Rechtspraak
College van Beroep voor het bedrijfsleven
2023-11-14
ECLI:NL:CBB:2023:625
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
7,308 tokens
Inleiding
uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 22/1914
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 november 2023 in de zaak tussen
[naam 1] B.V., te [plaats] (de onderneming)
(gemachtigden [naam 2] en [naam 3] )
en
de minister van Economische Zaken en Klimaat
(gemachtigde: mr. A.M.D. Dijkstra)
Procesverloop
Met het besluit van 11 mei 2022 heeft de minister de aanvraag van de onderneming voor een subsidie op grond van de Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19 (TVL) voor het eerste kwartaal van 2022 afgewezen.
Met het besluit van 21 juli 2022 heeft de minister het bezwaar van de onderneming tegen deze afwijzing ongegrond verklaard.
De onderneming heeft hiertegen beroep ingesteld.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
De zitting was op 21 augustus 2023. Aan de zitting hebben deelgenomen namens de onderneming de vennoten [naam 2] en [naam 3] en namens de minister mr. A.M.D. Dijkstra.
Overwegingen
Samenvatting
1. De minister heeft de aanvraag van de onderneming voor een TVL-subsidie voor het eerste kwartaal van 2022 afgewezen, omdat de aanvraag te laat was ingediend.
2 De onderneming is het niet eens met de afwijzing. Zij voert persoonlijke omstandigheden aan voor het te laat indienen van de aanvraag. Door meerdere tegenslagen in de periode voorafgaande aan de aanvraagtermijn en de overspannen situatie waarin de vennoten daardoor kwamen te verkeren had de onderneming meer coulance van de minister verwacht.
3 Het College gaat ervan uit dat de onderneming met haar betoog een beroep doet op het evenredigheidsbeginsel. Het College is van oordeel dat het betoog van de onderneming slaagt, omdat de afwijzing van de aanvraag vanwege de door onderneming aangevoerde omstandigheden onevenredig is. Het College licht zijn oordeel hierna toe. De argumenten van de onderneming en het door de minister gevoerde verweer worden bij deze beoordeling betrokken.
Beoordeling
4 De aanvraagtermijn voor de TVL-subsidie voor het eerste kwartaal van 2022 liep van 28 februari 2022 tot en met 31 maart 2022. De onderneming heeft de aanvraag ingediend op 4 april 2022 en dus te laat. De minister moet een te laat ingediende aanvraag afwijzen. Dit volgt uit artikel 2.6.5 eerste lid, aanhef en onder a, en artikel 2.6.7 van de TVL. De Kaderwet EZK- en LNV-subsidies (waar de TVL op gebaseerd is) en de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geven de minister geen mogelijkheid om daarvan af te wijken.
5 In een eerdere uitspraak heeft het College beschreven hoe de minister omgaat met te laat ingediende aanvragen. Zie de uitspraak van 13 juni 2023, onder 6.1 tot en met 6.4 (ECLI:NL:CBB:2023:293). Het gaat daarbij om tegenwettelijk begunstigend beleid dat zijn grondslag vindt in het ongeschreven evenredigheidsbeginsel. Het evenredigheidsbeginsel houdt in dat de nadelige gevolgen van een besluit niet onevenredig mogen zijn in verhouding tot het doel daarvan. Het College beoordeelt of de afwijzing van de aanvraag in strijd is met dit ongeschreven evenredigheidsbeginsel. Zie de uitspraak van het College van 29 augustus 2023, onder 5.2 (ECLI:NL:CBB:2023:369).
