Rechtspraak
College van Beroep voor het bedrijfsleven
2023-05-26
ECLI:NL:CBB:2023:296
Bestuursrecht
Proceskostenveroordeling
13,195 tokens
Inleiding
uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 23/997
uitspraak van de voorzieningenrechter van 26 mei 2023 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen
[naam] , te [plaats] , verzoeker
(gemachtigde: mr. F. Ergec),
en
het college van burgemeester en wethouders van Breda, verweerder
(gemachtigde: mr. J. Bajric).
Procesverloop
Met het besluit van 2 maart 2023 (het intrekkingsbesluit) heeft verweerder de Kwaliteitstaxi Breda vergunning (KTB-vergunning) van verzoeker ingetrokken.
Verzoeker heeft tegen het intrekkingsbesluit bezwaar gemaakt. Hij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Dit verzoek is in eerste instantie ingediend bij de rechtbank Zeeland WestBrabant. De rechtbank heeft het verzoek op 12 april 2023 doorgezonden naar het College.
De voorzieningenrechter heeft de zaak op 11 mei 2023 op een zitting behandeld.
Aan de zitting hebben deelgenomen [naam] en mr. F. Ergec namens verzoeker en mr. J. Bajric, S. Wulms en K. Overwater namens verweerder.
Ter zitting heeft de voorzieningenrechter verweerder opgedragen ervoor te zorgen dat verzoeker de camerabeelden van het incident dat heeft geleid tot het intrekkingsbesluit kan bekijken.
Op 22 mei 2023 hebben partijen de voorzieningenrechter hun reactie op de camerabeelden toegestuurd. Verweerder heeft op diezelfde dag de camerabeelden aan het College gezonden.
Overwegingen
1.1
Op grond van het bepaalde in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een besluit, voorafgaand aan een mogelijk beroep, bezwaar is gemaakt, op verzoek een voorlopige voorziening worden getroffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
1.2
Voor zover in deze uitspraak een oordeel wordt gegeven over de rechtmatigheid van het intrekkingsbesluit, is sprake van een voorlopig oordeel dat het College niet bindt in een eventuele bodemprocedure.
Achtergrond verzoek
2.1
In de avond van 19 februari en de vroege ochtend van 20 februari 2023, tijdens carnaval in [plaats] , hebben ongeregeldheden plaatsgevonden tussen taxichauffeurs met een KTB-vergunning en taxichauffeurs zonder KTB-vergunning. Toezichthouders van de gemeente [plaats] zijn hier op afgegaan en hebben wat zij hebben gezien neergelegd in het proces-verbaal van bevindingen […] van 1 maart 2023. Uit dit proces-verbaal komt het beeld naar voren dat verzoeker een rol had in de ongeregeldheden.
2.2
Op basis van dit proces-verbaal heeft verweerder het intrekkingsbesluit genomen. Dit besluit heeft tot gevolg dat verzoeker geen taxivervoer meer mag aanbieden voor de opstapmarkt in [plaats] .
Standpunt verzoeker
3. Verzoeker betoogt dat het proces-verbaal van bevindingen geen juiste weergave bevat van wat er die nacht is voorgevallen en dat verweerder ten onrechte op basis daarvan het intrekkingsbesluit heeft genomen. Verzoeker wordt onevenredig zwaar getroffen door het intrekkingsbesluit en acht het besluit daarom disproportioneel en in strijd met het evenredigheidsbeginsel. Verzoeker wijst daarbij op de uitgangspunten zoals neergelegd in de Handhavingsmatrix Breda.
Standpunt verweerder
4. Verweerder gaat uit van de juistheid van het proces-verbaal van bevindingen. Het gedrag van verzoeker dat daaruit blijkt, wordt ten zeerste afgekeurd en komt niet ten goede aan de kwaliteit van het [plaats] taxivervoer. Dat is de reden waarom verweerder de KTB-vergunning heeft ingetrokken.
Relevante regelgeving
5. De Taxiverordening Breda luidt, voor zover van belang, als volgt:
“Artikel 2.8 Intrekkingsgronden en schorsing KTB-vergunning1. Een KTB-vergunning is van rechtswege met onmiddellijk ingang en voor een gelijke periode geschorst als het KTB-keurmerkcertificaat is geschorst.2. Een KTB-vergunning vervalt van rechtswege één dag nadat het KTB-keurmerkcertificaat is ingetrokken of vervallen (…)3. Burgemeester en wethouders kunnen een KTB-vergunning schorsen of intrekken indien:(…)
c. vergunninghouder taxivervoer verricht in strijd met de voorschriften en/of beperkingen die aan de KTB-vergunning zijn verbonden dan wel krachtens deze verordening gestelde nadere regels;d. dit naar het oordeel van burgemeester en wethouders in het belang van de kwaliteit van taxivervoer noodzakelijk is, onder meer vanwege veranderde wetgeving of gewijzigde omstandigheden of inzichten;(…)
Artikel 3.3 Toelatingseisen KTB-keurmerkcertificaat1. Om in aanmerking te kunnen komen voor een KTB-keurmerkcertificaat moet de chauffeur in ieder geval de opleidingen ‘Houding en Gedrag’ en ‘Stad- en stratenkennis [plaats] ’ zoals die door of namens burgemeester en wethouders worden gegeven met goed gevolg hebben afgelegd en zodoende beschikken over de betreffende deelcertificaten. Daarnaast moet de chauffeur het door het burgemeester en wethouders vastgestelde Normen en Waardenprotocol over gedrags- en kwaliteitsregels voor akkoord hebben ondertekend.(…)
Artikel 3.7 Intrekkingsgronden en schorsing KTB-keurmerk(…)
3. Burgemeester en wethouders kunnen een KTB-keurmerkcertificaat schorsen of intrekken indien:(…)
c. de houder van het KTB-keurmerkcertificaat niet meer voldoet aan de bij of krachtens artikel 3.3 gestelde toelatingseisen;
(…)”
Voorlopig oordeel
6.1
Aan het intrekkingsbesluit ligt artikel 2.8, derde lid, aanhef en onder d, van de Taxiverordening Breda ten grondslag. Verweerder heeft ter zitting toegelicht dat het gedrag van verzoeker op 19 en 20 februari 2023, zoals blijkt uit het proces-verbaal van bevindingen, heeft geleid tot andere inzichten als bedoeld in deze bepaling. Verweerder heeft verder toegelicht dat, gelet op de ernst van de feiten en omstandigheden, van de Handhavingsmatrix Breda is afgeweken door geen waarschuwing te geven of de KTB-vergunning te schorsen, maar direct over te gaan tot het intrekken van de vergunning. Daarbij hecht verweerder er waarde aan dat verzoeker met zijn gedrag het Normen en Waardenprotocol over gedrags- en kwaliteitsregels heeft geschonden.
