Rechtspraak
College van Beroep voor het bedrijfsleven
2023-06-20
ECLI:NL:CBB:2023:312
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
8,155 tokens
Inleiding
uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 22/1635
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 juni 2023 in de zaak tussen
[naam 1] B.V., te [plaats] (de onderneming)
(gemachtigde: mr. J. Mesman),
en
de minister van Economische Zaken en Klimaat (de minister)
(gemachtigde: mr. H.G.M. Wammes en mr. S. Hu).
Procesverloop
Met het besluit van 7 oktober 2021 (het vaststellingsbesluit) heeft de minister vastgesteld dat de onderneming niet in aanmerking komt voor subsidie op basis van de Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19 (TVL) voor het vierde kwartaal van 2020 (Q4 2020). Zij moet daarom het reeds ontvangen voorschot van € 72.000,- terugbetalen.
Met het besluit van 21 juni 2022 (het bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van de onderneming van 4 februari 2022 tegen het vaststellingsbesluit niet-ontvankelijk verklaard.
De onderneming heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
Het College heeft de zaak op zitting behandeld op 4 mei 2023. Aan de zitting hebben deelgenomen de gemachtigden van de minister en de onderneming, en namens de onderneming ook [naam 2] .
Overwegingen
Inleiding
1. Het vaststellingsbesluit is genomen op 7 oktober 2021, waarmee de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift op 18 november 2021 verliep. De onderneming heeft pas op 4 februari 2022 een bezwaarschrift ingediend en dus te laat bezwaar gemaakt.
2. In geschil is of de termijnoverschrijding verschoonbaar (verontschuldigbaar) is.
Standpunt van de onderneming
3. De onderneming stelt dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is. Allereerst meent zij dat het recente wetsvoorstel Wet versterking waarborgfunctie Awb relevant is voor de beoordeling in deze procedure, omdat in dit voorstel wordt beoogd het bestuursrecht mensgerichter te maken. Van de strikte benadering van termijnen zou daarin worden afgezien, en de bestuursrechter wordt meer ruimte geboden om maatwerk te leveren, wat in deze zaak aanleiding zou moeten geven om verschoonbaarheid aan te nemen. Verder onderbouwt zij haar stelling met een drietal argumenten.
4. Ten eerste was de onderneming niet op de hoogte van het besluit van 7 oktober 2021, omdat zij geen e-mailnotificatie heeft ontvangen van het besluit. De onderneming stelt dat de afwezigheid van dit servicebericht ertoe leidt dat het haar niet kan worden aangerekend dat zij niet op de hoogte was van het genomen besluit. Dit onderbouwt zij onder meer met verwijzingen naar een rapport van de Nationale Ombudsman van 9 september 2017 en het wetsvoorstel Modernisering elektronisch bestuurlijk verkeer. Dat laatste wetsvoorstel is eerder door de Centrale Raad van Beroep aangehaald als een overweging om verschoonbaarheid aan te nemen (uitspraak van 9 september 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:2174).
5. Ten tweede is het besluit niet verzonden aan de gemachtigde van de onderneming, maar aan de voormalige gemachtigde. De onderneming stelt dat ze de wijziging van gemachtigde heeft doorgegeven in een reactie van 5 oktober 2021 over informatie in de procedure over Q4 2020. De RVO had op de hoogte moeten zijn van de nieuwe gemachtigde en had daar het besluit naar moeten sturen. Nu zij dit niet heeft gedaan, kan niet redelijkerwijs worden geoordeeld dat de onderneming in verzuim was.
6. Tot slot stelt de onderneming dat er strijdigheid is met het evenredigheidsbeginsel.
Beoordeling
7. De termijn voor het indienen van een bezwaarschrift is op grond van artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zes weken. Artikel 6:9, eerste lid, van de Awb bepaalt dat een bezwaarschrift tijdig is ingediend indien het voor het einde van de bezwaartermijn van zes weken is ontvangen. Op grond van artikel 6:11 van de Awb blijft niet-ontvankelijkverklaring achterwege bij een na afloop van de termijn ingediend bezwaarschrift indien redelijkerwijs niet geoordeeld kan worden dat de indiener in verzuim is. De termijnoverschrijding is dan verschoonbaar.
