Rechtspraak
College van Beroep voor het bedrijfsleven
2023-05-22
ECLI:NL:CBB:2023:275
Bestuursrecht
Mondelinge uitspraak
7,245 tokens
Inleiding
proces-verbaal uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 22/332
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 mei 2023 in de zaak tussen
[naam 1] B.V., gevestigd te [plaats] (de onderneming)
en
de minister van Economische Zaken en Klimaat (de minister).
Procesverloop
Met het besluit van 20 oktober 2021 heeft de minister de aanvraag van de onderneming voor een subsidie op grond van de Regeling subsidie financiering vaste lasten COVID-19 (TVL) voor het tweede kwartaal van 2021 afgewezen.
Met de beslissing op bezwaar van 18 januari 2022 heeft de minister het bezwaar van de onderneming ongegrond verklaard.
De onderneming heeft beroep ingesteld tegen de beslissing op bezwaar van 18 januari 2022. De minister heeft een verweerschrift ingediend.
Het beroep is behandeld op de zitting van 22 mei 2023. Aan de zitting hebben deelgenomen: [naam 2] en [naam 3] (de eigenaren) namens de onderneming en H.G.M. Wammes en A.M.D. Dijkstra namens de minister.
Na sluiting van het onderzoek ter zitting heeft het College onmiddellijk uitspraak gedaan.
Overwegingen
1. Het College geeft hiervoor de volgende motivering.
2. De aanvraagperiode voor TVL-subsidie voor het tweede kwartaal van 2021 liep van 25 juni 2021 om 08.00 uur tot 20 augustus 2021 om 17.00 uur. Nadat de aanvraagperiode al was afgelopen kwam de onderneming erachter dat zij de TVL-subsidie voor dit kwartaal niet op tijd had aangevraagd en heeft een melding gedaan bij de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO). De minister heeft die melding aangemerkt als een pro forma aanvraag. Hij heeft de aanvraag afgewezen omdat die niet binnen de aanvraagperiode is ingediend.
3. De onderneming voert aan dat de aanvraag ten onrechte is afgewezen. Voor de andere kwartalen heeft de onderneming wel TVL-subsidie ontvangen. Tijdens de aanvraagperiode mocht de horeca gelukkig wel weer open. De eigenaren werkten toen vanwege personeels-tekorten ieder 60 tot 80 uur per week op de werkvloer mee. Daardoor zijn zij in die tijd helemaal niet toegekomen aan administratieve werkzaamheden. De onderneming vindt dat de minister meer rekening had moeten houden met de menselijke maat. De onderneming wijst erop dat de aanvraagperiodes voor andere coronasteunmaatregelen zijn verlengd om meer mensen een kans te geven zich in te schrijven. De aanvraagtermijnen waren ook niet voor alle TVL-kwartalen even lang en eindigden ten opzichte van het kwartaal waar het om ging ook niet op hetzelfde moment. Op de zitting hebben de eigenaren verteld dat dat het verwarrend maakte wanneer de aanvraagperiode voor elk kwartaal afliep, en dat zij daardoor niet bedacht waren op het verstrijken van de deadline. De onderneming geeft ten slotte aan dat de afwijzing grote financiële gevolgen heeft. Daardoor zijn de opgebouwde reserves vervlogen. De onderneming is de enige inkomstenbron voor het gezin van de eigenaren. De subsidie is daarom nodig om zowel zakelijk als privé het hoofd boven water te kunnen houden.
4. De minister vindt dat de aanvraag terecht is afgewezen. De minister begrijpt dat het voor de onderneming en veel andere ondernemers een verwarrende, zware en drukke tijd is geweest. Dat is volgens de minister echter geen reden om de te late indiening te accepteren. Het is de verantwoordelijkheid van de onderneming om tijdig een aanvraag in te dienen en daarbij eventueel de hulp van een derde in te schakelen. Het is niet gebleken dat het voor de onderneming onmogelijk was om op tijd een aanvraag in te dienen. De sluitingsdatum is duidelijk genoemd in de TVL-regeling en op de website van RVO. Gelet daarop komen de gevolgen van de te late indiening voor rekening van de onderneming. Dat voor andere regelingen of andere kwartalen de aanvraagperiode is verlengd betekent volgens de minister nog niet dat hij dat ook voor deze aanvraagperiode moest doen.