6 Het College oordeelt dat de afwijzing van de aanvraag in dit geval onevenredig is. De vennoten hebben de aanvraag binnen één week na afloop van het eerste kwartaal van 2022 ingediend. Dat zou bij aanvragen voor de eerdere TVL-subsidieperiodes op tijd zijn geweest, maar bij de TVL-subsidie voor het eerste kwartaal van 2022 eindigt de aanvraagtermijn direct na afloop van de subsidieperiode. De vennoten waren niet van deze afwijkende aanvraagtermijn op de hoogte. Het College vindt het begrijpelijk en verontschuldigbaar dat de vennoten niet op de hoogte waren van deze afwijking, omdat beide vennoten in de periode voorafgaande aan de subsidieperiode met meerdere ingrijpende gebeurtenissen te maken hebben gehad. Zo is de moeder van een van de vennoten overleden en heeft de vader van de andere vennoot tien weken met covid in het ziekenhuis gelegen, waarvan zeven weken op de IC. Daarna moest de (schoon)vader revalideren en kon hij niet meer zelfstandig functioneren, waardoor hij opgenomen moest worden in een zorginstelling. De vennoten verleenden dagelijks mantelzorg. In deze periode hebben de vennoten zelf ook covid gehad. Daarnaast waren de vennoten druk met het draaiend houden van het restaurant en de zorg voor hun gezin met drie kinderen. Het College vindt het aannemelijk dat de vennoten in deze periode met psychische en lichamelijke klachten te kampen kregen.
7 Het standpunt van de minister dat van de onderneming verwacht had mogen worden dat zij haar bedrijfsvoering had aangepast aan deze omstandigheden en iemand anders had kunnen inschakelen voor het indienen van de aanvraag volgt het College niet. De onderneming heeft weliswaar als rechtsvorm de besloten vennootschap met twee vennoten, maar in de praktijk is de onderneming een door een echtpaar gedreven restaurant. De onderneming heeft wel personeel in dienst, maar dat bestaat uit alleen koks en bedienend personeel. Daarvan konden en mochten de vennoten niet verwachten dat die de regelgeving rond de TVL-subsidie in de gaten zouden houden.
8 Al deze omstandigheden in aanmerking nemend vindt het College het begrijpelijk en verontschuldigbaar dat de onderneming niet op de hoogte was van de (eerdere) sluitingsdatum van de aanvraagtermijn en de aanvraag daardoor te laat heeft ingediend. Naar het oordeel van het College had de minister daar rekening mee moeten houden. Het gevolg van het besluit is dat de aanvraag is afgewezen zonder dat de minister inhoudelijk heeft beoordeeld of de onderneming recht heeft op TVL-subsidie, en dat is naar het oordeel van het College onder deze omstandigheden niet evenredig. De minister had de onderneming daarom in de gelegenheid moeten stellen om alsnog een volledige aanvraag in te dienen en had daarop inhoudelijk moeten beslissen.
Conclusie
9 Het beroep is gegrond en het College vernietigt het besluit van 21 juli 2022. Het College ziet ook aanleiding het besluit van 11 mei 2022 te herroepen. De minister zal de onderneming in de gelegenheid moeten stellen om alsnog een volledige aanvraag in te dienen en hij zal daar alsnog inhoudelijk op moeten beslissen. Het College stelt hiervoor een termijn van zes weken.
10 De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden, want er zijn geen proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen.
Dictum
Het College:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het besluit van 21 juli 2022;
herroept het besluit van 11 mei 2022;
draagt de minister op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen met inachtneming van de aanwijzingen in deze uitspraak;
draagt de minister op het betaalde griffierecht van € 365,- aan de onderneming te vergoeden;
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.W.L. Koopmans, in aanwezigheid van mr. M.B. van Zantvoort, griffier.
Inleiding
uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 22/1914
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 november 2023 in de zaak tussen
[naam 1] B.V., te [plaats] (de onderneming)
(gemachtigden [naam 2] en [naam 3] )
en
de minister van Economische Zaken en Klimaat
(gemachtigde: mr. A.M.D. Dijkstra)
Procesverloop
Met het besluit van 11 mei 2022 heeft de minister de aanvraag van de onderneming voor een subsidie op grond van de Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19 (TVL) voor het eerste kwartaal van 2022 afgewezen.
Met het besluit van 21 juli 2022 heeft de minister het bezwaar van de onderneming tegen deze afwijzing ongegrond verklaard.
De onderneming heeft hiertegen beroep ingesteld.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
De zitting was op 21 augustus 2023. Aan de zitting hebben deelgenomen namens de onderneming de vennoten [naam 2] en [naam 3] en namens de minister mr. A.M.D. Dijkstra.
