Rechtspraak
College van Beroep voor het bedrijfsleven
2023-07-18
ECLI:NL:CBB:2023:375
Bestuursrecht
Eerste aanleg - meervoudig
15,650 tokens
Inleiding
uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 20/364
uitspraak van de meervoudige kamer van 18 juli 2023 in de zaak tussen
[naam 1] , te [plaats] , appellante ( [naam 1] ),
(gemachtigde: mr. M.E.F. Bots),
en
de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (de minister),
(gemachtigde: mr. P.J. Kooiman).
Procesverloop
Voor het procesverloop tot de tussenuitspraak van 8 april 2022 (ECLI:NL:CBB:2022:62) verwijst het College naar die tussenuitspraak.
In de tussenuitspraak heeft het College de minister opgedragen om het vastgestelde gebrek in het besluit van 24 februari 2020 binnen twaalf weken na verzending van de tussenuitspraak te herstellen of om in plaats daarvan een ander besluit te nemen.
In een voortgangsrapportage van 21 maart 2022 heeft de minister aangegeven dat per 1 januari 2022 niet de Universiteit Utrecht (UU), maar de Commissie Buitenslands Gediplomeerde Diergeneeskundigen (CBGD) bevoegd is om te adviseren over de toelating van dierenartsen uit derde landen. De minister heeft het dossier van [naam 1] en de tussenuitspraak daarom voor een nieuw advies toegezonden aan de CBGD.
De CBGD heeft op 6 april 2022 advies uitgebracht aan de minister. [naam 1] heeft daarop gereageerd met een zienswijze van 24 april 2022.
Op 29 april 2022 heeft de minister ter uitvoering van de tussenuitspraak een nieuw besluit genomen en aan het College toegezonden (wijzigingsbesluit). Hierop heeft [naam 1] gereageerd met een zienswijze van 7 juni 2022.
Op 9 augustus 2022 heeft het College een brief met vragen aan de minister gestuurd. In de brief is vermeld dat het op basis van de tot dan ingediende stukken voor het College nog steeds niet helder was op welke punten het [naam 1] nu precies aan kennis en ervaring ontbreekt.
Met een bericht van 8 november 2022 heeft de CBGD op de vragen van het College van 9 augustus 2022 gereageerd. Op 20 december 2022 heeft [naam 1] op de reactie van de CBGD gereageerd.
In een brief van 17 januari 2023 heeft het College bericht dat de zaak op de zitting van 19 april 2023 wordt behandeld. Daarbij is de minister verzocht om de voorzitter (of een lid) van de CBGD mee te nemen naar de zitting. [naam 1] is verzocht om aanvullende informatie die voor de beoordeling van de zaak relevant kan zijn – waaronder eventuele bewijzen van gevolgde nascholingscursussen – vóór 15 maart 2023 in te dienen.
Op 13 maart 2023 heeft [naam 1] aanvullende informatie toegezonden. Daarbij heeft zij het College ook verzocht om de minister te veroordelen om de door haar geleden schade te vergoeden. Die schade bedraagt volgens [naam 1] inmiddels € 53.309,30.
In een brief van 22 maart 2023 heeft het College bericht dat het niet bevoegd is om over het verzoek om schadevergoeding te oordelen als de gevraagde schadevergoeding meer dan € 25.000,- bedraagt. Naar aanleiding daarvan heeft [naam 1] haar verzoek om schadevergoeding beperkt tot € 25.000,-, zodat dat verzoek in behandeling kan worden genomen.
De zitting was op 19 april 2023. Aan de zitting hebben deelgenomen [naam 1] , bijgestaan door haar gemachtigde en [naam 2] van de Nederlandse Voedsel- en Waren Autoriteit (NVWA). Voor de minister hebben aan de zitting deelgenomen: mr. P.J. Kooiman en de voorzitter van de CBGD, prof. dr. J.W. Hesselink.
Overwegingen
1. In dit geschil gaat het om de vraag of de minister [naam 1] moet toelaten en registreren als dierenarts in Nederland. De minister hanteert daarvoor als maatstaf dat de gevolgde opleiding gelijkwaardig moet zijn aan de Nederlandse diergeneeskundeopleiding. In 4.3 van de tussenuitspraak heeft het College overwogen dat die maatstaf niet onredelijk is. Concreet gaat het nu dus om de vraag of de opleidingen en werkervaring van [naam 1] gelijkwaardig zijn aan de Nederlandse diergeneeskundeopleiding. De minister neemt daarbij naar het oordeel van het College terecht als uitgangspunt voor deze vergelijking de diergeneeskundeopleiding zoals die op dit moment in Nederland wordt gegeven.
2. In de tussenuitspraak (4.5 en 4.6) heeft het College geoordeeld dat de redenering en de conclusie in de adviezen van de UU zonder nadere toelichting of onderbouwing niet begrijpelijk waren. De minister had in strijd met de vergewisplicht van artikel 3:9 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) gehandeld door op de adviezen van de UU af te gaan zonder bij de UU om opheldering te vragen. De minister had ook in strijd met artikel 7:12 van de Awb gehandeld door het besluit van 24 februari 2020 te baseren op de onvoldoende onderbouwde adviezen van de UU.
3. Met het wijzigingsbesluit heeft de minister het bezwaar van [naam 1] tegen het besluit van 10 oktober 2019 (het afwijzingsbesluit) opnieuw ongegrond verklaard en zijn besluit nader gemotiveerd. Het wijzigingsbesluit treedt blijkens de bewoordingen ervan in de plaats van het oorspronkelijke besluit op bezwaar van 24 februari 2022. Het beroep van appellante heeft op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Awb van rechtswege mede betrekking op het wijzigingsbesluit. Het College is niet gebleken dat [naam 1] nog belang heeft bij beoordeling van het beroep tegen het besluit van 24 februari 2020. Daarom zal het College het beroep tegen dat besluit niet-ontvankelijk verklaren.
4. De minister heeft aan het wijzigingsbesluit het advies van de CBGD van 30 maart 2022 ten grondslag gelegd. De CBGD heeft blijkens haar advies gekeken naar de haar ter beschikking gestelde gegevens over duur, inhoud en kwaliteit van de door [naam 1] in Argentinië gevolgde opleidingen en van de basisopleiding van de NVWA. Op grond daarvan, en wegens het ontbreken van eventueel aanvullende relevante klinische kennis en werkervaring, heeft de CBGD vastgesteld dat de opleiding van [naam 1] niet gelijkwaardig is aan de Nederlandse dierenartsopleiding.
5. Met het wijzigingsbesluit heeft de minister het in de tussenuitspraak vastgestelde gebrek naar het oordeel van het College niet hersteld. Het advies van de CBGD gaat onvoldoende in op de aspecten die in de tussenuitspraak zijn genoemd. Daardoor is ook met dit advies niet helder op welke punten het [naam 1] volgens de minister concreet aan kennis en ervaring ontbreekt. De minister mocht dan ook niet zonder meer op dit advies afgaan. Dit betekent dat het College het beroep van [naam 1] gegrond zal verklaren en het wijzigingsbesluit zal vernietigen wegens strijd met de artikelen 3:9 en 7:2 van de Awb.
6. Met het oog op definitieve beslechting van het geschil zal het College vervolgens bezien of er aanleiding is om de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten of zelf in de zaak te voorzien. Daarmee wordt bedoeld dat het College zal onderzoeken of [naam 1] , gelet op alle informatie die inmiddels voorhanden is, in aanmerking komt om te worden toegelaten en geregistreerd als dierenarts.
7. Het College overweegt eerst dat de minister met het bericht van de CBGD van 8 november 2022, in antwoord op de brief van het College van 9 augustus 2022, onvoldoende duidelijkheid heeft verschaft. Verder wijst het College erop dat de hiervoor al genoemde vergewisplicht met zich brengt dat de minister de door [naam 1] op 13 maart 2023 toegezonden aanvullende informatie had moeten voorleggen aan de CBGD.