5. Het College oordeelt dat wat de onderneming aanvoert geen reden is om te oordelen dat zij ondanks de te late indiening alsnog in aanmerking moet komen voor TVL-subsidie. Het College begrijpt dat de coronatijd een verwarrende tijd was voor ondernemers. Maar uit de TVL blijkt duidelijk wanneer de aanvraagperiode afloopt en dat stond ook op de website van RVO. Dat de termijnen voor de verschillende kwartalen niet gelijk waren maakt deze termijn nog niet onduidelijk. Er was voldoende tijd om een aanvraag in te dienen, de minister hoefde die periode niet te verlengen. De onderneming is ervoor verantwoordelijk dat de aanvraag voor afloop van de aanvraagperiode wordt ingediend, door haarzelf of door een gemachtigde. Als de onderneming dat niet op tijd doet moet de minister de aanvraag afwijzen. Het College begrijpt dat de afwijzing voor de onderneming financieel grote gevolgen heeft. Maar als de onderneming zonder goede reden niet op tijd een aanvraag indient, komen de gevolgen daarvan voor haar rekening.
6. De minister heeft de aanvraag terecht afgewezen omdat die te laat is ingediend. De beslissing op bezwaar en de grondslag waarop die berust is juist.
7. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van der Knijff, in aanwezigheid van E.E.M. Koomen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 mei 2023.
w.g. mr. M. van der Knijff De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.
Artikel 2.3.8 van de TVL.
Inleiding
proces-verbaal uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 22/332
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 mei 2023 in de zaak tussen
[naam 1] B.V., gevestigd te [plaats] (de onderneming)
en
de minister van Economische Zaken en Klimaat (de minister).
Procesverloop
Met het besluit van 20 oktober 2021 heeft de minister de aanvraag van de onderneming voor een subsidie op grond van de Regeling subsidie financiering vaste lasten COVID-19 (TVL) voor het tweede kwartaal van 2021 afgewezen.
Met de beslissing op bezwaar van 18 januari 2022 heeft de minister het bezwaar van de onderneming ongegrond verklaard.
De onderneming heeft beroep ingesteld tegen de beslissing op bezwaar van 18 januari 2022. De minister heeft een verweerschrift ingediend.
Het beroep is behandeld op de zitting van 22 mei 2023. Aan de zitting hebben deelgenomen: [naam 2] en [naam 3] (de eigenaren) namens de onderneming en H.G.M. Wammes en A.M.D. Dijkstra namens de minister.
Na sluiting van het onderzoek ter zitting heeft het College onmiddellijk uitspraak gedaan.
Overwegingen
1. Het College geeft hiervoor de volgende motivering.
2. De aanvraagperiode voor TVL-subsidie voor het tweede kwartaal van 2021 liep van 25 juni 2021 om 08.00 uur tot 20 augustus 2021 om 17.00 uur. Nadat de aanvraagperiode al was afgelopen kwam de onderneming erachter dat zij de TVL-subsidie voor dit kwartaal niet op tijd had aangevraagd en heeft een melding gedaan bij de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO). De minister heeft die melding aangemerkt als een pro forma aanvraag. Hij heeft de aanvraag afgewezen omdat die niet binnen de aanvraagperiode is ingediend.