6.2
De voorzieningenrechter heeft twijfels over de grondslag van het intrekkingsbesluit en de toelichting die daarop ter zitting door verweerder is gegeven. Een gewijzigd inzicht als bedoeld in artikel 2.8, derde lid, onder d, van de Taxiverordening Breda lijkt niet het gedrag van een taxichauffeur te omvatten. Het gedrag van taxichauffeurs wordt volgens de Taxiverordening nu juist bij het KTB-keurmerkcertificaat van belang geacht en niet zo zeer bij de KTB-vergunning. Het niet voldoen aan het Normen en Waardenprotocol wordt ook genoemd als grond voor schorsen of intrekken in artikel 3.7, derde lid, aanhef en onder c, in samenhang met artikel 3.3, eerste lid, van de Taxiverordening Breda. Indien een KTB-keurmerk wordt geschorst of ingetrokken volgt de KTB-vergunning gelet op artikel 2.8, eerste lid, van de Taxiverordening, daarmee hetzelfde lot. De voorzieningenrechter vindt dat het daarom voor de hand ligt dat, als het gedrag van een taxichauffeur daartoe aanleiding geeft, verweerder het KTB-keurmerkcertificaat schorst dan wel intrekt.
6.3.
De voorzieningenrechter twijfelt verder of het intrekkingsbesluit strookt met de Handhavingsmatrix Breda. Daarbij valt als eerste op dat artikel 2.8, derde lid, aanhef en onder d, hierin niet voorkomt, maar artikel 2.8, derde lid, aanhef en onder c, van de Taxiverordening Breda wel.
6.4
Het valt daarnaastop dat voor artikel 2.8, derde lid, aanhef en onder c, drie stappen worden beschreven bij constatering van een overtreding. Bij een eerste constatering volgt een bestuurlijke waarschuwing, bij een tweede constatering binnen twee jaar na de waarschuwing volgt een schorsing van de KTB-vergunning voor vier weken en bij een derde constatering binnen twee jaar na de vorige constatering volgt de intrekking van de KTB-vergunning. Ook bij andere in de Handhavingsmatrix genoemde overtredingen die samenhangen met de Taxiverordening wordt pas bij een derde constatering overgegaan tot het intrekken van de KTB-vergunning of KTB-keurmerk.
6.5
In het geval van verzoeker is verweerder direct overgegaan tot het intrekken van de KTB-vergunning. Verweerder heeft naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter onvoldoende gemotiveerd waarom, als een waarschuwing als bedoeld in de Handhavingsmatrix Breda al kan worden overgeslagen, niet is gekozen voor een schorsing in plaats van direct over te gaan tot het intrekken van de KTB-vergunning. De intrekking van de KTB-vergunning pakt voor verzoeker bijzonder ingrijpend uit, nu hij als gevolg daarvan nauwelijks inkomsten heeft om in het levensonderhoud van hem en zijn gezin te voorzien. Dan mag van verweerder worden verwacht dat zorgvuldig en deugdelijk wordt gemotiveerd waarom verweerder overgaat tot het opleggen van een dergelijke ingrijpende maatregel.
7. Gezien het voorgaande mist het intrekkingsbesluit naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter een deugdelijke grondslag en een toereikende motivering.
Dictum
De voorzieningenrechter:
schorst het intrekkingsbesluit tot 6 weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar;
draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 184,- aan verzoeker te vergoeden;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 2.092,50.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B. Bastein, in aanwezigheid van mr. A. Verhoeven, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 26 mei 2023.
w.g. B. Bastein de griffier is verhinderd de uitspraak mede te ondertekenen
Afschrift verzonden aan partijen op:
Inleiding
uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 23/997
uitspraak van de voorzieningenrechter van 26 mei 2023 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen
[naam] , te [plaats] , verzoeker
(gemachtigde: mr. F. Ergec),
en
het college van burgemeester en wethouders van Breda, verweerder
(gemachtigde: mr. J. Bajric).
Procesverloop
Met het besluit van 2 maart 2023 (het intrekkingsbesluit) heeft verweerder de Kwaliteitstaxi Breda vergunning (KTB-vergunning) van verzoeker ingetrokken.
Verzoeker heeft tegen het intrekkingsbesluit bezwaar gemaakt. Hij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Dit verzoek is in eerste instantie ingediend bij de rechtbank Zeeland WestBrabant. De rechtbank heeft het verzoek op 12 april 2023 doorgezonden naar het College.
De voorzieningenrechter heeft de zaak op 11 mei 2023 op een zitting behandeld.
Aan de zitting hebben deelgenomen [naam] en mr. F. Ergec namens verzoeker en mr. J. Bajric, S. Wulms en K. Overwater namens verweerder.
Ter zitting heeft de voorzieningenrechter verweerder opgedragen ervoor te zorgen dat verzoeker de camerabeelden van het incident dat heeft geleid tot het intrekkingsbesluit kan bekijken.
Op 22 mei 2023 hebben partijen de voorzieningenrechter hun reactie op de camerabeelden toegestuurd. Verweerder heeft op diezelfde dag de camerabeelden aan het College gezonden.
Overwegingen
1.1
Op grond van het bepaalde in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een besluit, voorafgaand aan een mogelijk beroep, bezwaar is gemaakt, op verzoek een voorlopige voorziening worden getroffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
1.2
Voor zover in deze uitspraak een oordeel wordt gegeven over de rechtmatigheid van het intrekkingsbesluit, is sprake van een voorlopig oordeel dat het College niet bindt in een eventuele bodemprocedure.
Achtergrond verzoek
2.1
In de avond van 19 februari en de vroege ochtend van 20 februari 2023, tijdens carnaval in [plaats] , hebben ongeregeldheden plaatsgevonden tussen taxichauffeurs met een KTB-vergunning en taxichauffeurs zonder KTB-vergunning. Toezichthouders van de gemeente [plaats] zijn hier op afgegaan en hebben wat zij hebben gezien neergelegd in het proces-verbaal van bevindingen […] van 1 maart 2023. Uit dit proces-verbaal komt het beeld naar voren dat verzoeker een rol had in de ongeregeldheden.