8. Dit betekent nog niet dat [naam 1] moet worden toegelaten als dierenarts. Op de zitting van 19 april 2023 is de zaak namelijk uitgebreid met partijen besproken, waarbij vooral nader is ingegaan op het bericht van de CBGD van 8 november 2022 en op de aanvullende informatie van [naam 1] van 13 maart 2023. [naam 1] heeft over diverse aspecten van haar studie en werkervaring, onder verwijzing naar de door haar ingediende stukken, een nadere toelichting verstrekt. De gemachtigde en de voorzitter van de CBGD hebben op verschillende punten eveneens een nadere toelichting gegeven. Uit de bedoelde stukken en de bespreking daarvan is voor het College voldoende duidelijk geworden dat de door [naam 1] in Argentinië gevolgde dierenartsopleiding niet gelijkwaardig is aan de Nederlandse diergeneeskundeopleiding. Ook is het voor het College helder geworden dat er, ondanks de uitgebreide aanvullende opleidingen en werkervaring van [naam 1] , nog steeds sprake is van enkele tekorten in kennis en kunde, die maken dat de minister zich op het standpunt kan stellen dat [naam 1] nog niet als dierenarts kan worden toegelaten. Het College zal dit hierna toelichten.
9. Uit het advies van de CBGD, de reactie van CBGD van 8 november 2022 en de bespreking daarvan op de zitting van 19 april 2023 is duidelijk geworden dat de opleiding die [naam 1] heeft gevolgd om het diploma “Titulo de Médica Veterinaria” te behalen, een nietgeaccrediteerde opleiding is, die vergelijkbaar is met een Nederlandse bachelor op woniveau. De houder van dit diploma kan in Argentinië worden toegelaten en geregistreerd als dierenarts. [naam 1] heeft dit ook gedaan: zij is van 2001 tot 2017 als dierenarts ingeschreven geweest in Argentinië en is in die periode als dierenarts werkzaam geweest. In Nederland kan de toelating tot dierenarts echter pas worden verkregen na het behalen van een opleiding diergeneeskunde op master-niveau. Daarom is het College van oordeel dat de door [naam 1] van 1996 tot 2001 gevolgde opleiding niet gelijkwaardig is.
10. [naam 1] heeft vervolgens in 2011 het master-diploma “Maestria en salud animal” behaald. Volgens de reactie van de CBGD van 8 november 2022 richt die opleiding zich primair op thema’s zoals diervoeding, besmettelijke ziektes en de organisatie van dierziekte bestrijdingsprogramma’s en is die opleiding niet specifiek gericht op het opleiden van dierenartsen. De CBGD heeft tijdens de zitting van 19 april 2023 toegelicht dat die opleiding te vergelijken is met een opleiding dierwetenschappen aan de Universiteit van Wageningen. De CBGD is van mening dat bij [naam 1] , rekening houdend met haar opleiding bij de NVWA, de door haar gevolgde cursussen en haar werkervaring, sprake is van tekorten in het domein veterinair handelen (klinisch redeneren en besluitvorming, expertise en handvaardigheid). Die tekorten zouden volgens (de voorzitter van) de CBGD opgeheven kunnen worden door het volgen van bepaalde klinische onderdelen van de master Diergeneeskunde voor de onderdelen “Paard”, “Gezelschapsdieren” en “Dieren in populaties (landbouwhuisdieren)”. Dit ter nadere invulling door de Faculteit Diergeneeskunde van de UU. [naam 1] heeft daar tegen ingebracht, onder verwijzing naar de door haar ingediende aanvullende informatie, dat zij ruime ervaring heeft als dierenarts met de behandeling van gezelschapsdieren. Hoewel de door [naam 1] genoemde verklaringen weinig inzicht geven in de aard en omvang van de handelingen die zij als dierenarts precies heeft verricht, is het College van oordeel dat niet kan worden uitgesloten dat de ervaring van [naam 1] op het punt van gezelschapsdieren voldoende is, of – anders gezegd – dat een co-schap “Gezelschapsdieren” een zeer grote overlap zal vertonen met het werk dat zij al heeft verricht. Uit de door [naam 1] ingediende nadere informatie blijkt echter niet dat zij voor de onderdelen “Paard” en “Dieren in populaties (landbouwhuisdieren)” zodanige klinische ervaring heeft dat die gelijkwaardig is aan dit deel van de Nederlandse diergeneeskundeopleiding.
Dictum
Het College:
- verklaart het beroep tegen het besluit van 24 februari 2020 niet-ontvankelijk;
- verklaart het beroep tegen het wijzigingsbesluit gegrond;
- vernietigt het wijzigingsbesluit;
bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde wijzigingsbesluit in stand blijven;
draagt de minister op het betaalde griffierecht van € 178,- aan [naam 1] te vergoeden;
- veroordeelt de minister in de proceskosten van [naam 1] tot een bedrag van € 837,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.L.W. Aerts, mr. D. Brugman en mr. S.W. van Kasbergen, in aanwezigheid van mr. J.M.M. Bancken, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 18 juli 2023.
w.g. J.L.W. Aerts w.g. J.M.M. Bancken
Inleiding
uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 20/364
uitspraak van de meervoudige kamer van 18 juli 2023 in de zaak tussen
[naam 1] , te [plaats] , appellante ( [naam 1] ),
(gemachtigde: mr. M.E.F. Bots),
en
de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (de minister),
(gemachtigde: mr. P.J. Kooiman).
Procesverloop
Voor het procesverloop tot de tussenuitspraak van 8 april 2022 (ECLI:NL:CBB:2022:62) verwijst het College naar die tussenuitspraak.
In de tussenuitspraak heeft het College de minister opgedragen om het vastgestelde gebrek in het besluit van 24 februari 2020 binnen twaalf weken na verzending van de tussenuitspraak te herstellen of om in plaats daarvan een ander besluit te nemen.
In een voortgangsrapportage van 21 maart 2022 heeft de minister aangegeven dat per 1 januari 2022 niet de Universiteit Utrecht (UU), maar de Commissie Buitenslands Gediplomeerde Diergeneeskundigen (CBGD) bevoegd is om te adviseren over de toelating van dierenartsen uit derde landen. De minister heeft het dossier van [naam 1] en de tussenuitspraak daarom voor een nieuw advies toegezonden aan de CBGD.
De CBGD heeft op 6 april 2022 advies uitgebracht aan de minister. [naam 1] heeft daarop gereageerd met een zienswijze van 24 april 2022.
Op 29 april 2022 heeft de minister ter uitvoering van de tussenuitspraak een nieuw besluit genomen en aan het College toegezonden (wijzigingsbesluit). Hierop heeft [naam 1] gereageerd met een zienswijze van 7 juni 2022.
Op 9 augustus 2022 heeft het College een brief met vragen aan de minister gestuurd. In de brief is vermeld dat het op basis van de tot dan ingediende stukken voor het College nog steeds niet helder was op welke punten het [naam 1] nu precies aan kennis en ervaring ontbreekt.
Met een bericht van 8 november 2022 heeft de CBGD op de vragen van het College van 9 augustus 2022 gereageerd. Op 20 december 2022 heeft [naam 1] op de reactie van de CBGD gereageerd.
In een brief van 17 januari 2023 heeft het College bericht dat de zaak op de zitting van 19 april 2023 wordt behandeld. Daarbij is de minister verzocht om de voorzitter (of een lid) van de CBGD mee te nemen naar de zitting. [naam 1] is verzocht om aanvullende informatie die voor de beoordeling van de zaak relevant kan zijn – waaronder eventuele bewijzen van gevolgde nascholingscursussen – vóór 15 maart 2023 in te dienen.
Op 13 maart 2023 heeft [naam 1] aanvullende informatie toegezonden. Daarbij heeft zij het College ook verzocht om de minister te veroordelen om de door haar geleden schade te vergoeden. Die schade bedraagt volgens [naam 1] inmiddels € 53.309,30.
In een brief van 22 maart 2023 heeft het College bericht dat het niet bevoegd is om over het verzoek om schadevergoeding te oordelen als de gevraagde schadevergoeding meer dan € 25.000,- bedraagt. Naar aanleiding daarvan heeft [naam 1] haar verzoek om schadevergoeding beperkt tot € 25.000,-, zodat dat verzoek in behandeling kan worden genomen.