3. De onderneming voert aan dat de aanvraag ten onrechte is afgewezen. Voor de andere kwartalen heeft de onderneming wel TVL-subsidie ontvangen. Tijdens de aanvraagperiode mocht de horeca gelukkig wel weer open. De eigenaren werkten toen vanwege personeels-tekorten ieder 60 tot 80 uur per week op de werkvloer mee. Daardoor zijn zij in die tijd helemaal niet toegekomen aan administratieve werkzaamheden. De onderneming vindt dat de minister meer rekening had moeten houden met de menselijke maat. De onderneming wijst erop dat de aanvraagperiodes voor andere coronasteunmaatregelen zijn verlengd om meer mensen een kans te geven zich in te schrijven. De aanvraagtermijnen waren ook niet voor alle TVL-kwartalen even lang en eindigden ten opzichte van het kwartaal waar het om ging ook niet op hetzelfde moment. Op de zitting hebben de eigenaren verteld dat dat het verwarrend maakte wanneer de aanvraagperiode voor elk kwartaal afliep, en dat zij daardoor niet bedacht waren op het verstrijken van de deadline. De onderneming geeft ten slotte aan dat de afwijzing grote financiële gevolgen heeft. Daardoor zijn de opgebouwde reserves vervlogen. De onderneming is de enige inkomstenbron voor het gezin van de eigenaren. De subsidie is daarom nodig om zowel zakelijk als privé het hoofd boven water te kunnen houden.
4. De minister vindt dat de aanvraag terecht is afgewezen. De minister begrijpt dat het voor de onderneming en veel andere ondernemers een verwarrende, zware en drukke tijd is geweest. Dat is volgens de minister echter geen reden om de te late indiening te accepteren. Het is de verantwoordelijkheid van de onderneming om tijdig een aanvraag in te dienen en daarbij eventueel de hulp van een derde in te schakelen. Het is niet gebleken dat het voor de onderneming onmogelijk was om op tijd een aanvraag in te dienen. De sluitingsdatum is duidelijk genoemd in de TVL-regeling en op de website van RVO. Gelet daarop komen de gevolgen van de te late indiening voor rekening van de onderneming. Dat voor andere regelingen of andere kwartalen de aanvraagperiode is verlengd betekent volgens de minister nog niet dat hij dat ook voor deze aanvraagperiode moest doen.
5. Het College oordeelt dat wat de onderneming aanvoert geen reden is om te oordelen dat zij ondanks de te late indiening alsnog in aanmerking moet komen voor TVL-subsidie. Het College begrijpt dat de coronatijd een verwarrende tijd was voor ondernemers. Maar uit de TVL blijkt duidelijk wanneer de aanvraagperiode afloopt en dat stond ook op de website van RVO. Dat de termijnen voor de verschillende kwartalen niet gelijk waren maakt deze termijn nog niet onduidelijk. Er was voldoende tijd om een aanvraag in te dienen, de minister hoefde die periode niet te verlengen. De onderneming is ervoor verantwoordelijk dat de aanvraag voor afloop van de aanvraagperiode wordt ingediend, door haarzelf of door een gemachtigde. Als de onderneming dat niet op tijd doet moet de minister de aanvraag afwijzen. Het College begrijpt dat de afwijzing voor de onderneming financieel grote gevolgen heeft. Maar als de onderneming zonder goede reden niet op tijd een aanvraag indient, komen de gevolgen daarvan voor haar rekening.
6. De minister heeft de aanvraag terecht afgewezen omdat die te laat is ingediend. De beslissing op bezwaar en de grondslag waarop die berust is juist.
7. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van der Knijff, in aanwezigheid van E.E.M. Koomen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 mei 2023.
w.g. mr. M. van der Knijff De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.
Artikel 2.3.8 van de TVL.
Inleiding
proces-verbaal uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 22/332
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 mei 2023 in de zaak tussen
[naam 1] B.V., gevestigd te [plaats] (de onderneming)
en
de minister van Economische Zaken en Klimaat (de minister).
Procesverloop
Met het besluit van 20 oktober 2021 heeft de minister de aanvraag van de onderneming voor een subsidie op grond van de Regeling subsidie financiering vaste lasten COVID-19 (TVL) voor het tweede kwartaal van 2021 afgewezen.
Met de beslissing op bezwaar van 18 januari 2022 heeft de minister het bezwaar van de onderneming ongegrond verklaard.