2.2
Op basis van dit proces-verbaal heeft verweerder het intrekkingsbesluit genomen. Dit besluit heeft tot gevolg dat verzoeker geen taxivervoer meer mag aanbieden voor de opstapmarkt in [plaats] .
Standpunt verzoeker
3. Verzoeker betoogt dat het proces-verbaal van bevindingen geen juiste weergave bevat van wat er die nacht is voorgevallen en dat verweerder ten onrechte op basis daarvan het intrekkingsbesluit heeft genomen. Verzoeker wordt onevenredig zwaar getroffen door het intrekkingsbesluit en acht het besluit daarom disproportioneel en in strijd met het evenredigheidsbeginsel. Verzoeker wijst daarbij op de uitgangspunten zoals neergelegd in de Handhavingsmatrix Breda.
Standpunt verweerder
4. Verweerder gaat uit van de juistheid van het proces-verbaal van bevindingen. Het gedrag van verzoeker dat daaruit blijkt, wordt ten zeerste afgekeurd en komt niet ten goede aan de kwaliteit van het [plaats] taxivervoer. Dat is de reden waarom verweerder de KTB-vergunning heeft ingetrokken.
Relevante regelgeving
5. De Taxiverordening Breda luidt, voor zover van belang, als volgt:
“Artikel 2.8 Intrekkingsgronden en schorsing KTB-vergunning1. Een KTB-vergunning is van rechtswege met onmiddellijk ingang en voor een gelijke periode geschorst als het KTB-keurmerkcertificaat is geschorst.2. Een KTB-vergunning vervalt van rechtswege één dag nadat het KTB-keurmerkcertificaat is ingetrokken of vervallen (…)3. Burgemeester en wethouders kunnen een KTB-vergunning schorsen of intrekken indien:(…)
c. vergunninghouder taxivervoer verricht in strijd met de voorschriften en/of beperkingen die aan de KTB-vergunning zijn verbonden dan wel krachtens deze verordening gestelde nadere regels;d. dit naar het oordeel van burgemeester en wethouders in het belang van de kwaliteit van taxivervoer noodzakelijk is, onder meer vanwege veranderde wetgeving of gewijzigde omstandigheden of inzichten;(…)
Artikel 3.3 Toelatingseisen KTB-keurmerkcertificaat1. Om in aanmerking te kunnen komen voor een KTB-keurmerkcertificaat moet de chauffeur in ieder geval de opleidingen ‘Houding en Gedrag’ en ‘Stad- en stratenkennis [plaats] ’ zoals die door of namens burgemeester en wethouders worden gegeven met goed gevolg hebben afgelegd en zodoende beschikken over de betreffende deelcertificaten. Daarnaast moet de chauffeur het door het burgemeester en wethouders vastgestelde Normen en Waardenprotocol over gedrags- en kwaliteitsregels voor akkoord hebben ondertekend.(…)
Artikel 3.7 Intrekkingsgronden en schorsing KTB-keurmerk(…)
3. Burgemeester en wethouders kunnen een KTB-keurmerkcertificaat schorsen of intrekken indien:(…)
c. de houder van het KTB-keurmerkcertificaat niet meer voldoet aan de bij of krachtens artikel 3.3 gestelde toelatingseisen;
(…)”
Voorlopig oordeel
6.1
Aan het intrekkingsbesluit ligt artikel 2.8, derde lid, aanhef en onder d, van de Taxiverordening Breda ten grondslag. Verweerder heeft ter zitting toegelicht dat het gedrag van verzoeker op 19 en 20 februari 2023, zoals blijkt uit het proces-verbaal van bevindingen, heeft geleid tot andere inzichten als bedoeld in deze bepaling. Verweerder heeft verder toegelicht dat, gelet op de ernst van de feiten en omstandigheden, van de Handhavingsmatrix Breda is afgeweken door geen waarschuwing te geven of de KTB-vergunning te schorsen, maar direct over te gaan tot het intrekken van de vergunning. Daarbij hecht verweerder er waarde aan dat verzoeker met zijn gedrag het Normen en Waardenprotocol over gedrags- en kwaliteitsregels heeft geschonden.
6.2
De voorzieningenrechter heeft twijfels over de grondslag van het intrekkingsbesluit en de toelichting die daarop ter zitting door verweerder is gegeven. Een gewijzigd inzicht als bedoeld in artikel 2.8, derde lid, onder d, van de Taxiverordening Breda lijkt niet het gedrag van een taxichauffeur te omvatten. Het gedrag van taxichauffeurs wordt volgens de Taxiverordening nu juist bij het KTB-keurmerkcertificaat van belang geacht en niet zo zeer bij de KTB-vergunning. Het niet voldoen aan het Normen en Waardenprotocol wordt ook genoemd als grond voor schorsen of intrekken in artikel 3.7, derde lid, aanhef en onder c, in samenhang met artikel 3.3, eerste lid, van de Taxiverordening Breda. Indien een KTB-keurmerk wordt geschorst of ingetrokken volgt de KTB-vergunning gelet op artikel 2.8, eerste lid, van de Taxiverordening, daarmee hetzelfde lot. De voorzieningenrechter vindt dat het daarom voor de hand ligt dat, als het gedrag van een taxichauffeur daartoe aanleiding geeft, verweerder het KTB-keurmerkcertificaat schorst dan wel intrekt.
6.3.
De voorzieningenrechter twijfelt verder of het intrekkingsbesluit strookt met de Handhavingsmatrix Breda. Daarbij valt als eerste op dat artikel 2.8, derde lid, aanhef en onder d, hierin niet voorkomt, maar artikel 2.8, derde lid, aanhef en onder c, van de Taxiverordening Breda wel.
6.4
Het valt daarnaastop dat voor artikel 2.8, derde lid, aanhef en onder c, drie stappen worden beschreven bij constatering van een overtreding. Bij een eerste constatering volgt een bestuurlijke waarschuwing, bij een tweede constatering binnen twee jaar na de waarschuwing volgt een schorsing van de KTB-vergunning voor vier weken en bij een derde constatering binnen twee jaar na de vorige constatering volgt de intrekking van de KTB-vergunning. Ook bij andere in de Handhavingsmatrix genoemde overtredingen die samenhangen met de Taxiverordening wordt pas bij een derde constatering overgegaan tot het intrekken van de KTB-vergunning of KTB-keurmerk.