8. Het College is van oordeel dat de termijnoverschrijding niet verschoonbaar is. Uit de door de minister verstrekte gegevens blijkt dat op 7 oktober 2021 een notificatiebericht is verzonden en dat enkele dagen daarvoor nog, onder meer via een notificatiebericht, over en weer contact was geweest over de subsidievaststelling. Het ligt dus niet voor de hand dat het bericht van 7 oktober 2021 de onderneming niet heeft bereikt. Daarnaast wist de onderneming dat de minister bezig was met de afhandeling van de subsidievaststelling. Toch is de onderneming pas vier maanden later in actie gekomen. Onder deze omstandigheden kan van verschoonbaarheid geen sprake meer zijn. Het feit dat er een wetsvoorstel ligt dat mogelijk tot een andere uitkomst zou hebben geleid indien het al in werking zou zijn getreden, leidt niet tot een ander oordeel, alleen al omdat niet vast staat dat het wetsvoorstel op enig moment in werking zal treden.
9. Het argument dat het besluit niet naar de gemachtigde van de onderneming is verzonden, kan ook niet slagen. De onderneming had deze gemachtigde ingeschakeld voor haar aanvraag van Q1 2021. Daaruit had de minister niet hoeven af te leiden dat die gemachtigde de onderneming ook vertegenwoordigde in andere lopende procedures. De enkele mededeling dat eventuele nadere vragen over Q4 aan die gemachtigde konden worden gesteld betekent ook niet dat de onderneming daarmee kenbaar had gemaakt dat die persoon gemachtigd was om de procedure over Q4 2020 (verder) te voeren. Als dat de intentie van de onderneming was, had zij dat uitdrukkelijk moeten melden aan de minister.
10. Het beroep op het evenredigheidsbeginsel kan tot slot ook niet slagen. Het feit dat de ondernemer mogelijk onevenredig hard wordt geraakt in een subsidieprocedure, kan namelijk niet leiden tot de conclusie dat de termijnoverschrijding verschoonbaarheid is.
Dictum
Het College verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.H. de Wildt, in aanwezigheid van J.P.A. Schaafsma, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 20 juni 2023.
w.g. J.H. de Wildt w.g. J.P.A. Schaafsma
Inleiding
uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 22/1635
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 juni 2023 in de zaak tussen
[naam 1] B.V., te [plaats] (de onderneming)
(gemachtigde: mr. J. Mesman),
en
de minister van Economische Zaken en Klimaat (de minister)
(gemachtigde: mr. H.G.M. Wammes en mr. S. Hu).
Procesverloop
Met het besluit van 7 oktober 2021 (het vaststellingsbesluit) heeft de minister vastgesteld dat de onderneming niet in aanmerking komt voor subsidie op basis van de Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19 (TVL) voor het vierde kwartaal van 2020 (Q4 2020). Zij moet daarom het reeds ontvangen voorschot van € 72.000,- terugbetalen.
Met het besluit van 21 juni 2022 (het bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van de onderneming van 4 februari 2022 tegen het vaststellingsbesluit niet-ontvankelijk verklaard.
De onderneming heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
Het College heeft de zaak op zitting behandeld op 4 mei 2023. Aan de zitting hebben deelgenomen de gemachtigden van de minister en de onderneming, en namens de onderneming ook [naam 2] .
Overwegingen
Inleiding
1. Het vaststellingsbesluit is genomen op 7 oktober 2021, waarmee de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift op 18 november 2021 verliep. De onderneming heeft pas op 4 februari 2022 een bezwaarschrift ingediend en dus te laat bezwaar gemaakt.