Overwegingen
Samenvatting
1. De minister heeft de aanvraag van de onderneming voor een TVL-subsidie voor het eerste kwartaal van 2022 afgewezen, omdat de aanvraag te laat was ingediend.
2 De onderneming is het niet eens met de afwijzing. Zij voert persoonlijke omstandigheden aan voor het te laat indienen van de aanvraag. Door meerdere tegenslagen in de periode voorafgaande aan de aanvraagtermijn en de overspannen situatie waarin de vennoten daardoor kwamen te verkeren had de onderneming meer coulance van de minister verwacht.
3 Het College gaat ervan uit dat de onderneming met haar betoog een beroep doet op het evenredigheidsbeginsel. Het College is van oordeel dat het betoog van de onderneming slaagt, omdat de afwijzing van de aanvraag vanwege de door onderneming aangevoerde omstandigheden onevenredig is. Het College licht zijn oordeel hierna toe. De argumenten van de onderneming en het door de minister gevoerde verweer worden bij deze beoordeling betrokken.
Beoordeling
4 De aanvraagtermijn voor de TVL-subsidie voor het eerste kwartaal van 2022 liep van 28 februari 2022 tot en met 31 maart 2022. De onderneming heeft de aanvraag ingediend op 4 april 2022 en dus te laat. De minister moet een te laat ingediende aanvraag afwijzen. Dit volgt uit artikel 2.6.5 eerste lid, aanhef en onder a, en artikel 2.6.7 van de TVL. De Kaderwet EZK- en LNV-subsidies (waar de TVL op gebaseerd is) en de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geven de minister geen mogelijkheid om daarvan af te wijken.
5 In een eerdere uitspraak heeft het College beschreven hoe de minister omgaat met te laat ingediende aanvragen. Zie de uitspraak van 13 juni 2023, onder 6.1 tot en met 6.4 (ECLI:NL:CBB:2023:293). Het gaat daarbij om tegenwettelijk begunstigend beleid dat zijn grondslag vindt in het ongeschreven evenredigheidsbeginsel. Het evenredigheidsbeginsel houdt in dat de nadelige gevolgen van een besluit niet onevenredig mogen zijn in verhouding tot het doel daarvan. Het College beoordeelt of de afwijzing van de aanvraag in strijd is met dit ongeschreven evenredigheidsbeginsel. Zie de uitspraak van het College van 29 augustus 2023, onder 5.2 (ECLI:NL:CBB:2023:369).
6 Het College oordeelt dat de afwijzing van de aanvraag in dit geval onevenredig is. De vennoten hebben de aanvraag binnen één week na afloop van het eerste kwartaal van 2022 ingediend. Dat zou bij aanvragen voor de eerdere TVL-subsidieperiodes op tijd zijn geweest, maar bij de TVL-subsidie voor het eerste kwartaal van 2022 eindigt de aanvraagtermijn direct na afloop van de subsidieperiode. De vennoten waren niet van deze afwijkende aanvraagtermijn op de hoogte. Het College vindt het begrijpelijk en verontschuldigbaar dat de vennoten niet op de hoogte waren van deze afwijking, omdat beide vennoten in de periode voorafgaande aan de subsidieperiode met meerdere ingrijpende gebeurtenissen te maken hebben gehad. Zo is de moeder van een van de vennoten overleden en heeft de vader van de andere vennoot tien weken met covid in het ziekenhuis gelegen, waarvan zeven weken op de IC. Daarna moest de (schoon)vader revalideren en kon hij niet meer zelfstandig functioneren, waardoor hij opgenomen moest worden in een zorginstelling. De vennoten verleenden dagelijks mantelzorg. In deze periode hebben de vennoten zelf ook covid gehad. Daarnaast waren de vennoten druk met het draaiend houden van het restaurant en de zorg voor hun gezin met drie kinderen. Het College vindt het aannemelijk dat de vennoten in deze periode met psychische en lichamelijke klachten te kampen kregen.