6.5
In het geval van verzoeker is verweerder direct overgegaan tot het intrekken van de KTB-vergunning. Verweerder heeft naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter onvoldoende gemotiveerd waarom, als een waarschuwing als bedoeld in de Handhavingsmatrix Breda al kan worden overgeslagen, niet is gekozen voor een schorsing in plaats van direct over te gaan tot het intrekken van de KTB-vergunning. De intrekking van de KTB-vergunning pakt voor verzoeker bijzonder ingrijpend uit, nu hij als gevolg daarvan nauwelijks inkomsten heeft om in het levensonderhoud van hem en zijn gezin te voorzien. Dan mag van verweerder worden verwacht dat zorgvuldig en deugdelijk wordt gemotiveerd waarom verweerder overgaat tot het opleggen van een dergelijke ingrijpende maatregel.
7. Gezien het voorgaande mist het intrekkingsbesluit naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter een deugdelijke grondslag en een toereikende motivering.
Dictum
De voorzieningenrechter:
schorst het intrekkingsbesluit tot 6 weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar;
draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 184,- aan verzoeker te vergoeden;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 2.092,50.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B. Bastein, in aanwezigheid van mr. A. Verhoeven, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 26 mei 2023.
w.g. B. Bastein de griffier is verhinderd de uitspraak mede te ondertekenen
Afschrift verzonden aan partijen op:
Inleiding
uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 23/997
uitspraak van de voorzieningenrechter van 26 mei 2023 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen
[naam] , te [plaats] , verzoeker
(gemachtigde: mr. F. Ergec),
en
het college van burgemeester en wethouders van Breda, verweerder
(gemachtigde: mr. J. Bajric).
Procesverloop
Met het besluit van 2 maart 2023 (het intrekkingsbesluit) heeft verweerder de Kwaliteitstaxi Breda vergunning (KTB-vergunning) van verzoeker ingetrokken.
Verzoeker heeft tegen het intrekkingsbesluit bezwaar gemaakt. Hij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Dit verzoek is in eerste instantie ingediend bij de rechtbank Zeeland WestBrabant. De rechtbank heeft het verzoek op 12 april 2023 doorgezonden naar het College.
De voorzieningenrechter heeft de zaak op 11 mei 2023 op een zitting behandeld.
Aan de zitting hebben deelgenomen [naam] en mr. F. Ergec namens verzoeker en mr. J. Bajric, S. Wulms en K. Overwater namens verweerder.
Ter zitting heeft de voorzieningenrechter verweerder opgedragen ervoor te zorgen dat verzoeker de camerabeelden van het incident dat heeft geleid tot het intrekkingsbesluit kan bekijken.
Op 22 mei 2023 hebben partijen de voorzieningenrechter hun reactie op de camerabeelden toegestuurd. Verweerder heeft op diezelfde dag de camerabeelden aan het College gezonden.
Overwegingen
1.1
Op grond van het bepaalde in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een besluit, voorafgaand aan een mogelijk beroep, bezwaar is gemaakt, op verzoek een voorlopige voorziening worden getroffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
1.2
Voor zover in deze uitspraak een oordeel wordt gegeven over de rechtmatigheid van het intrekkingsbesluit, is sprake van een voorlopig oordeel dat het College niet bindt in een eventuele bodemprocedure.
Achtergrond verzoek
2.1
In de avond van 19 februari en de vroege ochtend van 20 februari 2023, tijdens carnaval in [plaats] , hebben ongeregeldheden plaatsgevonden tussen taxichauffeurs met een KTB-vergunning en taxichauffeurs zonder KTB-vergunning. Toezichthouders van de gemeente [plaats] zijn hier op afgegaan en hebben wat zij hebben gezien neergelegd in het proces-verbaal van bevindingen […] van 1 maart 2023. Uit dit proces-verbaal komt het beeld naar voren dat verzoeker een rol had in de ongeregeldheden.
2.2
Op basis van dit proces-verbaal heeft verweerder het intrekkingsbesluit genomen. Dit besluit heeft tot gevolg dat verzoeker geen taxivervoer meer mag aanbieden voor de opstapmarkt in [plaats] .
Standpunt verzoeker
3. Verzoeker betoogt dat het proces-verbaal van bevindingen geen juiste weergave bevat van wat er die nacht is voorgevallen en dat verweerder ten onrechte op basis daarvan het intrekkingsbesluit heeft genomen. Verzoeker wordt onevenredig zwaar getroffen door het intrekkingsbesluit en acht het besluit daarom disproportioneel en in strijd met het evenredigheidsbeginsel. Verzoeker wijst daarbij op de uitgangspunten zoals neergelegd in de Handhavingsmatrix Breda.
Standpunt verweerder
4. Verweerder gaat uit van de juistheid van het proces-verbaal van bevindingen. Het gedrag van verzoeker dat daaruit blijkt, wordt ten zeerste afgekeurd en komt niet ten goede aan de kwaliteit van het [plaats] taxivervoer. Dat is de reden waarom verweerder de KTB-vergunning heeft ingetrokken.