2. In geschil is of de termijnoverschrijding verschoonbaar (verontschuldigbaar) is.
Standpunt van de onderneming
3. De onderneming stelt dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is. Allereerst meent zij dat het recente wetsvoorstel Wet versterking waarborgfunctie Awb relevant is voor de beoordeling in deze procedure, omdat in dit voorstel wordt beoogd het bestuursrecht mensgerichter te maken. Van de strikte benadering van termijnen zou daarin worden afgezien, en de bestuursrechter wordt meer ruimte geboden om maatwerk te leveren, wat in deze zaak aanleiding zou moeten geven om verschoonbaarheid aan te nemen. Verder onderbouwt zij haar stelling met een drietal argumenten.
4. Ten eerste was de onderneming niet op de hoogte van het besluit van 7 oktober 2021, omdat zij geen e-mailnotificatie heeft ontvangen van het besluit. De onderneming stelt dat de afwezigheid van dit servicebericht ertoe leidt dat het haar niet kan worden aangerekend dat zij niet op de hoogte was van het genomen besluit. Dit onderbouwt zij onder meer met verwijzingen naar een rapport van de Nationale Ombudsman van 9 september 2017 en het wetsvoorstel Modernisering elektronisch bestuurlijk verkeer. Dat laatste wetsvoorstel is eerder door de Centrale Raad van Beroep aangehaald als een overweging om verschoonbaarheid aan te nemen (uitspraak van 9 september 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:2174).
5. Ten tweede is het besluit niet verzonden aan de gemachtigde van de onderneming, maar aan de voormalige gemachtigde. De onderneming stelt dat ze de wijziging van gemachtigde heeft doorgegeven in een reactie van 5 oktober 2021 over informatie in de procedure over Q4 2020. De RVO had op de hoogte moeten zijn van de nieuwe gemachtigde en had daar het besluit naar moeten sturen. Nu zij dit niet heeft gedaan, kan niet redelijkerwijs worden geoordeeld dat de onderneming in verzuim was.
6. Tot slot stelt de onderneming dat er strijdigheid is met het evenredigheidsbeginsel.
Beoordeling
7. De termijn voor het indienen van een bezwaarschrift is op grond van artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zes weken. Artikel 6:9, eerste lid, van de Awb bepaalt dat een bezwaarschrift tijdig is ingediend indien het voor het einde van de bezwaartermijn van zes weken is ontvangen. Op grond van artikel 6:11 van de Awb blijft niet-ontvankelijkverklaring achterwege bij een na afloop van de termijn ingediend bezwaarschrift indien redelijkerwijs niet geoordeeld kan worden dat de indiener in verzuim is. De termijnoverschrijding is dan verschoonbaar.
8. Het College is van oordeel dat de termijnoverschrijding niet verschoonbaar is. Uit de door de minister verstrekte gegevens blijkt dat op 7 oktober 2021 een notificatiebericht is verzonden en dat enkele dagen daarvoor nog, onder meer via een notificatiebericht, over en weer contact was geweest over de subsidievaststelling. Het ligt dus niet voor de hand dat het bericht van 7 oktober 2021 de onderneming niet heeft bereikt. Daarnaast wist de onderneming dat de minister bezig was met de afhandeling van de subsidievaststelling. Toch is de onderneming pas vier maanden later in actie gekomen. Onder deze omstandigheden kan van verschoonbaarheid geen sprake meer zijn. Het feit dat er een wetsvoorstel ligt dat mogelijk tot een andere uitkomst zou hebben geleid indien het al in werking zou zijn getreden, leidt niet tot een ander oordeel, alleen al omdat niet vast staat dat het wetsvoorstel op enig moment in werking zal treden.