7 Het standpunt van de minister dat van de onderneming verwacht had mogen worden dat zij haar bedrijfsvoering had aangepast aan deze omstandigheden en iemand anders had kunnen inschakelen voor het indienen van de aanvraag volgt het College niet. De onderneming heeft weliswaar als rechtsvorm de besloten vennootschap met twee vennoten, maar in de praktijk is de onderneming een door een echtpaar gedreven restaurant. De onderneming heeft wel personeel in dienst, maar dat bestaat uit alleen koks en bedienend personeel. Daarvan konden en mochten de vennoten niet verwachten dat die de regelgeving rond de TVL-subsidie in de gaten zouden houden.
8 Al deze omstandigheden in aanmerking nemend vindt het College het begrijpelijk en verontschuldigbaar dat de onderneming niet op de hoogte was van de (eerdere) sluitingsdatum van de aanvraagtermijn en de aanvraag daardoor te laat heeft ingediend. Naar het oordeel van het College had de minister daar rekening mee moeten houden. Het gevolg van het besluit is dat de aanvraag is afgewezen zonder dat de minister inhoudelijk heeft beoordeeld of de onderneming recht heeft op TVL-subsidie, en dat is naar het oordeel van het College onder deze omstandigheden niet evenredig. De minister had de onderneming daarom in de gelegenheid moeten stellen om alsnog een volledige aanvraag in te dienen en had daarop inhoudelijk moeten beslissen.
Conclusie
9 Het beroep is gegrond en het College vernietigt het besluit van 21 juli 2022. Het College ziet ook aanleiding het besluit van 11 mei 2022 te herroepen. De minister zal de onderneming in de gelegenheid moeten stellen om alsnog een volledige aanvraag in te dienen en hij zal daar alsnog inhoudelijk op moeten beslissen. Het College stelt hiervoor een termijn van zes weken.
10 De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden, want er zijn geen proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen.
Dictum
Het College:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het besluit van 21 juli 2022;
herroept het besluit van 11 mei 2022;
draagt de minister op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen met inachtneming van de aanwijzingen in deze uitspraak;
draagt de minister op het betaalde griffierecht van € 365,- aan de onderneming te vergoeden;
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.W.L. Koopmans, in aanwezigheid van mr. M.B. van Zantvoort, griffier.
Inleiding
uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 22/1914
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 november 2023 in de zaak tussen
[naam 1] B.V., te [plaats] (de onderneming)
(gemachtigden [naam 2] en [naam 3] )
en
de minister van Economische Zaken en Klimaat
(gemachtigde: mr. A.M.D. Dijkstra)
Procesverloop
Met het besluit van 11 mei 2022 heeft de minister de aanvraag van de onderneming voor een subsidie op grond van de Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19 (TVL) voor het eerste kwartaal van 2022 afgewezen.
Met het besluit van 21 juli 2022 heeft de minister het bezwaar van de onderneming tegen deze afwijzing ongegrond verklaard.
De onderneming heeft hiertegen beroep ingesteld.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
De zitting was op 21 augustus 2023. Aan de zitting hebben deelgenomen namens de onderneming de vennoten [naam 2] en [naam 3] en namens de minister mr. A.M.D. Dijkstra.
Overwegingen
Samenvatting
1. De minister heeft de aanvraag van de onderneming voor een TVL-subsidie voor het eerste kwartaal van 2022 afgewezen, omdat de aanvraag te laat was ingediend.
2 De onderneming is het niet eens met de afwijzing. Zij voert persoonlijke omstandigheden aan voor het te laat indienen van de aanvraag. Door meerdere tegenslagen in de periode voorafgaande aan de aanvraagtermijn en de overspannen situatie waarin de vennoten daardoor kwamen te verkeren had de onderneming meer coulance van de minister verwacht.
3 Het College gaat ervan uit dat de onderneming met haar betoog een beroep doet op het evenredigheidsbeginsel. Het College is van oordeel dat het betoog van de onderneming slaagt, omdat de afwijzing van de aanvraag vanwege de door onderneming aangevoerde omstandigheden onevenredig is. Het College licht zijn oordeel hierna toe. De argumenten van de onderneming en het door de minister gevoerde verweer worden bij deze beoordeling betrokken.
