Rechtspraak
College van Beroep voor het bedrijfsleven
2023-10-10
ECLI:NL:CBB:2023:580
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
5,400 tokens
Inleiding
uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 22/1273
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 oktober 2023 in de zaak tussen
[naam 1] V.O.F., gevestigd te [plaats] (de onderneming)
en
de minister van Economische Zaken en Klimaat
Procesverloop
Met het besluit van 9 december 2021 heeft de minister de aanvraag van de onderneming voor een subsidie op grond van de Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19 (TVL) voor het tweede kwartaal van 2021 afgewezen.
Met de beslissing op bezwaar van 11 mei 2022 heeft de minister het bezwaar van de onderneming ongegrond verklaard.
De onderneming heeft beroep ingesteld tegen de beslissing op bezwaar. De minister heeft een verweerschrift ingediend.
De zitting was op 17 juli 2023. Aan de zitting hebben deelgenomen [naam 2] namens de onderneming en [naam 3] en [naam 4] namens de minister.
Overwegingen
1. De aanvraagperiode voor TVL-subsidie voor het tweede kwartaal van 2021 liep van 25 juni 2021 om 08.00 uur tot 20 augustus 2021 om 17.00 uur. Op 26 augustus 2021 heeft de onderneming bij de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) een melding gedaan dat zij TVL-subsidie voor het tweede kwartaal van 2021 had willen aanvragen. De minister heeft deze melding aangemerkt als een (pro forma) aanvraag. De minister heeft de aanvraag afgewezen, omdat die te laat is ingediend.
Standpunt van de onderneming
2. De onderneming is het niet eens met de afwijzing. De onderneming wilde op 15 augustus 2021 een aanvraag indienen. Voor het indienen van de aanvraag voor het tweede kwartaal van 2021 had de onderneming echter E-herkenning niveau 3 nodig, terwijl zij op dat moment E-herkenning niveau 2+ had. Toen de onderneming daar achter kwam, lukte het niet meer om de upgrade nog voor afloop van de aanvraagperiode te regelen. De upgrade is door provider [naam 5] pas op 24 augustus 2021 verwerkt. De onderneming vindt dat dit haar niet te verwijten valt. Als zij geen upgrade voor eHerkenning had hoeven regelen, dan was de aanvraag gewoon op tijd geweest. Op de zitting heeft de onderneming toegelicht dat zij voor eerdere communicatie met de overheid steeds voldoende had aan e-Herkenning niveau 2+ en dat zij ervan uitging dat dit nu ook voldoende was.
3. De onderneming heeft op 26 augustus 2021 gebeld met de RVO om uit te leggen waarom de aanvraag niet op tijd ingediend kon worden. Als de onderneming had geweten dat de RVO de aanvraag als tijdig zou beschouwen als zij al tijdens de aanvraagperiode had gebeld, dan had zij dat zeker gedaan. De onderneming vindt het onrechtvaardig dat zij hierdoor nu TVLsubsidie misloopt.
Het standpunt van de minister
4. De minister stelt zich op het standpunt dat de aanvraag terecht is afgewezen. Op de website van de RVO over TVL voor het tweede kwartaal van 2021 staat onder het kopje ‘aanvraagproces’ duidelijk vermeld dat e-Herkenningsniveau niveau 3 is vereist. De onderneming is zelf eindverantwoordelijk voor het tijdig verkrijgen van de upgrade naar niveau 3. De onderneming wist vóór het verstrijken van de aanvraagtermijn, in ieder geval op 15 augustus 2021, dat zij niet over de juiste eHerkenning beschikte om de aanvraag te kunnen doen. Dat de upgrade door [naam 5] pas na het verstrijken van de termijn is uitgevoerd komt voor rekening en risico van de onderneming.
5. De minister vindt daarnaast dat het op de weg van de ondernemer lag om tussen 15 augustus 2021 en het verstrijken van de aanvraagtermijn op 20 augustus 2021 contact op te nemen met de RVO, en niet pas zes dagen na afloop van de aanvraagperiode.