De onderneming heeft beroep ingesteld tegen de beslissing op bezwaar van 18 januari 2022. De minister heeft een verweerschrift ingediend.
Het beroep is behandeld op de zitting van 22 mei 2023. Aan de zitting hebben deelgenomen: [naam 2] en [naam 3] (de eigenaren) namens de onderneming en H.G.M. Wammes en A.M.D. Dijkstra namens de minister.
Na sluiting van het onderzoek ter zitting heeft het College onmiddellijk uitspraak gedaan.
Overwegingen
1. Het College geeft hiervoor de volgende motivering.
2. De aanvraagperiode voor TVL-subsidie voor het tweede kwartaal van 2021 liep van 25 juni 2021 om 08.00 uur tot 20 augustus 2021 om 17.00 uur. Nadat de aanvraagperiode al was afgelopen kwam de onderneming erachter dat zij de TVL-subsidie voor dit kwartaal niet op tijd had aangevraagd en heeft een melding gedaan bij de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO). De minister heeft die melding aangemerkt als een pro forma aanvraag. Hij heeft de aanvraag afgewezen omdat die niet binnen de aanvraagperiode is ingediend.
3. De onderneming voert aan dat de aanvraag ten onrechte is afgewezen. Voor de andere kwartalen heeft de onderneming wel TVL-subsidie ontvangen. Tijdens de aanvraagperiode mocht de horeca gelukkig wel weer open. De eigenaren werkten toen vanwege personeels-tekorten ieder 60 tot 80 uur per week op de werkvloer mee. Daardoor zijn zij in die tijd helemaal niet toegekomen aan administratieve werkzaamheden. De onderneming vindt dat de minister meer rekening had moeten houden met de menselijke maat. De onderneming wijst erop dat de aanvraagperiodes voor andere coronasteunmaatregelen zijn verlengd om meer mensen een kans te geven zich in te schrijven. De aanvraagtermijnen waren ook niet voor alle TVL-kwartalen even lang en eindigden ten opzichte van het kwartaal waar het om ging ook niet op hetzelfde moment. Op de zitting hebben de eigenaren verteld dat dat het verwarrend maakte wanneer de aanvraagperiode voor elk kwartaal afliep, en dat zij daardoor niet bedacht waren op het verstrijken van de deadline. De onderneming geeft ten slotte aan dat de afwijzing grote financiële gevolgen heeft. Daardoor zijn de opgebouwde reserves vervlogen. De onderneming is de enige inkomstenbron voor het gezin van de eigenaren. De subsidie is daarom nodig om zowel zakelijk als privé het hoofd boven water te kunnen houden.
4. De minister vindt dat de aanvraag terecht is afgewezen. De minister begrijpt dat het voor de onderneming en veel andere ondernemers een verwarrende, zware en drukke tijd is geweest. Dat is volgens de minister echter geen reden om de te late indiening te accepteren. Het is de verantwoordelijkheid van de onderneming om tijdig een aanvraag in te dienen en daarbij eventueel de hulp van een derde in te schakelen. Het is niet gebleken dat het voor de onderneming onmogelijk was om op tijd een aanvraag in te dienen. De sluitingsdatum is duidelijk genoemd in de TVL-regeling en op de website van RVO. Gelet daarop komen de gevolgen van de te late indiening voor rekening van de onderneming. Dat voor andere regelingen of andere kwartalen de aanvraagperiode is verlengd betekent volgens de minister nog niet dat hij dat ook voor deze aanvraagperiode moest doen.
5. Het College oordeelt dat wat de onderneming aanvoert geen reden is om te oordelen dat zij ondanks de te late indiening alsnog in aanmerking moet komen voor TVL-subsidie. Het College begrijpt dat de coronatijd een verwarrende tijd was voor ondernemers. Maar uit de TVL blijkt duidelijk wanneer de aanvraagperiode afloopt en dat stond ook op de website van RVO. Dat de termijnen voor de verschillende kwartalen niet gelijk waren maakt deze termijn nog niet onduidelijk. Er was voldoende tijd om een aanvraag in te dienen, de minister hoefde die periode niet te verlengen. De onderneming is ervoor verantwoordelijk dat de aanvraag voor afloop van de aanvraagperiode wordt ingediend, door haarzelf of door een gemachtigde. Als de onderneming dat niet op tijd doet moet de minister de aanvraag afwijzen. Het College begrijpt dat de afwijzing voor de onderneming financieel grote gevolgen heeft. Maar als de onderneming zonder goede reden niet op tijd een aanvraag indient, komen de gevolgen daarvan voor haar rekening.