Beoordeling
4 De aanvraagtermijn voor de TVL-subsidie voor het eerste kwartaal van 2022 liep van 28 februari 2022 tot en met 31 maart 2022. De onderneming heeft de aanvraag ingediend op 4 april 2022 en dus te laat. De minister moet een te laat ingediende aanvraag afwijzen. Dit volgt uit artikel 2.6.5 eerste lid, aanhef en onder a, en artikel 2.6.7 van de TVL. De Kaderwet EZK- en LNV-subsidies (waar de TVL op gebaseerd is) en de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geven de minister geen mogelijkheid om daarvan af te wijken.
5 In een eerdere uitspraak heeft het College beschreven hoe de minister omgaat met te laat ingediende aanvragen. Zie de uitspraak van 13 juni 2023, onder 6.1 tot en met 6.4 (ECLI:NL:CBB:2023:293). Het gaat daarbij om tegenwettelijk begunstigend beleid dat zijn grondslag vindt in het ongeschreven evenredigheidsbeginsel. Het evenredigheidsbeginsel houdt in dat de nadelige gevolgen van een besluit niet onevenredig mogen zijn in verhouding tot het doel daarvan. Het College beoordeelt of de afwijzing van de aanvraag in strijd is met dit ongeschreven evenredigheidsbeginsel. Zie de uitspraak van het College van 29 augustus 2023, onder 5.2 (ECLI:NL:CBB:2023:369).
6 Het College oordeelt dat de afwijzing van de aanvraag in dit geval onevenredig is. De vennoten hebben de aanvraag binnen één week na afloop van het eerste kwartaal van 2022 ingediend. Dat zou bij aanvragen voor de eerdere TVL-subsidieperiodes op tijd zijn geweest, maar bij de TVL-subsidie voor het eerste kwartaal van 2022 eindigt de aanvraagtermijn direct na afloop van de subsidieperiode. De vennoten waren niet van deze afwijkende aanvraagtermijn op de hoogte. Het College vindt het begrijpelijk en verontschuldigbaar dat de vennoten niet op de hoogte waren van deze afwijking, omdat beide vennoten in de periode voorafgaande aan de subsidieperiode met meerdere ingrijpende gebeurtenissen te maken hebben gehad. Zo is de moeder van een van de vennoten overleden en heeft de vader van de andere vennoot tien weken met covid in het ziekenhuis gelegen, waarvan zeven weken op de IC. Daarna moest de (schoon)vader revalideren en kon hij niet meer zelfstandig functioneren, waardoor hij opgenomen moest worden in een zorginstelling. De vennoten verleenden dagelijks mantelzorg. In deze periode hebben de vennoten zelf ook covid gehad. Daarnaast waren de vennoten druk met het draaiend houden van het restaurant en de zorg voor hun gezin met drie kinderen. Het College vindt het aannemelijk dat de vennoten in deze periode met psychische en lichamelijke klachten te kampen kregen.
7 Het standpunt van de minister dat van de onderneming verwacht had mogen worden dat zij haar bedrijfsvoering had aangepast aan deze omstandigheden en iemand anders had kunnen inschakelen voor het indienen van de aanvraag volgt het College niet. De onderneming heeft weliswaar als rechtsvorm de besloten vennootschap met twee vennoten, maar in de praktijk is de onderneming een door een echtpaar gedreven restaurant. De onderneming heeft wel personeel in dienst, maar dat bestaat uit alleen koks en bedienend personeel. Daarvan konden en mochten de vennoten niet verwachten dat die de regelgeving rond de TVL-subsidie in de gaten zouden houden.
8 Al deze omstandigheden in aanmerking nemend vindt het College het begrijpelijk en verontschuldigbaar dat de onderneming niet op de hoogte was van de (eerdere) sluitingsdatum van de aanvraagtermijn en de aanvraag daardoor te laat heeft ingediend. Naar het oordeel van het College had de minister daar rekening mee moeten houden. Het gevolg van het besluit is dat de aanvraag is afgewezen zonder dat de minister inhoudelijk heeft beoordeeld of de onderneming recht heeft op TVL-subsidie, en dat is naar het oordeel van het College onder deze omstandigheden niet evenredig. De minister had de onderneming daarom in de gelegenheid moeten stellen om alsnog een volledige aanvraag in te dienen en had daarop inhoudelijk moeten beslissen.