9. Het argument dat het besluit niet naar de gemachtigde van de onderneming is verzonden, kan ook niet slagen. De onderneming had deze gemachtigde ingeschakeld voor haar aanvraag van Q1 2021. Daaruit had de minister niet hoeven af te leiden dat die gemachtigde de onderneming ook vertegenwoordigde in andere lopende procedures. De enkele mededeling dat eventuele nadere vragen over Q4 aan die gemachtigde konden worden gesteld betekent ook niet dat de onderneming daarmee kenbaar had gemaakt dat die persoon gemachtigd was om de procedure over Q4 2020 (verder) te voeren. Als dat de intentie van de onderneming was, had zij dat uitdrukkelijk moeten melden aan de minister.
10. Het beroep op het evenredigheidsbeginsel kan tot slot ook niet slagen. Het feit dat de ondernemer mogelijk onevenredig hard wordt geraakt in een subsidieprocedure, kan namelijk niet leiden tot de conclusie dat de termijnoverschrijding verschoonbaarheid is.
Dictum
Het College verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.H. de Wildt, in aanwezigheid van J.P.A. Schaafsma, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 20 juni 2023.
w.g. J.H. de Wildt w.g. J.P.A. Schaafsma
Inleiding
uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 22/1635
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 juni 2023 in de zaak tussen
[naam 1] B.V., te [plaats] (de onderneming)
(gemachtigde: mr. J. Mesman),
en
de minister van Economische Zaken en Klimaat (de minister)
(gemachtigde: mr. H.G.M. Wammes en mr. S. Hu).
Procesverloop
Met het besluit van 7 oktober 2021 (het vaststellingsbesluit) heeft de minister vastgesteld dat de onderneming niet in aanmerking komt voor subsidie op basis van de Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19 (TVL) voor het vierde kwartaal van 2020 (Q4 2020). Zij moet daarom het reeds ontvangen voorschot van € 72.000,- terugbetalen.
Met het besluit van 21 juni 2022 (het bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van de onderneming van 4 februari 2022 tegen het vaststellingsbesluit niet-ontvankelijk verklaard.
De onderneming heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
Het College heeft de zaak op zitting behandeld op 4 mei 2023. Aan de zitting hebben deelgenomen de gemachtigden van de minister en de onderneming, en namens de onderneming ook [naam 2] .
Overwegingen
Inleiding
1. Het vaststellingsbesluit is genomen op 7 oktober 2021, waarmee de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift op 18 november 2021 verliep. De onderneming heeft pas op 4 februari 2022 een bezwaarschrift ingediend en dus te laat bezwaar gemaakt.
2. In geschil is of de termijnoverschrijding verschoonbaar (verontschuldigbaar) is.
Standpunt van de onderneming
3. De onderneming stelt dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is. Allereerst meent zij dat het recente wetsvoorstel Wet versterking waarborgfunctie Awb relevant is voor de beoordeling in deze procedure, omdat in dit voorstel wordt beoogd het bestuursrecht mensgerichter te maken. Van de strikte benadering van termijnen zou daarin worden afgezien, en de bestuursrechter wordt meer ruimte geboden om maatwerk te leveren, wat in deze zaak aanleiding zou moeten geven om verschoonbaarheid aan te nemen. Verder onderbouwt zij haar stelling met een drietal argumenten.
4. Ten eerste was de onderneming niet op de hoogte van het besluit van 7 oktober 2021, omdat zij geen e-mailnotificatie heeft ontvangen van het besluit. De onderneming stelt dat de afwezigheid van dit servicebericht ertoe leidt dat het haar niet kan worden aangerekend dat zij niet op de hoogte was van het genomen besluit. Dit onderbouwt zij onder meer met verwijzingen naar een rapport van de Nationale Ombudsman van 9 september 2017 en het wetsvoorstel Modernisering elektronisch bestuurlijk verkeer. Dat laatste wetsvoorstel is eerder door de Centrale Raad van Beroep aangehaald als een overweging om verschoonbaarheid aan te nemen (uitspraak van 9 september 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:2174).