6. De minister heeft de aanvraag terecht afgewezen omdat die te laat is ingediend. De beslissing op bezwaar en de grondslag waarop die berust is juist.
7. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van der Knijff, in aanwezigheid van E.E.M. Koomen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 mei 2023.
w.g. mr. M. van der Knijff De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.
Artikel 2.3.8 van de TVL.
Inleiding
proces-verbaal uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 22/332
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 mei 2023 in de zaak tussen
[naam 1] B.V., gevestigd te [plaats] (de onderneming)
en
de minister van Economische Zaken en Klimaat (de minister).
Procesverloop
Met het besluit van 20 oktober 2021 heeft de minister de aanvraag van de onderneming voor een subsidie op grond van de Regeling subsidie financiering vaste lasten COVID-19 (TVL) voor het tweede kwartaal van 2021 afgewezen.
Met de beslissing op bezwaar van 18 januari 2022 heeft de minister het bezwaar van de onderneming ongegrond verklaard.
De onderneming heeft beroep ingesteld tegen de beslissing op bezwaar van 18 januari 2022. De minister heeft een verweerschrift ingediend.
Het beroep is behandeld op de zitting van 22 mei 2023. Aan de zitting hebben deelgenomen: [naam 2] en [naam 3] (de eigenaren) namens de onderneming en H.G.M. Wammes en A.M.D. Dijkstra namens de minister.
Na sluiting van het onderzoek ter zitting heeft het College onmiddellijk uitspraak gedaan.
Overwegingen
1. Het College geeft hiervoor de volgende motivering.
2. De aanvraagperiode voor TVL-subsidie voor het tweede kwartaal van 2021 liep van 25 juni 2021 om 08.00 uur tot 20 augustus 2021 om 17.00 uur. Nadat de aanvraagperiode al was afgelopen kwam de onderneming erachter dat zij de TVL-subsidie voor dit kwartaal niet op tijd had aangevraagd en heeft een melding gedaan bij de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO). De minister heeft die melding aangemerkt als een pro forma aanvraag. Hij heeft de aanvraag afgewezen omdat die niet binnen de aanvraagperiode is ingediend.
3. De onderneming voert aan dat de aanvraag ten onrechte is afgewezen. Voor de andere kwartalen heeft de onderneming wel TVL-subsidie ontvangen. Tijdens de aanvraagperiode mocht de horeca gelukkig wel weer open. De eigenaren werkten toen vanwege personeels-tekorten ieder 60 tot 80 uur per week op de werkvloer mee. Daardoor zijn zij in die tijd helemaal niet toegekomen aan administratieve werkzaamheden. De onderneming vindt dat de minister meer rekening had moeten houden met de menselijke maat. De onderneming wijst erop dat de aanvraagperiodes voor andere coronasteunmaatregelen zijn verlengd om meer mensen een kans te geven zich in te schrijven. De aanvraagtermijnen waren ook niet voor alle TVL-kwartalen even lang en eindigden ten opzichte van het kwartaal waar het om ging ook niet op hetzelfde moment. Op de zitting hebben de eigenaren verteld dat dat het verwarrend maakte wanneer de aanvraagperiode voor elk kwartaal afliep, en dat zij daardoor niet bedacht waren op het verstrijken van de deadline. De onderneming geeft ten slotte aan dat de afwijzing grote financiële gevolgen heeft. Daardoor zijn de opgebouwde reserves vervlogen. De onderneming is de enige inkomstenbron voor het gezin van de eigenaren. De subsidie is daarom nodig om zowel zakelijk als privé het hoofd boven water te kunnen houden.
