Rechtspraak
College van Beroep voor het bedrijfsleven
2023-12-21
ECLI:NL:CBB:2023:753
Bestuursrecht
Mondelinge uitspraak
3,472 tokens
Inleiding
proces-verbaal uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 22/2280
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 december 2023
Rechter: mr. M. van der Knijff
Griffier: L.G. Mulderij
Partijen
[naam] B.V., te [plaats] (de onderneming)
en
de minister van Economische Zaken en Klimaat, vertegenwoordigd door mr. M.P. Beudeker en C. Zieleman
Overwegingen
1. De minister heeft de aanvraag voor TVL-subsidie van de onderneming voor het vierde kwartaal van 2021 afgewezen. In de oorspronkelijke afwijzing was dat vanwege de SBI-code. In de beslissing op bezwaar is het bezwaar over de SBI-code gegrond verklaard, maar is de aanvraag alsnog afgewezen omdat de vaste lasten van de onderneming niet boven de drempel van € 1.500,- uitkomen.
2. De onderneming vindt de drempel van € 1.500,- onredelijk, oneerlijk en discriminerend voor kleine ondernemingen. De minister heeft uitgelegd dat de drempel is opgenomen in de TVL, omdat bedrijven geacht worden vaste lasten van minder dan €1.500,- zonder steun te kunnen dragen. Dat is naar het oordeel van het College niet op voorhand onredelijk, oneerlijk of discriminerend. De onderneming heeft niet aannemelijk gemaakt dat deze drempel voor kleine ondernemingen in het algemeen onevenredig uitvalt.
3. Bij de berekening van de vaste lasten van de onderneming is een vast percentage van 7% van de omzet gehanteerd. De onderneming voert aan dat de werkelijke vaste lasten hoger zijn. Het College heeft over deze beroepsgrond al in meerdere zaken uitspraak gedaan. De vaste lijn hierin is: In een systeem waarin vaste percentages worden gebruikt, kan het nu eenmaal voorkomen dat de werkelijke vaste lasten lager of hoger zijn. Daar kan geen rekening mee gehouden worden en dat maakt het systeem op zich niet oneerlijk. Het College ziet geen reden om in deze zaak van die vaste lijn af te wijken. De onderneming heeft niets aangevoerd waaruit blijkt dat dit percentage in haar specifieke geval onevenredig is.
4. De minister mocht de TVL-aanvraag van de onderneming dus afwijzen, omdat de vaste lasten van de onderneming niet boven de drempel van € 1.500,- uitkomen.
5. De onderneming heeft er in het beroepschrift nog op gewezen dat zij eerder niet in aanmerking kwam voor TOGS vanwege haar SBI-code. Omdat het bezwaar over de SBIcode nu bij de TVL gegrond is verklaard, zou zij graag nog in aanmerking komen voor de TOGS. Dit valt buiten de grenzen van het TVL-besluit waar het College nu over oordeelt. Op de zitting heeft het College dit wel met de vertegenwoordigers van de minister besproken. Zij hebben gezegd dat de onderneming een melding kan doen bij de RVO, maar dat zij de kans van slagen op basis van het dossier wel klein achten. De onderneming kan zelf kiezen of zij dat wel of niet nog wil proberen.
6. Het beroep is ongegrond. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
w.g. M. van der Knijff De griffier is verhinderd dit proces-verbaal mede te ondertekenen.
Artikel 2.5.2, tweede lid, aanhef en onder b, van de TVL.
Bijvoorbeeld de uitspraak van 3 augustus 2021, ECLI:NL:CBB:2021:809 (overweging 9).
Inleiding
proces-verbaal uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 22/2280
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 december 2023
Rechter: mr. M. van der Knijff
Griffier: L.G. Mulderij
Partijen
[naam] B.V., te [plaats] (de onderneming)
en
de minister van Economische Zaken en Klimaat, vertegenwoordigd door mr. M.P. Beudeker en C. Zieleman
Overwegingen
1. De minister heeft de aanvraag voor TVL-subsidie van de onderneming voor het vierde kwartaal van 2021 afgewezen. In de oorspronkelijke afwijzing was dat vanwege de SBI-code. In de beslissing op bezwaar is het bezwaar over de SBI-code gegrond verklaard, maar is de aanvraag alsnog afgewezen omdat de vaste lasten van de onderneming niet boven de drempel van € 1.500,- uitkomen.