Conclusie
9 Het beroep is gegrond en het College vernietigt het besluit van 21 juli 2022. Het College ziet ook aanleiding het besluit van 11 mei 2022 te herroepen. De minister zal de onderneming in de gelegenheid moeten stellen om alsnog een volledige aanvraag in te dienen en hij zal daar alsnog inhoudelijk op moeten beslissen. Het College stelt hiervoor een termijn van zes weken.
10 De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden, want er zijn geen proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen.
Dictum
Het College:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het besluit van 21 juli 2022;
herroept het besluit van 11 mei 2022;
draagt de minister op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen met inachtneming van de aanwijzingen in deze uitspraak;
draagt de minister op het betaalde griffierecht van € 365,- aan de onderneming te vergoeden;
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.W.L. Koopmans, in aanwezigheid van mr. M.B. van Zantvoort, griffier.
Inleiding
uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 22/1914
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 november 2023 in de zaak tussen
[naam 1] B.V., te [plaats] (de onderneming)
(gemachtigden [naam 2] en [naam 3] )
en
de minister van Economische Zaken en Klimaat
(gemachtigde: mr. A.M.D. Dijkstra)
Procesverloop
Met het besluit van 11 mei 2022 heeft de minister de aanvraag van de onderneming voor een subsidie op grond van de Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19 (TVL) voor het eerste kwartaal van 2022 afgewezen.
Met het besluit van 21 juli 2022 heeft de minister het bezwaar van de onderneming tegen deze afwijzing ongegrond verklaard.
De onderneming heeft hiertegen beroep ingesteld.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
De zitting was op 21 augustus 2023. Aan de zitting hebben deelgenomen namens de onderneming de vennoten [naam 2] en [naam 3] en namens de minister mr. A.M.D. Dijkstra.
Overwegingen
Samenvatting
1. De minister heeft de aanvraag van de onderneming voor een TVL-subsidie voor het eerste kwartaal van 2022 afgewezen, omdat de aanvraag te laat was ingediend.
2 De onderneming is het niet eens met de afwijzing. Zij voert persoonlijke omstandigheden aan voor het te laat indienen van de aanvraag. Door meerdere tegenslagen in de periode voorafgaande aan de aanvraagtermijn en de overspannen situatie waarin de vennoten daardoor kwamen te verkeren had de onderneming meer coulance van de minister verwacht.
3 Het College gaat ervan uit dat de onderneming met haar betoog een beroep doet op het evenredigheidsbeginsel. Het College is van oordeel dat het betoog van de onderneming slaagt, omdat de afwijzing van de aanvraag vanwege de door onderneming aangevoerde omstandigheden onevenredig is. Het College licht zijn oordeel hierna toe. De argumenten van de onderneming en het door de minister gevoerde verweer worden bij deze beoordeling betrokken.
Beoordeling
4 De aanvraagtermijn voor de TVL-subsidie voor het eerste kwartaal van 2022 liep van 28 februari 2022 tot en met 31 maart 2022. De onderneming heeft de aanvraag ingediend op 4 april 2022 en dus te laat. De minister moet een te laat ingediende aanvraag afwijzen. Dit volgt uit artikel 2.6.5 eerste lid, aanhef en onder a, en artikel 2.6.7 van de TVL. De Kaderwet EZK- en LNV-subsidies (waar de TVL op gebaseerd is) en de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geven de minister geen mogelijkheid om daarvan af te wijken.
5 In een eerdere uitspraak heeft het College beschreven hoe de minister omgaat met te laat ingediende aanvragen. Zie de uitspraak van 13 juni 2023, onder 6.1 tot en met 6.4 (ECLI:NL:CBB:2023:293). Het gaat daarbij om tegenwettelijk begunstigend beleid dat zijn grondslag vindt in het ongeschreven evenredigheidsbeginsel. Het evenredigheidsbeginsel houdt in dat de nadelige gevolgen van een besluit niet onevenredig mogen zijn in verhouding tot het doel daarvan. Het College beoordeelt of de afwijzing van de aanvraag in strijd is met dit ongeschreven evenredigheidsbeginsel. Zie de uitspraak van het College van 29 augustus 2023, onder 5.2 (ECLI:NL:CBB:2023:369).
