Rechtspraak
College van Beroep voor het bedrijfsleven
2023-06-06
ECLI:NL:CBB:2023:281
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
5,795 tokens
Inleiding
uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 21/1533
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 juni 2023 in de zaak tussen
[naam 1] B.V., te [plaats] , (de onderneming)
(gemachtigde: mr. M.C.M.M. van de Ven),
en
de minister van Economische Zaken en Klimaat, (de minister)
(gemachtigden: mr. H.G.M. Wammes en mr. M.P. Beudeker).
Procesverloop
Met het besluit van 29 april 2021 heeft de minister de aanvraag van de onderneming voor een subsidie op grond van de Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19 voor het eerste kwartaal (Q1) van 2021 afgewezen.
Met het besluit van 29 november 2021 (het bestreden besluit I) heeft de minister het bezwaar van de onderneming ongegrond verklaard.
De onderneming heeft tegen het bestreden besluit I beroep ingesteld.
Met het besluit van 1 augustus 2022 (het bestreden besluit II) heeft de minister het bestreden besluit I herzien, het bezwaar gegrond verklaard en alsnog een subsidie verleend van
€ 57.393,89.
Met het besluit van 29 december 2022 (het bestreden besluit III) heeft de minister het bestreden besluit II herzien en de subsidie vastgesteld op € 64.692,79.
De onderneming heeft zijn beroep gehandhaafd. Het beroep heeft mede betrekking op het bestreden besluit II en III.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
De zitting was op 16 januari 2023. Aan de zitting hebben deelgenomen [naam 2] namens de onderneming, bijgestaan door mr. M.C.M.M. van de Ven en mr. H.G.M. Wammes en mr. M.P. Beudeker namens de minister.
Het beroep is op die zitting behandeld samen met twee andere beroepen van de onderneming (21/1532 en 21/1534). In verband met het aanhouden van zaaknummer 21/1532, is ook deze zaak aangehouden. Nadat de onderneming het College heeft laten weten dat hij nog steeds een uitspraak wil in deze zaak, heeft het College het onderzoek op 17 mei 2023 gesloten.
Overwegingen
1. De onderneming exploiteert een tapasrestaurant. Hij heeft een subsidie aangevraagd voor Q1 2021. Die aanvraag heeft eerst tot een afwijzing en een ongegrond bezwaar geleid, maar de minister is later van standpunt veranderd. Nadat de onderneming beroep heeft ingesteld en voordat de zitting heeft plaatsgevonden, heeft de minister in het bestreden besluit III namelijk alsnog een subsidie vastgesteld van € 64.692,79. De onderneming heeft geen gronden aangevoerd tegen het bestreden besluit III. Het College stelt daarom vast dat de minister volledig tegemoet is gekomen aan het beroep van de onderneming. Hieruit volgt dat de onderneming geen belang heeft bij een verdere beoordeling van zijn beroep tegen bestreden besluit III. Evenmin heeft de onderneming belang bij een beoordeling van zijn beroep tegen bestreden besluit II, omdat dit is vervangen door bestreden besluit III. Het beroep is daarom niet-ontvankelijk. Dat betekent dat het College het beroep niet inhoudelijk beoordeelt.
2. Op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht is de bestuursrechter bevoegd een partij te veroordelen in de kosten die een andere partij redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het beroep. Omdat de minister na het instellen van beroep aan de onderneming tegemoet is gekomen, veroordeelt het College de minister in de proceskosten. Deze kosten stelt het College op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.674,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het bijwonen van de zitting op 16 januari 2023 met een waarde per punt van € 837,- en een wegingsfactor 1).