De zitting was op 19 april 2023. Aan de zitting hebben deelgenomen [naam 1] , bijgestaan door haar gemachtigde en [naam 2] van de Nederlandse Voedsel- en Waren Autoriteit (NVWA). Voor de minister hebben aan de zitting deelgenomen: mr. P.J. Kooiman en de voorzitter van de CBGD, prof. dr. J.W. Hesselink.
Overwegingen
1. In dit geschil gaat het om de vraag of de minister [naam 1] moet toelaten en registreren als dierenarts in Nederland. De minister hanteert daarvoor als maatstaf dat de gevolgde opleiding gelijkwaardig moet zijn aan de Nederlandse diergeneeskundeopleiding. In 4.3 van de tussenuitspraak heeft het College overwogen dat die maatstaf niet onredelijk is. Concreet gaat het nu dus om de vraag of de opleidingen en werkervaring van [naam 1] gelijkwaardig zijn aan de Nederlandse diergeneeskundeopleiding. De minister neemt daarbij naar het oordeel van het College terecht als uitgangspunt voor deze vergelijking de diergeneeskundeopleiding zoals die op dit moment in Nederland wordt gegeven.
2. In de tussenuitspraak (4.5 en 4.6) heeft het College geoordeeld dat de redenering en de conclusie in de adviezen van de UU zonder nadere toelichting of onderbouwing niet begrijpelijk waren. De minister had in strijd met de vergewisplicht van artikel 3:9 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) gehandeld door op de adviezen van de UU af te gaan zonder bij de UU om opheldering te vragen. De minister had ook in strijd met artikel 7:12 van de Awb gehandeld door het besluit van 24 februari 2020 te baseren op de onvoldoende onderbouwde adviezen van de UU.
3. Met het wijzigingsbesluit heeft de minister het bezwaar van [naam 1] tegen het besluit van 10 oktober 2019 (het afwijzingsbesluit) opnieuw ongegrond verklaard en zijn besluit nader gemotiveerd. Het wijzigingsbesluit treedt blijkens de bewoordingen ervan in de plaats van het oorspronkelijke besluit op bezwaar van 24 februari 2022. Het beroep van appellante heeft op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Awb van rechtswege mede betrekking op het wijzigingsbesluit. Het College is niet gebleken dat [naam 1] nog belang heeft bij beoordeling van het beroep tegen het besluit van 24 februari 2020. Daarom zal het College het beroep tegen dat besluit niet-ontvankelijk verklaren.
4. De minister heeft aan het wijzigingsbesluit het advies van de CBGD van 30 maart 2022 ten grondslag gelegd. De CBGD heeft blijkens haar advies gekeken naar de haar ter beschikking gestelde gegevens over duur, inhoud en kwaliteit van de door [naam 1] in Argentinië gevolgde opleidingen en van de basisopleiding van de NVWA. Op grond daarvan, en wegens het ontbreken van eventueel aanvullende relevante klinische kennis en werkervaring, heeft de CBGD vastgesteld dat de opleiding van [naam 1] niet gelijkwaardig is aan de Nederlandse dierenartsopleiding.
5. Met het wijzigingsbesluit heeft de minister het in de tussenuitspraak vastgestelde gebrek naar het oordeel van het College niet hersteld. Het advies van de CBGD gaat onvoldoende in op de aspecten die in de tussenuitspraak zijn genoemd. Daardoor is ook met dit advies niet helder op welke punten het [naam 1] volgens de minister concreet aan kennis en ervaring ontbreekt. De minister mocht dan ook niet zonder meer op dit advies afgaan. Dit betekent dat het College het beroep van [naam 1] gegrond zal verklaren en het wijzigingsbesluit zal vernietigen wegens strijd met de artikelen 3:9 en 7:2 van de Awb.
6. Met het oog op definitieve beslechting van het geschil zal het College vervolgens bezien of er aanleiding is om de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten of zelf in de zaak te voorzien. Daarmee wordt bedoeld dat het College zal onderzoeken of [naam 1] , gelet op alle informatie die inmiddels voorhanden is, in aanmerking komt om te worden toegelaten en geregistreerd als dierenarts.
7. Het College overweegt eerst dat de minister met het bericht van de CBGD van 8 november 2022, in antwoord op de brief van het College van 9 augustus 2022, onvoldoende duidelijkheid heeft verschaft. Verder wijst het College erop dat de hiervoor al genoemde vergewisplicht met zich brengt dat de minister de door [naam 1] op 13 maart 2023 toegezonden aanvullende informatie had moeten voorleggen aan de CBGD.
8. Dit betekent nog niet dat [naam 1] moet worden toegelaten als dierenarts. Op de zitting van 19 april 2023 is de zaak namelijk uitgebreid met partijen besproken, waarbij vooral nader is ingegaan op het bericht van de CBGD van 8 november 2022 en op de aanvullende informatie van [naam 1] van 13 maart 2023. [naam 1] heeft over diverse aspecten van haar studie en werkervaring, onder verwijzing naar de door haar ingediende stukken, een nadere toelichting verstrekt. De gemachtigde en de voorzitter van de CBGD hebben op verschillende punten eveneens een nadere toelichting gegeven. Uit de bedoelde stukken en de bespreking daarvan is voor het College voldoende duidelijk geworden dat de door [naam 1] in Argentinië gevolgde dierenartsopleiding niet gelijkwaardig is aan de Nederlandse diergeneeskundeopleiding. Ook is het voor het College helder geworden dat er, ondanks de uitgebreide aanvullende opleidingen en werkervaring van [naam 1] , nog steeds sprake is van enkele tekorten in kennis en kunde, die maken dat de minister zich op het standpunt kan stellen dat [naam 1] nog niet als dierenarts kan worden toegelaten. Het College zal dit hierna toelichten.
9. Uit het advies van de CBGD, de reactie van CBGD van 8 november 2022 en de bespreking daarvan op de zitting van 19 april 2023 is duidelijk geworden dat de opleiding die [naam 1] heeft gevolgd om het diploma “Titulo de Médica Veterinaria” te behalen, een nietgeaccrediteerde opleiding is, die vergelijkbaar is met een Nederlandse bachelor op woniveau. De houder van dit diploma kan in Argentinië worden toegelaten en geregistreerd als dierenarts. [naam 1] heeft dit ook gedaan: zij is van 2001 tot 2017 als dierenarts ingeschreven geweest in Argentinië en is in die periode als dierenarts werkzaam geweest. In Nederland kan de toelating tot dierenarts echter pas worden verkregen na het behalen van een opleiding diergeneeskunde op master-niveau. Daarom is het College van oordeel dat de door [naam 1] van 1996 tot 2001 gevolgde opleiding niet gelijkwaardig is.
10. [naam 1] heeft vervolgens in 2011 het master-diploma “Maestria en salud animal” behaald. Volgens de reactie van de CBGD van 8 november 2022 richt die opleiding zich primair op thema’s zoals diervoeding, besmettelijke ziektes en de organisatie van dierziekte bestrijdingsprogramma’s en is die opleiding niet specifiek gericht op het opleiden van dierenartsen. De CBGD heeft tijdens de zitting van 19 april 2023 toegelicht dat die opleiding te vergelijken is met een opleiding dierwetenschappen aan de Universiteit van Wageningen. De CBGD is van mening dat bij [naam 1] , rekening houdend met haar opleiding bij de NVWA, de door haar gevolgde cursussen en haar werkervaring, sprake is van tekorten in het domein veterinair handelen (klinisch redeneren en besluitvorming, expertise en handvaardigheid). Die tekorten zouden volgens (de voorzitter van) de CBGD opgeheven kunnen worden door het volgen van bepaalde klinische onderdelen van de master Diergeneeskunde voor de onderdelen “Paard”, “Gezelschapsdieren” en “Dieren in populaties (landbouwhuisdieren)”. Dit ter nadere invulling door de Faculteit Diergeneeskunde van de UU. [naam 1] heeft daar tegen ingebracht, onder verwijzing naar de door haar ingediende aanvullende informatie, dat zij ruime ervaring heeft als dierenarts met de behandeling van gezelschapsdieren. Hoewel de door [naam 1] genoemde verklaringen weinig inzicht geven in de aard en omvang van de handelingen die zij als dierenarts precies heeft verricht, is het College van oordeel dat niet kan worden uitgesloten dat de ervaring van [naam 1] op het punt van gezelschapsdieren voldoende is, of – anders gezegd – dat een co-schap “Gezelschapsdieren” een zeer grote overlap zal vertonen met het werk dat zij al heeft verricht. Uit de door [naam 1] ingediende nadere informatie blijkt echter niet dat zij voor de onderdelen “Paard” en “Dieren in populaties (landbouwhuisdieren)” zodanige klinische ervaring heeft dat die gelijkwaardig is aan dit deel van de Nederlandse diergeneeskundeopleiding.