6 Het College oordeelt dat de afwijzing van de aanvraag in dit geval onevenredig is. De vennoten hebben de aanvraag binnen één week na afloop van het eerste kwartaal van 2022 ingediend. Dat zou bij aanvragen voor de eerdere TVL-subsidieperiodes op tijd zijn geweest, maar bij de TVL-subsidie voor het eerste kwartaal van 2022 eindigt de aanvraagtermijn direct na afloop van de subsidieperiode. De vennoten waren niet van deze afwijkende aanvraagtermijn op de hoogte. Het College vindt het begrijpelijk en verontschuldigbaar dat de vennoten niet op de hoogte waren van deze afwijking, omdat beide vennoten in de periode voorafgaande aan de subsidieperiode met meerdere ingrijpende gebeurtenissen te maken hebben gehad. Zo is de moeder van een van de vennoten overleden en heeft de vader van de andere vennoot tien weken met covid in het ziekenhuis gelegen, waarvan zeven weken op de IC. Daarna moest de (schoon)vader revalideren en kon hij niet meer zelfstandig functioneren, waardoor hij opgenomen moest worden in een zorginstelling. De vennoten verleenden dagelijks mantelzorg. In deze periode hebben de vennoten zelf ook covid gehad. Daarnaast waren de vennoten druk met het draaiend houden van het restaurant en de zorg voor hun gezin met drie kinderen. Het College vindt het aannemelijk dat de vennoten in deze periode met psychische en lichamelijke klachten te kampen kregen.
7 Het standpunt van de minister dat van de onderneming verwacht had mogen worden dat zij haar bedrijfsvoering had aangepast aan deze omstandigheden en iemand anders had kunnen inschakelen voor het indienen van de aanvraag volgt het College niet. De onderneming heeft weliswaar als rechtsvorm de besloten vennootschap met twee vennoten, maar in de praktijk is de onderneming een door een echtpaar gedreven restaurant. De onderneming heeft wel personeel in dienst, maar dat bestaat uit alleen koks en bedienend personeel. Daarvan konden en mochten de vennoten niet verwachten dat die de regelgeving rond de TVL-subsidie in de gaten zouden houden.
8 Al deze omstandigheden in aanmerking nemend vindt het College het begrijpelijk en verontschuldigbaar dat de onderneming niet op de hoogte was van de (eerdere) sluitingsdatum van de aanvraagtermijn en de aanvraag daardoor te laat heeft ingediend. Naar het oordeel van het College had de minister daar rekening mee moeten houden. Het gevolg van het besluit is dat de aanvraag is afgewezen zonder dat de minister inhoudelijk heeft beoordeeld of de onderneming recht heeft op TVL-subsidie, en dat is naar het oordeel van het College onder deze omstandigheden niet evenredig. De minister had de onderneming daarom in de gelegenheid moeten stellen om alsnog een volledige aanvraag in te dienen en had daarop inhoudelijk moeten beslissen.
Conclusie
9 Het beroep is gegrond en het College vernietigt het besluit van 21 juli 2022. Het College ziet ook aanleiding het besluit van 11 mei 2022 te herroepen. De minister zal de onderneming in de gelegenheid moeten stellen om alsnog een volledige aanvraag in te dienen en hij zal daar alsnog inhoudelijk op moeten beslissen. Het College stelt hiervoor een termijn van zes weken.
10 De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden, want er zijn geen proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen.
Dictum
Het College:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het besluit van 21 juli 2022;
herroept het besluit van 11 mei 2022;
draagt de minister op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen met inachtneming van de aanwijzingen in deze uitspraak;
draagt de minister op het betaalde griffierecht van € 365,- aan de onderneming te vergoeden;
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.W.L. Koopmans, in aanwezigheid van mr. M.B. van Zantvoort, griffier.