Relevante regelgeving
5. De Taxiverordening Breda luidt, voor zover van belang, als volgt:
“Artikel 2.8 Intrekkingsgronden en schorsing KTB-vergunning1. Een KTB-vergunning is van rechtswege met onmiddellijk ingang en voor een gelijke periode geschorst als het KTB-keurmerkcertificaat is geschorst.2. Een KTB-vergunning vervalt van rechtswege één dag nadat het KTB-keurmerkcertificaat is ingetrokken of vervallen (…)3. Burgemeester en wethouders kunnen een KTB-vergunning schorsen of intrekken indien:(…)
c. vergunninghouder taxivervoer verricht in strijd met de voorschriften en/of beperkingen die aan de KTB-vergunning zijn verbonden dan wel krachtens deze verordening gestelde nadere regels;d. dit naar het oordeel van burgemeester en wethouders in het belang van de kwaliteit van taxivervoer noodzakelijk is, onder meer vanwege veranderde wetgeving of gewijzigde omstandigheden of inzichten;(…)
Artikel 3.3 Toelatingseisen KTB-keurmerkcertificaat1. Om in aanmerking te kunnen komen voor een KTB-keurmerkcertificaat moet de chauffeur in ieder geval de opleidingen ‘Houding en Gedrag’ en ‘Stad- en stratenkennis [plaats] ’ zoals die door of namens burgemeester en wethouders worden gegeven met goed gevolg hebben afgelegd en zodoende beschikken over de betreffende deelcertificaten. Daarnaast moet de chauffeur het door het burgemeester en wethouders vastgestelde Normen en Waardenprotocol over gedrags- en kwaliteitsregels voor akkoord hebben ondertekend.(…)
Artikel 3.7 Intrekkingsgronden en schorsing KTB-keurmerk(…)
3. Burgemeester en wethouders kunnen een KTB-keurmerkcertificaat schorsen of intrekken indien:(…)
c. de houder van het KTB-keurmerkcertificaat niet meer voldoet aan de bij of krachtens artikel 3.3 gestelde toelatingseisen;
(…)”
Voorlopig oordeel
6.1
Aan het intrekkingsbesluit ligt artikel 2.8, derde lid, aanhef en onder d, van de Taxiverordening Breda ten grondslag. Verweerder heeft ter zitting toegelicht dat het gedrag van verzoeker op 19 en 20 februari 2023, zoals blijkt uit het proces-verbaal van bevindingen, heeft geleid tot andere inzichten als bedoeld in deze bepaling. Verweerder heeft verder toegelicht dat, gelet op de ernst van de feiten en omstandigheden, van de Handhavingsmatrix Breda is afgeweken door geen waarschuwing te geven of de KTB-vergunning te schorsen, maar direct over te gaan tot het intrekken van de vergunning. Daarbij hecht verweerder er waarde aan dat verzoeker met zijn gedrag het Normen en Waardenprotocol over gedrags- en kwaliteitsregels heeft geschonden.
6.2
De voorzieningenrechter heeft twijfels over de grondslag van het intrekkingsbesluit en de toelichting die daarop ter zitting door verweerder is gegeven. Een gewijzigd inzicht als bedoeld in artikel 2.8, derde lid, onder d, van de Taxiverordening Breda lijkt niet het gedrag van een taxichauffeur te omvatten. Het gedrag van taxichauffeurs wordt volgens de Taxiverordening nu juist bij het KTB-keurmerkcertificaat van belang geacht en niet zo zeer bij de KTB-vergunning. Het niet voldoen aan het Normen en Waardenprotocol wordt ook genoemd als grond voor schorsen of intrekken in artikel 3.7, derde lid, aanhef en onder c, in samenhang met artikel 3.3, eerste lid, van de Taxiverordening Breda. Indien een KTB-keurmerk wordt geschorst of ingetrokken volgt de KTB-vergunning gelet op artikel 2.8, eerste lid, van de Taxiverordening, daarmee hetzelfde lot. De voorzieningenrechter vindt dat het daarom voor de hand ligt dat, als het gedrag van een taxichauffeur daartoe aanleiding geeft, verweerder het KTB-keurmerkcertificaat schorst dan wel intrekt.
6.3.
De voorzieningenrechter twijfelt verder of het intrekkingsbesluit strookt met de Handhavingsmatrix Breda. Daarbij valt als eerste op dat artikel 2.8, derde lid, aanhef en onder d, hierin niet voorkomt, maar artikel 2.8, derde lid, aanhef en onder c, van de Taxiverordening Breda wel.
6.4
Het valt daarnaastop dat voor artikel 2.8, derde lid, aanhef en onder c, drie stappen worden beschreven bij constatering van een overtreding. Bij een eerste constatering volgt een bestuurlijke waarschuwing, bij een tweede constatering binnen twee jaar na de waarschuwing volgt een schorsing van de KTB-vergunning voor vier weken en bij een derde constatering binnen twee jaar na de vorige constatering volgt de intrekking van de KTB-vergunning. Ook bij andere in de Handhavingsmatrix genoemde overtredingen die samenhangen met de Taxiverordening wordt pas bij een derde constatering overgegaan tot het intrekken van de KTB-vergunning of KTB-keurmerk.
6.5
In het geval van verzoeker is verweerder direct overgegaan tot het intrekken van de KTB-vergunning. Verweerder heeft naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter onvoldoende gemotiveerd waarom, als een waarschuwing als bedoeld in de Handhavingsmatrix Breda al kan worden overgeslagen, niet is gekozen voor een schorsing in plaats van direct over te gaan tot het intrekken van de KTB-vergunning. De intrekking van de KTB-vergunning pakt voor verzoeker bijzonder ingrijpend uit, nu hij als gevolg daarvan nauwelijks inkomsten heeft om in het levensonderhoud van hem en zijn gezin te voorzien. Dan mag van verweerder worden verwacht dat zorgvuldig en deugdelijk wordt gemotiveerd waarom verweerder overgaat tot het opleggen van een dergelijke ingrijpende maatregel.
7. Gezien het voorgaande mist het intrekkingsbesluit naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter een deugdelijke grondslag en een toereikende motivering.
Dictum
De voorzieningenrechter:
schorst het intrekkingsbesluit tot 6 weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar;
draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 184,- aan verzoeker te vergoeden;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 2.092,50.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B. Bastein, in aanwezigheid van mr. A. Verhoeven, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 26 mei 2023.
w.g. B. Bastein de griffier is verhinderd de uitspraak mede te ondertekenen
Afschrift verzonden aan partijen op:
Inleiding
uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 23/997
uitspraak van de voorzieningenrechter van 26 mei 2023 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen
[naam] , te [plaats] , verzoeker
(gemachtigde: mr. F. Ergec),
en
het college van burgemeester en wethouders van Breda, verweerder
(gemachtigde: mr. J. Bajric).
Procesverloop
Met het besluit van 2 maart 2023 (het intrekkingsbesluit) heeft verweerder de Kwaliteitstaxi Breda vergunning (KTB-vergunning) van verzoeker ingetrokken.
Verzoeker heeft tegen het intrekkingsbesluit bezwaar gemaakt. Hij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Dit verzoek is in eerste instantie ingediend bij de rechtbank Zeeland WestBrabant. De rechtbank heeft het verzoek op 12 april 2023 doorgezonden naar het College.
De voorzieningenrechter heeft de zaak op 11 mei 2023 op een zitting behandeld.
Aan de zitting hebben deelgenomen [naam] en mr. F. Ergec namens verzoeker en mr. J. Bajric, S. Wulms en K. Overwater namens verweerder.
Ter zitting heeft de voorzieningenrechter verweerder opgedragen ervoor te zorgen dat verzoeker de camerabeelden van het incident dat heeft geleid tot het intrekkingsbesluit kan bekijken.
