Rechtspraak
College van Beroep voor het bedrijfsleven
2023-08-03
ECLI:NL:CBB:2023:417
Bestuursrecht
Mondelinge uitspraak
1,736 tokens
Inleiding
proces-verbaal uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 22/1893
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 augustus 2023
Raadsheer: mr R.W.L. Koopmans
Griffier: mr L. ten Hove
Partijen
[naam 1] B.V., gevestigd te [plaats] (de onderneming), voor wie is verschenen [naam 2] ,
en
de minister van Economische Zaken en Klimaat, vertegenwoordigd door mr. H.G.M. Wammes en mr. S.F. Hu.
Overwegingen
1. Niet in geschil is dat de onderneming voor het eerste kwartaal van 2021 (subsidieperiode) niet aan de voorwaarde van ten minste 30% omzetverlies uit de TVL-regeling voldoet, als wordt uitgegaan van de omzetgegevens uit de aangifte omzetbelasting.
2. De regelgever heeft ervoor gekozen de omzet voor de TVL-regeling te bepalen aan de hand van de aangifte omzetbelasting. Het College heeft eerder al geoordeeld dat dit geen onredelijk uitgangspunt is en dat de regeling geen ruimte biedt hiervan af te wijken. Het is dus niet mogelijk de omzet van de onderneming voor onderhanden werk, die in de subsidieperiode is gefactureerd en opgegeven in de aangifte omzetbelasting, niet mee te nemen bij de omzet voor de subsidieperiode. Dat die omzet anders is verwerkt in de jaarrekening doet hier niet aan af, omdat de aangifte omzetbelasting bepalend is en niet de jaarrekening.
3. De minister heeft de TVL-subsidie daarom terecht op € 0,- vastgesteld.
R.W.L. Koopmans L. ten Hove
Inleiding
proces-verbaal uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 22/1893
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 augustus 2023
Raadsheer: mr R.W.L. Koopmans
Griffier: mr L. ten Hove
Partijen
[naam 1] B.V., gevestigd te [plaats] (de onderneming), voor wie is verschenen [naam 2] ,
en
de minister van Economische Zaken en Klimaat, vertegenwoordigd door mr. H.G.M. Wammes en mr. S.F. Hu.
Overwegingen
1. Niet in geschil is dat de onderneming voor het eerste kwartaal van 2021 (subsidieperiode) niet aan de voorwaarde van ten minste 30% omzetverlies uit de TVL-regeling voldoet, als wordt uitgegaan van de omzetgegevens uit de aangifte omzetbelasting.
2. De regelgever heeft ervoor gekozen de omzet voor de TVL-regeling te bepalen aan de hand van de aangifte omzetbelasting. Het College heeft eerder al geoordeeld dat dit geen onredelijk uitgangspunt is en dat de regeling geen ruimte biedt hiervan af te wijken. Het is dus niet mogelijk de omzet van de onderneming voor onderhanden werk, die in de subsidieperiode is gefactureerd en opgegeven in de aangifte omzetbelasting, niet mee te nemen bij de omzet voor de subsidieperiode. Dat die omzet anders is verwerkt in de jaarrekening doet hier niet aan af, omdat de aangifte omzetbelasting bepalend is en niet de jaarrekening.
3. De minister heeft de TVL-subsidie daarom terecht op € 0,- vastgesteld.
R.W.L. Koopmans L. ten Hove
Inleiding
proces-verbaal uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 22/1893
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 augustus 2023
Raadsheer: mr R.W.L. Koopmans
Griffier: mr L. ten Hove
Partijen
[naam 1] B.V., gevestigd te [plaats] (de onderneming), voor wie is verschenen [naam 2] ,
en
de minister van Economische Zaken en Klimaat, vertegenwoordigd door mr. H.G.M. Wammes en mr. S.F. Hu.
Overwegingen
1. Niet in geschil is dat de onderneming voor het eerste kwartaal van 2021 (subsidieperiode) niet aan de voorwaarde van ten minste 30% omzetverlies uit de TVL-regeling voldoet, als wordt uitgegaan van de omzetgegevens uit de aangifte omzetbelasting.
2. De regelgever heeft ervoor gekozen de omzet voor de TVL-regeling te bepalen aan de hand van de aangifte omzetbelasting. Het College heeft eerder al geoordeeld dat dit geen onredelijk uitgangspunt is en dat de regeling geen ruimte biedt hiervan af te wijken. Het is dus niet mogelijk de omzet van de onderneming voor onderhanden werk, die in de subsidieperiode is gefactureerd en opgegeven in de aangifte omzetbelasting, niet mee te nemen bij de omzet voor de subsidieperiode. Dat die omzet anders is verwerkt in de jaarrekening doet hier niet aan af, omdat de aangifte omzetbelasting bepalend is en niet de jaarrekening.
3. De minister heeft de TVL-subsidie daarom terecht op € 0,- vastgesteld.
R.W.L. Koopmans L. ten Hove
Inleiding
proces-verbaal uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 22/1893
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 augustus 2023
Raadsheer: mr R.W.L. Koopmans
Griffier: mr L. ten Hove
Partijen
[naam 1] B.V., gevestigd te [plaats] (de onderneming), voor wie is verschenen [naam 2] ,
en
de minister van Economische Zaken en Klimaat, vertegenwoordigd door mr. H.G.M. Wammes en mr. S.F. Hu.
Overwegingen
1. Niet in geschil is dat de onderneming voor het eerste kwartaal van 2021 (subsidieperiode) niet aan de voorwaarde van ten minste 30% omzetverlies uit de TVL-regeling voldoet, als wordt uitgegaan van de omzetgegevens uit de aangifte omzetbelasting.
2. De regelgever heeft ervoor gekozen de omzet voor de TVL-regeling te bepalen aan de hand van de aangifte omzetbelasting. Het College heeft eerder al geoordeeld dat dit geen onredelijk uitgangspunt is en dat de regeling geen ruimte biedt hiervan af te wijken. Het is dus niet mogelijk de omzet van de onderneming voor onderhanden werk, die in de subsidieperiode is gefactureerd en opgegeven in de aangifte omzetbelasting, niet mee te nemen bij de omzet voor de subsidieperiode. Dat die omzet anders is verwerkt in de jaarrekening doet hier niet aan af, omdat de aangifte omzetbelasting bepalend is en niet de jaarrekening.
3. De minister heeft de TVL-subsidie daarom terecht op € 0,- vastgesteld.
R.W.L. Koopmans L. ten Hove