Rechtspraak
College van Beroep voor het bedrijfsleven
2023-10-31
ECLI:NL:CBB:2023:611
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
7,976 tokens
Inleiding
uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 22/426
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 31 oktober 2023 in de zaak tussen
[naam 1] V.O.F., te [plaats] (de onderneming)
en
de minister van Economische Zaken en Klimaat
(gemachtigden: C. Zieleman en mr. O. Andich)
Procesverloop
Met het besluit van 11 oktober 2021 (het afwijzingsbesluit) heeft de minister de aanvraag van de onderneming voor een subsidie op grond van de Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19 (TVL) voor de periode Q2 van 2021 aangemerkt als een pro-forma-aanvraag, en deze aanvraag vervolgens afgewezen.
Met het besluit van 17 januari 2022 (het bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van de onderneming (kennelijk) ongegrond verklaard.
De onderneming heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
De zitting was op 12 juni 2023. Aan de zitting hebben deelgenomen [naam 2] namens de onderneming en C. Zieleman en mr. O. Andich namens de minister.
Overwegingen
Inleiding
1 Deze zaak gaat over een TVL-aanvraag die te laat is ingediend. Met het afwijzingsbesluit heeft de minister de aanvraag afgewezen omdat deze buiten de in de TVL genoemde aanvraagperiode is ontvangen. De onderneming is het niet eens met het afwijzingsbesluit en heeft daartegen bezwaar gemaakt. In het bestreden besluit heeft de minister dat bezwaar (kennelijk) ongegrond verklaard en zijn standpunt dat de aanvraag moet worden afgewezen op de grond dat deze te laat is ingediend gehandhaafd. Hiertegen heeft de onderneming beroep ingesteld.
Wettelijk kader
2.1
Artikel 2.3.8 van de TVL bepaalt dat ondernemers hun aanvraag voor Q2 van 2021 uiterlijk op 20 augustus 2021 vóór 17.00 uur konden indienen. Artikel 2.3.6 van de TVL bepaalt dat de minister afwijzend op een aanvraag beslist als deze niet voldoet aan de bij de TVL gestelde regels.
2.2
Het toepasselijke wettelijke kader is opgenomen in een bijlage bij deze uitspraak.
Standpunt van de onderneming
3 De onderneming erkent dat zij te laat was met het indienen van de TVL-aanvraag, maar volgens haar is het onevenredig om de aanvraag om die reden af te wijzen. Door een vergissing is de aanvraag één werkdag te laat ingediend. De onderneming verkeerde door de coronacrisis in een onzekere en drukke periode, en dacht dat zij niet in aanmerking kwam voor een subsidie. Toen zij erachter kwam dat het mogelijk was om een alternatieve referentieperiode te kiezen, was de aanvraagtermijn net verstreken. De minister zou de menselijke maat in acht moeten nemen en deze termijnoverschrijding niet moeten afstraffen. De TVL is namelijk bedoeld om bedrijven in een periode van zwaar weer tegemoet te komen. Alleen kijken naar de formele eisen past daar niet bij. De onderneming heeft de TVL-subsidie hard nodig en zou daarvoor op basis van de omzetcijfers ook in aanmerking komen. Verder heeft de onderneming ten onrechte niet de kans gekregen om haar bezwaren toe te lichten tijdens een hoorzitting.
Standpunt van de minister
4 Volgens de minister is de (pro-forma-)aanvraag van de onderneming terecht afgewezen, omdat de aanvraag op 23 augustus 2021 en daarmee te laat is ingediend. Dat binnen de aanvraagperiode geen aanvraag is ingediend staat niet ter discussie. De minister begrijpt dat het voor de onderneming een drukke en hectische periode is geweest, maar het blijft haar verantwoordelijkheid om tijdig een aanvraag in te dienen. De onderneming heeft buiten de aanvraagtermijn contact opgenomen met haar accountant. Niet gebleken is dat zij dit niet eerder kon doen.