3. Verder draagt het College de minister op het betaalde griffierecht van € 360,- aan de onderneming te vergoeden.
Dictum
Het College:
verklaart het beroep niet-ontvankelijk;
draagt de minister op het betaalde griffierecht van € 360,- te vergoeden;
veroordeelt de minister in de proceskosten van de onderneming tot een bedrag van
€ 1.674,-
Deze uitspraak is gedaan door mr. H. van den Heuvel, in aanwezigheid van mr. A.M. Slierendrecht, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 6 juni 2023.
w.g. H. van den Heuvel w.g. A.M. Slierendrecht
Inleiding
uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 21/1533
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 juni 2023 in de zaak tussen
[naam 1] B.V., te [plaats] , (de onderneming)
(gemachtigde: mr. M.C.M.M. van de Ven),
en
de minister van Economische Zaken en Klimaat, (de minister)
(gemachtigden: mr. H.G.M. Wammes en mr. M.P. Beudeker).
Procesverloop
Met het besluit van 29 april 2021 heeft de minister de aanvraag van de onderneming voor een subsidie op grond van de Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19 voor het eerste kwartaal (Q1) van 2021 afgewezen.
Met het besluit van 29 november 2021 (het bestreden besluit I) heeft de minister het bezwaar van de onderneming ongegrond verklaard.
De onderneming heeft tegen het bestreden besluit I beroep ingesteld.
Met het besluit van 1 augustus 2022 (het bestreden besluit II) heeft de minister het bestreden besluit I herzien, het bezwaar gegrond verklaard en alsnog een subsidie verleend van
€ 57.393,89.
Met het besluit van 29 december 2022 (het bestreden besluit III) heeft de minister het bestreden besluit II herzien en de subsidie vastgesteld op € 64.692,79.
De onderneming heeft zijn beroep gehandhaafd. Het beroep heeft mede betrekking op het bestreden besluit II en III.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
De zitting was op 16 januari 2023. Aan de zitting hebben deelgenomen [naam 2] namens de onderneming, bijgestaan door mr. M.C.M.M. van de Ven en mr. H.G.M. Wammes en mr. M.P. Beudeker namens de minister.
Het beroep is op die zitting behandeld samen met twee andere beroepen van de onderneming (21/1532 en 21/1534). In verband met het aanhouden van zaaknummer 21/1532, is ook deze zaak aangehouden. Nadat de onderneming het College heeft laten weten dat hij nog steeds een uitspraak wil in deze zaak, heeft het College het onderzoek op 17 mei 2023 gesloten.
Overwegingen
1. De onderneming exploiteert een tapasrestaurant. Hij heeft een subsidie aangevraagd voor Q1 2021. Die aanvraag heeft eerst tot een afwijzing en een ongegrond bezwaar geleid, maar de minister is later van standpunt veranderd. Nadat de onderneming beroep heeft ingesteld en voordat de zitting heeft plaatsgevonden, heeft de minister in het bestreden besluit III namelijk alsnog een subsidie vastgesteld van € 64.692,79. De onderneming heeft geen gronden aangevoerd tegen het bestreden besluit III. Het College stelt daarom vast dat de minister volledig tegemoet is gekomen aan het beroep van de onderneming. Hieruit volgt dat de onderneming geen belang heeft bij een verdere beoordeling van zijn beroep tegen bestreden besluit III. Evenmin heeft de onderneming belang bij een beoordeling van zijn beroep tegen bestreden besluit II, omdat dit is vervangen door bestreden besluit III. Het beroep is daarom niet-ontvankelijk. Dat betekent dat het College het beroep niet inhoudelijk beoordeelt.
2. Op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht is de bestuursrechter bevoegd een partij te veroordelen in de kosten die een andere partij redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het beroep. Omdat de minister na het instellen van beroep aan de onderneming tegemoet is gekomen, veroordeelt het College de minister in de proceskosten. Deze kosten stelt het College op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.674,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het bijwonen van de zitting op 16 januari 2023 met een waarde per punt van € 837,- en een wegingsfactor 1).
3. Verder draagt het College de minister op het betaalde griffierecht van € 360,- aan de onderneming te vergoeden.
Dictum
Het College:
verklaart het beroep niet-ontvankelijk;
draagt de minister op het betaalde griffierecht van € 360,- te vergoeden;
veroordeelt de minister in de proceskosten van de onderneming tot een bedrag van
€ 1.674,-
Deze uitspraak is gedaan door mr. H. van den Heuvel, in aanwezigheid van mr. A.M. Slierendrecht, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 6 juni 2023.
w.g. H. van den Heuvel w.g. A.M. Slierendrecht
Inleiding
uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 21/1533
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 juni 2023 in de zaak tussen
[naam 1] B.V., te [plaats] , (de onderneming)
(gemachtigde: mr. M.C.M.M. van de Ven),
en
de minister van Economische Zaken en Klimaat, (de minister)
(gemachtigden: mr. H.G.M. Wammes en mr. M.P. Beudeker).
