Rechtspraak
College van Beroep voor het bedrijfsleven
2023-05-30
ECLI:NL:CBB:2023:298
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
11,885 tokens
Inleiding
uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 22/1041
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 mei 2023 in de zaak tussen
[naam] B.V., gevestigd te [plaats] (de onderneming),
(gemachtigde: mr. C.J. van Burk)
en
de minister van Economische Zaken en Klimaat (de minister),
(gemachtigde: mr. M.J.H. van der Burgt).
Procesverloop
Met het besluit van 17 maart 2021 heeft de minister de aanvraag van de onderneming voor een subsidie op grond van de Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19 (TVL) voor het vierde kwartaal van 2020 afgewezen.
Met het besluit van 29 april 2022 (het bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van de onderneming ongegrond verklaard.
De onderneming heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
De zitting was op 2 maart 2023. Aan de zitting hebben deelgenomen de gemachtigde van de onderneming en de gemachtigde van de minister.
Overwegingen
1. Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak. Inleiding
2. De minister heeft de omzet in de referentieperiode Q4 2019 en in de subsidieperiode Q4 2020 bepaald aan de hand van de door de onderneming overgelegde stukken uit de financiële administratie. Hieruit volgt dat het omzetverlies 29,4% is. Hiermee voldoet de onderneming niet aan het vereiste minimum van 30% omzetverlies (artikel 2.1.1, tweede lid, onder a, van de TVL-regeling).
Standpunt van de onderneming
3. De onderneming voert in beroep - kort samengevat - aan dat de minister in het bestreden besluit niet de juiste uitgangspunten heeft gehanteerd voor de berekening van het door haar geleden omzetverlies. Uitgaande van de voor de TVL geldende voorwaarden op de site van de RVO meent de onderneming dat ingevolge artikel 2.1.2. vijfde lid, van de TVL voor de bepaling van het omzetverlies uitgegaan dient te worden van de aangegeven omzet in de btw-aangiften. Indien het College haar hierin niet volgt, stelt de onderneming zich subsidiair op het standpunt dat in haar situatie rekening dient te worden gehouden met de overlopende omzet. Volgens de onderneming dient onder het begrip ‘overlopende omzet’ te worden verstaan omzet die is gefactureerd in het nieuwe boekjaar, maar die betrekking heeft op het oude boekjaar. Die omzet hoort, vanwege de factuurdatum in het nieuwe jaar, belastingtechnisch gezien thuis in de btw-aangifte voor het nieuwe boekjaar. De overlopende omzet dient niet meegenomen te worden bij het bepalen van de omzet van Q4 2020. De onderneming heeft de overlopende omzet ter zitting nader toegelicht aan de hand van een bij de pleitnota gevoegde uitbetaalstaat. Na correctie met de overlopende omzet komt de onderneming uit op een omzetverlies van 31,8%. Dit leidt ertoe dat de onderneming voldoet aan het minimumvereiste van 30% omzetverlies, waardoor zij recht heeft op een vergoeding uit hoofde van de TVL voor het vierde kwartaal van 2020.
Standpunt van de minister
4.1
De minister volgt de stelling van de onderneming dat de btw-aangifte gevolgd moet worden niet. Immers, de btw-aangifte van de fiscale eenheid, waartoe de onderneming behoort, omvat de omzet van alle ondernemingen binnen de fiscale eenheid. Hierdoor kan de minister de omzet van de onderneming niet afleiden uit de btw-aangifte en zal die omzet op een andere wijze vastgesteld moeten worden. Gelet hierop heeft de minister de onderneming in de gelegenheid gesteld de omzet aan te tonen aan de hand van haar financiële administratie of een ander bewijsstuk (artikel 2.1.2. zesde lid, van de TVL). De onderneming heeft dit gedaan op 16 december 2021. Zij heeft overzichten van de winst- en verliesrekening en grootboekrekeningen overgelegd om haar omzet aan te tonen. De minister heeft die stukken, met de daaruit voortvloeiende omzetcijfers, gebruikt voor de berekening van het omzetverlies. Dat de minister het zesde lid van artikel 2.1.2 van de TVL terecht heeft toegepast in de situatie van de onderneming, is bevestigd in een uitspraak van het College van 17 mei 2022 (ECLI:NL:CBB:2022:243).
4.2
In de beroepsprocedure heeft de onderneming geprobeerd een andere omzet aan te tonen met een uitsplitsing van de btw-aangifte. Zij probeert met verschillende berekeningen en verklaringen voor, volgens haar, onjuiste posten in de eerder overgelegde financiële administratie, het verschil met de gestelde andere omzet te verklaren. De onderneming heeft die verklaringen verder niet onderbouwd met stukken uit de financiële administratie, die aantonen dat de eerder overgelegde stukken uit de financiële administratie onjuist zouden zijn.
Daarom concludeert de minister dat het bestreden besluit op goede gronden is genomen en verzoekt hij het College om het beroep van de onderneming ongegrond te verklaren.Beoordeling door het College
5.1
Het College is van oordeel dat de minister de aanvraag van de onderneming terecht heeft afgewezen, omdat in haar situatie niet is gebleken van 30% omzetverlies in het vierde kwartaal van 2020. Dit blijkt uit het volgende.
5.2
Niet bestreden is dat de onderneming tot een fiscale eenheid behoort. Dit brengt met zich dat de aangifte omzetbelasting ziet op de totale omzet van alle ondernemingen binnen de fiscale eenheid. Hierdoor heeft de minister de omzet van de onderneming niet uit de aangifte omzetbelasting kunnen afleiden. Daaruit volgt dat het betoog van de onderneming dat de minister voor het bepalen van de omzet ingevolge artikel 2.1.2 vijfde lid, van de TVL uit had moeten gaan van de aangifte omzetbelasting, niet slaagt.