4. De minister vindt dat de aanvraag terecht is afgewezen. De minister begrijpt dat het voor de onderneming en veel andere ondernemers een verwarrende, zware en drukke tijd is geweest. Dat is volgens de minister echter geen reden om de te late indiening te accepteren. Het is de verantwoordelijkheid van de onderneming om tijdig een aanvraag in te dienen en daarbij eventueel de hulp van een derde in te schakelen. Het is niet gebleken dat het voor de onderneming onmogelijk was om op tijd een aanvraag in te dienen. De sluitingsdatum is duidelijk genoemd in de TVL-regeling en op de website van RVO. Gelet daarop komen de gevolgen van de te late indiening voor rekening van de onderneming. Dat voor andere regelingen of andere kwartalen de aanvraagperiode is verlengd betekent volgens de minister nog niet dat hij dat ook voor deze aanvraagperiode moest doen.
5. Het College oordeelt dat wat de onderneming aanvoert geen reden is om te oordelen dat zij ondanks de te late indiening alsnog in aanmerking moet komen voor TVL-subsidie. Het College begrijpt dat de coronatijd een verwarrende tijd was voor ondernemers. Maar uit de TVL blijkt duidelijk wanneer de aanvraagperiode afloopt en dat stond ook op de website van RVO. Dat de termijnen voor de verschillende kwartalen niet gelijk waren maakt deze termijn nog niet onduidelijk. Er was voldoende tijd om een aanvraag in te dienen, de minister hoefde die periode niet te verlengen. De onderneming is ervoor verantwoordelijk dat de aanvraag voor afloop van de aanvraagperiode wordt ingediend, door haarzelf of door een gemachtigde. Als de onderneming dat niet op tijd doet moet de minister de aanvraag afwijzen. Het College begrijpt dat de afwijzing voor de onderneming financieel grote gevolgen heeft. Maar als de onderneming zonder goede reden niet op tijd een aanvraag indient, komen de gevolgen daarvan voor haar rekening.
6. De minister heeft de aanvraag terecht afgewezen omdat die te laat is ingediend. De beslissing op bezwaar en de grondslag waarop die berust is juist.
7. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van der Knijff, in aanwezigheid van E.E.M. Koomen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 mei 2023.
w.g. mr. M. van der Knijff De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.
Artikel 2.3.8 van de TVL.
Inleiding
proces-verbaal uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 22/332
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 mei 2023 in de zaak tussen
[naam 1] B.V., gevestigd te [plaats] (de onderneming)
en
de minister van Economische Zaken en Klimaat (de minister).
Procesverloop
Met het besluit van 20 oktober 2021 heeft de minister de aanvraag van de onderneming voor een subsidie op grond van de Regeling subsidie financiering vaste lasten COVID-19 (TVL) voor het tweede kwartaal van 2021 afgewezen.
Met de beslissing op bezwaar van 18 januari 2022 heeft de minister het bezwaar van de onderneming ongegrond verklaard.
De onderneming heeft beroep ingesteld tegen de beslissing op bezwaar van 18 januari 2022. De minister heeft een verweerschrift ingediend.
Het beroep is behandeld op de zitting van 22 mei 2023. Aan de zitting hebben deelgenomen: [naam 2] en [naam 3] (de eigenaren) namens de onderneming en H.G.M. Wammes en A.M.D. Dijkstra namens de minister.
Na sluiting van het onderzoek ter zitting heeft het College onmiddellijk uitspraak gedaan.
Overwegingen
1. Het College geeft hiervoor de volgende motivering.
2. De aanvraagperiode voor TVL-subsidie voor het tweede kwartaal van 2021 liep van 25 juni 2021 om 08.00 uur tot 20 augustus 2021 om 17.00 uur. Nadat de aanvraagperiode al was afgelopen kwam de onderneming erachter dat zij de TVL-subsidie voor dit kwartaal niet op tijd had aangevraagd en heeft een melding gedaan bij de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO). De minister heeft die melding aangemerkt als een pro forma aanvraag. Hij heeft de aanvraag afgewezen omdat die niet binnen de aanvraagperiode is ingediend.