Op 22 mei 2023 hebben partijen de voorzieningenrechter hun reactie op de camerabeelden toegestuurd. Verweerder heeft op diezelfde dag de camerabeelden aan het College gezonden.
Overwegingen
1.1
Op grond van het bepaalde in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een besluit, voorafgaand aan een mogelijk beroep, bezwaar is gemaakt, op verzoek een voorlopige voorziening worden getroffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
1.2
Voor zover in deze uitspraak een oordeel wordt gegeven over de rechtmatigheid van het intrekkingsbesluit, is sprake van een voorlopig oordeel dat het College niet bindt in een eventuele bodemprocedure.
Achtergrond verzoek
2.1
In de avond van 19 februari en de vroege ochtend van 20 februari 2023, tijdens carnaval in [plaats] , hebben ongeregeldheden plaatsgevonden tussen taxichauffeurs met een KTB-vergunning en taxichauffeurs zonder KTB-vergunning. Toezichthouders van de gemeente [plaats] zijn hier op afgegaan en hebben wat zij hebben gezien neergelegd in het proces-verbaal van bevindingen […] van 1 maart 2023. Uit dit proces-verbaal komt het beeld naar voren dat verzoeker een rol had in de ongeregeldheden.
2.2
Op basis van dit proces-verbaal heeft verweerder het intrekkingsbesluit genomen. Dit besluit heeft tot gevolg dat verzoeker geen taxivervoer meer mag aanbieden voor de opstapmarkt in [plaats] .
Standpunt verzoeker
3. Verzoeker betoogt dat het proces-verbaal van bevindingen geen juiste weergave bevat van wat er die nacht is voorgevallen en dat verweerder ten onrechte op basis daarvan het intrekkingsbesluit heeft genomen. Verzoeker wordt onevenredig zwaar getroffen door het intrekkingsbesluit en acht het besluit daarom disproportioneel en in strijd met het evenredigheidsbeginsel. Verzoeker wijst daarbij op de uitgangspunten zoals neergelegd in de Handhavingsmatrix Breda.
Standpunt verweerder
4. Verweerder gaat uit van de juistheid van het proces-verbaal van bevindingen. Het gedrag van verzoeker dat daaruit blijkt, wordt ten zeerste afgekeurd en komt niet ten goede aan de kwaliteit van het [plaats] taxivervoer. Dat is de reden waarom verweerder de KTB-vergunning heeft ingetrokken.
Relevante regelgeving
5. De Taxiverordening Breda luidt, voor zover van belang, als volgt:
“Artikel 2.8 Intrekkingsgronden en schorsing KTB-vergunning1. Een KTB-vergunning is van rechtswege met onmiddellijk ingang en voor een gelijke periode geschorst als het KTB-keurmerkcertificaat is geschorst.2. Een KTB-vergunning vervalt van rechtswege één dag nadat het KTB-keurmerkcertificaat is ingetrokken of vervallen (…)3. Burgemeester en wethouders kunnen een KTB-vergunning schorsen of intrekken indien:(…)
c. vergunninghouder taxivervoer verricht in strijd met de voorschriften en/of beperkingen die aan de KTB-vergunning zijn verbonden dan wel krachtens deze verordening gestelde nadere regels;d. dit naar het oordeel van burgemeester en wethouders in het belang van de kwaliteit van taxivervoer noodzakelijk is, onder meer vanwege veranderde wetgeving of gewijzigde omstandigheden of inzichten;(…)
Artikel 3.3 Toelatingseisen KTB-keurmerkcertificaat1. Om in aanmerking te kunnen komen voor een KTB-keurmerkcertificaat moet de chauffeur in ieder geval de opleidingen ‘Houding en Gedrag’ en ‘Stad- en stratenkennis [plaats] ’ zoals die door of namens burgemeester en wethouders worden gegeven met goed gevolg hebben afgelegd en zodoende beschikken over de betreffende deelcertificaten. Daarnaast moet de chauffeur het door het burgemeester en wethouders vastgestelde Normen en Waardenprotocol over gedrags- en kwaliteitsregels voor akkoord hebben ondertekend.(…)
Artikel 3.7 Intrekkingsgronden en schorsing KTB-keurmerk(…)
3. Burgemeester en wethouders kunnen een KTB-keurmerkcertificaat schorsen of intrekken indien:(…)
c. de houder van het KTB-keurmerkcertificaat niet meer voldoet aan de bij of krachtens artikel 3.3 gestelde toelatingseisen;
(…)”
Voorlopig oordeel
6.1
Aan het intrekkingsbesluit ligt artikel 2.8, derde lid, aanhef en onder d, van de Taxiverordening Breda ten grondslag. Verweerder heeft ter zitting toegelicht dat het gedrag van verzoeker op 19 en 20 februari 2023, zoals blijkt uit het proces-verbaal van bevindingen, heeft geleid tot andere inzichten als bedoeld in deze bepaling. Verweerder heeft verder toegelicht dat, gelet op de ernst van de feiten en omstandigheden, van de Handhavingsmatrix Breda is afgeweken door geen waarschuwing te geven of de KTB-vergunning te schorsen, maar direct over te gaan tot het intrekken van de vergunning. Daarbij hecht verweerder er waarde aan dat verzoeker met zijn gedrag het Normen en Waardenprotocol over gedrags- en kwaliteitsregels heeft geschonden.
6.2
De voorzieningenrechter heeft twijfels over de grondslag van het intrekkingsbesluit en de toelichting die daarop ter zitting door verweerder is gegeven. Een gewijzigd inzicht als bedoeld in artikel 2.8, derde lid, onder d, van de Taxiverordening Breda lijkt niet het gedrag van een taxichauffeur te omvatten. Het gedrag van taxichauffeurs wordt volgens de Taxiverordening nu juist bij het KTB-keurmerkcertificaat van belang geacht en niet zo zeer bij de KTB-vergunning. Het niet voldoen aan het Normen en Waardenprotocol wordt ook genoemd als grond voor schorsen of intrekken in artikel 3.7, derde lid, aanhef en onder c, in samenhang met artikel 3.3, eerste lid, van de Taxiverordening Breda. Indien een KTB-keurmerk wordt geschorst of ingetrokken volgt de KTB-vergunning gelet op artikel 2.8, eerste lid, van de Taxiverordening, daarmee hetzelfde lot. De voorzieningenrechter vindt dat het daarom voor de hand ligt dat, als het gedrag van een taxichauffeur daartoe aanleiding geeft, verweerder het KTB-keurmerkcertificaat schorst dan wel intrekt.