Beoordeling
5 Zoals hiervoor onder 2.1 is vermeld, volgt uit artikel 2.3.6, eerste lid, aanhef en onder a, gelezen in samenhang met artikel 2.3.8 van de TVL, dat de minister afwijzend op de aanvraag beslist als deze niet tijdig is ingediend. Te late indiening van een aanvraag is een dwingende afwijzingsgrond in de TVL-regelingen voor alle kwartalen. De Algemene wet bestuursrecht (Awb), noch de Kaderwet EZK- en LNV-subsidies (waar de TVL op gebaseerd is), biedt een grondslag om daarvan af te wijken.
6 Niet in geschil is dat de onderneming de aanvraag na afloop van de in de TVL opgenomen aanvraagperiode heeft ingediend. Voor de wijze waarop de minister omgaat met dergelijke aanvragen verwijst het College naar zijn uitspraak van 13 juni 2023 (ECLI:NL:CBB:2023:293, onder 6.1 tot en met 6.4). In aanvulling op wat onder 7.3 van die uitspraak is overwogen, merkt het College op dat het daarbij gaat om tegenwettelijk begunstigend beleid (contra-legembeleid), dat zijn grondslag vindt in het ongeschreven evenredigheidsbeginsel. Daaraan zal ook het bestreden besluit worden getoetst.
7 In dit geval is het afwijzen van de aanvraag niet in strijd met het evenredigheidsbeginsel. Zoals het College eerder heeft geoordeeld (zie onder meer de uitspraak van 9 maart 2021, ECLI:NL:CBB:2021:258, onder 7.3) is het aan de onderneming als professionele marktdeelnemer om zich tijdig te informeren over de periode waarbinnen de subsidie voor Q2 van 2021 kon worden aangevraagd. De drukte en onzekerheid die de onderneming ondervond, wijken niet in relevante mate af van de situatie waarin andere ondernemingen ten gevolge van de pandemie verkeerden. Een groot aantal ondernemingen is wel in staat gebleken om binnen de aanvraagtermijn een TVL-aanvraag in te dienen. Dat de onderneming te laat erachter kwam dat een alternatieve referentieperiode kon worden gekozen, komt voor haar risico. Dat de aanvraag maar één (werk)dag te laat is ingediend, vormt op zichzelf evenmin reden om de afwijzing van de aanvraag in strijd met het evenredigheidsbeginsel te achten.
8 De minister heeft in dit geval mogen afzien van het horen van de onderneming in bezwaar. De beslissing om te horen moet worden genomen op basis van wat in bezwaar is aangevoerd. Gelet op het bezwaarschrift was op voorhand duidelijk dat het bezwaar niet tot een ander besluit kon leiden. De minister heeft zich daarom terecht op het standpunt gesteld dat het bezwaarschrift kennelijk ongegrond is, zoals bedoeld in artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb.
9 Het College is op grond van het voorgaande van oordeel dat de minister de aanvraag terecht op grond van artikel 2.3.6, eerste lid, aanhef en onder a, in samenhang met artikel 2.3.8 van de TVL heeft afgewezen, omdat niet is voldaan aan het vereiste dat de aanvraag tijdig is ingediend.
Dictum
Het College verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H.L. van der Beek, in aanwezigheid van
mr. A.M. Slierendrecht, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op
31 oktober 2023.
w.g. H.L van der Beek w.g. A.M. Slierendrecht
Bijlage
Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19 (TVL)
Artikel 2.3.6 (afwijzingsgronden)
1. De minister beslist afwijzend op een aanvraag:
a. indien de aanvraag niet voldoet aan de bij deze regeling gestelde regels;
(…)
Artikel 2.3.8 (aanvraagperiode)
Een aanvraag kan worden ingediend in de periode van 25 juni 2021 tot en met 20 augustus 2021.
Aanvragen kunnen worden ingediend vanaf 08.00 uur op de in het eerste lid genoemde begindatum en zijn tijdig ingediend indien zij op de in het eerste lid genoemde einddatum vóór 17.00 uur zijn ontvangen.