Dictum
Het College:
- verklaart het beroep tegen het besluit van 24 februari 2020 niet-ontvankelijk;
- verklaart het beroep tegen het wijzigingsbesluit gegrond;
- vernietigt het wijzigingsbesluit;
bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde wijzigingsbesluit in stand blijven;
draagt de minister op het betaalde griffierecht van € 178,- aan [naam 1] te vergoeden;
- veroordeelt de minister in de proceskosten van [naam 1] tot een bedrag van € 837,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.L.W. Aerts, mr. D. Brugman en mr. S.W. van Kasbergen, in aanwezigheid van mr. J.M.M. Bancken, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 18 juli 2023.
w.g. J.L.W. Aerts w.g. J.M.M. Bancken
Inleiding
uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 20/364
uitspraak van de meervoudige kamer van 18 juli 2023 in de zaak tussen
[naam 1] , te [plaats] , appellante ( [naam 1] ),
(gemachtigde: mr. M.E.F. Bots),
en
de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (de minister),
(gemachtigde: mr. P.J. Kooiman).
Procesverloop
Voor het procesverloop tot de tussenuitspraak van 8 april 2022 (ECLI:NL:CBB:2022:62) verwijst het College naar die tussenuitspraak.
In de tussenuitspraak heeft het College de minister opgedragen om het vastgestelde gebrek in het besluit van 24 februari 2020 binnen twaalf weken na verzending van de tussenuitspraak te herstellen of om in plaats daarvan een ander besluit te nemen.
In een voortgangsrapportage van 21 maart 2022 heeft de minister aangegeven dat per 1 januari 2022 niet de Universiteit Utrecht (UU), maar de Commissie Buitenslands Gediplomeerde Diergeneeskundigen (CBGD) bevoegd is om te adviseren over de toelating van dierenartsen uit derde landen. De minister heeft het dossier van [naam 1] en de tussenuitspraak daarom voor een nieuw advies toegezonden aan de CBGD.
De CBGD heeft op 6 april 2022 advies uitgebracht aan de minister. [naam 1] heeft daarop gereageerd met een zienswijze van 24 april 2022.
Op 29 april 2022 heeft de minister ter uitvoering van de tussenuitspraak een nieuw besluit genomen en aan het College toegezonden (wijzigingsbesluit). Hierop heeft [naam 1] gereageerd met een zienswijze van 7 juni 2022.
Op 9 augustus 2022 heeft het College een brief met vragen aan de minister gestuurd. In de brief is vermeld dat het op basis van de tot dan ingediende stukken voor het College nog steeds niet helder was op welke punten het [naam 1] nu precies aan kennis en ervaring ontbreekt.
Met een bericht van 8 november 2022 heeft de CBGD op de vragen van het College van 9 augustus 2022 gereageerd. Op 20 december 2022 heeft [naam 1] op de reactie van de CBGD gereageerd.
In een brief van 17 januari 2023 heeft het College bericht dat de zaak op de zitting van 19 april 2023 wordt behandeld. Daarbij is de minister verzocht om de voorzitter (of een lid) van de CBGD mee te nemen naar de zitting. [naam 1] is verzocht om aanvullende informatie die voor de beoordeling van de zaak relevant kan zijn – waaronder eventuele bewijzen van gevolgde nascholingscursussen – vóór 15 maart 2023 in te dienen.
Op 13 maart 2023 heeft [naam 1] aanvullende informatie toegezonden. Daarbij heeft zij het College ook verzocht om de minister te veroordelen om de door haar geleden schade te vergoeden. Die schade bedraagt volgens [naam 1] inmiddels € 53.309,30.
In een brief van 22 maart 2023 heeft het College bericht dat het niet bevoegd is om over het verzoek om schadevergoeding te oordelen als de gevraagde schadevergoeding meer dan € 25.000,- bedraagt. Naar aanleiding daarvan heeft [naam 1] haar verzoek om schadevergoeding beperkt tot € 25.000,-, zodat dat verzoek in behandeling kan worden genomen.
De zitting was op 19 april 2023. Aan de zitting hebben deelgenomen [naam 1] , bijgestaan door haar gemachtigde en [naam 2] van de Nederlandse Voedsel- en Waren Autoriteit (NVWA). Voor de minister hebben aan de zitting deelgenomen: mr. P.J. Kooiman en de voorzitter van de CBGD, prof. dr. J.W. Hesselink.
Overwegingen
1. In dit geschil gaat het om de vraag of de minister [naam 1] moet toelaten en registreren als dierenarts in Nederland. De minister hanteert daarvoor als maatstaf dat de gevolgde opleiding gelijkwaardig moet zijn aan de Nederlandse diergeneeskundeopleiding. In 4.3 van de tussenuitspraak heeft het College overwogen dat die maatstaf niet onredelijk is. Concreet gaat het nu dus om de vraag of de opleidingen en werkervaring van [naam 1] gelijkwaardig zijn aan de Nederlandse diergeneeskundeopleiding. De minister neemt daarbij naar het oordeel van het College terecht als uitgangspunt voor deze vergelijking de diergeneeskundeopleiding zoals die op dit moment in Nederland wordt gegeven.
2. In de tussenuitspraak (4.5 en 4.6) heeft het College geoordeeld dat de redenering en de conclusie in de adviezen van de UU zonder nadere toelichting of onderbouwing niet begrijpelijk waren. De minister had in strijd met de vergewisplicht van artikel 3:9 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) gehandeld door op de adviezen van de UU af te gaan zonder bij de UU om opheldering te vragen. De minister had ook in strijd met artikel 7:12 van de Awb gehandeld door het besluit van 24 februari 2020 te baseren op de onvoldoende onderbouwde adviezen van de UU.
3. Met het wijzigingsbesluit heeft de minister het bezwaar van [naam 1] tegen het besluit van 10 oktober 2019 (het afwijzingsbesluit) opnieuw ongegrond verklaard en zijn besluit nader gemotiveerd. Het wijzigingsbesluit treedt blijkens de bewoordingen ervan in de plaats van het oorspronkelijke besluit op bezwaar van 24 februari 2022. Het beroep van appellante heeft op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Awb van rechtswege mede betrekking op het wijzigingsbesluit. Het College is niet gebleken dat [naam 1] nog belang heeft bij beoordeling van het beroep tegen het besluit van 24 februari 2020. Daarom zal het College het beroep tegen dat besluit niet-ontvankelijk verklaren.
4. De minister heeft aan het wijzigingsbesluit het advies van de CBGD van 30 maart 2022 ten grondslag gelegd. De CBGD heeft blijkens haar advies gekeken naar de haar ter beschikking gestelde gegevens over duur, inhoud en kwaliteit van de door [naam 1] in Argentinië gevolgde opleidingen en van de basisopleiding van de NVWA. Op grond daarvan, en wegens het ontbreken van eventueel aanvullende relevante klinische kennis en werkervaring, heeft de CBGD vastgesteld dat de opleiding van [naam 1] niet gelijkwaardig is aan de Nederlandse dierenartsopleiding.