6.3.
De voorzieningenrechter twijfelt verder of het intrekkingsbesluit strookt met de Handhavingsmatrix Breda. Daarbij valt als eerste op dat artikel 2.8, derde lid, aanhef en onder d, hierin niet voorkomt, maar artikel 2.8, derde lid, aanhef en onder c, van de Taxiverordening Breda wel.
6.4
Het valt daarnaastop dat voor artikel 2.8, derde lid, aanhef en onder c, drie stappen worden beschreven bij constatering van een overtreding. Bij een eerste constatering volgt een bestuurlijke waarschuwing, bij een tweede constatering binnen twee jaar na de waarschuwing volgt een schorsing van de KTB-vergunning voor vier weken en bij een derde constatering binnen twee jaar na de vorige constatering volgt de intrekking van de KTB-vergunning. Ook bij andere in de Handhavingsmatrix genoemde overtredingen die samenhangen met de Taxiverordening wordt pas bij een derde constatering overgegaan tot het intrekken van de KTB-vergunning of KTB-keurmerk.
6.5
In het geval van verzoeker is verweerder direct overgegaan tot het intrekken van de KTB-vergunning. Verweerder heeft naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter onvoldoende gemotiveerd waarom, als een waarschuwing als bedoeld in de Handhavingsmatrix Breda al kan worden overgeslagen, niet is gekozen voor een schorsing in plaats van direct over te gaan tot het intrekken van de KTB-vergunning. De intrekking van de KTB-vergunning pakt voor verzoeker bijzonder ingrijpend uit, nu hij als gevolg daarvan nauwelijks inkomsten heeft om in het levensonderhoud van hem en zijn gezin te voorzien. Dan mag van verweerder worden verwacht dat zorgvuldig en deugdelijk wordt gemotiveerd waarom verweerder overgaat tot het opleggen van een dergelijke ingrijpende maatregel.
7. Gezien het voorgaande mist het intrekkingsbesluit naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter een deugdelijke grondslag en een toereikende motivering.
Dictum
De voorzieningenrechter:
schorst het intrekkingsbesluit tot 6 weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar;
draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 184,- aan verzoeker te vergoeden;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 2.092,50.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B. Bastein, in aanwezigheid van mr. A. Verhoeven, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 26 mei 2023.
w.g. B. Bastein de griffier is verhinderd de uitspraak mede te ondertekenen
Afschrift verzonden aan partijen op:
Inleiding
uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 23/997
uitspraak van de voorzieningenrechter van 26 mei 2023 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen
[naam] , te [plaats] , verzoeker
(gemachtigde: mr. F. Ergec),
en
het college van burgemeester en wethouders van Breda, verweerder
(gemachtigde: mr. J. Bajric).
Procesverloop
Met het besluit van 2 maart 2023 (het intrekkingsbesluit) heeft verweerder de Kwaliteitstaxi Breda vergunning (KTB-vergunning) van verzoeker ingetrokken.
Verzoeker heeft tegen het intrekkingsbesluit bezwaar gemaakt. Hij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Dit verzoek is in eerste instantie ingediend bij de rechtbank Zeeland WestBrabant. De rechtbank heeft het verzoek op 12 april 2023 doorgezonden naar het College.
De voorzieningenrechter heeft de zaak op 11 mei 2023 op een zitting behandeld.
Aan de zitting hebben deelgenomen [naam] en mr. F. Ergec namens verzoeker en mr. J. Bajric, S. Wulms en K. Overwater namens verweerder.
Ter zitting heeft de voorzieningenrechter verweerder opgedragen ervoor te zorgen dat verzoeker de camerabeelden van het incident dat heeft geleid tot het intrekkingsbesluit kan bekijken.
Op 22 mei 2023 hebben partijen de voorzieningenrechter hun reactie op de camerabeelden toegestuurd. Verweerder heeft op diezelfde dag de camerabeelden aan het College gezonden.
Overwegingen
1.1
Op grond van het bepaalde in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een besluit, voorafgaand aan een mogelijk beroep, bezwaar is gemaakt, op verzoek een voorlopige voorziening worden getroffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
1.2
Voor zover in deze uitspraak een oordeel wordt gegeven over de rechtmatigheid van het intrekkingsbesluit, is sprake van een voorlopig oordeel dat het College niet bindt in een eventuele bodemprocedure.
Achtergrond verzoek
2.1
In de avond van 19 februari en de vroege ochtend van 20 februari 2023, tijdens carnaval in [plaats] , hebben ongeregeldheden plaatsgevonden tussen taxichauffeurs met een KTB-vergunning en taxichauffeurs zonder KTB-vergunning. Toezichthouders van de gemeente [plaats] zijn hier op afgegaan en hebben wat zij hebben gezien neergelegd in het proces-verbaal van bevindingen […] van 1 maart 2023. Uit dit proces-verbaal komt het beeld naar voren dat verzoeker een rol had in de ongeregeldheden.
2.2
Op basis van dit proces-verbaal heeft verweerder het intrekkingsbesluit genomen. Dit besluit heeft tot gevolg dat verzoeker geen taxivervoer meer mag aanbieden voor de opstapmarkt in [plaats] .
Standpunt verzoeker
3. Verzoeker betoogt dat het proces-verbaal van bevindingen geen juiste weergave bevat van wat er die nacht is voorgevallen en dat verweerder ten onrechte op basis daarvan het intrekkingsbesluit heeft genomen. Verzoeker wordt onevenredig zwaar getroffen door het intrekkingsbesluit en acht het besluit daarom disproportioneel en in strijd met het evenredigheidsbeginsel. Verzoeker wijst daarbij op de uitgangspunten zoals neergelegd in de Handhavingsmatrix Breda.
Standpunt verweerder
4. Verweerder gaat uit van de juistheid van het proces-verbaal van bevindingen. Het gedrag van verzoeker dat daaruit blijkt, wordt ten zeerste afgekeurd en komt niet ten goede aan de kwaliteit van het [plaats] taxivervoer. Dat is de reden waarom verweerder de KTB-vergunning heeft ingetrokken.