5.3
De minister heeft vervolgens terecht op grond van artikel 2.1.2, zesde lid, van de TVL aan de hand van de financiële administratie van de onderneming vastgesteld welk bedrag als omzet van de onderneming kan worden beschouwd (zie in dit verband ook de door verweerder genoemde uitspraak van het College van 17 mei 2022 (ECLI:NL:CBB:2022:243)). Het uitgangspunt hierbij is dat de omzet op eenvoudige en duidelijke wijze kenbaar moet zijn uit die financiële administratie. Het College is van oordeel dat de minister aan de hand van de door de onderneming aangeleverde overzichten van het vierde kwartaal van 2019 en 2020 - waaronder de winst en verliesrekening - de omzetdaling heeft kunnen bepalen. Niet is gebleken dat deze overzichten onjuist zouden zijn. De stelling van de onderneming dat de uit de administratie blijkende omzet van het vierde kwartaal 2020 moet worden gecorrigeerd (verminderd) met dat deel dat is gefactureerd in 2021 (de overlopende omzet), volgt het College daarom niet.
Gelet hierop oordeelt het College dat de minister terecht tot de conclusie is gekomen dat de onderneming niet voldoet aan het vereiste van tenminste 30% omzetverlies.
Dictum
Het College verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H. van den Heuvel, in aanwezigheid van mr. E.C.C. Deen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 30 mei 2023.
w.g. H. van den Heuvel w.g. E.C.C. Deen
BIJLAGE
Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19 (TVL)
Artikel 1.1 (begripsbepalingen)
Omzet: opbrengst uit levering van goederen en diensten uit de onderneming, onder aftrek van kortingen en dergelijke en van over de omzet geheven belastingen;
Artikel 2.1.1. (verstrekking subsidie)
1. De minister verstrekt op aanvraag eenmalig een subsidie aan een getroffen MKB-onderneming om bij te dragen aan de financiering van de vaste lasten in de maanden oktober, november en december van 2020.
2. De subsidie wordt enkel verstrekt aan een MKB-onderneming:
a. waarvan het omzetverlies ten minste 30% bedraagt;
b. waarvan de uitkomst van de vermenigvuldiging van A en C ten minste € 3.000 bedraagt;
(…)
Artikel 2.1.2. (bepaling omzetverlies)
1. Het omzetverlies wordt berekend door het verschil tussen de omzet in de referentieperiode en de omzet in de subsidieperiode te bepalen en deze te delen door de omzet in de referentieperiode. De uitkomst van deze berekening wordt uitgedrukt in procenten.
2. De omzet in de referentieperiode is de omzet in het vierde kalenderkwartaal van 2019.
(…)
4. De omzet in de subsidieperiode is de omzet in het vierde kalenderkwartaal van 2020.
5. Indien de getroffen MKB-onderneming omzetbelasting betaalt over het geheel van de bedragen op basis waarvan haar omzetverlies wordt berekend, wordt als de omzet van de onderneming beschouwd het bedrag ten aanzien waarvan zij aangifte doet voor de omzetbelasting, overeenkomstig het bepaalde bij en krachtens de Wet op de omzetbelasting 1968.
6. Voor andere getroffen MKB-ondernemingen dan de ondernemingen, bedoeld in het vijfde lid, is de omzet het bedrag van de omzet zoals dat op eenvoudige en duidelijke wijze blijkt uit de financiële administratie van de onderneming of uit een ander bewijsstuk.
(…)
Inleiding
uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 22/1041
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 mei 2023 in de zaak tussen
[naam] B.V., gevestigd te [plaats] (de onderneming),
(gemachtigde: mr. C.J. van Burk)
en
de minister van Economische Zaken en Klimaat (de minister),
(gemachtigde: mr. M.J.H. van der Burgt).
Procesverloop
Met het besluit van 17 maart 2021 heeft de minister de aanvraag van de onderneming voor een subsidie op grond van de Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19 (TVL) voor het vierde kwartaal van 2020 afgewezen.
Met het besluit van 29 april 2022 (het bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van de onderneming ongegrond verklaard.
De onderneming heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
De zitting was op 2 maart 2023. Aan de zitting hebben deelgenomen de gemachtigde van de onderneming en de gemachtigde van de minister.
Overwegingen
1. Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak. Inleiding
2. De minister heeft de omzet in de referentieperiode Q4 2019 en in de subsidieperiode Q4 2020 bepaald aan de hand van de door de onderneming overgelegde stukken uit de financiële administratie. Hieruit volgt dat het omzetverlies 29,4% is. Hiermee voldoet de onderneming niet aan het vereiste minimum van 30% omzetverlies (artikel 2.1.1, tweede lid, onder a, van de TVL-regeling).
Standpunt van de onderneming
3. De onderneming voert in beroep - kort samengevat - aan dat de minister in het bestreden besluit niet de juiste uitgangspunten heeft gehanteerd voor de berekening van het door haar geleden omzetverlies. Uitgaande van de voor de TVL geldende voorwaarden op de site van de RVO meent de onderneming dat ingevolge artikel 2.1.2. vijfde lid, van de TVL voor de bepaling van het omzetverlies uitgegaan dient te worden van de aangegeven omzet in de btw-aangiften. Indien het College haar hierin niet volgt, stelt de onderneming zich subsidiair op het standpunt dat in haar situatie rekening dient te worden gehouden met de overlopende omzet. Volgens de onderneming dient onder het begrip ‘overlopende omzet’ te worden verstaan omzet die is gefactureerd in het nieuwe boekjaar, maar die betrekking heeft op het oude boekjaar. Die omzet hoort, vanwege de factuurdatum in het nieuwe jaar, belastingtechnisch gezien thuis in de btw-aangifte voor het nieuwe boekjaar. De overlopende omzet dient niet meegenomen te worden bij het bepalen van de omzet van Q4 2020. De onderneming heeft de overlopende omzet ter zitting nader toegelicht aan de hand van een bij de pleitnota gevoegde uitbetaalstaat. Na correctie met de overlopende omzet komt de onderneming uit op een omzetverlies van 31,8%. Dit leidt ertoe dat de onderneming voldoet aan het minimumvereiste van 30% omzetverlies, waardoor zij recht heeft op een vergoeding uit hoofde van de TVL voor het vierde kwartaal van 2020.