5. Ten tweede is het besluit niet verzonden aan de gemachtigde van de onderneming, maar aan de voormalige gemachtigde. De onderneming stelt dat ze de wijziging van gemachtigde heeft doorgegeven in een reactie van 5 oktober 2021 over informatie in de procedure over Q4 2020. De RVO had op de hoogte moeten zijn van de nieuwe gemachtigde en had daar het besluit naar moeten sturen. Nu zij dit niet heeft gedaan, kan niet redelijkerwijs worden geoordeeld dat de onderneming in verzuim was.
6. Tot slot stelt de onderneming dat er strijdigheid is met het evenredigheidsbeginsel.
Beoordeling
7. De termijn voor het indienen van een bezwaarschrift is op grond van artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zes weken. Artikel 6:9, eerste lid, van de Awb bepaalt dat een bezwaarschrift tijdig is ingediend indien het voor het einde van de bezwaartermijn van zes weken is ontvangen. Op grond van artikel 6:11 van de Awb blijft niet-ontvankelijkverklaring achterwege bij een na afloop van de termijn ingediend bezwaarschrift indien redelijkerwijs niet geoordeeld kan worden dat de indiener in verzuim is. De termijnoverschrijding is dan verschoonbaar.
8. Het College is van oordeel dat de termijnoverschrijding niet verschoonbaar is. Uit de door de minister verstrekte gegevens blijkt dat op 7 oktober 2021 een notificatiebericht is verzonden en dat enkele dagen daarvoor nog, onder meer via een notificatiebericht, over en weer contact was geweest over de subsidievaststelling. Het ligt dus niet voor de hand dat het bericht van 7 oktober 2021 de onderneming niet heeft bereikt. Daarnaast wist de onderneming dat de minister bezig was met de afhandeling van de subsidievaststelling. Toch is de onderneming pas vier maanden later in actie gekomen. Onder deze omstandigheden kan van verschoonbaarheid geen sprake meer zijn. Het feit dat er een wetsvoorstel ligt dat mogelijk tot een andere uitkomst zou hebben geleid indien het al in werking zou zijn getreden, leidt niet tot een ander oordeel, alleen al omdat niet vast staat dat het wetsvoorstel op enig moment in werking zal treden.
9. Het argument dat het besluit niet naar de gemachtigde van de onderneming is verzonden, kan ook niet slagen. De onderneming had deze gemachtigde ingeschakeld voor haar aanvraag van Q1 2021. Daaruit had de minister niet hoeven af te leiden dat die gemachtigde de onderneming ook vertegenwoordigde in andere lopende procedures. De enkele mededeling dat eventuele nadere vragen over Q4 aan die gemachtigde konden worden gesteld betekent ook niet dat de onderneming daarmee kenbaar had gemaakt dat die persoon gemachtigd was om de procedure over Q4 2020 (verder) te voeren. Als dat de intentie van de onderneming was, had zij dat uitdrukkelijk moeten melden aan de minister.
10. Het beroep op het evenredigheidsbeginsel kan tot slot ook niet slagen. Het feit dat de ondernemer mogelijk onevenredig hard wordt geraakt in een subsidieprocedure, kan namelijk niet leiden tot de conclusie dat de termijnoverschrijding verschoonbaarheid is.
Dictum
Het College verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.H. de Wildt, in aanwezigheid van J.P.A. Schaafsma, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 20 juni 2023.
w.g. J.H. de Wildt w.g. J.P.A. Schaafsma
Inleiding
uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 22/1635
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 juni 2023 in de zaak tussen
[naam 1] B.V., te [plaats] (de onderneming)
(gemachtigde: mr. J. Mesman),
en
de minister van Economische Zaken en Klimaat (de minister)
(gemachtigde: mr. H.G.M. Wammes en mr. S. Hu).
Procesverloop
Met het besluit van 7 oktober 2021 (het vaststellingsbesluit) heeft de minister vastgesteld dat de onderneming niet in aanmerking komt voor subsidie op basis van de Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19 (TVL) voor het vierde kwartaal van 2020 (Q4 2020). Zij moet daarom het reeds ontvangen voorschot van € 72.000,- terugbetalen.