Procesverloop
Met het besluit van 29 april 2021 heeft de minister de aanvraag van de onderneming voor een subsidie op grond van de Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19 voor het eerste kwartaal (Q1) van 2021 afgewezen.
Met het besluit van 29 november 2021 (het bestreden besluit I) heeft de minister het bezwaar van de onderneming ongegrond verklaard.
De onderneming heeft tegen het bestreden besluit I beroep ingesteld.
Met het besluit van 1 augustus 2022 (het bestreden besluit II) heeft de minister het bestreden besluit I herzien, het bezwaar gegrond verklaard en alsnog een subsidie verleend van
€ 57.393,89.
Met het besluit van 29 december 2022 (het bestreden besluit III) heeft de minister het bestreden besluit II herzien en de subsidie vastgesteld op € 64.692,79.
De onderneming heeft zijn beroep gehandhaafd. Het beroep heeft mede betrekking op het bestreden besluit II en III.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
De zitting was op 16 januari 2023. Aan de zitting hebben deelgenomen [naam 2] namens de onderneming, bijgestaan door mr. M.C.M.M. van de Ven en mr. H.G.M. Wammes en mr. M.P. Beudeker namens de minister.
Het beroep is op die zitting behandeld samen met twee andere beroepen van de onderneming (21/1532 en 21/1534). In verband met het aanhouden van zaaknummer 21/1532, is ook deze zaak aangehouden. Nadat de onderneming het College heeft laten weten dat hij nog steeds een uitspraak wil in deze zaak, heeft het College het onderzoek op 17 mei 2023 gesloten.
Overwegingen
1. De onderneming exploiteert een tapasrestaurant. Hij heeft een subsidie aangevraagd voor Q1 2021. Die aanvraag heeft eerst tot een afwijzing en een ongegrond bezwaar geleid, maar de minister is later van standpunt veranderd. Nadat de onderneming beroep heeft ingesteld en voordat de zitting heeft plaatsgevonden, heeft de minister in het bestreden besluit III namelijk alsnog een subsidie vastgesteld van € 64.692,79. De onderneming heeft geen gronden aangevoerd tegen het bestreden besluit III. Het College stelt daarom vast dat de minister volledig tegemoet is gekomen aan het beroep van de onderneming. Hieruit volgt dat de onderneming geen belang heeft bij een verdere beoordeling van zijn beroep tegen bestreden besluit III. Evenmin heeft de onderneming belang bij een beoordeling van zijn beroep tegen bestreden besluit II, omdat dit is vervangen door bestreden besluit III. Het beroep is daarom niet-ontvankelijk. Dat betekent dat het College het beroep niet inhoudelijk beoordeelt.
2. Op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht is de bestuursrechter bevoegd een partij te veroordelen in de kosten die een andere partij redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het beroep. Omdat de minister na het instellen van beroep aan de onderneming tegemoet is gekomen, veroordeelt het College de minister in de proceskosten. Deze kosten stelt het College op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.674,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het bijwonen van de zitting op 16 januari 2023 met een waarde per punt van € 837,- en een wegingsfactor 1).
3. Verder draagt het College de minister op het betaalde griffierecht van € 360,- aan de onderneming te vergoeden.
Dictum
Het College:
verklaart het beroep niet-ontvankelijk;
draagt de minister op het betaalde griffierecht van € 360,- te vergoeden;
veroordeelt de minister in de proceskosten van de onderneming tot een bedrag van
€ 1.674,-
Deze uitspraak is gedaan door mr. H. van den Heuvel, in aanwezigheid van mr. A.M. Slierendrecht, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 6 juni 2023.
w.g. H. van den Heuvel w.g. A.M. Slierendrecht
Inleiding
uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 21/1533
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 juni 2023 in de zaak tussen
[naam 1] B.V., te [plaats] , (de onderneming)
(gemachtigde: mr. M.C.M.M. van de Ven),
en
de minister van Economische Zaken en Klimaat, (de minister)
(gemachtigden: mr. H.G.M. Wammes en mr. M.P. Beudeker).