Inleiding
uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 22/426
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 31 oktober 2023 in de zaak tussen
[naam 1] V.O.F., te [plaats] (de onderneming)
en
de minister van Economische Zaken en Klimaat
(gemachtigden: C. Zieleman en mr. O. Andich)
Procesverloop
Met het besluit van 11 oktober 2021 (het afwijzingsbesluit) heeft de minister de aanvraag van de onderneming voor een subsidie op grond van de Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19 (TVL) voor de periode Q2 van 2021 aangemerkt als een pro-forma-aanvraag, en deze aanvraag vervolgens afgewezen.
Met het besluit van 17 januari 2022 (het bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van de onderneming (kennelijk) ongegrond verklaard.
De onderneming heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
De zitting was op 12 juni 2023. Aan de zitting hebben deelgenomen [naam 2] namens de onderneming en C. Zieleman en mr. O. Andich namens de minister.
Overwegingen
Inleiding
1 Deze zaak gaat over een TVL-aanvraag die te laat is ingediend. Met het afwijzingsbesluit heeft de minister de aanvraag afgewezen omdat deze buiten de in de TVL genoemde aanvraagperiode is ontvangen. De onderneming is het niet eens met het afwijzingsbesluit en heeft daartegen bezwaar gemaakt. In het bestreden besluit heeft de minister dat bezwaar (kennelijk) ongegrond verklaard en zijn standpunt dat de aanvraag moet worden afgewezen op de grond dat deze te laat is ingediend gehandhaafd. Hiertegen heeft de onderneming beroep ingesteld.
Wettelijk kader
2.1
Artikel 2.3.8 van de TVL bepaalt dat ondernemers hun aanvraag voor Q2 van 2021 uiterlijk op 20 augustus 2021 vóór 17.00 uur konden indienen. Artikel 2.3.6 van de TVL bepaalt dat de minister afwijzend op een aanvraag beslist als deze niet voldoet aan de bij de TVL gestelde regels.
2.2
Het toepasselijke wettelijke kader is opgenomen in een bijlage bij deze uitspraak.
Standpunt van de onderneming
3 De onderneming erkent dat zij te laat was met het indienen van de TVL-aanvraag, maar volgens haar is het onevenredig om de aanvraag om die reden af te wijzen. Door een vergissing is de aanvraag één werkdag te laat ingediend. De onderneming verkeerde door de coronacrisis in een onzekere en drukke periode, en dacht dat zij niet in aanmerking kwam voor een subsidie. Toen zij erachter kwam dat het mogelijk was om een alternatieve referentieperiode te kiezen, was de aanvraagtermijn net verstreken. De minister zou de menselijke maat in acht moeten nemen en deze termijnoverschrijding niet moeten afstraffen. De TVL is namelijk bedoeld om bedrijven in een periode van zwaar weer tegemoet te komen. Alleen kijken naar de formele eisen past daar niet bij. De onderneming heeft de TVL-subsidie hard nodig en zou daarvoor op basis van de omzetcijfers ook in aanmerking komen. Verder heeft de onderneming ten onrechte niet de kans gekregen om haar bezwaren toe te lichten tijdens een hoorzitting.
Standpunt van de minister
4 Volgens de minister is de (pro-forma-)aanvraag van de onderneming terecht afgewezen, omdat de aanvraag op 23 augustus 2021 en daarmee te laat is ingediend. Dat binnen de aanvraagperiode geen aanvraag is ingediend staat niet ter discussie. De minister begrijpt dat het voor de onderneming een drukke en hectische periode is geweest, maar het blijft haar verantwoordelijkheid om tijdig een aanvraag in te dienen. De onderneming heeft buiten de aanvraagtermijn contact opgenomen met haar accountant. Niet gebleken is dat zij dit niet eerder kon doen.