Beoordeling
6. Het is duidelijk dat de onderneming de aanvraag te laat heeft ingediend. Op grond van de TVL moet de minister te laat ingediende aanvragen afwijzen. Het College oordeelt dat de afwijzing niet onevenredig is. De onderneming is er zelf verantwoordelijk voor dat zij beschikt over de middelen die nodig zijn om een geldige aanvraag te kunnen doen. Op de website van de RVO was duidelijk terug te vinden dat e-Herkenning niveau 3 nodig was om de TVL-aanvraag voor het tweede kwartaal van 2021 te doen. De onderneming had op tijd moeten controleren of haar e-Herkenning account het vereiste niveau had. Dat de upgrade door [naam 5] niet meer op tijd kon worden uitgevoerd komt voor rekening en risico van de onderneming. Op het moment dat duidelijk werd dat de upgrade niet meer op tijd zou komen, had de onderneming in ieder geval nog binnen de aanvraagperiode contact op moeten nemen met de RVO.
7. De minister heeft de TVL-aanvraag van de onderneming terecht afgewezen omdat die te laat is ingediend.
Dictum
Het College verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van der Knijff, in aanwezigheid van T. Berg, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 10 oktober 2023.
w.g. M. van der Knijff w.g. T. Berg
Artikel 2.3.8 van de TVL.
Artikel 2.3.6, aanhef en onder a, in samenhang met artikel 2.3.8 van de TVL.
Zie ook CBb 5 september 2023, ECLI:NL:CBB:2023:466.
Inleiding
uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 22/1273
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 oktober 2023 in de zaak tussen
[naam 1] V.O.F., gevestigd te [plaats] (de onderneming)
en
de minister van Economische Zaken en Klimaat
Procesverloop
Met het besluit van 9 december 2021 heeft de minister de aanvraag van de onderneming voor een subsidie op grond van de Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19 (TVL) voor het tweede kwartaal van 2021 afgewezen.
Met de beslissing op bezwaar van 11 mei 2022 heeft de minister het bezwaar van de onderneming ongegrond verklaard.
De onderneming heeft beroep ingesteld tegen de beslissing op bezwaar. De minister heeft een verweerschrift ingediend.
De zitting was op 17 juli 2023. Aan de zitting hebben deelgenomen [naam 2] namens de onderneming en [naam 3] en [naam 4] namens de minister.
Overwegingen
1. De aanvraagperiode voor TVL-subsidie voor het tweede kwartaal van 2021 liep van 25 juni 2021 om 08.00 uur tot 20 augustus 2021 om 17.00 uur. Op 26 augustus 2021 heeft de onderneming bij de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) een melding gedaan dat zij TVL-subsidie voor het tweede kwartaal van 2021 had willen aanvragen. De minister heeft deze melding aangemerkt als een (pro forma) aanvraag. De minister heeft de aanvraag afgewezen, omdat die te laat is ingediend.
Standpunt van de onderneming
2. De onderneming is het niet eens met de afwijzing. De onderneming wilde op 15 augustus 2021 een aanvraag indienen. Voor het indienen van de aanvraag voor het tweede kwartaal van 2021 had de onderneming echter E-herkenning niveau 3 nodig, terwijl zij op dat moment E-herkenning niveau 2+ had. Toen de onderneming daar achter kwam, lukte het niet meer om de upgrade nog voor afloop van de aanvraagperiode te regelen. De upgrade is door provider [naam 5] pas op 24 augustus 2021 verwerkt. De onderneming vindt dat dit haar niet te verwijten valt. Als zij geen upgrade voor eHerkenning had hoeven regelen, dan was de aanvraag gewoon op tijd geweest. Op de zitting heeft de onderneming toegelicht dat zij voor eerdere communicatie met de overheid steeds voldoende had aan e-Herkenning niveau 2+ en dat zij ervan uitging dat dit nu ook voldoende was.
3. De onderneming heeft op 26 augustus 2021 gebeld met de RVO om uit te leggen waarom de aanvraag niet op tijd ingediend kon worden. Als de onderneming had geweten dat de RVO de aanvraag als tijdig zou beschouwen als zij al tijdens de aanvraagperiode had gebeld, dan had zij dat zeker gedaan. De onderneming vindt het onrechtvaardig dat zij hierdoor nu TVLsubsidie misloopt.