5. Met het wijzigingsbesluit heeft de minister het in de tussenuitspraak vastgestelde gebrek naar het oordeel van het College niet hersteld. Het advies van de CBGD gaat onvoldoende in op de aspecten die in de tussenuitspraak zijn genoemd. Daardoor is ook met dit advies niet helder op welke punten het [naam 1] volgens de minister concreet aan kennis en ervaring ontbreekt. De minister mocht dan ook niet zonder meer op dit advies afgaan. Dit betekent dat het College het beroep van [naam 1] gegrond zal verklaren en het wijzigingsbesluit zal vernietigen wegens strijd met de artikelen 3:9 en 7:2 van de Awb.
6. Met het oog op definitieve beslechting van het geschil zal het College vervolgens bezien of er aanleiding is om de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten of zelf in de zaak te voorzien. Daarmee wordt bedoeld dat het College zal onderzoeken of [naam 1] , gelet op alle informatie die inmiddels voorhanden is, in aanmerking komt om te worden toegelaten en geregistreerd als dierenarts.
7. Het College overweegt eerst dat de minister met het bericht van de CBGD van 8 november 2022, in antwoord op de brief van het College van 9 augustus 2022, onvoldoende duidelijkheid heeft verschaft. Verder wijst het College erop dat de hiervoor al genoemde vergewisplicht met zich brengt dat de minister de door [naam 1] op 13 maart 2023 toegezonden aanvullende informatie had moeten voorleggen aan de CBGD.
8. Dit betekent nog niet dat [naam 1] moet worden toegelaten als dierenarts. Op de zitting van 19 april 2023 is de zaak namelijk uitgebreid met partijen besproken, waarbij vooral nader is ingegaan op het bericht van de CBGD van 8 november 2022 en op de aanvullende informatie van [naam 1] van 13 maart 2023. [naam 1] heeft over diverse aspecten van haar studie en werkervaring, onder verwijzing naar de door haar ingediende stukken, een nadere toelichting verstrekt. De gemachtigde en de voorzitter van de CBGD hebben op verschillende punten eveneens een nadere toelichting gegeven. Uit de bedoelde stukken en de bespreking daarvan is voor het College voldoende duidelijk geworden dat de door [naam 1] in Argentinië gevolgde dierenartsopleiding niet gelijkwaardig is aan de Nederlandse diergeneeskundeopleiding. Ook is het voor het College helder geworden dat er, ondanks de uitgebreide aanvullende opleidingen en werkervaring van [naam 1] , nog steeds sprake is van enkele tekorten in kennis en kunde, die maken dat de minister zich op het standpunt kan stellen dat [naam 1] nog niet als dierenarts kan worden toegelaten. Het College zal dit hierna toelichten.
9. Uit het advies van de CBGD, de reactie van CBGD van 8 november 2022 en de bespreking daarvan op de zitting van 19 april 2023 is duidelijk geworden dat de opleiding die [naam 1] heeft gevolgd om het diploma “Titulo de Médica Veterinaria” te behalen, een nietgeaccrediteerde opleiding is, die vergelijkbaar is met een Nederlandse bachelor op woniveau. De houder van dit diploma kan in Argentinië worden toegelaten en geregistreerd als dierenarts. [naam 1] heeft dit ook gedaan: zij is van 2001 tot 2017 als dierenarts ingeschreven geweest in Argentinië en is in die periode als dierenarts werkzaam geweest. In Nederland kan de toelating tot dierenarts echter pas worden verkregen na het behalen van een opleiding diergeneeskunde op master-niveau. Daarom is het College van oordeel dat de door [naam 1] van 1996 tot 2001 gevolgde opleiding niet gelijkwaardig is.
10. [naam 1] heeft vervolgens in 2011 het master-diploma “Maestria en salud animal” behaald. Volgens de reactie van de CBGD van 8 november 2022 richt die opleiding zich primair op thema’s zoals diervoeding, besmettelijke ziektes en de organisatie van dierziekte bestrijdingsprogramma’s en is die opleiding niet specifiek gericht op het opleiden van dierenartsen. De CBGD heeft tijdens de zitting van 19 april 2023 toegelicht dat die opleiding te vergelijken is met een opleiding dierwetenschappen aan de Universiteit van Wageningen. De CBGD is van mening dat bij [naam 1] , rekening houdend met haar opleiding bij de NVWA, de door haar gevolgde cursussen en haar werkervaring, sprake is van tekorten in het domein veterinair handelen (klinisch redeneren en besluitvorming, expertise en handvaardigheid). Die tekorten zouden volgens (de voorzitter van) de CBGD opgeheven kunnen worden door het volgen van bepaalde klinische onderdelen van de master Diergeneeskunde voor de onderdelen “Paard”, “Gezelschapsdieren” en “Dieren in populaties (landbouwhuisdieren)”. Dit ter nadere invulling door de Faculteit Diergeneeskunde van de UU. [naam 1] heeft daar tegen ingebracht, onder verwijzing naar de door haar ingediende aanvullende informatie, dat zij ruime ervaring heeft als dierenarts met de behandeling van gezelschapsdieren. Hoewel de door [naam 1] genoemde verklaringen weinig inzicht geven in de aard en omvang van de handelingen die zij als dierenarts precies heeft verricht, is het College van oordeel dat niet kan worden uitgesloten dat de ervaring van [naam 1] op het punt van gezelschapsdieren voldoende is, of – anders gezegd – dat een co-schap “Gezelschapsdieren” een zeer grote overlap zal vertonen met het werk dat zij al heeft verricht. Uit de door [naam 1] ingediende nadere informatie blijkt echter niet dat zij voor de onderdelen “Paard” en “Dieren in populaties (landbouwhuisdieren)” zodanige klinische ervaring heeft dat die gelijkwaardig is aan dit deel van de Nederlandse diergeneeskundeopleiding.
Dictum
Het College:
- verklaart het beroep tegen het besluit van 24 februari 2020 niet-ontvankelijk;
- verklaart het beroep tegen het wijzigingsbesluit gegrond;
- vernietigt het wijzigingsbesluit;
bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde wijzigingsbesluit in stand blijven;
draagt de minister op het betaalde griffierecht van € 178,- aan [naam 1] te vergoeden;
- veroordeelt de minister in de proceskosten van [naam 1] tot een bedrag van € 837,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.L.W. Aerts, mr. D. Brugman en mr. S.W. van Kasbergen, in aanwezigheid van mr. J.M.M. Bancken, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 18 juli 2023.
w.g. J.L.W. Aerts w.g. J.M.M. Bancken
Inleiding
uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 20/364
uitspraak van de meervoudige kamer van 18 juli 2023 in de zaak tussen
[naam 1] , te [plaats] , appellante ( [naam 1] ),
(gemachtigde: mr. M.E.F. Bots),
en
de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (de minister),
(gemachtigde: mr. P.J. Kooiman).
Procesverloop
Voor het procesverloop tot de tussenuitspraak van 8 april 2022 (ECLI:NL:CBB:2022:62) verwijst het College naar die tussenuitspraak.
In de tussenuitspraak heeft het College de minister opgedragen om het vastgestelde gebrek in het besluit van 24 februari 2020 binnen twaalf weken na verzending van de tussenuitspraak te herstellen of om in plaats daarvan een ander besluit te nemen.
In een voortgangsrapportage van 21 maart 2022 heeft de minister aangegeven dat per 1 januari 2022 niet de Universiteit Utrecht (UU), maar de Commissie Buitenslands Gediplomeerde Diergeneeskundigen (CBGD) bevoegd is om te adviseren over de toelating van dierenartsen uit derde landen. De minister heeft het dossier van [naam 1] en de tussenuitspraak daarom voor een nieuw advies toegezonden aan de CBGD.
De CBGD heeft op 6 april 2022 advies uitgebracht aan de minister. [naam 1] heeft daarop gereageerd met een zienswijze van 24 april 2022.
Op 29 april 2022 heeft de minister ter uitvoering van de tussenuitspraak een nieuw besluit genomen en aan het College toegezonden (wijzigingsbesluit). Hierop heeft [naam 1] gereageerd met een zienswijze van 7 juni 2022.