Beoordeling
5 Zoals hiervoor onder 2.1 is vermeld, volgt uit artikel 2.3.6, eerste lid, aanhef en onder a, gelezen in samenhang met artikel 2.3.8 van de TVL, dat de minister afwijzend op de aanvraag beslist als deze niet tijdig is ingediend. Te late indiening van een aanvraag is een dwingende afwijzingsgrond in de TVL-regelingen voor alle kwartalen. De Algemene wet bestuursrecht (Awb), noch de Kaderwet EZK- en LNV-subsidies (waar de TVL op gebaseerd is), biedt een grondslag om daarvan af te wijken.
6 Niet in geschil is dat de onderneming de aanvraag na afloop van de in de TVL opgenomen aanvraagperiode heeft ingediend. Voor de wijze waarop de minister omgaat met dergelijke aanvragen verwijst het College naar zijn uitspraak van 13 juni 2023 (ECLI:NL:CBB:2023:293, onder 6.1 tot en met 6.4). In aanvulling op wat onder 7.3 van die uitspraak is overwogen, merkt het College op dat het daarbij gaat om tegenwettelijk begunstigend beleid (contra-legembeleid), dat zijn grondslag vindt in het ongeschreven evenredigheidsbeginsel. Daaraan zal ook het bestreden besluit worden getoetst.
7 In dit geval is het afwijzen van de aanvraag niet in strijd met het evenredigheidsbeginsel. Zoals het College eerder heeft geoordeeld (zie onder meer de uitspraak van 9 maart 2021, ECLI:NL:CBB:2021:258, onder 7.3) is het aan de onderneming als professionele marktdeelnemer om zich tijdig te informeren over de periode waarbinnen de subsidie voor Q2 van 2021 kon worden aangevraagd. De drukte en onzekerheid die de onderneming ondervond, wijken niet in relevante mate af van de situatie waarin andere ondernemingen ten gevolge van de pandemie verkeerden. Een groot aantal ondernemingen is wel in staat gebleken om binnen de aanvraagtermijn een TVL-aanvraag in te dienen. Dat de onderneming te laat erachter kwam dat een alternatieve referentieperiode kon worden gekozen, komt voor haar risico. Dat de aanvraag maar één (werk)dag te laat is ingediend, vormt op zichzelf evenmin reden om de afwijzing van de aanvraag in strijd met het evenredigheidsbeginsel te achten.
8 De minister heeft in dit geval mogen afzien van het horen van de onderneming in bezwaar. De beslissing om te horen moet worden genomen op basis van wat in bezwaar is aangevoerd. Gelet op het bezwaarschrift was op voorhand duidelijk dat het bezwaar niet tot een ander besluit kon leiden. De minister heeft zich daarom terecht op het standpunt gesteld dat het bezwaarschrift kennelijk ongegrond is, zoals bedoeld in artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb.
9 Het College is op grond van het voorgaande van oordeel dat de minister de aanvraag terecht op grond van artikel 2.3.6, eerste lid, aanhef en onder a, in samenhang met artikel 2.3.8 van de TVL heeft afgewezen, omdat niet is voldaan aan het vereiste dat de aanvraag tijdig is ingediend.
Dictum
Het College verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H.L. van der Beek, in aanwezigheid van
mr. A.M. Slierendrecht, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op
31 oktober 2023.
w.g. H.L van der Beek w.g. A.M. Slierendrecht
Bijlage
Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19 (TVL)
Artikel 2.3.6 (afwijzingsgronden)
1. De minister beslist afwijzend op een aanvraag:
a. indien de aanvraag niet voldoet aan de bij deze regeling gestelde regels;
(…)
Artikel 2.3.8 (aanvraagperiode)
Een aanvraag kan worden ingediend in de periode van 25 juni 2021 tot en met 20 augustus 2021.
Aanvragen kunnen worden ingediend vanaf 08.00 uur op de in het eerste lid genoemde begindatum en zijn tijdig ingediend indien zij op de in het eerste lid genoemde einddatum vóór 17.00 uur zijn ontvangen.
