lid
1. Onder besluit wordt verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.
Artikel 8:21
1. Natuurlijke personen, onbekwaam om in rechte te staan, worden in het geding vertegenwoordigd door hun vertegenwoordigers naar burgerlijk recht. De wettelijke vertegenwoordiger behoeft niet de machtiging van de kantonrechter, bedoeld in artikel 349 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek.
2. De in het eerste lid bedoelde personen kunnen zelf in het geding optreden, indien zij tot redelijke waardering van hun belangen in staat kunnen worden geacht.
Artikel 8:54
1. Totdat partijen zijn uitgenodigd om op een zitting van de bestuursrechter te verschijnen, kan de bestuursrechter het onderzoek sluiten, indien voortzetting van het onderzoek niet nodig is, omdat:
a. de bestuursrechter kennelijk onbevoegd is,
b. het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is,
c. het beroep kennelijk ongegrond is, of
d. het beroep kennelijk gegrond is.
2. In de uitspraak na toepassing van het eerste lid worden partijen gewezen op artikel 8:55, eerste lid.