Procesverloop
Met het besluit van 29 april 2021 heeft de minister de aanvraag van de onderneming voor een subsidie op grond van de Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19 voor het eerste kwartaal (Q1) van 2021 afgewezen.
Met het besluit van 29 november 2021 (het bestreden besluit I) heeft de minister het bezwaar van de onderneming ongegrond verklaard.
De onderneming heeft tegen het bestreden besluit I beroep ingesteld.
Met het besluit van 1 augustus 2022 (het bestreden besluit II) heeft de minister het bestreden besluit I herzien, het bezwaar gegrond verklaard en alsnog een subsidie verleend van
€ 57.393,89.
Met het besluit van 29 december 2022 (het bestreden besluit III) heeft de minister het bestreden besluit II herzien en de subsidie vastgesteld op € 64.692,79.
De onderneming heeft zijn beroep gehandhaafd. Het beroep heeft mede betrekking op het bestreden besluit II en III.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
De zitting was op 16 januari 2023. Aan de zitting hebben deelgenomen [naam 2] namens de onderneming, bijgestaan door mr. M.C.M.M. van de Ven en mr. H.G.M. Wammes en mr. M.P. Beudeker namens de minister.
Het beroep is op die zitting behandeld samen met twee andere beroepen van de onderneming (21/1532 en 21/1534). In verband met het aanhouden van zaaknummer 21/1532, is ook deze zaak aangehouden. Nadat de onderneming het College heeft laten weten dat hij nog steeds een uitspraak wil in deze zaak, heeft het College het onderzoek op 17 mei 2023 gesloten.
Overwegingen
1. De onderneming exploiteert een tapasrestaurant. Hij heeft een subsidie aangevraagd voor Q1 2021. Die aanvraag heeft eerst tot een afwijzing en een ongegrond bezwaar geleid, maar de minister is later van standpunt veranderd. Nadat de onderneming beroep heeft ingesteld en voordat de zitting heeft plaatsgevonden, heeft de minister in het bestreden besluit III namelijk alsnog een subsidie vastgesteld van € 64.692,79. De onderneming heeft geen gronden aangevoerd tegen het bestreden besluit III. Het College stelt daarom vast dat de minister volledig tegemoet is gekomen aan het beroep van de onderneming. Hieruit volgt dat de onderneming geen belang heeft bij een verdere beoordeling van zijn beroep tegen bestreden besluit III. Evenmin heeft de onderneming belang bij een beoordeling van zijn beroep tegen bestreden besluit II, omdat dit is vervangen door bestreden besluit III. Het beroep is daarom niet-ontvankelijk. Dat betekent dat het College het beroep niet inhoudelijk beoordeelt.
2. Op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht is de bestuursrechter bevoegd een partij te veroordelen in de kosten die een andere partij redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het beroep. Omdat de minister na het instellen van beroep aan de onderneming tegemoet is gekomen, veroordeelt het College de minister in de proceskosten. Deze kosten stelt het College op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.674,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het bijwonen van de zitting op 16 januari 2023 met een waarde per punt van € 837,- en een wegingsfactor 1).
3. Verder draagt het College de minister op het betaalde griffierecht van € 360,- aan de onderneming te vergoeden.
Dictum
Het College:
verklaart het beroep niet-ontvankelijk;
draagt de minister op het betaalde griffierecht van € 360,- te vergoeden;
veroordeelt de minister in de proceskosten van de onderneming tot een bedrag van
€ 1.674,-
Deze uitspraak is gedaan door mr. H. van den Heuvel, in aanwezigheid van mr. A.M. Slierendrecht, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 6 juni 2023.
w.g. H. van den Heuvel w.g. A.M. Slierendrecht
Inleiding
uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 21/1533
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 juni 2023 in de zaak tussen
[naam 1] B.V., te [plaats] , (de onderneming)
(gemachtigde: mr. M.C.M.M. van de Ven),
en
de minister van Economische Zaken en Klimaat, (de minister)
(gemachtigden: mr. H.G.M. Wammes en mr. M.P. Beudeker).