Inleiding
uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 22/426
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 31 oktober 2023 in de zaak tussen
[naam 1] V.O.F., te [plaats] (de onderneming)
en
de minister van Economische Zaken en Klimaat
(gemachtigden: C. Zieleman en mr. O. Andich)
Procesverloop
Met het besluit van 11 oktober 2021 (het afwijzingsbesluit) heeft de minister de aanvraag van de onderneming voor een subsidie op grond van de Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19 (TVL) voor de periode Q2 van 2021 aangemerkt als een pro-forma-aanvraag, en deze aanvraag vervolgens afgewezen.
Met het besluit van 17 januari 2022 (het bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van de onderneming (kennelijk) ongegrond verklaard.
De onderneming heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
De zitting was op 12 juni 2023. Aan de zitting hebben deelgenomen [naam 2] namens de onderneming en C. Zieleman en mr. O. Andich namens de minister.
Overwegingen
Inleiding
1 Deze zaak gaat over een TVL-aanvraag die te laat is ingediend. Met het afwijzingsbesluit heeft de minister de aanvraag afgewezen omdat deze buiten de in de TVL genoemde aanvraagperiode is ontvangen. De onderneming is het niet eens met het afwijzingsbesluit en heeft daartegen bezwaar gemaakt. In het bestreden besluit heeft de minister dat bezwaar (kennelijk) ongegrond verklaard en zijn standpunt dat de aanvraag moet worden afgewezen op de grond dat deze te laat is ingediend gehandhaafd. Hiertegen heeft de onderneming beroep ingesteld.
Wettelijk kader
2.1
Artikel 2.3.8 van de TVL bepaalt dat ondernemers hun aanvraag voor Q2 van 2021 uiterlijk op 20 augustus 2021 vóór 17.00 uur konden indienen. Artikel 2.3.6 van de TVL bepaalt dat de minister afwijzend op een aanvraag beslist als deze niet voldoet aan de bij de TVL gestelde regels.
2.2
Het toepasselijke wettelijke kader is opgenomen in een bijlage bij deze uitspraak.
Standpunt van de onderneming
3 De onderneming erkent dat zij te laat was met het indienen van de TVL-aanvraag, maar volgens haar is het onevenredig om de aanvraag om die reden af te wijzen. Door een vergissing is de aanvraag één werkdag te laat ingediend. De onderneming verkeerde door de coronacrisis in een onzekere en drukke periode, en dacht dat zij niet in aanmerking kwam voor een subsidie. Toen zij erachter kwam dat het mogelijk was om een alternatieve referentieperiode te kiezen, was de aanvraagtermijn net verstreken. De minister zou de menselijke maat in acht moeten nemen en deze termijnoverschrijding niet moeten afstraffen. De TVL is namelijk bedoeld om bedrijven in een periode van zwaar weer tegemoet te komen. Alleen kijken naar de formele eisen past daar niet bij. De onderneming heeft de TVL-subsidie hard nodig en zou daarvoor op basis van de omzetcijfers ook in aanmerking komen. Verder heeft de onderneming ten onrechte niet de kans gekregen om haar bezwaren toe te lichten tijdens een hoorzitting.
Standpunt van de minister
4 Volgens de minister is de (pro-forma-)aanvraag van de onderneming terecht afgewezen, omdat de aanvraag op 23 augustus 2021 en daarmee te laat is ingediend. Dat binnen de aanvraagperiode geen aanvraag is ingediend staat niet ter discussie. De minister begrijpt dat het voor de onderneming een drukke en hectische periode is geweest, maar het blijft haar verantwoordelijkheid om tijdig een aanvraag in te dienen. De onderneming heeft buiten de aanvraagtermijn contact opgenomen met haar accountant. Niet gebleken is dat zij dit niet eerder kon doen.
