Rechtspraak
College van Beroep voor het bedrijfsleven
2024-01-09
ECLI:NL:CBB:2024:2
Bestuursrecht
Verzet
2,550 tokens
Inleiding
uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 22/920
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 januari 2024 op het verzet van
[naam 1] , handelend onder de naam [naam 2] , te [plaats] (de ondernemer)
Procesverloop
De ondernemer heeft verzet gedaan tegen de uitspraak van het College van 27 juni 2023 met toepassing van de artikelen 8:54, eerste lid, en 8:75a, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, dus zonder zitting. Met die uitspraak heeft het College het verzoek van de ondernemer om de minister van Economische Zaken en Klimaat te veroordelen in de proceskosten van de ondernemer, afgewezen.
Overwegingen
1. De ondernemer heeft in verzet herhaald dat hij aanspraak maakt op vergoeding van de kosten die hij in het kader van zijn beroep heeft moeten betalen aan zijn boekhouder. Het gaat om een bedrag van in totaal € 1.355,20.
2 Het College volgt de ondernemer hierin niet. In artikel 1, aanhef, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) staat op welke kosten een veroordeling in de proceskosten uitsluitend betrekking kan hebben. Het gaat hier niet om kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand in de zin van artikel 1, aanhef en onder a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Er is ook geen sprake van (een verslag van) een deskundige in de zin van artikel 1, aanhef en onder b, van het Bpb. De kosten die de ondernemer heeft gemaakt voor het inschakelen van zijn boekhouder komen daarom niet voor vergoeding in aanmerking. Het verzet is ongegrond.
3 De minister hoeft geen proceskosten van het verzet te vergoeden.
Dictum
Het College verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.G.M. Simons, in aanwezigheid van D.A. Bohlmeijer, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 9 januari 2024.
w.g. T.G.M. Simons w.g. D.A. Bohlmeijer
Inleiding
uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 22/920
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 januari 2024 op het verzet van
[naam 1] , handelend onder de naam [naam 2] , te [plaats] (de ondernemer)
Procesverloop
De ondernemer heeft verzet gedaan tegen de uitspraak van het College van 27 juni 2023 met toepassing van de artikelen 8:54, eerste lid, en 8:75a, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, dus zonder zitting. Met die uitspraak heeft het College het verzoek van de ondernemer om de minister van Economische Zaken en Klimaat te veroordelen in de proceskosten van de ondernemer, afgewezen.
Overwegingen
1. De ondernemer heeft in verzet herhaald dat hij aanspraak maakt op vergoeding van de kosten die hij in het kader van zijn beroep heeft moeten betalen aan zijn boekhouder. Het gaat om een bedrag van in totaal € 1.355,20.
2 Het College volgt de ondernemer hierin niet. In artikel 1, aanhef, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) staat op welke kosten een veroordeling in de proceskosten uitsluitend betrekking kan hebben. Het gaat hier niet om kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand in de zin van artikel 1, aanhef en onder a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Er is ook geen sprake van (een verslag van) een deskundige in de zin van artikel 1, aanhef en onder b, van het Bpb. De kosten die de ondernemer heeft gemaakt voor het inschakelen van zijn boekhouder komen daarom niet voor vergoeding in aanmerking. Het verzet is ongegrond.
3 De minister hoeft geen proceskosten van het verzet te vergoeden.
Dictum
Het College verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.G.M. Simons, in aanwezigheid van D.A. Bohlmeijer, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 9 januari 2024.
w.g. T.G.M. Simons w.g. D.A. Bohlmeijer
Inleiding
uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 22/920
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 januari 2024 op het verzet van
[naam 1] , handelend onder de naam [naam 2] , te [plaats] (de ondernemer)
Procesverloop
De ondernemer heeft verzet gedaan tegen de uitspraak van het College van 27 juni 2023 met toepassing van de artikelen 8:54, eerste lid, en 8:75a, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, dus zonder zitting. Met die uitspraak heeft het College het verzoek van de ondernemer om de minister van Economische Zaken en Klimaat te veroordelen in de proceskosten van de ondernemer, afgewezen.
Overwegingen
1. De ondernemer heeft in verzet herhaald dat hij aanspraak maakt op vergoeding van de kosten die hij in het kader van zijn beroep heeft moeten betalen aan zijn boekhouder. Het gaat om een bedrag van in totaal € 1.355,20.
2 Het College volgt de ondernemer hierin niet. In artikel 1, aanhef, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) staat op welke kosten een veroordeling in de proceskosten uitsluitend betrekking kan hebben. Het gaat hier niet om kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand in de zin van artikel 1, aanhef en onder a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Er is ook geen sprake van (een verslag van) een deskundige in de zin van artikel 1, aanhef en onder b, van het Bpb. De kosten die de ondernemer heeft gemaakt voor het inschakelen van zijn boekhouder komen daarom niet voor vergoeding in aanmerking. Het verzet is ongegrond.
3 De minister hoeft geen proceskosten van het verzet te vergoeden.
Dictum
Het College verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.G.M. Simons, in aanwezigheid van D.A. Bohlmeijer, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 9 januari 2024.
w.g. T.G.M. Simons w.g. D.A. Bohlmeijer
Inleiding
uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 22/920
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 januari 2024 op het verzet van
[naam 1] , handelend onder de naam [naam 2] , te [plaats] (de ondernemer)
Procesverloop
De ondernemer heeft verzet gedaan tegen de uitspraak van het College van 27 juni 2023 met toepassing van de artikelen 8:54, eerste lid, en 8:75a, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, dus zonder zitting. Met die uitspraak heeft het College het verzoek van de ondernemer om de minister van Economische Zaken en Klimaat te veroordelen in de proceskosten van de ondernemer, afgewezen.
Overwegingen
1. De ondernemer heeft in verzet herhaald dat hij aanspraak maakt op vergoeding van de kosten die hij in het kader van zijn beroep heeft moeten betalen aan zijn boekhouder. Het gaat om een bedrag van in totaal € 1.355,20.
2 Het College volgt de ondernemer hierin niet. In artikel 1, aanhef, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) staat op welke kosten een veroordeling in de proceskosten uitsluitend betrekking kan hebben. Het gaat hier niet om kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand in de zin van artikel 1, aanhef en onder a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Er is ook geen sprake van (een verslag van) een deskundige in de zin van artikel 1, aanhef en onder b, van het Bpb. De kosten die de ondernemer heeft gemaakt voor het inschakelen van zijn boekhouder komen daarom niet voor vergoeding in aanmerking. Het verzet is ongegrond.
3 De minister hoeft geen proceskosten van het verzet te vergoeden.
Dictum
Het College verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.G.M. Simons, in aanwezigheid van D.A. Bohlmeijer, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 9 januari 2024.
w.g. T.G.M. Simons w.g. D.A. Bohlmeijer
Inleiding
uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 22/920
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 januari 2024 op het verzet van
[naam 1] , handelend onder de naam [naam 2] , te [plaats] (de ondernemer)
Procesverloop
De ondernemer heeft verzet gedaan tegen de uitspraak van het College van 27 juni 2023 met toepassing van de artikelen 8:54, eerste lid, en 8:75a, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, dus zonder zitting. Met die uitspraak heeft het College het verzoek van de ondernemer om de minister van Economische Zaken en Klimaat te veroordelen in de proceskosten van de ondernemer, afgewezen.
Overwegingen
1. De ondernemer heeft in verzet herhaald dat hij aanspraak maakt op vergoeding van de kosten die hij in het kader van zijn beroep heeft moeten betalen aan zijn boekhouder. Het gaat om een bedrag van in totaal € 1.355,20.
2 Het College volgt de ondernemer hierin niet. In artikel 1, aanhef, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) staat op welke kosten een veroordeling in de proceskosten uitsluitend betrekking kan hebben. Het gaat hier niet om kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand in de zin van artikel 1, aanhef en onder a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Er is ook geen sprake van (een verslag van) een deskundige in de zin van artikel 1, aanhef en onder b, van het Bpb. De kosten die de ondernemer heeft gemaakt voor het inschakelen van zijn boekhouder komen daarom niet voor vergoeding in aanmerking. Het verzet is ongegrond.
3 De minister hoeft geen proceskosten van het verzet te vergoeden.
Dictum
Het College verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.G.M. Simons, in aanwezigheid van D.A. Bohlmeijer, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 9 januari 2024.
w.g. T.G.M. Simons w.g. D.A. Bohlmeijer