Met het besluit van 21 juni 2022 (het bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van de onderneming van 4 februari 2022 tegen het vaststellingsbesluit niet-ontvankelijk verklaard.
De onderneming heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
Het College heeft de zaak op zitting behandeld op 4 mei 2023. Aan de zitting hebben deelgenomen de gemachtigden van de minister en de onderneming, en namens de onderneming ook [naam 2] .
Overwegingen
Inleiding
1. Het vaststellingsbesluit is genomen op 7 oktober 2021, waarmee de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift op 18 november 2021 verliep. De onderneming heeft pas op 4 februari 2022 een bezwaarschrift ingediend en dus te laat bezwaar gemaakt.
2. In geschil is of de termijnoverschrijding verschoonbaar (verontschuldigbaar) is.
Standpunt van de onderneming
3. De onderneming stelt dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is. Allereerst meent zij dat het recente wetsvoorstel Wet versterking waarborgfunctie Awb relevant is voor de beoordeling in deze procedure, omdat in dit voorstel wordt beoogd het bestuursrecht mensgerichter te maken. Van de strikte benadering van termijnen zou daarin worden afgezien, en de bestuursrechter wordt meer ruimte geboden om maatwerk te leveren, wat in deze zaak aanleiding zou moeten geven om verschoonbaarheid aan te nemen. Verder onderbouwt zij haar stelling met een drietal argumenten.
4. Ten eerste was de onderneming niet op de hoogte van het besluit van 7 oktober 2021, omdat zij geen e-mailnotificatie heeft ontvangen van het besluit. De onderneming stelt dat de afwezigheid van dit servicebericht ertoe leidt dat het haar niet kan worden aangerekend dat zij niet op de hoogte was van het genomen besluit. Dit onderbouwt zij onder meer met verwijzingen naar een rapport van de Nationale Ombudsman van 9 september 2017 en het wetsvoorstel Modernisering elektronisch bestuurlijk verkeer. Dat laatste wetsvoorstel is eerder door de Centrale Raad van Beroep aangehaald als een overweging om verschoonbaarheid aan te nemen (uitspraak van 9 september 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:2174).
5. Ten tweede is het besluit niet verzonden aan de gemachtigde van de onderneming, maar aan de voormalige gemachtigde. De onderneming stelt dat ze de wijziging van gemachtigde heeft doorgegeven in een reactie van 5 oktober 2021 over informatie in de procedure over Q4 2020. De RVO had op de hoogte moeten zijn van de nieuwe gemachtigde en had daar het besluit naar moeten sturen. Nu zij dit niet heeft gedaan, kan niet redelijkerwijs worden geoordeeld dat de onderneming in verzuim was.
6. Tot slot stelt de onderneming dat er strijdigheid is met het evenredigheidsbeginsel.
Beoordeling
7. De termijn voor het indienen van een bezwaarschrift is op grond van artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zes weken. Artikel 6:9, eerste lid, van de Awb bepaalt dat een bezwaarschrift tijdig is ingediend indien het voor het einde van de bezwaartermijn van zes weken is ontvangen. Op grond van artikel 6:11 van de Awb blijft niet-ontvankelijkverklaring achterwege bij een na afloop van de termijn ingediend bezwaarschrift indien redelijkerwijs niet geoordeeld kan worden dat de indiener in verzuim is. De termijnoverschrijding is dan verschoonbaar.
8. Het College is van oordeel dat de termijnoverschrijding niet verschoonbaar is. Uit de door de minister verstrekte gegevens blijkt dat op 7 oktober 2021 een notificatiebericht is verzonden en dat enkele dagen daarvoor nog, onder meer via een notificatiebericht, over en weer contact was geweest over de subsidievaststelling. Het ligt dus niet voor de hand dat het bericht van 7 oktober 2021 de onderneming niet heeft bereikt. Daarnaast wist de onderneming dat de minister bezig was met de afhandeling van de subsidievaststelling. Toch is de onderneming pas vier maanden later in actie gekomen. Onder deze omstandigheden kan van verschoonbaarheid geen sprake meer zijn. Het feit dat er een wetsvoorstel ligt dat mogelijk tot een andere uitkomst zou hebben geleid indien het al in werking zou zijn getreden, leidt niet tot een ander oordeel, alleen al omdat niet vast staat dat het wetsvoorstel op enig moment in werking zal treden.