2. De onderneming vindt de drempel van € 1.500,- onredelijk, oneerlijk en discriminerend voor kleine ondernemingen. De minister heeft uitgelegd dat de drempel is opgenomen in de TVL, omdat bedrijven geacht worden vaste lasten van minder dan €1.500,- zonder steun te kunnen dragen. Dat is naar het oordeel van het College niet op voorhand onredelijk, oneerlijk of discriminerend. De onderneming heeft niet aannemelijk gemaakt dat deze drempel voor kleine ondernemingen in het algemeen onevenredig uitvalt.
3. Bij de berekening van de vaste lasten van de onderneming is een vast percentage van 7% van de omzet gehanteerd. De onderneming voert aan dat de werkelijke vaste lasten hoger zijn. Het College heeft over deze beroepsgrond al in meerdere zaken uitspraak gedaan. De vaste lijn hierin is: In een systeem waarin vaste percentages worden gebruikt, kan het nu eenmaal voorkomen dat de werkelijke vaste lasten lager of hoger zijn. Daar kan geen rekening mee gehouden worden en dat maakt het systeem op zich niet oneerlijk. Het College ziet geen reden om in deze zaak van die vaste lijn af te wijken. De onderneming heeft niets aangevoerd waaruit blijkt dat dit percentage in haar specifieke geval onevenredig is.
4. De minister mocht de TVL-aanvraag van de onderneming dus afwijzen, omdat de vaste lasten van de onderneming niet boven de drempel van € 1.500,- uitkomen.
5. De onderneming heeft er in het beroepschrift nog op gewezen dat zij eerder niet in aanmerking kwam voor TOGS vanwege haar SBI-code. Omdat het bezwaar over de SBIcode nu bij de TVL gegrond is verklaard, zou zij graag nog in aanmerking komen voor de TOGS. Dit valt buiten de grenzen van het TVL-besluit waar het College nu over oordeelt. Op de zitting heeft het College dit wel met de vertegenwoordigers van de minister besproken. Zij hebben gezegd dat de onderneming een melding kan doen bij de RVO, maar dat zij de kans van slagen op basis van het dossier wel klein achten. De onderneming kan zelf kiezen of zij dat wel of niet nog wil proberen.
6. Het beroep is ongegrond. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
w.g. M. van der Knijff De griffier is verhinderd dit proces-verbaal mede te ondertekenen.
Artikel 2.5.2, tweede lid, aanhef en onder b, van de TVL.
Bijvoorbeeld de uitspraak van 3 augustus 2021, ECLI:NL:CBB:2021:809 (overweging 9).
Inleiding
proces-verbaal uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 22/2280
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 december 2023
Rechter: mr. M. van der Knijff
Griffier: L.G. Mulderij
Partijen
[naam] B.V., te [plaats] (de onderneming)
en
de minister van Economische Zaken en Klimaat, vertegenwoordigd door mr. M.P. Beudeker en C. Zieleman
Overwegingen
1. De minister heeft de aanvraag voor TVL-subsidie van de onderneming voor het vierde kwartaal van 2021 afgewezen. In de oorspronkelijke afwijzing was dat vanwege de SBI-code. In de beslissing op bezwaar is het bezwaar over de SBI-code gegrond verklaard, maar is de aanvraag alsnog afgewezen omdat de vaste lasten van de onderneming niet boven de drempel van € 1.500,- uitkomen.
2. De onderneming vindt de drempel van € 1.500,- onredelijk, oneerlijk en discriminerend voor kleine ondernemingen. De minister heeft uitgelegd dat de drempel is opgenomen in de TVL, omdat bedrijven geacht worden vaste lasten van minder dan €1.500,- zonder steun te kunnen dragen. Dat is naar het oordeel van het College niet op voorhand onredelijk, oneerlijk of discriminerend. De onderneming heeft niet aannemelijk gemaakt dat deze drempel voor kleine ondernemingen in het algemeen onevenredig uitvalt.
3. Bij de berekening van de vaste lasten van de onderneming is een vast percentage van 7% van de omzet gehanteerd. De onderneming voert aan dat de werkelijke vaste lasten hoger zijn. Het College heeft over deze beroepsgrond al in meerdere zaken uitspraak gedaan. De vaste lijn hierin is: In een systeem waarin vaste percentages worden gebruikt, kan het nu eenmaal voorkomen dat de werkelijke vaste lasten lager of hoger zijn. Daar kan geen rekening mee gehouden worden en dat maakt het systeem op zich niet oneerlijk. Het College ziet geen reden om in deze zaak van die vaste lijn af te wijken. De onderneming heeft niets aangevoerd waaruit blijkt dat dit percentage in haar specifieke geval onevenredig is.