Het standpunt van de minister
4. De minister stelt zich op het standpunt dat de aanvraag terecht is afgewezen. Op de website van de RVO over TVL voor het tweede kwartaal van 2021 staat onder het kopje ‘aanvraagproces’ duidelijk vermeld dat e-Herkenningsniveau niveau 3 is vereist. De onderneming is zelf eindverantwoordelijk voor het tijdig verkrijgen van de upgrade naar niveau 3. De onderneming wist vóór het verstrijken van de aanvraagtermijn, in ieder geval op 15 augustus 2021, dat zij niet over de juiste eHerkenning beschikte om de aanvraag te kunnen doen. Dat de upgrade door [naam 5] pas na het verstrijken van de termijn is uitgevoerd komt voor rekening en risico van de onderneming.
5. De minister vindt daarnaast dat het op de weg van de ondernemer lag om tussen 15 augustus 2021 en het verstrijken van de aanvraagtermijn op 20 augustus 2021 contact op te nemen met de RVO, en niet pas zes dagen na afloop van de aanvraagperiode.
Beoordeling
6. Het is duidelijk dat de onderneming de aanvraag te laat heeft ingediend. Op grond van de TVL moet de minister te laat ingediende aanvragen afwijzen. Het College oordeelt dat de afwijzing niet onevenredig is. De onderneming is er zelf verantwoordelijk voor dat zij beschikt over de middelen die nodig zijn om een geldige aanvraag te kunnen doen. Op de website van de RVO was duidelijk terug te vinden dat e-Herkenning niveau 3 nodig was om de TVL-aanvraag voor het tweede kwartaal van 2021 te doen. De onderneming had op tijd moeten controleren of haar e-Herkenning account het vereiste niveau had. Dat de upgrade door [naam 5] niet meer op tijd kon worden uitgevoerd komt voor rekening en risico van de onderneming. Op het moment dat duidelijk werd dat de upgrade niet meer op tijd zou komen, had de onderneming in ieder geval nog binnen de aanvraagperiode contact op moeten nemen met de RVO.
7. De minister heeft de TVL-aanvraag van de onderneming terecht afgewezen omdat die te laat is ingediend.
Dictum
Het College verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van der Knijff, in aanwezigheid van T. Berg, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 10 oktober 2023.
w.g. M. van der Knijff w.g. T. Berg
Artikel 2.3.8 van de TVL.
Artikel 2.3.6, aanhef en onder a, in samenhang met artikel 2.3.8 van de TVL.
Zie ook CBb 5 september 2023, ECLI:NL:CBB:2023:466.
Inleiding
uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 22/1273
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 oktober 2023 in de zaak tussen
[naam 1] V.O.F., gevestigd te [plaats] (de onderneming)
en
de minister van Economische Zaken en Klimaat
Procesverloop
Met het besluit van 9 december 2021 heeft de minister de aanvraag van de onderneming voor een subsidie op grond van de Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19 (TVL) voor het tweede kwartaal van 2021 afgewezen.
Met de beslissing op bezwaar van 11 mei 2022 heeft de minister het bezwaar van de onderneming ongegrond verklaard.
De onderneming heeft beroep ingesteld tegen de beslissing op bezwaar. De minister heeft een verweerschrift ingediend.
De zitting was op 17 juli 2023. Aan de zitting hebben deelgenomen [naam 2] namens de onderneming en [naam 3] en [naam 4] namens de minister.
Overwegingen
1. De aanvraagperiode voor TVL-subsidie voor het tweede kwartaal van 2021 liep van 25 juni 2021 om 08.00 uur tot 20 augustus 2021 om 17.00 uur. Op 26 augustus 2021 heeft de onderneming bij de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) een melding gedaan dat zij TVL-subsidie voor het tweede kwartaal van 2021 had willen aanvragen. De minister heeft deze melding aangemerkt als een (pro forma) aanvraag. De minister heeft de aanvraag afgewezen, omdat die te laat is ingediend.
Standpunt van de onderneming
2. De onderneming is het niet eens met de afwijzing. De onderneming wilde op 15 augustus 2021 een aanvraag indienen. Voor het indienen van de aanvraag voor het tweede kwartaal van 2021 had de onderneming echter E-herkenning niveau 3 nodig, terwijl zij op dat moment E-herkenning niveau 2+ had. Toen de onderneming daar achter kwam, lukte het niet meer om de upgrade nog voor afloop van de aanvraagperiode te regelen. De upgrade is door provider [naam 5] pas op 24 augustus 2021 verwerkt. De onderneming vindt dat dit haar niet te verwijten valt. Als zij geen upgrade voor eHerkenning had hoeven regelen, dan was de aanvraag gewoon op tijd geweest. Op de zitting heeft de onderneming toegelicht dat zij voor eerdere communicatie met de overheid steeds voldoende had aan e-Herkenning niveau 2+ en dat zij ervan uitging dat dit nu ook voldoende was.