Procesverloop
Met het besluit van 29 april 2021 heeft de minister de aanvraag van de onderneming voor een subsidie op grond van de Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19 voor het eerste kwartaal (Q1) van 2021 afgewezen.
Met het besluit van 29 november 2021 (het bestreden besluit I) heeft de minister het bezwaar van de onderneming ongegrond verklaard.
De onderneming heeft tegen het bestreden besluit I beroep ingesteld.
Met het besluit van 1 augustus 2022 (het bestreden besluit II) heeft de minister het bestreden besluit I herzien, het bezwaar gegrond verklaard en alsnog een subsidie verleend van
€ 57.393,89.
Met het besluit van 29 december 2022 (het bestreden besluit III) heeft de minister het bestreden besluit II herzien en de subsidie vastgesteld op € 64.692,79.
De onderneming heeft zijn beroep gehandhaafd. Het beroep heeft mede betrekking op het bestreden besluit II en III.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
De zitting was op 16 januari 2023. Aan de zitting hebben deelgenomen [naam 2] namens de onderneming, bijgestaan door mr. M.C.M.M. van de Ven en mr. H.G.M. Wammes en mr. M.P. Beudeker namens de minister.
Het beroep is op die zitting behandeld samen met twee andere beroepen van de onderneming (21/1532 en 21/1534). In verband met het aanhouden van zaaknummer 21/1532, is ook deze zaak aangehouden. Nadat de onderneming het College heeft laten weten dat hij nog steeds een uitspraak wil in deze zaak, heeft het College het onderzoek op 17 mei 2023 gesloten.
Overwegingen
1. De onderneming exploiteert een tapasrestaurant. Hij heeft een subsidie aangevraagd voor Q1 2021. Die aanvraag heeft eerst tot een afwijzing en een ongegrond bezwaar geleid, maar de minister is later van standpunt veranderd. Nadat de onderneming beroep heeft ingesteld en voordat de zitting heeft plaatsgevonden, heeft de minister in het bestreden besluit III namelijk alsnog een subsidie vastgesteld van € 64.692,79. De onderneming heeft geen gronden aangevoerd tegen het bestreden besluit III. Het College stelt daarom vast dat de minister volledig tegemoet is gekomen aan het beroep van de onderneming. Hieruit volgt dat de onderneming geen belang heeft bij een verdere beoordeling van zijn beroep tegen bestreden besluit III. Evenmin heeft de onderneming belang bij een beoordeling van zijn beroep tegen bestreden besluit II, omdat dit is vervangen door bestreden besluit III. Het beroep is daarom niet-ontvankelijk. Dat betekent dat het College het beroep niet inhoudelijk beoordeelt.
2. Op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht is de bestuursrechter bevoegd een partij te veroordelen in de kosten die een andere partij redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het beroep. Omdat de minister na het instellen van beroep aan de onderneming tegemoet is gekomen, veroordeelt het College de minister in de proceskosten. Deze kosten stelt het College op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.674,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het bijwonen van de zitting op 16 januari 2023 met een waarde per punt van € 837,- en een wegingsfactor 1).
3. Verder draagt het College de minister op het betaalde griffierecht van € 360,- aan de onderneming te vergoeden.
Dictum
Het College:
verklaart het beroep niet-ontvankelijk;
draagt de minister op het betaalde griffierecht van € 360,- te vergoeden;
veroordeelt de minister in de proceskosten van de onderneming tot een bedrag van
€ 1.674,-
Deze uitspraak is gedaan door mr. H. van den Heuvel, in aanwezigheid van mr. A.M. Slierendrecht, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 6 juni 2023.
w.g. H. van den Heuvel w.g. A.M. Slierendrecht