3. De onderneming voert aan dat de aanvraag ten onrechte is afgewezen. Voor de andere kwartalen heeft de onderneming wel TVL-subsidie ontvangen. Tijdens de aanvraagperiode mocht de horeca gelukkig wel weer open. De eigenaren werkten toen vanwege personeels-tekorten ieder 60 tot 80 uur per week op de werkvloer mee. Daardoor zijn zij in die tijd helemaal niet toegekomen aan administratieve werkzaamheden. De onderneming vindt dat de minister meer rekening had moeten houden met de menselijke maat. De onderneming wijst erop dat de aanvraagperiodes voor andere coronasteunmaatregelen zijn verlengd om meer mensen een kans te geven zich in te schrijven. De aanvraagtermijnen waren ook niet voor alle TVL-kwartalen even lang en eindigden ten opzichte van het kwartaal waar het om ging ook niet op hetzelfde moment. Op de zitting hebben de eigenaren verteld dat dat het verwarrend maakte wanneer de aanvraagperiode voor elk kwartaal afliep, en dat zij daardoor niet bedacht waren op het verstrijken van de deadline. De onderneming geeft ten slotte aan dat de afwijzing grote financiële gevolgen heeft. Daardoor zijn de opgebouwde reserves vervlogen. De onderneming is de enige inkomstenbron voor het gezin van de eigenaren. De subsidie is daarom nodig om zowel zakelijk als privé het hoofd boven water te kunnen houden.
4. De minister vindt dat de aanvraag terecht is afgewezen. De minister begrijpt dat het voor de onderneming en veel andere ondernemers een verwarrende, zware en drukke tijd is geweest. Dat is volgens de minister echter geen reden om de te late indiening te accepteren. Het is de verantwoordelijkheid van de onderneming om tijdig een aanvraag in te dienen en daarbij eventueel de hulp van een derde in te schakelen. Het is niet gebleken dat het voor de onderneming onmogelijk was om op tijd een aanvraag in te dienen. De sluitingsdatum is duidelijk genoemd in de TVL-regeling en op de website van RVO. Gelet daarop komen de gevolgen van de te late indiening voor rekening van de onderneming. Dat voor andere regelingen of andere kwartalen de aanvraagperiode is verlengd betekent volgens de minister nog niet dat hij dat ook voor deze aanvraagperiode moest doen.
5. Het College oordeelt dat wat de onderneming aanvoert geen reden is om te oordelen dat zij ondanks de te late indiening alsnog in aanmerking moet komen voor TVL-subsidie. Het College begrijpt dat de coronatijd een verwarrende tijd was voor ondernemers. Maar uit de TVL blijkt duidelijk wanneer de aanvraagperiode afloopt en dat stond ook op de website van RVO. Dat de termijnen voor de verschillende kwartalen niet gelijk waren maakt deze termijn nog niet onduidelijk. Er was voldoende tijd om een aanvraag in te dienen, de minister hoefde die periode niet te verlengen. De onderneming is ervoor verantwoordelijk dat de aanvraag voor afloop van de aanvraagperiode wordt ingediend, door haarzelf of door een gemachtigde. Als de onderneming dat niet op tijd doet moet de minister de aanvraag afwijzen. Het College begrijpt dat de afwijzing voor de onderneming financieel grote gevolgen heeft. Maar als de onderneming zonder goede reden niet op tijd een aanvraag indient, komen de gevolgen daarvan voor haar rekening.
6. De minister heeft de aanvraag terecht afgewezen omdat die te laat is ingediend. De beslissing op bezwaar en de grondslag waarop die berust is juist.
7. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van der Knijff, in aanwezigheid van E.E.M. Koomen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 mei 2023.
w.g. mr. M. van der Knijff De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.
Artikel 2.3.8 van de TVL.