Standpunt van de minister
4.1
De minister volgt de stelling van de onderneming dat de btw-aangifte gevolgd moet worden niet. Immers, de btw-aangifte van de fiscale eenheid, waartoe de onderneming behoort, omvat de omzet van alle ondernemingen binnen de fiscale eenheid. Hierdoor kan de minister de omzet van de onderneming niet afleiden uit de btw-aangifte en zal die omzet op een andere wijze vastgesteld moeten worden. Gelet hierop heeft de minister de onderneming in de gelegenheid gesteld de omzet aan te tonen aan de hand van haar financiële administratie of een ander bewijsstuk (artikel 2.1.2. zesde lid, van de TVL). De onderneming heeft dit gedaan op 16 december 2021. Zij heeft overzichten van de winst- en verliesrekening en grootboekrekeningen overgelegd om haar omzet aan te tonen. De minister heeft die stukken, met de daaruit voortvloeiende omzetcijfers, gebruikt voor de berekening van het omzetverlies. Dat de minister het zesde lid van artikel 2.1.2 van de TVL terecht heeft toegepast in de situatie van de onderneming, is bevestigd in een uitspraak van het College van 17 mei 2022 (ECLI:NL:CBB:2022:243).
4.2
In de beroepsprocedure heeft de onderneming geprobeerd een andere omzet aan te tonen met een uitsplitsing van de btw-aangifte. Zij probeert met verschillende berekeningen en verklaringen voor, volgens haar, onjuiste posten in de eerder overgelegde financiële administratie, het verschil met de gestelde andere omzet te verklaren. De onderneming heeft die verklaringen verder niet onderbouwd met stukken uit de financiële administratie, die aantonen dat de eerder overgelegde stukken uit de financiële administratie onjuist zouden zijn.
Daarom concludeert de minister dat het bestreden besluit op goede gronden is genomen en verzoekt hij het College om het beroep van de onderneming ongegrond te verklaren.Beoordeling door het College
5.1
Het College is van oordeel dat de minister de aanvraag van de onderneming terecht heeft afgewezen, omdat in haar situatie niet is gebleken van 30% omzetverlies in het vierde kwartaal van 2020. Dit blijkt uit het volgende.
5.2
Niet bestreden is dat de onderneming tot een fiscale eenheid behoort. Dit brengt met zich dat de aangifte omzetbelasting ziet op de totale omzet van alle ondernemingen binnen de fiscale eenheid. Hierdoor heeft de minister de omzet van de onderneming niet uit de aangifte omzetbelasting kunnen afleiden. Daaruit volgt dat het betoog van de onderneming dat de minister voor het bepalen van de omzet ingevolge artikel 2.1.2 vijfde lid, van de TVL uit had moeten gaan van de aangifte omzetbelasting, niet slaagt.
5.3
De minister heeft vervolgens terecht op grond van artikel 2.1.2, zesde lid, van de TVL aan de hand van de financiële administratie van de onderneming vastgesteld welk bedrag als omzet van de onderneming kan worden beschouwd (zie in dit verband ook de door verweerder genoemde uitspraak van het College van 17 mei 2022 (ECLI:NL:CBB:2022:243)). Het uitgangspunt hierbij is dat de omzet op eenvoudige en duidelijke wijze kenbaar moet zijn uit die financiële administratie. Het College is van oordeel dat de minister aan de hand van de door de onderneming aangeleverde overzichten van het vierde kwartaal van 2019 en 2020 - waaronder de winst en verliesrekening - de omzetdaling heeft kunnen bepalen. Niet is gebleken dat deze overzichten onjuist zouden zijn. De stelling van de onderneming dat de uit de administratie blijkende omzet van het vierde kwartaal 2020 moet worden gecorrigeerd (verminderd) met dat deel dat is gefactureerd in 2021 (de overlopende omzet), volgt het College daarom niet.
Gelet hierop oordeelt het College dat de minister terecht tot de conclusie is gekomen dat de onderneming niet voldoet aan het vereiste van tenminste 30% omzetverlies.
Dictum
Het College verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H. van den Heuvel, in aanwezigheid van mr. E.C.C. Deen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 30 mei 2023.
w.g. H. van den Heuvel w.g. E.C.C. Deen
BIJLAGE
Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19 (TVL)
Artikel 1.1 (begripsbepalingen)
Omzet: opbrengst uit levering van goederen en diensten uit de onderneming, onder aftrek van kortingen en dergelijke en van over de omzet geheven belastingen;
Artikel 2.1.1. (verstrekking subsidie)
1. De minister verstrekt op aanvraag eenmalig een subsidie aan een getroffen MKB-onderneming om bij te dragen aan de financiering van de vaste lasten in de maanden oktober, november en december van 2020.