Op 9 augustus 2022 heeft het College een brief met vragen aan de minister gestuurd. In de brief is vermeld dat het op basis van de tot dan ingediende stukken voor het College nog steeds niet helder was op welke punten het [naam 1] nu precies aan kennis en ervaring ontbreekt.
Met een bericht van 8 november 2022 heeft de CBGD op de vragen van het College van 9 augustus 2022 gereageerd. Op 20 december 2022 heeft [naam 1] op de reactie van de CBGD gereageerd.
In een brief van 17 januari 2023 heeft het College bericht dat de zaak op de zitting van 19 april 2023 wordt behandeld. Daarbij is de minister verzocht om de voorzitter (of een lid) van de CBGD mee te nemen naar de zitting. [naam 1] is verzocht om aanvullende informatie die voor de beoordeling van de zaak relevant kan zijn – waaronder eventuele bewijzen van gevolgde nascholingscursussen – vóór 15 maart 2023 in te dienen.
Op 13 maart 2023 heeft [naam 1] aanvullende informatie toegezonden. Daarbij heeft zij het College ook verzocht om de minister te veroordelen om de door haar geleden schade te vergoeden. Die schade bedraagt volgens [naam 1] inmiddels € 53.309,30.
In een brief van 22 maart 2023 heeft het College bericht dat het niet bevoegd is om over het verzoek om schadevergoeding te oordelen als de gevraagde schadevergoeding meer dan € 25.000,- bedraagt. Naar aanleiding daarvan heeft [naam 1] haar verzoek om schadevergoeding beperkt tot € 25.000,-, zodat dat verzoek in behandeling kan worden genomen.
De zitting was op 19 april 2023. Aan de zitting hebben deelgenomen [naam 1] , bijgestaan door haar gemachtigde en [naam 2] van de Nederlandse Voedsel- en Waren Autoriteit (NVWA). Voor de minister hebben aan de zitting deelgenomen: mr. P.J. Kooiman en de voorzitter van de CBGD, prof. dr. J.W. Hesselink.
Overwegingen
1. In dit geschil gaat het om de vraag of de minister [naam 1] moet toelaten en registreren als dierenarts in Nederland. De minister hanteert daarvoor als maatstaf dat de gevolgde opleiding gelijkwaardig moet zijn aan de Nederlandse diergeneeskundeopleiding. In 4.3 van de tussenuitspraak heeft het College overwogen dat die maatstaf niet onredelijk is. Concreet gaat het nu dus om de vraag of de opleidingen en werkervaring van [naam 1] gelijkwaardig zijn aan de Nederlandse diergeneeskundeopleiding. De minister neemt daarbij naar het oordeel van het College terecht als uitgangspunt voor deze vergelijking de diergeneeskundeopleiding zoals die op dit moment in Nederland wordt gegeven.
2. In de tussenuitspraak (4.5 en 4.6) heeft het College geoordeeld dat de redenering en de conclusie in de adviezen van de UU zonder nadere toelichting of onderbouwing niet begrijpelijk waren. De minister had in strijd met de vergewisplicht van artikel 3:9 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) gehandeld door op de adviezen van de UU af te gaan zonder bij de UU om opheldering te vragen. De minister had ook in strijd met artikel 7:12 van de Awb gehandeld door het besluit van 24 februari 2020 te baseren op de onvoldoende onderbouwde adviezen van de UU.
3. Met het wijzigingsbesluit heeft de minister het bezwaar van [naam 1] tegen het besluit van 10 oktober 2019 (het afwijzingsbesluit) opnieuw ongegrond verklaard en zijn besluit nader gemotiveerd. Het wijzigingsbesluit treedt blijkens de bewoordingen ervan in de plaats van het oorspronkelijke besluit op bezwaar van 24 februari 2022. Het beroep van appellante heeft op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Awb van rechtswege mede betrekking op het wijzigingsbesluit. Het College is niet gebleken dat [naam 1] nog belang heeft bij beoordeling van het beroep tegen het besluit van 24 februari 2020. Daarom zal het College het beroep tegen dat besluit niet-ontvankelijk verklaren.
4. De minister heeft aan het wijzigingsbesluit het advies van de CBGD van 30 maart 2022 ten grondslag gelegd. De CBGD heeft blijkens haar advies gekeken naar de haar ter beschikking gestelde gegevens over duur, inhoud en kwaliteit van de door [naam 1] in Argentinië gevolgde opleidingen en van de basisopleiding van de NVWA. Op grond daarvan, en wegens het ontbreken van eventueel aanvullende relevante klinische kennis en werkervaring, heeft de CBGD vastgesteld dat de opleiding van [naam 1] niet gelijkwaardig is aan de Nederlandse dierenartsopleiding.
5. Met het wijzigingsbesluit heeft de minister het in de tussenuitspraak vastgestelde gebrek naar het oordeel van het College niet hersteld. Het advies van de CBGD gaat onvoldoende in op de aspecten die in de tussenuitspraak zijn genoemd. Daardoor is ook met dit advies niet helder op welke punten het [naam 1] volgens de minister concreet aan kennis en ervaring ontbreekt. De minister mocht dan ook niet zonder meer op dit advies afgaan. Dit betekent dat het College het beroep van [naam 1] gegrond zal verklaren en het wijzigingsbesluit zal vernietigen wegens strijd met de artikelen 3:9 en 7:2 van de Awb.
6. Met het oog op definitieve beslechting van het geschil zal het College vervolgens bezien of er aanleiding is om de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten of zelf in de zaak te voorzien. Daarmee wordt bedoeld dat het College zal onderzoeken of [naam 1] , gelet op alle informatie die inmiddels voorhanden is, in aanmerking komt om te worden toegelaten en geregistreerd als dierenarts.
7. Het College overweegt eerst dat de minister met het bericht van de CBGD van 8 november 2022, in antwoord op de brief van het College van 9 augustus 2022, onvoldoende duidelijkheid heeft verschaft. Verder wijst het College erop dat de hiervoor al genoemde vergewisplicht met zich brengt dat de minister de door [naam 1] op 13 maart 2023 toegezonden aanvullende informatie had moeten voorleggen aan de CBGD.
8. Dit betekent nog niet dat [naam 1] moet worden toegelaten als dierenarts. Op de zitting van 19 april 2023 is de zaak namelijk uitgebreid met partijen besproken, waarbij vooral nader is ingegaan op het bericht van de CBGD van 8 november 2022 en op de aanvullende informatie van [naam 1] van 13 maart 2023. [naam 1] heeft over diverse aspecten van haar studie en werkervaring, onder verwijzing naar de door haar ingediende stukken, een nadere toelichting verstrekt. De gemachtigde en de voorzitter van de CBGD hebben op verschillende punten eveneens een nadere toelichting gegeven. Uit de bedoelde stukken en de bespreking daarvan is voor het College voldoende duidelijk geworden dat de door [naam 1] in Argentinië gevolgde dierenartsopleiding niet gelijkwaardig is aan de Nederlandse diergeneeskundeopleiding. Ook is het voor het College helder geworden dat er, ondanks de uitgebreide aanvullende opleidingen en werkervaring van [naam 1] , nog steeds sprake is van enkele tekorten in kennis en kunde, die maken dat de minister zich op het standpunt kan stellen dat [naam 1] nog niet als dierenarts kan worden toegelaten. Het College zal dit hierna toelichten.
9. Uit het advies van de CBGD, de reactie van CBGD van 8 november 2022 en de bespreking daarvan op de zitting van 19 april 2023 is duidelijk geworden dat de opleiding die [naam 1] heeft gevolgd om het diploma “Titulo de Médica Veterinaria” te behalen, een nietgeaccrediteerde opleiding is, die vergelijkbaar is met een Nederlandse bachelor op woniveau. De houder van dit diploma kan in Argentinië worden toegelaten en geregistreerd als dierenarts. [naam 1] heeft dit ook gedaan: zij is van 2001 tot 2017 als dierenarts ingeschreven geweest in Argentinië en is in die periode als dierenarts werkzaam geweest. In Nederland kan de toelating tot dierenarts echter pas worden verkregen na het behalen van een opleiding diergeneeskunde op master-niveau. Daarom is het College van oordeel dat de door [naam 1] van 1996 tot 2001 gevolgde opleiding niet gelijkwaardig is.