Beoordeling
5 Zoals hiervoor onder 2.1 is vermeld, volgt uit artikel 2.3.6, eerste lid, aanhef en onder a, gelezen in samenhang met artikel 2.3.8 van de TVL, dat de minister afwijzend op de aanvraag beslist als deze niet tijdig is ingediend. Te late indiening van een aanvraag is een dwingende afwijzingsgrond in de TVL-regelingen voor alle kwartalen. De Algemene wet bestuursrecht (Awb), noch de Kaderwet EZK- en LNV-subsidies (waar de TVL op gebaseerd is), biedt een grondslag om daarvan af te wijken.
6 Niet in geschil is dat de onderneming de aanvraag na afloop van de in de TVL opgenomen aanvraagperiode heeft ingediend. Voor de wijze waarop de minister omgaat met dergelijke aanvragen verwijst het College naar zijn uitspraak van 13 juni 2023 (ECLI:NL:CBB:2023:293, onder 6.1 tot en met 6.4). In aanvulling op wat onder 7.3 van die uitspraak is overwogen, merkt het College op dat het daarbij gaat om tegenwettelijk begunstigend beleid (contra-legembeleid), dat zijn grondslag vindt in het ongeschreven evenredigheidsbeginsel. Daaraan zal ook het bestreden besluit worden getoetst.
7 In dit geval is het afwijzen van de aanvraag niet in strijd met het evenredigheidsbeginsel. Zoals het College eerder heeft geoordeeld (zie onder meer de uitspraak van 9 maart 2021, ECLI:NL:CBB:2021:258, onder 7.3) is het aan de onderneming als professionele marktdeelnemer om zich tijdig te informeren over de periode waarbinnen de subsidie voor Q2 van 2021 kon worden aangevraagd. De drukte en onzekerheid die de onderneming ondervond, wijken niet in relevante mate af van de situatie waarin andere ondernemingen ten gevolge van de pandemie verkeerden. Een groot aantal ondernemingen is wel in staat gebleken om binnen de aanvraagtermijn een TVL-aanvraag in te dienen. Dat de onderneming te laat erachter kwam dat een alternatieve referentieperiode kon worden gekozen, komt voor haar risico. Dat de aanvraag maar één (werk)dag te laat is ingediend, vormt op zichzelf evenmin reden om de afwijzing van de aanvraag in strijd met het evenredigheidsbeginsel te achten.
8 De minister heeft in dit geval mogen afzien van het horen van de onderneming in bezwaar. De beslissing om te horen moet worden genomen op basis van wat in bezwaar is aangevoerd. Gelet op het bezwaarschrift was op voorhand duidelijk dat het bezwaar niet tot een ander besluit kon leiden. De minister heeft zich daarom terecht op het standpunt gesteld dat het bezwaarschrift kennelijk ongegrond is, zoals bedoeld in artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb.
9 Het College is op grond van het voorgaande van oordeel dat de minister de aanvraag terecht op grond van artikel 2.3.6, eerste lid, aanhef en onder a, in samenhang met artikel 2.3.8 van de TVL heeft afgewezen, omdat niet is voldaan aan het vereiste dat de aanvraag tijdig is ingediend.
Dictum
Het College verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H.L. van der Beek, in aanwezigheid van
mr. A.M. Slierendrecht, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op
31 oktober 2023.
w.g. H.L van der Beek w.g. A.M. Slierendrecht
Bijlage
Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19 (TVL)
Artikel 2.3.6 (afwijzingsgronden)
1. De minister beslist afwijzend op een aanvraag:
a. indien de aanvraag niet voldoet aan de bij deze regeling gestelde regels;
(…)
Artikel 2.3.8 (aanvraagperiode)
Een aanvraag kan worden ingediend in de periode van 25 juni 2021 tot en met 20 augustus 2021.
Aanvragen kunnen worden ingediend vanaf 08.00 uur op de in het eerste lid genoemde begindatum en zijn tijdig ingediend indien zij op de in het eerste lid genoemde einddatum vóór 17.00 uur zijn ontvangen.