2. De subsidie wordt enkel verstrekt aan een MKB-onderneming:
a. waarvan het omzetverlies ten minste 30% bedraagt;
b. waarvan de uitkomst van de vermenigvuldiging van A en C ten minste € 3.000 bedraagt;
(…)
Artikel 2.1.2. (bepaling omzetverlies)
1. Het omzetverlies wordt berekend door het verschil tussen de omzet in de referentieperiode en de omzet in de subsidieperiode te bepalen en deze te delen door de omzet in de referentieperiode. De uitkomst van deze berekening wordt uitgedrukt in procenten.
2. De omzet in de referentieperiode is de omzet in het vierde kalenderkwartaal van 2019.
(…)
4. De omzet in de subsidieperiode is de omzet in het vierde kalenderkwartaal van 2020.
5. Indien de getroffen MKB-onderneming omzetbelasting betaalt over het geheel van de bedragen op basis waarvan haar omzetverlies wordt berekend, wordt als de omzet van de onderneming beschouwd het bedrag ten aanzien waarvan zij aangifte doet voor de omzetbelasting, overeenkomstig het bepaalde bij en krachtens de Wet op de omzetbelasting 1968.
6. Voor andere getroffen MKB-ondernemingen dan de ondernemingen, bedoeld in het vijfde lid, is de omzet het bedrag van de omzet zoals dat op eenvoudige en duidelijke wijze blijkt uit de financiële administratie van de onderneming of uit een ander bewijsstuk.
(…)
Inleiding
uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 22/1041
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 mei 2023 in de zaak tussen
[naam] B.V., gevestigd te [plaats] (de onderneming),
(gemachtigde: mr. C.J. van Burk)
en
de minister van Economische Zaken en Klimaat (de minister),
(gemachtigde: mr. M.J.H. van der Burgt).
Procesverloop
Met het besluit van 17 maart 2021 heeft de minister de aanvraag van de onderneming voor een subsidie op grond van de Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19 (TVL) voor het vierde kwartaal van 2020 afgewezen.
Met het besluit van 29 april 2022 (het bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van de onderneming ongegrond verklaard.
De onderneming heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
De zitting was op 2 maart 2023. Aan de zitting hebben deelgenomen de gemachtigde van de onderneming en de gemachtigde van de minister.
Overwegingen
1. Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak. Inleiding
2. De minister heeft de omzet in de referentieperiode Q4 2019 en in de subsidieperiode Q4 2020 bepaald aan de hand van de door de onderneming overgelegde stukken uit de financiële administratie. Hieruit volgt dat het omzetverlies 29,4% is. Hiermee voldoet de onderneming niet aan het vereiste minimum van 30% omzetverlies (artikel 2.1.1, tweede lid, onder a, van de TVL-regeling).
Standpunt van de onderneming
3. De onderneming voert in beroep - kort samengevat - aan dat de minister in het bestreden besluit niet de juiste uitgangspunten heeft gehanteerd voor de berekening van het door haar geleden omzetverlies. Uitgaande van de voor de TVL geldende voorwaarden op de site van de RVO meent de onderneming dat ingevolge artikel 2.1.2. vijfde lid, van de TVL voor de bepaling van het omzetverlies uitgegaan dient te worden van de aangegeven omzet in de btw-aangiften. Indien het College haar hierin niet volgt, stelt de onderneming zich subsidiair op het standpunt dat in haar situatie rekening dient te worden gehouden met de overlopende omzet. Volgens de onderneming dient onder het begrip ‘overlopende omzet’ te worden verstaan omzet die is gefactureerd in het nieuwe boekjaar, maar die betrekking heeft op het oude boekjaar. Die omzet hoort, vanwege de factuurdatum in het nieuwe jaar, belastingtechnisch gezien thuis in de btw-aangifte voor het nieuwe boekjaar. De overlopende omzet dient niet meegenomen te worden bij het bepalen van de omzet van Q4 2020. De onderneming heeft de overlopende omzet ter zitting nader toegelicht aan de hand van een bij de pleitnota gevoegde uitbetaalstaat. Na correctie met de overlopende omzet komt de onderneming uit op een omzetverlies van 31,8%. Dit leidt ertoe dat de onderneming voldoet aan het minimumvereiste van 30% omzetverlies, waardoor zij recht heeft op een vergoeding uit hoofde van de TVL voor het vierde kwartaal van 2020.
Standpunt van de minister
4.1
De minister volgt de stelling van de onderneming dat de btw-aangifte gevolgd moet worden niet. Immers, de btw-aangifte van de fiscale eenheid, waartoe de onderneming behoort, omvat de omzet van alle ondernemingen binnen de fiscale eenheid. Hierdoor kan de minister de omzet van de onderneming niet afleiden uit de btw-aangifte en zal die omzet op een andere wijze vastgesteld moeten worden. Gelet hierop heeft de minister de onderneming in de gelegenheid gesteld de omzet aan te tonen aan de hand van haar financiële administratie of een ander bewijsstuk (artikel 2.1.2. zesde lid, van de TVL). De onderneming heeft dit gedaan op 16 december 2021. Zij heeft overzichten van de winst- en verliesrekening en grootboekrekeningen overgelegd om haar omzet aan te tonen. De minister heeft die stukken, met de daaruit voortvloeiende omzetcijfers, gebruikt voor de berekening van het omzetverlies. Dat de minister het zesde lid van artikel 2.1.2 van de TVL terecht heeft toegepast in de situatie van de onderneming, is bevestigd in een uitspraak van het College van 17 mei 2022 (ECLI:NL:CBB:2022:243).
4.2
In de beroepsprocedure heeft de onderneming geprobeerd een andere omzet aan te tonen met een uitsplitsing van de btw-aangifte. Zij probeert met verschillende berekeningen en verklaringen voor, volgens haar, onjuiste posten in de eerder overgelegde financiële administratie, het verschil met de gestelde andere omzet te verklaren. De onderneming heeft die verklaringen verder niet onderbouwd met stukken uit de financiële administratie, die aantonen dat de eerder overgelegde stukken uit de financiële administratie onjuist zouden zijn.