9. Het argument dat het besluit niet naar de gemachtigde van de onderneming is verzonden, kan ook niet slagen. De onderneming had deze gemachtigde ingeschakeld voor haar aanvraag van Q1 2021. Daaruit had de minister niet hoeven af te leiden dat die gemachtigde de onderneming ook vertegenwoordigde in andere lopende procedures. De enkele mededeling dat eventuele nadere vragen over Q4 aan die gemachtigde konden worden gesteld betekent ook niet dat de onderneming daarmee kenbaar had gemaakt dat die persoon gemachtigd was om de procedure over Q4 2020 (verder) te voeren. Als dat de intentie van de onderneming was, had zij dat uitdrukkelijk moeten melden aan de minister.
10. Het beroep op het evenredigheidsbeginsel kan tot slot ook niet slagen. Het feit dat de ondernemer mogelijk onevenredig hard wordt geraakt in een subsidieprocedure, kan namelijk niet leiden tot de conclusie dat de termijnoverschrijding verschoonbaarheid is.
Dictum
Het College verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.H. de Wildt, in aanwezigheid van J.P.A. Schaafsma, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 20 juni 2023.
w.g. J.H. de Wildt w.g. J.P.A. Schaafsma
Inleiding
uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 22/1635
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 juni 2023 in de zaak tussen
[naam 1] B.V., te [plaats] (de onderneming)
(gemachtigde: mr. J. Mesman),
en
de minister van Economische Zaken en Klimaat (de minister)
(gemachtigde: mr. H.G.M. Wammes en mr. S. Hu).
Procesverloop
Met het besluit van 7 oktober 2021 (het vaststellingsbesluit) heeft de minister vastgesteld dat de onderneming niet in aanmerking komt voor subsidie op basis van de Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19 (TVL) voor het vierde kwartaal van 2020 (Q4 2020). Zij moet daarom het reeds ontvangen voorschot van € 72.000,- terugbetalen.
Met het besluit van 21 juni 2022 (het bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van de onderneming van 4 februari 2022 tegen het vaststellingsbesluit niet-ontvankelijk verklaard.
De onderneming heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
Het College heeft de zaak op zitting behandeld op 4 mei 2023. Aan de zitting hebben deelgenomen de gemachtigden van de minister en de onderneming, en namens de onderneming ook [naam 2] .
Overwegingen
Inleiding
1. Het vaststellingsbesluit is genomen op 7 oktober 2021, waarmee de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift op 18 november 2021 verliep. De onderneming heeft pas op 4 februari 2022 een bezwaarschrift ingediend en dus te laat bezwaar gemaakt.
2. In geschil is of de termijnoverschrijding verschoonbaar (verontschuldigbaar) is.
Standpunt van de onderneming
3. De onderneming stelt dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is. Allereerst meent zij dat het recente wetsvoorstel Wet versterking waarborgfunctie Awb relevant is voor de beoordeling in deze procedure, omdat in dit voorstel wordt beoogd het bestuursrecht mensgerichter te maken. Van de strikte benadering van termijnen zou daarin worden afgezien, en de bestuursrechter wordt meer ruimte geboden om maatwerk te leveren, wat in deze zaak aanleiding zou moeten geven om verschoonbaarheid aan te nemen. Verder onderbouwt zij haar stelling met een drietal argumenten.