Inleiding
uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 22/426
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 31 oktober 2023 in de zaak tussen
[naam 1] V.O.F., te [plaats] (de onderneming)
en
de minister van Economische Zaken en Klimaat
(gemachtigden: C. Zieleman en mr. O. Andich)
Procesverloop
Met het besluit van 11 oktober 2021 (het afwijzingsbesluit) heeft de minister de aanvraag van de onderneming voor een subsidie op grond van de Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19 (TVL) voor de periode Q2 van 2021 aangemerkt als een pro-forma-aanvraag, en deze aanvraag vervolgens afgewezen.
Met het besluit van 17 januari 2022 (het bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van de onderneming (kennelijk) ongegrond verklaard.
De onderneming heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
De zitting was op 12 juni 2023. Aan de zitting hebben deelgenomen [naam 2] namens de onderneming en C. Zieleman en mr. O. Andich namens de minister.
Overwegingen
Inleiding
1 Deze zaak gaat over een TVL-aanvraag die te laat is ingediend. Met het afwijzingsbesluit heeft de minister de aanvraag afgewezen omdat deze buiten de in de TVL genoemde aanvraagperiode is ontvangen. De onderneming is het niet eens met het afwijzingsbesluit en heeft daartegen bezwaar gemaakt. In het bestreden besluit heeft de minister dat bezwaar (kennelijk) ongegrond verklaard en zijn standpunt dat de aanvraag moet worden afgewezen op de grond dat deze te laat is ingediend gehandhaafd. Hiertegen heeft de onderneming beroep ingesteld.
Wettelijk kader
2.1
Artikel 2.3.8 van de TVL bepaalt dat ondernemers hun aanvraag voor Q2 van 2021 uiterlijk op 20 augustus 2021 vóór 17.00 uur konden indienen. Artikel 2.3.6 van de TVL bepaalt dat de minister afwijzend op een aanvraag beslist als deze niet voldoet aan de bij de TVL gestelde regels.
2.2
Het toepasselijke wettelijke kader is opgenomen in een bijlage bij deze uitspraak.
Standpunt van de onderneming
3 De onderneming erkent dat zij te laat was met het indienen van de TVL-aanvraag, maar volgens haar is het onevenredig om de aanvraag om die reden af te wijzen. Door een vergissing is de aanvraag één werkdag te laat ingediend. De onderneming verkeerde door de coronacrisis in een onzekere en drukke periode, en dacht dat zij niet in aanmerking kwam voor een subsidie. Toen zij erachter kwam dat het mogelijk was om een alternatieve referentieperiode te kiezen, was de aanvraagtermijn net verstreken. De minister zou de menselijke maat in acht moeten nemen en deze termijnoverschrijding niet moeten afstraffen. De TVL is namelijk bedoeld om bedrijven in een periode van zwaar weer tegemoet te komen. Alleen kijken naar de formele eisen past daar niet bij. De onderneming heeft de TVL-subsidie hard nodig en zou daarvoor op basis van de omzetcijfers ook in aanmerking komen. Verder heeft de onderneming ten onrechte niet de kans gekregen om haar bezwaren toe te lichten tijdens een hoorzitting.
Standpunt van de minister
4 Volgens de minister is de (pro-forma-)aanvraag van de onderneming terecht afgewezen, omdat de aanvraag op 23 augustus 2021 en daarmee te laat is ingediend. Dat binnen de aanvraagperiode geen aanvraag is ingediend staat niet ter discussie. De minister begrijpt dat het voor de onderneming een drukke en hectische periode is geweest, maar het blijft haar verantwoordelijkheid om tijdig een aanvraag in te dienen. De onderneming heeft buiten de aanvraagtermijn contact opgenomen met haar accountant. Niet gebleken is dat zij dit niet eerder kon doen.