Daarom concludeert de minister dat het bestreden besluit op goede gronden is genomen en verzoekt hij het College om het beroep van de onderneming ongegrond te verklaren.Beoordeling door het College
5.1
Het College is van oordeel dat de minister de aanvraag van de onderneming terecht heeft afgewezen, omdat in haar situatie niet is gebleken van 30% omzetverlies in het vierde kwartaal van 2020. Dit blijkt uit het volgende.
5.2
Niet bestreden is dat de onderneming tot een fiscale eenheid behoort. Dit brengt met zich dat de aangifte omzetbelasting ziet op de totale omzet van alle ondernemingen binnen de fiscale eenheid. Hierdoor heeft de minister de omzet van de onderneming niet uit de aangifte omzetbelasting kunnen afleiden. Daaruit volgt dat het betoog van de onderneming dat de minister voor het bepalen van de omzet ingevolge artikel 2.1.2 vijfde lid, van de TVL uit had moeten gaan van de aangifte omzetbelasting, niet slaagt.
5.3
De minister heeft vervolgens terecht op grond van artikel 2.1.2, zesde lid, van de TVL aan de hand van de financiële administratie van de onderneming vastgesteld welk bedrag als omzet van de onderneming kan worden beschouwd (zie in dit verband ook de door verweerder genoemde uitspraak van het College van 17 mei 2022 (ECLI:NL:CBB:2022:243)). Het uitgangspunt hierbij is dat de omzet op eenvoudige en duidelijke wijze kenbaar moet zijn uit die financiële administratie. Het College is van oordeel dat de minister aan de hand van de door de onderneming aangeleverde overzichten van het vierde kwartaal van 2019 en 2020 - waaronder de winst en verliesrekening - de omzetdaling heeft kunnen bepalen. Niet is gebleken dat deze overzichten onjuist zouden zijn. De stelling van de onderneming dat de uit de administratie blijkende omzet van het vierde kwartaal 2020 moet worden gecorrigeerd (verminderd) met dat deel dat is gefactureerd in 2021 (de overlopende omzet), volgt het College daarom niet.
Gelet hierop oordeelt het College dat de minister terecht tot de conclusie is gekomen dat de onderneming niet voldoet aan het vereiste van tenminste 30% omzetverlies.
Dictum
Het College verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H. van den Heuvel, in aanwezigheid van mr. E.C.C. Deen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 30 mei 2023.
w.g. H. van den Heuvel w.g. E.C.C. Deen
BIJLAGE
Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19 (TVL)
Artikel 1.1 (begripsbepalingen)
Omzet: opbrengst uit levering van goederen en diensten uit de onderneming, onder aftrek van kortingen en dergelijke en van over de omzet geheven belastingen;
Artikel 2.1.1. (verstrekking subsidie)
1. De minister verstrekt op aanvraag eenmalig een subsidie aan een getroffen MKB-onderneming om bij te dragen aan de financiering van de vaste lasten in de maanden oktober, november en december van 2020.
2. De subsidie wordt enkel verstrekt aan een MKB-onderneming:
a. waarvan het omzetverlies ten minste 30% bedraagt;
b. waarvan de uitkomst van de vermenigvuldiging van A en C ten minste € 3.000 bedraagt;
(…)
Artikel 2.1.2. (bepaling omzetverlies)
1. Het omzetverlies wordt berekend door het verschil tussen de omzet in de referentieperiode en de omzet in de subsidieperiode te bepalen en deze te delen door de omzet in de referentieperiode. De uitkomst van deze berekening wordt uitgedrukt in procenten.
2. De omzet in de referentieperiode is de omzet in het vierde kalenderkwartaal van 2019.
(…)
4. De omzet in de subsidieperiode is de omzet in het vierde kalenderkwartaal van 2020.
5. Indien de getroffen MKB-onderneming omzetbelasting betaalt over het geheel van de bedragen op basis waarvan haar omzetverlies wordt berekend, wordt als de omzet van de onderneming beschouwd het bedrag ten aanzien waarvan zij aangifte doet voor de omzetbelasting, overeenkomstig het bepaalde bij en krachtens de Wet op de omzetbelasting 1968.
6. Voor andere getroffen MKB-ondernemingen dan de ondernemingen, bedoeld in het vijfde lid, is de omzet het bedrag van de omzet zoals dat op eenvoudige en duidelijke wijze blijkt uit de financiële administratie van de onderneming of uit een ander bewijsstuk.
(…)
Inleiding
uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 22/1041
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 mei 2023 in de zaak tussen
[naam] B.V., gevestigd te [plaats] (de onderneming),
(gemachtigde: mr. C.J. van Burk)
en
de minister van Economische Zaken en Klimaat (de minister),
(gemachtigde: mr. M.J.H. van der Burgt).
Procesverloop
Met het besluit van 17 maart 2021 heeft de minister de aanvraag van de onderneming voor een subsidie op grond van de Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19 (TVL) voor het vierde kwartaal van 2020 afgewezen.
Met het besluit van 29 april 2022 (het bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van de onderneming ongegrond verklaard.
De onderneming heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
De zitting was op 2 maart 2023. Aan de zitting hebben deelgenomen de gemachtigde van de onderneming en de gemachtigde van de minister.
Overwegingen
1. Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak. Inleiding
2. De minister heeft de omzet in de referentieperiode Q4 2019 en in de subsidieperiode Q4 2020 bepaald aan de hand van de door de onderneming overgelegde stukken uit de financiële administratie. Hieruit volgt dat het omzetverlies 29,4% is. Hiermee voldoet de onderneming niet aan het vereiste minimum van 30% omzetverlies (artikel 2.1.1, tweede lid, onder a, van de TVL-regeling).