10. [naam 1] heeft vervolgens in 2011 het master-diploma “Maestria en salud animal” behaald. Volgens de reactie van de CBGD van 8 november 2022 richt die opleiding zich primair op thema’s zoals diervoeding, besmettelijke ziektes en de organisatie van dierziekte bestrijdingsprogramma’s en is die opleiding niet specifiek gericht op het opleiden van dierenartsen. De CBGD heeft tijdens de zitting van 19 april 2023 toegelicht dat die opleiding te vergelijken is met een opleiding dierwetenschappen aan de Universiteit van Wageningen. De CBGD is van mening dat bij [naam 1] , rekening houdend met haar opleiding bij de NVWA, de door haar gevolgde cursussen en haar werkervaring, sprake is van tekorten in het domein veterinair handelen (klinisch redeneren en besluitvorming, expertise en handvaardigheid). Die tekorten zouden volgens (de voorzitter van) de CBGD opgeheven kunnen worden door het volgen van bepaalde klinische onderdelen van de master Diergeneeskunde voor de onderdelen “Paard”, “Gezelschapsdieren” en “Dieren in populaties (landbouwhuisdieren)”. Dit ter nadere invulling door de Faculteit Diergeneeskunde van de UU. [naam 1] heeft daar tegen ingebracht, onder verwijzing naar de door haar ingediende aanvullende informatie, dat zij ruime ervaring heeft als dierenarts met de behandeling van gezelschapsdieren. Hoewel de door [naam 1] genoemde verklaringen weinig inzicht geven in de aard en omvang van de handelingen die zij als dierenarts precies heeft verricht, is het College van oordeel dat niet kan worden uitgesloten dat de ervaring van [naam 1] op het punt van gezelschapsdieren voldoende is, of – anders gezegd – dat een co-schap “Gezelschapsdieren” een zeer grote overlap zal vertonen met het werk dat zij al heeft verricht. Uit de door [naam 1] ingediende nadere informatie blijkt echter niet dat zij voor de onderdelen “Paard” en “Dieren in populaties (landbouwhuisdieren)” zodanige klinische ervaring heeft dat die gelijkwaardig is aan dit deel van de Nederlandse diergeneeskundeopleiding.
Dictum
Het College:
- verklaart het beroep tegen het besluit van 24 februari 2020 niet-ontvankelijk;
- verklaart het beroep tegen het wijzigingsbesluit gegrond;
- vernietigt het wijzigingsbesluit;
bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde wijzigingsbesluit in stand blijven;
draagt de minister op het betaalde griffierecht van € 178,- aan [naam 1] te vergoeden;
- veroordeelt de minister in de proceskosten van [naam 1] tot een bedrag van € 837,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.L.W. Aerts, mr. D. Brugman en mr. S.W. van Kasbergen, in aanwezigheid van mr. J.M.M. Bancken, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 18 juli 2023.
w.g. J.L.W. Aerts w.g. J.M.M. Bancken
Inleiding
uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 20/364
uitspraak van de meervoudige kamer van 18 juli 2023 in de zaak tussen
[naam 1] , te [plaats] , appellante ( [naam 1] ),
(gemachtigde: mr. M.E.F. Bots),
en
de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (de minister),
(gemachtigde: mr. P.J. Kooiman).
Procesverloop
Voor het procesverloop tot de tussenuitspraak van 8 april 2022 (ECLI:NL:CBB:2022:62) verwijst het College naar die tussenuitspraak.
In de tussenuitspraak heeft het College de minister opgedragen om het vastgestelde gebrek in het besluit van 24 februari 2020 binnen twaalf weken na verzending van de tussenuitspraak te herstellen of om in plaats daarvan een ander besluit te nemen.
In een voortgangsrapportage van 21 maart 2022 heeft de minister aangegeven dat per 1 januari 2022 niet de Universiteit Utrecht (UU), maar de Commissie Buitenslands Gediplomeerde Diergeneeskundigen (CBGD) bevoegd is om te adviseren over de toelating van dierenartsen uit derde landen. De minister heeft het dossier van [naam 1] en de tussenuitspraak daarom voor een nieuw advies toegezonden aan de CBGD.
De CBGD heeft op 6 april 2022 advies uitgebracht aan de minister. [naam 1] heeft daarop gereageerd met een zienswijze van 24 april 2022.
Op 29 april 2022 heeft de minister ter uitvoering van de tussenuitspraak een nieuw besluit genomen en aan het College toegezonden (wijzigingsbesluit). Hierop heeft [naam 1] gereageerd met een zienswijze van 7 juni 2022.
Op 9 augustus 2022 heeft het College een brief met vragen aan de minister gestuurd. In de brief is vermeld dat het op basis van de tot dan ingediende stukken voor het College nog steeds niet helder was op welke punten het [naam 1] nu precies aan kennis en ervaring ontbreekt.
Met een bericht van 8 november 2022 heeft de CBGD op de vragen van het College van 9 augustus 2022 gereageerd. Op 20 december 2022 heeft [naam 1] op de reactie van de CBGD gereageerd.
In een brief van 17 januari 2023 heeft het College bericht dat de zaak op de zitting van 19 april 2023 wordt behandeld. Daarbij is de minister verzocht om de voorzitter (of een lid) van de CBGD mee te nemen naar de zitting. [naam 1] is verzocht om aanvullende informatie die voor de beoordeling van de zaak relevant kan zijn – waaronder eventuele bewijzen van gevolgde nascholingscursussen – vóór 15 maart 2023 in te dienen.
Op 13 maart 2023 heeft [naam 1] aanvullende informatie toegezonden. Daarbij heeft zij het College ook verzocht om de minister te veroordelen om de door haar geleden schade te vergoeden. Die schade bedraagt volgens [naam 1] inmiddels € 53.309,30.
In een brief van 22 maart 2023 heeft het College bericht dat het niet bevoegd is om over het verzoek om schadevergoeding te oordelen als de gevraagde schadevergoeding meer dan € 25.000,- bedraagt. Naar aanleiding daarvan heeft [naam 1] haar verzoek om schadevergoeding beperkt tot € 25.000,-, zodat dat verzoek in behandeling kan worden genomen.
De zitting was op 19 april 2023. Aan de zitting hebben deelgenomen [naam 1] , bijgestaan door haar gemachtigde en [naam 2] van de Nederlandse Voedsel- en Waren Autoriteit (NVWA). Voor de minister hebben aan de zitting deelgenomen: mr. P.J. Kooiman en de voorzitter van de CBGD, prof. dr. J.W. Hesselink.
Overwegingen
1. In dit geschil gaat het om de vraag of de minister [naam 1] moet toelaten en registreren als dierenarts in Nederland. De minister hanteert daarvoor als maatstaf dat de gevolgde opleiding gelijkwaardig moet zijn aan de Nederlandse diergeneeskundeopleiding. In 4.3 van de tussenuitspraak heeft het College overwogen dat die maatstaf niet onredelijk is. Concreet gaat het nu dus om de vraag of de opleidingen en werkervaring van [naam 1] gelijkwaardig zijn aan de Nederlandse diergeneeskundeopleiding. De minister neemt daarbij naar het oordeel van het College terecht als uitgangspunt voor deze vergelijking de diergeneeskundeopleiding zoals die op dit moment in Nederland wordt gegeven.
2. In de tussenuitspraak (4.5 en 4.6) heeft het College geoordeeld dat de redenering en de conclusie in de adviezen van de UU zonder nadere toelichting of onderbouwing niet begrijpelijk waren. De minister had in strijd met de vergewisplicht van artikel 3:9 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) gehandeld door op de adviezen van de UU af te gaan zonder bij de UU om opheldering te vragen. De minister had ook in strijd met artikel 7:12 van de Awb gehandeld door het besluit van 24 februari 2020 te baseren op de onvoldoende onderbouwde adviezen van de UU.