4. Ten eerste was de onderneming niet op de hoogte van het besluit van 7 oktober 2021, omdat zij geen e-mailnotificatie heeft ontvangen van het besluit. De onderneming stelt dat de afwezigheid van dit servicebericht ertoe leidt dat het haar niet kan worden aangerekend dat zij niet op de hoogte was van het genomen besluit. Dit onderbouwt zij onder meer met verwijzingen naar een rapport van de Nationale Ombudsman van 9 september 2017 en het wetsvoorstel Modernisering elektronisch bestuurlijk verkeer. Dat laatste wetsvoorstel is eerder door de Centrale Raad van Beroep aangehaald als een overweging om verschoonbaarheid aan te nemen (uitspraak van 9 september 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:2174).
5. Ten tweede is het besluit niet verzonden aan de gemachtigde van de onderneming, maar aan de voormalige gemachtigde. De onderneming stelt dat ze de wijziging van gemachtigde heeft doorgegeven in een reactie van 5 oktober 2021 over informatie in de procedure over Q4 2020. De RVO had op de hoogte moeten zijn van de nieuwe gemachtigde en had daar het besluit naar moeten sturen. Nu zij dit niet heeft gedaan, kan niet redelijkerwijs worden geoordeeld dat de onderneming in verzuim was.
6. Tot slot stelt de onderneming dat er strijdigheid is met het evenredigheidsbeginsel.
Beoordeling
7. De termijn voor het indienen van een bezwaarschrift is op grond van artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zes weken. Artikel 6:9, eerste lid, van de Awb bepaalt dat een bezwaarschrift tijdig is ingediend indien het voor het einde van de bezwaartermijn van zes weken is ontvangen. Op grond van artikel 6:11 van de Awb blijft niet-ontvankelijkverklaring achterwege bij een na afloop van de termijn ingediend bezwaarschrift indien redelijkerwijs niet geoordeeld kan worden dat de indiener in verzuim is. De termijnoverschrijding is dan verschoonbaar.
8. Het College is van oordeel dat de termijnoverschrijding niet verschoonbaar is. Uit de door de minister verstrekte gegevens blijkt dat op 7 oktober 2021 een notificatiebericht is verzonden en dat enkele dagen daarvoor nog, onder meer via een notificatiebericht, over en weer contact was geweest over de subsidievaststelling. Het ligt dus niet voor de hand dat het bericht van 7 oktober 2021 de onderneming niet heeft bereikt. Daarnaast wist de onderneming dat de minister bezig was met de afhandeling van de subsidievaststelling. Toch is de onderneming pas vier maanden later in actie gekomen. Onder deze omstandigheden kan van verschoonbaarheid geen sprake meer zijn. Het feit dat er een wetsvoorstel ligt dat mogelijk tot een andere uitkomst zou hebben geleid indien het al in werking zou zijn getreden, leidt niet tot een ander oordeel, alleen al omdat niet vast staat dat het wetsvoorstel op enig moment in werking zal treden.
9. Het argument dat het besluit niet naar de gemachtigde van de onderneming is verzonden, kan ook niet slagen. De onderneming had deze gemachtigde ingeschakeld voor haar aanvraag van Q1 2021. Daaruit had de minister niet hoeven af te leiden dat die gemachtigde de onderneming ook vertegenwoordigde in andere lopende procedures. De enkele mededeling dat eventuele nadere vragen over Q4 aan die gemachtigde konden worden gesteld betekent ook niet dat de onderneming daarmee kenbaar had gemaakt dat die persoon gemachtigd was om de procedure over Q4 2020 (verder) te voeren. Als dat de intentie van de onderneming was, had zij dat uitdrukkelijk moeten melden aan de minister.
10. Het beroep op het evenredigheidsbeginsel kan tot slot ook niet slagen. Het feit dat de ondernemer mogelijk onevenredig hard wordt geraakt in een subsidieprocedure, kan namelijk niet leiden tot de conclusie dat de termijnoverschrijding verschoonbaarheid is.
Dictum
Het College verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.H. de Wildt, in aanwezigheid van J.P.A. Schaafsma, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 20 juni 2023.
w.g. J.H. de Wildt w.g. J.P.A. Schaafsma