3. De onderneming heeft op 26 augustus 2021 gebeld met de RVO om uit te leggen waarom de aanvraag niet op tijd ingediend kon worden. Als de onderneming had geweten dat de RVO de aanvraag als tijdig zou beschouwen als zij al tijdens de aanvraagperiode had gebeld, dan had zij dat zeker gedaan. De onderneming vindt het onrechtvaardig dat zij hierdoor nu TVLsubsidie misloopt.
Het standpunt van de minister
4. De minister stelt zich op het standpunt dat de aanvraag terecht is afgewezen. Op de website van de RVO over TVL voor het tweede kwartaal van 2021 staat onder het kopje ‘aanvraagproces’ duidelijk vermeld dat e-Herkenningsniveau niveau 3 is vereist. De onderneming is zelf eindverantwoordelijk voor het tijdig verkrijgen van de upgrade naar niveau 3. De onderneming wist vóór het verstrijken van de aanvraagtermijn, in ieder geval op 15 augustus 2021, dat zij niet over de juiste eHerkenning beschikte om de aanvraag te kunnen doen. Dat de upgrade door [naam 5] pas na het verstrijken van de termijn is uitgevoerd komt voor rekening en risico van de onderneming.
5. De minister vindt daarnaast dat het op de weg van de ondernemer lag om tussen 15 augustus 2021 en het verstrijken van de aanvraagtermijn op 20 augustus 2021 contact op te nemen met de RVO, en niet pas zes dagen na afloop van de aanvraagperiode.
Beoordeling
6. Het is duidelijk dat de onderneming de aanvraag te laat heeft ingediend. Op grond van de TVL moet de minister te laat ingediende aanvragen afwijzen. Het College oordeelt dat de afwijzing niet onevenredig is. De onderneming is er zelf verantwoordelijk voor dat zij beschikt over de middelen die nodig zijn om een geldige aanvraag te kunnen doen. Op de website van de RVO was duidelijk terug te vinden dat e-Herkenning niveau 3 nodig was om de TVL-aanvraag voor het tweede kwartaal van 2021 te doen. De onderneming had op tijd moeten controleren of haar e-Herkenning account het vereiste niveau had. Dat de upgrade door [naam 5] niet meer op tijd kon worden uitgevoerd komt voor rekening en risico van de onderneming. Op het moment dat duidelijk werd dat de upgrade niet meer op tijd zou komen, had de onderneming in ieder geval nog binnen de aanvraagperiode contact op moeten nemen met de RVO.
7. De minister heeft de TVL-aanvraag van de onderneming terecht afgewezen omdat die te laat is ingediend.
Dictum
Het College verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van der Knijff, in aanwezigheid van T. Berg, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 10 oktober 2023.
w.g. M. van der Knijff w.g. T. Berg
Artikel 2.3.8 van de TVL.
Artikel 2.3.6, aanhef en onder a, in samenhang met artikel 2.3.8 van de TVL.
Zie ook CBb 5 september 2023, ECLI:NL:CBB:2023:466.
Inleiding
uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 22/1273
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 oktober 2023 in de zaak tussen
[naam 1] V.O.F., gevestigd te [plaats] (de onderneming)
en
de minister van Economische Zaken en Klimaat
Procesverloop
Met het besluit van 9 december 2021 heeft de minister de aanvraag van de onderneming voor een subsidie op grond van de Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19 (TVL) voor het tweede kwartaal van 2021 afgewezen.
Met de beslissing op bezwaar van 11 mei 2022 heeft de minister het bezwaar van de onderneming ongegrond verklaard.
De onderneming heeft beroep ingesteld tegen de beslissing op bezwaar. De minister heeft een verweerschrift ingediend.
De zitting was op 17 juli 2023. Aan de zitting hebben deelgenomen [naam 2] namens de onderneming en [naam 3] en [naam 4] namens de minister.