4. De minister mocht de TVL-aanvraag van de onderneming dus afwijzen, omdat de vaste lasten van de onderneming niet boven de drempel van € 1.500,- uitkomen.
5. De onderneming heeft er in het beroepschrift nog op gewezen dat zij eerder niet in aanmerking kwam voor TOGS vanwege haar SBI-code. Omdat het bezwaar over de SBIcode nu bij de TVL gegrond is verklaard, zou zij graag nog in aanmerking komen voor de TOGS. Dit valt buiten de grenzen van het TVL-besluit waar het College nu over oordeelt. Op de zitting heeft het College dit wel met de vertegenwoordigers van de minister besproken. Zij hebben gezegd dat de onderneming een melding kan doen bij de RVO, maar dat zij de kans van slagen op basis van het dossier wel klein achten. De onderneming kan zelf kiezen of zij dat wel of niet nog wil proberen.
6. Het beroep is ongegrond. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
w.g. M. van der Knijff De griffier is verhinderd dit proces-verbaal mede te ondertekenen.
Artikel 2.5.2, tweede lid, aanhef en onder b, van de TVL.
Bijvoorbeeld de uitspraak van 3 augustus 2021, ECLI:NL:CBB:2021:809 (overweging 9).
Inleiding
proces-verbaal uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 22/2280
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 december 2023
Rechter: mr. M. van der Knijff
Griffier: L.G. Mulderij
Partijen
[naam] B.V., te [plaats] (de onderneming)
en
de minister van Economische Zaken en Klimaat, vertegenwoordigd door mr. M.P. Beudeker en C. Zieleman
Overwegingen
1. De minister heeft de aanvraag voor TVL-subsidie van de onderneming voor het vierde kwartaal van 2021 afgewezen. In de oorspronkelijke afwijzing was dat vanwege de SBI-code. In de beslissing op bezwaar is het bezwaar over de SBI-code gegrond verklaard, maar is de aanvraag alsnog afgewezen omdat de vaste lasten van de onderneming niet boven de drempel van € 1.500,- uitkomen.
2. De onderneming vindt de drempel van € 1.500,- onredelijk, oneerlijk en discriminerend voor kleine ondernemingen. De minister heeft uitgelegd dat de drempel is opgenomen in de TVL, omdat bedrijven geacht worden vaste lasten van minder dan €1.500,- zonder steun te kunnen dragen. Dat is naar het oordeel van het College niet op voorhand onredelijk, oneerlijk of discriminerend. De onderneming heeft niet aannemelijk gemaakt dat deze drempel voor kleine ondernemingen in het algemeen onevenredig uitvalt.
3. Bij de berekening van de vaste lasten van de onderneming is een vast percentage van 7% van de omzet gehanteerd. De onderneming voert aan dat de werkelijke vaste lasten hoger zijn. Het College heeft over deze beroepsgrond al in meerdere zaken uitspraak gedaan. De vaste lijn hierin is: In een systeem waarin vaste percentages worden gebruikt, kan het nu eenmaal voorkomen dat de werkelijke vaste lasten lager of hoger zijn. Daar kan geen rekening mee gehouden worden en dat maakt het systeem op zich niet oneerlijk. Het College ziet geen reden om in deze zaak van die vaste lijn af te wijken. De onderneming heeft niets aangevoerd waaruit blijkt dat dit percentage in haar specifieke geval onevenredig is.
4. De minister mocht de TVL-aanvraag van de onderneming dus afwijzen, omdat de vaste lasten van de onderneming niet boven de drempel van € 1.500,- uitkomen.
5. De onderneming heeft er in het beroepschrift nog op gewezen dat zij eerder niet in aanmerking kwam voor TOGS vanwege haar SBI-code. Omdat het bezwaar over de SBIcode nu bij de TVL gegrond is verklaard, zou zij graag nog in aanmerking komen voor de TOGS. Dit valt buiten de grenzen van het TVL-besluit waar het College nu over oordeelt. Op de zitting heeft het College dit wel met de vertegenwoordigers van de minister besproken. Zij hebben gezegd dat de onderneming een melding kan doen bij de RVO, maar dat zij de kans van slagen op basis van het dossier wel klein achten. De onderneming kan zelf kiezen of zij dat wel of niet nog wil proberen.
6. Het beroep is ongegrond. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
w.g. M. van der Knijff De griffier is verhinderd dit proces-verbaal mede te ondertekenen.
Artikel 2.5.2, tweede lid, aanhef en onder b, van de TVL.
Bijvoorbeeld de uitspraak van 3 augustus 2021, ECLI:NL:CBB:2021:809 (overweging 9).