Standpunt van de onderneming
3. De onderneming voert in beroep - kort samengevat - aan dat de minister in het bestreden besluit niet de juiste uitgangspunten heeft gehanteerd voor de berekening van het door haar geleden omzetverlies. Uitgaande van de voor de TVL geldende voorwaarden op de site van de RVO meent de onderneming dat ingevolge artikel 2.1.2. vijfde lid, van de TVL voor de bepaling van het omzetverlies uitgegaan dient te worden van de aangegeven omzet in de btw-aangiften. Indien het College haar hierin niet volgt, stelt de onderneming zich subsidiair op het standpunt dat in haar situatie rekening dient te worden gehouden met de overlopende omzet. Volgens de onderneming dient onder het begrip ‘overlopende omzet’ te worden verstaan omzet die is gefactureerd in het nieuwe boekjaar, maar die betrekking heeft op het oude boekjaar. Die omzet hoort, vanwege de factuurdatum in het nieuwe jaar, belastingtechnisch gezien thuis in de btw-aangifte voor het nieuwe boekjaar. De overlopende omzet dient niet meegenomen te worden bij het bepalen van de omzet van Q4 2020. De onderneming heeft de overlopende omzet ter zitting nader toegelicht aan de hand van een bij de pleitnota gevoegde uitbetaalstaat. Na correctie met de overlopende omzet komt de onderneming uit op een omzetverlies van 31,8%. Dit leidt ertoe dat de onderneming voldoet aan het minimumvereiste van 30% omzetverlies, waardoor zij recht heeft op een vergoeding uit hoofde van de TVL voor het vierde kwartaal van 2020.
Standpunt van de minister
4.1
De minister volgt de stelling van de onderneming dat de btw-aangifte gevolgd moet worden niet. Immers, de btw-aangifte van de fiscale eenheid, waartoe de onderneming behoort, omvat de omzet van alle ondernemingen binnen de fiscale eenheid. Hierdoor kan de minister de omzet van de onderneming niet afleiden uit de btw-aangifte en zal die omzet op een andere wijze vastgesteld moeten worden. Gelet hierop heeft de minister de onderneming in de gelegenheid gesteld de omzet aan te tonen aan de hand van haar financiële administratie of een ander bewijsstuk (artikel 2.1.2. zesde lid, van de TVL). De onderneming heeft dit gedaan op 16 december 2021. Zij heeft overzichten van de winst- en verliesrekening en grootboekrekeningen overgelegd om haar omzet aan te tonen. De minister heeft die stukken, met de daaruit voortvloeiende omzetcijfers, gebruikt voor de berekening van het omzetverlies. Dat de minister het zesde lid van artikel 2.1.2 van de TVL terecht heeft toegepast in de situatie van de onderneming, is bevestigd in een uitspraak van het College van 17 mei 2022 (ECLI:NL:CBB:2022:243).
4.2
In de beroepsprocedure heeft de onderneming geprobeerd een andere omzet aan te tonen met een uitsplitsing van de btw-aangifte. Zij probeert met verschillende berekeningen en verklaringen voor, volgens haar, onjuiste posten in de eerder overgelegde financiële administratie, het verschil met de gestelde andere omzet te verklaren. De onderneming heeft die verklaringen verder niet onderbouwd met stukken uit de financiële administratie, die aantonen dat de eerder overgelegde stukken uit de financiële administratie onjuist zouden zijn.
Daarom concludeert de minister dat het bestreden besluit op goede gronden is genomen en verzoekt hij het College om het beroep van de onderneming ongegrond te verklaren.Beoordeling door het College
5.1
Het College is van oordeel dat de minister de aanvraag van de onderneming terecht heeft afgewezen, omdat in haar situatie niet is gebleken van 30% omzetverlies in het vierde kwartaal van 2020. Dit blijkt uit het volgende.
5.2
Niet bestreden is dat de onderneming tot een fiscale eenheid behoort. Dit brengt met zich dat de aangifte omzetbelasting ziet op de totale omzet van alle ondernemingen binnen de fiscale eenheid. Hierdoor heeft de minister de omzet van de onderneming niet uit de aangifte omzetbelasting kunnen afleiden. Daaruit volgt dat het betoog van de onderneming dat de minister voor het bepalen van de omzet ingevolge artikel 2.1.2 vijfde lid, van de TVL uit had moeten gaan van de aangifte omzetbelasting, niet slaagt.
5.3
De minister heeft vervolgens terecht op grond van artikel 2.1.2, zesde lid, van de TVL aan de hand van de financiële administratie van de onderneming vastgesteld welk bedrag als omzet van de onderneming kan worden beschouwd (zie in dit verband ook de door verweerder genoemde uitspraak van het College van 17 mei 2022 (ECLI:NL:CBB:2022:243)). Het uitgangspunt hierbij is dat de omzet op eenvoudige en duidelijke wijze kenbaar moet zijn uit die financiële administratie. Het College is van oordeel dat de minister aan de hand van de door de onderneming aangeleverde overzichten van het vierde kwartaal van 2019 en 2020 - waaronder de winst en verliesrekening - de omzetdaling heeft kunnen bepalen. Niet is gebleken dat deze overzichten onjuist zouden zijn. De stelling van de onderneming dat de uit de administratie blijkende omzet van het vierde kwartaal 2020 moet worden gecorrigeerd (verminderd) met dat deel dat is gefactureerd in 2021 (de overlopende omzet), volgt het College daarom niet.