Overwegingen
1. De aanvraagperiode voor TVL-subsidie voor het tweede kwartaal van 2021 liep van 25 juni 2021 om 08.00 uur tot 20 augustus 2021 om 17.00 uur. Op 26 augustus 2021 heeft de onderneming bij de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) een melding gedaan dat zij TVL-subsidie voor het tweede kwartaal van 2021 had willen aanvragen. De minister heeft deze melding aangemerkt als een (pro forma) aanvraag. De minister heeft de aanvraag afgewezen, omdat die te laat is ingediend.
Standpunt van de onderneming
2. De onderneming is het niet eens met de afwijzing. De onderneming wilde op 15 augustus 2021 een aanvraag indienen. Voor het indienen van de aanvraag voor het tweede kwartaal van 2021 had de onderneming echter E-herkenning niveau 3 nodig, terwijl zij op dat moment E-herkenning niveau 2+ had. Toen de onderneming daar achter kwam, lukte het niet meer om de upgrade nog voor afloop van de aanvraagperiode te regelen. De upgrade is door provider [naam 5] pas op 24 augustus 2021 verwerkt. De onderneming vindt dat dit haar niet te verwijten valt. Als zij geen upgrade voor eHerkenning had hoeven regelen, dan was de aanvraag gewoon op tijd geweest. Op de zitting heeft de onderneming toegelicht dat zij voor eerdere communicatie met de overheid steeds voldoende had aan e-Herkenning niveau 2+ en dat zij ervan uitging dat dit nu ook voldoende was.
3. De onderneming heeft op 26 augustus 2021 gebeld met de RVO om uit te leggen waarom de aanvraag niet op tijd ingediend kon worden. Als de onderneming had geweten dat de RVO de aanvraag als tijdig zou beschouwen als zij al tijdens de aanvraagperiode had gebeld, dan had zij dat zeker gedaan. De onderneming vindt het onrechtvaardig dat zij hierdoor nu TVLsubsidie misloopt.
Het standpunt van de minister
4. De minister stelt zich op het standpunt dat de aanvraag terecht is afgewezen. Op de website van de RVO over TVL voor het tweede kwartaal van 2021 staat onder het kopje ‘aanvraagproces’ duidelijk vermeld dat e-Herkenningsniveau niveau 3 is vereist. De onderneming is zelf eindverantwoordelijk voor het tijdig verkrijgen van de upgrade naar niveau 3. De onderneming wist vóór het verstrijken van de aanvraagtermijn, in ieder geval op 15 augustus 2021, dat zij niet over de juiste eHerkenning beschikte om de aanvraag te kunnen doen. Dat de upgrade door [naam 5] pas na het verstrijken van de termijn is uitgevoerd komt voor rekening en risico van de onderneming.
5. De minister vindt daarnaast dat het op de weg van de ondernemer lag om tussen 15 augustus 2021 en het verstrijken van de aanvraagtermijn op 20 augustus 2021 contact op te nemen met de RVO, en niet pas zes dagen na afloop van de aanvraagperiode.
Beoordeling
6. Het is duidelijk dat de onderneming de aanvraag te laat heeft ingediend. Op grond van de TVL moet de minister te laat ingediende aanvragen afwijzen. Het College oordeelt dat de afwijzing niet onevenredig is. De onderneming is er zelf verantwoordelijk voor dat zij beschikt over de middelen die nodig zijn om een geldige aanvraag te kunnen doen. Op de website van de RVO was duidelijk terug te vinden dat e-Herkenning niveau 3 nodig was om de TVL-aanvraag voor het tweede kwartaal van 2021 te doen. De onderneming had op tijd moeten controleren of haar e-Herkenning account het vereiste niveau had. Dat de upgrade door [naam 5] niet meer op tijd kon worden uitgevoerd komt voor rekening en risico van de onderneming. Op het moment dat duidelijk werd dat de upgrade niet meer op tijd zou komen, had de onderneming in ieder geval nog binnen de aanvraagperiode contact op moeten nemen met de RVO.
7. De minister heeft de TVL-aanvraag van de onderneming terecht afgewezen omdat die te laat is ingediend.
Dictum
Het College verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van der Knijff, in aanwezigheid van T. Berg, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 10 oktober 2023.
w.g. M. van der Knijff w.g. T. Berg
Artikel 2.3.8 van de TVL.
Artikel 2.3.6, aanhef en onder a, in samenhang met artikel 2.3.8 van de TVL.
Zie ook CBb 5 september 2023, ECLI:NL:CBB:2023:466.