3. Met het wijzigingsbesluit heeft de minister het bezwaar van [naam 1] tegen het besluit van 10 oktober 2019 (het afwijzingsbesluit) opnieuw ongegrond verklaard en zijn besluit nader gemotiveerd. Het wijzigingsbesluit treedt blijkens de bewoordingen ervan in de plaats van het oorspronkelijke besluit op bezwaar van 24 februari 2022. Het beroep van appellante heeft op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Awb van rechtswege mede betrekking op het wijzigingsbesluit. Het College is niet gebleken dat [naam 1] nog belang heeft bij beoordeling van het beroep tegen het besluit van 24 februari 2020. Daarom zal het College het beroep tegen dat besluit niet-ontvankelijk verklaren.
4. De minister heeft aan het wijzigingsbesluit het advies van de CBGD van 30 maart 2022 ten grondslag gelegd. De CBGD heeft blijkens haar advies gekeken naar de haar ter beschikking gestelde gegevens over duur, inhoud en kwaliteit van de door [naam 1] in Argentinië gevolgde opleidingen en van de basisopleiding van de NVWA. Op grond daarvan, en wegens het ontbreken van eventueel aanvullende relevante klinische kennis en werkervaring, heeft de CBGD vastgesteld dat de opleiding van [naam 1] niet gelijkwaardig is aan de Nederlandse dierenartsopleiding.
5. Met het wijzigingsbesluit heeft de minister het in de tussenuitspraak vastgestelde gebrek naar het oordeel van het College niet hersteld. Het advies van de CBGD gaat onvoldoende in op de aspecten die in de tussenuitspraak zijn genoemd. Daardoor is ook met dit advies niet helder op welke punten het [naam 1] volgens de minister concreet aan kennis en ervaring ontbreekt. De minister mocht dan ook niet zonder meer op dit advies afgaan. Dit betekent dat het College het beroep van [naam 1] gegrond zal verklaren en het wijzigingsbesluit zal vernietigen wegens strijd met de artikelen 3:9 en 7:2 van de Awb.
6. Met het oog op definitieve beslechting van het geschil zal het College vervolgens bezien of er aanleiding is om de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten of zelf in de zaak te voorzien. Daarmee wordt bedoeld dat het College zal onderzoeken of [naam 1] , gelet op alle informatie die inmiddels voorhanden is, in aanmerking komt om te worden toegelaten en geregistreerd als dierenarts.
7. Het College overweegt eerst dat de minister met het bericht van de CBGD van 8 november 2022, in antwoord op de brief van het College van 9 augustus 2022, onvoldoende duidelijkheid heeft verschaft. Verder wijst het College erop dat de hiervoor al genoemde vergewisplicht met zich brengt dat de minister de door [naam 1] op 13 maart 2023 toegezonden aanvullende informatie had moeten voorleggen aan de CBGD.
8. Dit betekent nog niet dat [naam 1] moet worden toegelaten als dierenarts. Op de zitting van 19 april 2023 is de zaak namelijk uitgebreid met partijen besproken, waarbij vooral nader is ingegaan op het bericht van de CBGD van 8 november 2022 en op de aanvullende informatie van [naam 1] van 13 maart 2023. [naam 1] heeft over diverse aspecten van haar studie en werkervaring, onder verwijzing naar de door haar ingediende stukken, een nadere toelichting verstrekt. De gemachtigde en de voorzitter van de CBGD hebben op verschillende punten eveneens een nadere toelichting gegeven. Uit de bedoelde stukken en de bespreking daarvan is voor het College voldoende duidelijk geworden dat de door [naam 1] in Argentinië gevolgde dierenartsopleiding niet gelijkwaardig is aan de Nederlandse diergeneeskundeopleiding. Ook is het voor het College helder geworden dat er, ondanks de uitgebreide aanvullende opleidingen en werkervaring van [naam 1] , nog steeds sprake is van enkele tekorten in kennis en kunde, die maken dat de minister zich op het standpunt kan stellen dat [naam 1] nog niet als dierenarts kan worden toegelaten. Het College zal dit hierna toelichten.
9. Uit het advies van de CBGD, de reactie van CBGD van 8 november 2022 en de bespreking daarvan op de zitting van 19 april 2023 is duidelijk geworden dat de opleiding die [naam 1] heeft gevolgd om het diploma “Titulo de Médica Veterinaria” te behalen, een nietgeaccrediteerde opleiding is, die vergelijkbaar is met een Nederlandse bachelor op woniveau. De houder van dit diploma kan in Argentinië worden toegelaten en geregistreerd als dierenarts. [naam 1] heeft dit ook gedaan: zij is van 2001 tot 2017 als dierenarts ingeschreven geweest in Argentinië en is in die periode als dierenarts werkzaam geweest. In Nederland kan de toelating tot dierenarts echter pas worden verkregen na het behalen van een opleiding diergeneeskunde op master-niveau. Daarom is het College van oordeel dat de door [naam 1] van 1996 tot 2001 gevolgde opleiding niet gelijkwaardig is.
10. [naam 1] heeft vervolgens in 2011 het master-diploma “Maestria en salud animal” behaald. Volgens de reactie van de CBGD van 8 november 2022 richt die opleiding zich primair op thema’s zoals diervoeding, besmettelijke ziektes en de organisatie van dierziekte bestrijdingsprogramma’s en is die opleiding niet specifiek gericht op het opleiden van dierenartsen. De CBGD heeft tijdens de zitting van 19 april 2023 toegelicht dat die opleiding te vergelijken is met een opleiding dierwetenschappen aan de Universiteit van Wageningen. De CBGD is van mening dat bij [naam 1] , rekening houdend met haar opleiding bij de NVWA, de door haar gevolgde cursussen en haar werkervaring, sprake is van tekorten in het domein veterinair handelen (klinisch redeneren en besluitvorming, expertise en handvaardigheid). Die tekorten zouden volgens (de voorzitter van) de CBGD opgeheven kunnen worden door het volgen van bepaalde klinische onderdelen van de master Diergeneeskunde voor de onderdelen “Paard”, “Gezelschapsdieren” en “Dieren in populaties (landbouwhuisdieren)”. Dit ter nadere invulling door de Faculteit Diergeneeskunde van de UU. [naam 1] heeft daar tegen ingebracht, onder verwijzing naar de door haar ingediende aanvullende informatie, dat zij ruime ervaring heeft als dierenarts met de behandeling van gezelschapsdieren. Hoewel de door [naam 1] genoemde verklaringen weinig inzicht geven in de aard en omvang van de handelingen die zij als dierenarts precies heeft verricht, is het College van oordeel dat niet kan worden uitgesloten dat de ervaring van [naam 1] op het punt van gezelschapsdieren voldoende is, of – anders gezegd – dat een co-schap “Gezelschapsdieren” een zeer grote overlap zal vertonen met het werk dat zij al heeft verricht. Uit de door [naam 1] ingediende nadere informatie blijkt echter niet dat zij voor de onderdelen “Paard” en “Dieren in populaties (landbouwhuisdieren)” zodanige klinische ervaring heeft dat die gelijkwaardig is aan dit deel van de Nederlandse diergeneeskundeopleiding.
Dictum
Het College:
- verklaart het beroep tegen het besluit van 24 februari 2020 niet-ontvankelijk;
- verklaart het beroep tegen het wijzigingsbesluit gegrond;
- vernietigt het wijzigingsbesluit;
bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde wijzigingsbesluit in stand blijven;
draagt de minister op het betaalde griffierecht van € 178,- aan [naam 1] te vergoeden;
- veroordeelt de minister in de proceskosten van [naam 1] tot een bedrag van € 837,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.L.W. Aerts, mr. D. Brugman en mr. S.W. van Kasbergen, in aanwezigheid van mr. J.M.M. Bancken, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 18 juli 2023.
w.g. J.L.W. Aerts w.g. J.M.M. Bancken