Gelet hierop oordeelt het College dat de minister terecht tot de conclusie is gekomen dat de onderneming niet voldoet aan het vereiste van tenminste 30% omzetverlies.
Dictum
Het College verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H. van den Heuvel, in aanwezigheid van mr. E.C.C. Deen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 30 mei 2023.
w.g. H. van den Heuvel w.g. E.C.C. Deen
BIJLAGE
Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19 (TVL)
Artikel 1.1 (begripsbepalingen)
Omzet: opbrengst uit levering van goederen en diensten uit de onderneming, onder aftrek van kortingen en dergelijke en van over de omzet geheven belastingen;
Artikel 2.1.1. (verstrekking subsidie)
1. De minister verstrekt op aanvraag eenmalig een subsidie aan een getroffen MKB-onderneming om bij te dragen aan de financiering van de vaste lasten in de maanden oktober, november en december van 2020.
2. De subsidie wordt enkel verstrekt aan een MKB-onderneming:
a. waarvan het omzetverlies ten minste 30% bedraagt;
b. waarvan de uitkomst van de vermenigvuldiging van A en C ten minste € 3.000 bedraagt;
(…)
Artikel 2.1.2. (bepaling omzetverlies)
1. Het omzetverlies wordt berekend door het verschil tussen de omzet in de referentieperiode en de omzet in de subsidieperiode te bepalen en deze te delen door de omzet in de referentieperiode. De uitkomst van deze berekening wordt uitgedrukt in procenten.
2. De omzet in de referentieperiode is de omzet in het vierde kalenderkwartaal van 2019.
(…)
4. De omzet in de subsidieperiode is de omzet in het vierde kalenderkwartaal van 2020.
5. Indien de getroffen MKB-onderneming omzetbelasting betaalt over het geheel van de bedragen op basis waarvan haar omzetverlies wordt berekend, wordt als de omzet van de onderneming beschouwd het bedrag ten aanzien waarvan zij aangifte doet voor de omzetbelasting, overeenkomstig het bepaalde bij en krachtens de Wet op de omzetbelasting 1968.
6. Voor andere getroffen MKB-ondernemingen dan de ondernemingen, bedoeld in het vijfde lid, is de omzet het bedrag van de omzet zoals dat op eenvoudige en duidelijke wijze blijkt uit de financiële administratie van de onderneming of uit een ander bewijsstuk.
(…)
Inleiding
uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 22/1041
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 mei 2023 in de zaak tussen
[naam] B.V., gevestigd te [plaats] (de onderneming),
(gemachtigde: mr. C.J. van Burk)
en
de minister van Economische Zaken en Klimaat (de minister),
(gemachtigde: mr. M.J.H. van der Burgt).
Procesverloop
Met het besluit van 17 maart 2021 heeft de minister de aanvraag van de onderneming voor een subsidie op grond van de Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19 (TVL) voor het vierde kwartaal van 2020 afgewezen.
Met het besluit van 29 april 2022 (het bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van de onderneming ongegrond verklaard.
De onderneming heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
De zitting was op 2 maart 2023. Aan de zitting hebben deelgenomen de gemachtigde van de onderneming en de gemachtigde van de minister.
Overwegingen
1. Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak. Inleiding
2. De minister heeft de omzet in de referentieperiode Q4 2019 en in de subsidieperiode Q4 2020 bepaald aan de hand van de door de onderneming overgelegde stukken uit de financiële administratie. Hieruit volgt dat het omzetverlies 29,4% is. Hiermee voldoet de onderneming niet aan het vereiste minimum van 30% omzetverlies (artikel 2.1.1, tweede lid, onder a, van de TVL-regeling).
Standpunt van de onderneming
3. De onderneming voert in beroep - kort samengevat - aan dat de minister in het bestreden besluit niet de juiste uitgangspunten heeft gehanteerd voor de berekening van het door haar geleden omzetverlies. Uitgaande van de voor de TVL geldende voorwaarden op de site van de RVO meent de onderneming dat ingevolge artikel 2.1.2. vijfde lid, van de TVL voor de bepaling van het omzetverlies uitgegaan dient te worden van de aangegeven omzet in de btw-aangiften. Indien het College haar hierin niet volgt, stelt de onderneming zich subsidiair op het standpunt dat in haar situatie rekening dient te worden gehouden met de overlopende omzet. Volgens de onderneming dient onder het begrip ‘overlopende omzet’ te worden verstaan omzet die is gefactureerd in het nieuwe boekjaar, maar die betrekking heeft op het oude boekjaar. Die omzet hoort, vanwege de factuurdatum in het nieuwe jaar, belastingtechnisch gezien thuis in de btw-aangifte voor het nieuwe boekjaar. De overlopende omzet dient niet meegenomen te worden bij het bepalen van de omzet van Q4 2020. De onderneming heeft de overlopende omzet ter zitting nader toegelicht aan de hand van een bij de pleitnota gevoegde uitbetaalstaat. Na correctie met de overlopende omzet komt de onderneming uit op een omzetverlies van 31,8%. Dit leidt ertoe dat de onderneming voldoet aan het minimumvereiste van 30% omzetverlies, waardoor zij recht heeft op een vergoeding uit hoofde van de TVL voor het vierde kwartaal van 2020.
Standpunt van de minister
4.1
De minister volgt de stelling van de onderneming dat de btw-aangifte gevolgd moet worden niet. Immers, de btw-aangifte van de fiscale eenheid, waartoe de onderneming behoort, omvat de omzet van alle ondernemingen binnen de fiscale eenheid. Hierdoor kan de minister de omzet van de onderneming niet afleiden uit de btw-aangifte en zal die omzet op een andere wijze vastgesteld moeten worden. Gelet hierop heeft de minister de onderneming in de gelegenheid gesteld de omzet aan te tonen aan de hand van haar financiële administratie of een ander bewijsstuk (artikel 2.1.2. zesde lid, van de TVL). De onderneming heeft dit gedaan op 16 december 2021. Zij heeft overzichten van de winst- en verliesrekening en grootboekrekeningen overgelegd om haar omzet aan te tonen. De minister heeft die stukken, met de daaruit voortvloeiende omzetcijfers, gebruikt voor de berekening van het omzetverlies. Dat de minister het zesde lid van artikel 2.1.2 van de TVL terecht heeft toegepast in de situatie van de onderneming, is bevestigd in een uitspraak van het College van 17 mei 2022 (ECLI:NL:CBB:2022:243).
4.2
In de beroepsprocedure heeft de onderneming geprobeerd een andere omzet aan te tonen met een uitsplitsing van de btw-aangifte. Zij probeert met verschillende berekeningen en verklaringen voor, volgens haar, onjuiste posten in de eerder overgelegde financiële administratie, het verschil met de gestelde andere omzet te verklaren. De onderneming heeft die verklaringen verder niet onderbouwd met stukken uit de financiële administratie, die aantonen dat de eerder overgelegde stukken uit de financiële administratie onjuist zouden zijn.
Daarom concludeert de minister dat het bestreden besluit op goede gronden is genomen en verzoekt hij het College om het beroep van de onderneming ongegrond te verklaren.Beoordeling door het College
5.1
Het College is van oordeel dat de minister de aanvraag van de onderneming terecht heeft afgewezen, omdat in haar situatie niet is gebleken van 30% omzetverlies in het vierde kwartaal van 2020. Dit blijkt uit het volgende.
5.2
Niet bestreden is dat de onderneming tot een fiscale eenheid behoort. Dit brengt met zich dat de aangifte omzetbelasting ziet op de totale omzet van alle ondernemingen binnen de fiscale eenheid. Hierdoor heeft de minister de omzet van de onderneming niet uit de aangifte omzetbelasting kunnen afleiden. Daaruit volgt dat het betoog van de onderneming dat de minister voor het bepalen van de omzet ingevolge artikel 2.1.2 vijfde lid, van de TVL uit had moeten gaan van de aangifte omzetbelasting, niet slaagt.
5.3
De minister heeft vervolgens terecht op grond van artikel 2.1.2, zesde lid, van de TVL aan de hand van de financiële administratie van de onderneming vastgesteld welk bedrag als omzet van de onderneming kan worden beschouwd (zie in dit verband ook de door verweerder genoemde uitspraak van het College van 17 mei 2022 (ECLI:NL:CBB:2022:243)). Het uitgangspunt hierbij is dat de omzet op eenvoudige en duidelijke wijze kenbaar moet zijn uit die financiële administratie. Het College is van oordeel dat de minister aan de hand van de door de onderneming aangeleverde overzichten van het vierde kwartaal van 2019 en 2020 - waaronder de winst en verliesrekening - de omzetdaling heeft kunnen bepalen. Niet is gebleken dat deze overzichten onjuist zouden zijn. De stelling van de onderneming dat de uit de administratie blijkende omzet van het vierde kwartaal 2020 moet worden gecorrigeerd (verminderd) met dat deel dat is gefactureerd in 2021 (de overlopende omzet), volgt het College daarom niet.
Gelet hierop oordeelt het College dat de minister terecht tot de conclusie is gekomen dat de onderneming niet voldoet aan het vereiste van tenminste 30% omzetverlies.
Dictum
Het College verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H. van den Heuvel, in aanwezigheid van mr. E.C.C. Deen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 30 mei 2023.
w.g. H. van den Heuvel w.g. E.C.C. Deen
BIJLAGE
Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19 (TVL)
Artikel 1.1 (begripsbepalingen)
Omzet: opbrengst uit levering van goederen en diensten uit de onderneming, onder aftrek van kortingen en dergelijke en van over de omzet geheven belastingen;
Artikel 2.1.1. (verstrekking subsidie)
1. De minister verstrekt op aanvraag eenmalig een subsidie aan een getroffen MKB-onderneming om bij te dragen aan de financiering van de vaste lasten in de maanden oktober, november en december van 2020.
2. De subsidie wordt enkel verstrekt aan een MKB-onderneming:
a. waarvan het omzetverlies ten minste 30% bedraagt;
b. waarvan de uitkomst van de vermenigvuldiging van A en C ten minste € 3.000 bedraagt;
(…)
Artikel 2.1.2. (bepaling omzetverlies)
1. Het omzetverlies wordt berekend door het verschil tussen de omzet in de referentieperiode en de omzet in de subsidieperiode te bepalen en deze te delen door de omzet in de referentieperiode. De uitkomst van deze berekening wordt uitgedrukt in procenten.
2. De omzet in de referentieperiode is de omzet in het vierde kalenderkwartaal van 2019.
(…)
4. De omzet in de subsidieperiode is de omzet in het vierde kalenderkwartaal van 2020.
5. Indien de getroffen MKB-onderneming omzetbelasting betaalt over het geheel van de bedragen op basis waarvan haar omzetverlies wordt berekend, wordt als de omzet van de onderneming beschouwd het bedrag ten aanzien waarvan zij aangifte doet voor de omzetbelasting, overeenkomstig het bepaalde bij en krachtens de Wet op de omzetbelasting 1968.
6. Voor andere getroffen MKB-ondernemingen dan de ondernemingen, bedoeld in het vijfde lid, is de omzet het bedrag van de omzet zoals dat op eenvoudige en duidelijke wijze blijkt uit de financiële administratie van de onderneming of uit een ander bewijsstuk.
(…)