Relevante regelgeving
5. De Taxiverordening Breda luidt, voor zover van belang, als volgt:
“Artikel 2.8 Intrekkingsgronden en schorsing KTB-vergunning1. Een KTB-vergunning is van rechtswege met onmiddellijk ingang en voor een gelijke periode geschorst als het KTB-keurmerkcertificaat is geschorst.2. Een KTB-vergunning vervalt van rechtswege één dag nadat het KTB-keurmerkcertificaat is ingetrokken of vervallen (…)3. Burgemeester en wethouders kunnen een KTB-vergunning schorsen of intrekken indien:(…)
c. vergunninghouder taxivervoer verricht in strijd met de voorschriften en/of beperkingen die aan de KTB-vergunning zijn verbonden dan wel krachtens deze verordening gestelde nadere regels;d. dit naar het oordeel van burgemeester en wethouders in het belang van de kwaliteit van taxivervoer noodzakelijk is, onder meer vanwege veranderde wetgeving of gewijzigde omstandigheden of inzichten;(…)
Artikel 3.3 Toelatingseisen KTB-keurmerkcertificaat1. Om in aanmerking te kunnen komen voor een KTB-keurmerkcertificaat moet de chauffeur in ieder geval de opleidingen ‘Houding en Gedrag’ en ‘Stad- en stratenkennis [plaats] ’ zoals die door of namens burgemeester en wethouders worden gegeven met goed gevolg hebben afgelegd en zodoende beschikken over de betreffende deelcertificaten. Daarnaast moet de chauffeur het door het burgemeester en wethouders vastgestelde Normen en Waardenprotocol over gedrags- en kwaliteitsregels voor akkoord hebben ondertekend.(…)
Artikel 3.7 Intrekkingsgronden en schorsing KTB-keurmerk(…)
3. Burgemeester en wethouders kunnen een KTB-keurmerkcertificaat schorsen of intrekken indien:(…)
c. de houder van het KTB-keurmerkcertificaat niet meer voldoet aan de bij of krachtens artikel 3.3 gestelde toelatingseisen;
(…)”
Voorlopig oordeel
6.1
Aan het intrekkingsbesluit ligt artikel 2.8, derde lid, aanhef en onder d, van de Taxiverordening Breda ten grondslag. Verweerder heeft ter zitting toegelicht dat het gedrag van verzoeker op 19 en 20 februari 2023, zoals blijkt uit het proces-verbaal van bevindingen, heeft geleid tot andere inzichten als bedoeld in deze bepaling. Verweerder heeft verder toegelicht dat, gelet op de ernst van de feiten en omstandigheden, van de Handhavingsmatrix Breda is afgeweken door geen waarschuwing te geven of de KTB-vergunning te schorsen, maar direct over te gaan tot het intrekken van de vergunning. Daarbij hecht verweerder er waarde aan dat verzoeker met zijn gedrag het Normen en Waardenprotocol over gedrags- en kwaliteitsregels heeft geschonden.
6.2
De voorzieningenrechter heeft twijfels over de grondslag van het intrekkingsbesluit en de toelichting die daarop ter zitting door verweerder is gegeven. Een gewijzigd inzicht als bedoeld in artikel 2.8, derde lid, onder d, van de Taxiverordening Breda lijkt niet het gedrag van een taxichauffeur te omvatten. Het gedrag van taxichauffeurs wordt volgens de Taxiverordening nu juist bij het KTB-keurmerkcertificaat van belang geacht en niet zo zeer bij de KTB-vergunning. Het niet voldoen aan het Normen en Waardenprotocol wordt ook genoemd als grond voor schorsen of intrekken in artikel 3.7, derde lid, aanhef en onder c, in samenhang met artikel 3.3, eerste lid, van de Taxiverordening Breda. Indien een KTB-keurmerk wordt geschorst of ingetrokken volgt de KTB-vergunning gelet op artikel 2.8, eerste lid, van de Taxiverordening, daarmee hetzelfde lot. De voorzieningenrechter vindt dat het daarom voor de hand ligt dat, als het gedrag van een taxichauffeur daartoe aanleiding geeft, verweerder het KTB-keurmerkcertificaat schorst dan wel intrekt.
6.3.
De voorzieningenrechter twijfelt verder of het intrekkingsbesluit strookt met de Handhavingsmatrix Breda. Daarbij valt als eerste op dat artikel 2.8, derde lid, aanhef en onder d, hierin niet voorkomt, maar artikel 2.8, derde lid, aanhef en onder c, van de Taxiverordening Breda wel.
6.4
Het valt daarnaastop dat voor artikel 2.8, derde lid, aanhef en onder c, drie stappen worden beschreven bij constatering van een overtreding. Bij een eerste constatering volgt een bestuurlijke waarschuwing, bij een tweede constatering binnen twee jaar na de waarschuwing volgt een schorsing van de KTB-vergunning voor vier weken en bij een derde constatering binnen twee jaar na de vorige constatering volgt de intrekking van de KTB-vergunning. Ook bij andere in de Handhavingsmatrix genoemde overtredingen die samenhangen met de Taxiverordening wordt pas bij een derde constatering overgegaan tot het intrekken van de KTB-vergunning of KTB-keurmerk.
6.5
In het geval van verzoeker is verweerder direct overgegaan tot het intrekken van de KTB-vergunning. Verweerder heeft naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter onvoldoende gemotiveerd waarom, als een waarschuwing als bedoeld in de Handhavingsmatrix Breda al kan worden overgeslagen, niet is gekozen voor een schorsing in plaats van direct over te gaan tot het intrekken van de KTB-vergunning. De intrekking van de KTB-vergunning pakt voor verzoeker bijzonder ingrijpend uit, nu hij als gevolg daarvan nauwelijks inkomsten heeft om in het levensonderhoud van hem en zijn gezin te voorzien. Dan mag van verweerder worden verwacht dat zorgvuldig en deugdelijk wordt gemotiveerd waarom verweerder overgaat tot het opleggen van een dergelijke ingrijpende maatregel.
7. Gezien het voorgaande mist het intrekkingsbesluit naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter een deugdelijke grondslag en een toereikende motivering.
Dictum
De voorzieningenrechter:
schorst het intrekkingsbesluit tot 6 weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar;
draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 184,- aan verzoeker te vergoeden;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 2.092,50.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B. Bastein, in aanwezigheid van mr. A. Verhoeven, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 26 mei 2023.
w.g. B. Bastein de griffier is verhinderd de uitspraak mede te ondertekenen
Afschrift verzonden aan partijen op: