Rechtspraak
College van Beroep voor het bedrijfsleven
2024-03-12
ECLI:NL:CBB:2024:163
Bestuursrecht
Verzet
2,185 tokens
Inleiding
uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 23/1917
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 maart 2024 op het verzet van
[naam 1] en [naam 2] , te [plaats] (betrokkenen)
Procesverloop
Betrokkenen hebben verzet gedaan tegen de uitspraak van het College van 19 december 2023 met toepassing van artikel 8:108, eerste lid, in verbinding met artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), dus zonder zitting.
Overwegingen
1. Met de uitspraak van 19 december 2023 heeft het College zich onbevoegd verklaard om kennis te nemen van het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 30 augustus 2023 (ROT 23/350) op een verzet van betrokkenen en ook van het (hoger) beroep van betrokkenen tegen de nodige geschriften en handelingen van uiteenlopende andere entiteiten.
2 Wat betrokkenen in verzet hebben aangevoerd leidt, voor zover al begrijpelijk, niet tot het oordeel dat de uitspraak van 19 december 2023 onjuist is. Het verzet is daarom ongegrond.
3 Het College is verder van oordeel dat betrokkenen kennelijk onredelijk gebruik hebben gemaakt van procesrecht als bedoeld in artikel 8:75, eerste lid, van de Awb. Omdat geen sprake is van kosten van een andere partij, zal het College echter geen veroordeling in de proceskosten uitspreken.
Dictum
Het College verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.G.M. Simons, in aanwezigheid van E.A. van der Meel, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 12 maart 2024.
w.g. T.G.M. Simons w.g. E.A. van der Meel
Inleiding
uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 23/1917
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 maart 2024 op het verzet van
[naam 1] en [naam 2] , te [plaats] (betrokkenen)
Procesverloop
Betrokkenen hebben verzet gedaan tegen de uitspraak van het College van 19 december 2023 met toepassing van artikel 8:108, eerste lid, in verbinding met artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), dus zonder zitting.
Overwegingen
1. Met de uitspraak van 19 december 2023 heeft het College zich onbevoegd verklaard om kennis te nemen van het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 30 augustus 2023 (ROT 23/350) op een verzet van betrokkenen en ook van het (hoger) beroep van betrokkenen tegen de nodige geschriften en handelingen van uiteenlopende andere entiteiten.
2 Wat betrokkenen in verzet hebben aangevoerd leidt, voor zover al begrijpelijk, niet tot het oordeel dat de uitspraak van 19 december 2023 onjuist is. Het verzet is daarom ongegrond.
3 Het College is verder van oordeel dat betrokkenen kennelijk onredelijk gebruik hebben gemaakt van procesrecht als bedoeld in artikel 8:75, eerste lid, van de Awb. Omdat geen sprake is van kosten van een andere partij, zal het College echter geen veroordeling in de proceskosten uitspreken.
Dictum
Het College verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.G.M. Simons, in aanwezigheid van E.A. van der Meel, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 12 maart 2024.
w.g. T.G.M. Simons w.g. E.A. van der Meel
Inleiding
uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 23/1917
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 maart 2024 op het verzet van
[naam 1] en [naam 2] , te [plaats] (betrokkenen)
Procesverloop
Betrokkenen hebben verzet gedaan tegen de uitspraak van het College van 19 december 2023 met toepassing van artikel 8:108, eerste lid, in verbinding met artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), dus zonder zitting.
Overwegingen
1. Met de uitspraak van 19 december 2023 heeft het College zich onbevoegd verklaard om kennis te nemen van het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 30 augustus 2023 (ROT 23/350) op een verzet van betrokkenen en ook van het (hoger) beroep van betrokkenen tegen de nodige geschriften en handelingen van uiteenlopende andere entiteiten.
2 Wat betrokkenen in verzet hebben aangevoerd leidt, voor zover al begrijpelijk, niet tot het oordeel dat de uitspraak van 19 december 2023 onjuist is. Het verzet is daarom ongegrond.
3 Het College is verder van oordeel dat betrokkenen kennelijk onredelijk gebruik hebben gemaakt van procesrecht als bedoeld in artikel 8:75, eerste lid, van de Awb. Omdat geen sprake is van kosten van een andere partij, zal het College echter geen veroordeling in de proceskosten uitspreken.
Dictum
Het College verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.G.M. Simons, in aanwezigheid van E.A. van der Meel, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 12 maart 2024.
w.g. T.G.M. Simons w.g. E.A. van der Meel
Inleiding
uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 23/1917
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 maart 2024 op het verzet van
[naam 1] en [naam 2] , te [plaats] (betrokkenen)
Procesverloop
Betrokkenen hebben verzet gedaan tegen de uitspraak van het College van 19 december 2023 met toepassing van artikel 8:108, eerste lid, in verbinding met artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), dus zonder zitting.
Overwegingen
1. Met de uitspraak van 19 december 2023 heeft het College zich onbevoegd verklaard om kennis te nemen van het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 30 augustus 2023 (ROT 23/350) op een verzet van betrokkenen en ook van het (hoger) beroep van betrokkenen tegen de nodige geschriften en handelingen van uiteenlopende andere entiteiten.
2 Wat betrokkenen in verzet hebben aangevoerd leidt, voor zover al begrijpelijk, niet tot het oordeel dat de uitspraak van 19 december 2023 onjuist is. Het verzet is daarom ongegrond.
3 Het College is verder van oordeel dat betrokkenen kennelijk onredelijk gebruik hebben gemaakt van procesrecht als bedoeld in artikel 8:75, eerste lid, van de Awb. Omdat geen sprake is van kosten van een andere partij, zal het College echter geen veroordeling in de proceskosten uitspreken.
Dictum
Het College verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.G.M. Simons, in aanwezigheid van E.A. van der Meel, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 12 maart 2024.
w.g. T.G.M. Simons w.g. E.A. van der Meel
Inleiding
uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 23/1917
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 maart 2024 op het verzet van
[naam 1] en [naam 2] , te [plaats] (betrokkenen)
Procesverloop
Betrokkenen hebben verzet gedaan tegen de uitspraak van het College van 19 december 2023 met toepassing van artikel 8:108, eerste lid, in verbinding met artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), dus zonder zitting.
Overwegingen
1. Met de uitspraak van 19 december 2023 heeft het College zich onbevoegd verklaard om kennis te nemen van het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 30 augustus 2023 (ROT 23/350) op een verzet van betrokkenen en ook van het (hoger) beroep van betrokkenen tegen de nodige geschriften en handelingen van uiteenlopende andere entiteiten.
2 Wat betrokkenen in verzet hebben aangevoerd leidt, voor zover al begrijpelijk, niet tot het oordeel dat de uitspraak van 19 december 2023 onjuist is. Het verzet is daarom ongegrond.
3 Het College is verder van oordeel dat betrokkenen kennelijk onredelijk gebruik hebben gemaakt van procesrecht als bedoeld in artikel 8:75, eerste lid, van de Awb. Omdat geen sprake is van kosten van een andere partij, zal het College echter geen veroordeling in de proceskosten uitspreken.
Dictum
Het College verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.G.M. Simons, in aanwezigheid van E.A. van der Meel, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 12 maart 2024.
w.g. T.G.M. Simons w.g. E.A. van der Meel