Beoordeling
5 Zoals hiervoor onder 2.1 is vermeld, volgt uit artikel 2.3.6, eerste lid, aanhef en onder a, gelezen in samenhang met artikel 2.3.8 van de TVL, dat de minister afwijzend op de aanvraag beslist als deze niet tijdig is ingediend. Te late indiening van een aanvraag is een dwingende afwijzingsgrond in de TVL-regelingen voor alle kwartalen. De Algemene wet bestuursrecht (Awb), noch de Kaderwet EZK- en LNV-subsidies (waar de TVL op gebaseerd is), biedt een grondslag om daarvan af te wijken.
6 Niet in geschil is dat de onderneming de aanvraag na afloop van de in de TVL opgenomen aanvraagperiode heeft ingediend. Voor de wijze waarop de minister omgaat met dergelijke aanvragen verwijst het College naar zijn uitspraak van 13 juni 2023 (ECLI:NL:CBB:2023:293, onder 6.1 tot en met 6.4). In aanvulling op wat onder 7.3 van die uitspraak is overwogen, merkt het College op dat het daarbij gaat om tegenwettelijk begunstigend beleid (contra-legembeleid), dat zijn grondslag vindt in het ongeschreven evenredigheidsbeginsel. Daaraan zal ook het bestreden besluit worden getoetst.
7 In dit geval is het afwijzen van de aanvraag niet in strijd met het evenredigheidsbeginsel. Zoals het College eerder heeft geoordeeld (zie onder meer de uitspraak van 9 maart 2021, ECLI:NL:CBB:2021:258, onder 7.3) is het aan de onderneming als professionele marktdeelnemer om zich tijdig te informeren over de periode waarbinnen de subsidie voor Q2 van 2021 kon worden aangevraagd. De drukte en onzekerheid die de onderneming ondervond, wijken niet in relevante mate af van de situatie waarin andere ondernemingen ten gevolge van de pandemie verkeerden. Een groot aantal ondernemingen is wel in staat gebleken om binnen de aanvraagtermijn een TVL-aanvraag in te dienen. Dat de onderneming te laat erachter kwam dat een alternatieve referentieperiode kon worden gekozen, komt voor haar risico. Dat de aanvraag maar één (werk)dag te laat is ingediend, vormt op zichzelf evenmin reden om de afwijzing van de aanvraag in strijd met het evenredigheidsbeginsel te achten.
8 De minister heeft in dit geval mogen afzien van het horen van de onderneming in bezwaar. De beslissing om te horen moet worden genomen op basis van wat in bezwaar is aangevoerd. Gelet op het bezwaarschrift was op voorhand duidelijk dat het bezwaar niet tot een ander besluit kon leiden. De minister heeft zich daarom terecht op het standpunt gesteld dat het bezwaarschrift kennelijk ongegrond is, zoals bedoeld in artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb.
9 Het College is op grond van het voorgaande van oordeel dat de minister de aanvraag terecht op grond van artikel 2.3.6, eerste lid, aanhef en onder a, in samenhang met artikel 2.3.8 van de TVL heeft afgewezen, omdat niet is voldaan aan het vereiste dat de aanvraag tijdig is ingediend.
Dictum
Het College verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H.L. van der Beek, in aanwezigheid van
mr. A.M. Slierendrecht, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op
31 oktober 2023.
w.g. H.L van der Beek w.g. A.M. Slierendrecht
Bijlage
Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19 (TVL)
Artikel 2.3.6 (afwijzingsgronden)
1. De minister beslist afwijzend op een aanvraag:
a. indien de aanvraag niet voldoet aan de bij deze regeling gestelde regels;
(…)
Artikel 2.3.8 (aanvraagperiode)
Een aanvraag kan worden ingediend in de periode van 25 juni 2021 tot en met 20 augustus 2021.
Aanvragen kunnen worden ingediend vanaf 08.00 uur op de in het eerste lid genoemde begindatum en zijn tijdig ingediend indien zij op de in het eerste lid genoemde einddatum vóór 17.00 uur zijn ontvangen.