Rechtspraak
College van Beroep voor het bedrijfsleven
2023-06-06
ECLI:NL:CBB:2023:272
Bestuursrecht
Verzet
3,300 tokens
Inleiding
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 22/4
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 juni 2023 op het verzet van
[naam] , te [plaats] (betrokkene)
Procesverloop
Betrokkene heeft beroep ingesteld tegen de beslissing op bezwaar van de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 30 november 2021.
Bij uitspraak van 23 augustus 2022 heeft het College met toepassing van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), dus zonder zitting, het beroep ongegrond verklaard.
Betrokkene heeft tegen de uitspraak van 23 augustus 2022 verzet gedaan.
Overwegingen
1. Met het besluit van 30 november 2021 heeft de minister het bezwaar van betrokkene tegen het eerdere besluit van de minister van 16 juli 2021 niet-ontvankelijk verklaard omdat het bezwaarschrift te laat is ingediend en de termijnoverschrijding niet verschoonbaar (verontschuldigbaar) is. In de uitspraak van 23 augustus 2022 heeft het College geoordeeld dat de minister het bezwaar terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.
2. In verzet heeft betrokkene herhaald dat de beroepstermijn niet is aangevangen op 16 juli 2021 (de datum van bekendmaking van het eerdere besluit) maar pas op 19 juli 2021 (de datum van ontvangst), en daarmee is geëindigd op 30 augustus 2021 en niet al op 27 augustus 2021.
2.1.
In de uitspraak van 23 augustus 2022 is terecht overwogen dat dit betoog gelet op artikel 6:8 van de Awb niet opgaat. Daar komt bij dat het bezwaarschrift is gedateerd 31 augustus 2021.
3. Betrokkene heeft verder herhaald dat zijn raadsman door een medische complicatie niet in staat was hem tijdig te adviseren en dat hij daarom na verloop van tijd zelf maar een bezwaarschrift heeft ingediend.
3.1.
In de uitspraak van 23 augustus 2022 is eveneens terecht overwogen dat dit gegeven niet wegneemt dat onder het besluit van 16 juli 2021 duidelijk is vermeld dat de bezwaartermijn zes weken is. Niet valt in te zien waarom betrokkene op
31 augustus 2021 wel een bezwaarschrift kon indienen en niet al op 27 augustus 2021.
4. Het verzet is ongegrond.
5. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Dictum
Het College verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.G.M. Simons, in aanwezigheid van D.A. Bohlmeijer, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 6 juni 2023.
w.g. T.G.M. Simons w.g. D.A. Bohlmeijer
Inleiding
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 22/4
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 juni 2023 op het verzet van
[naam] , te [plaats] (betrokkene)
Procesverloop
Betrokkene heeft beroep ingesteld tegen de beslissing op bezwaar van de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 30 november 2021.
Bij uitspraak van 23 augustus 2022 heeft het College met toepassing van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), dus zonder zitting, het beroep ongegrond verklaard.
Betrokkene heeft tegen de uitspraak van 23 augustus 2022 verzet gedaan.
Overwegingen
1. Met het besluit van 30 november 2021 heeft de minister het bezwaar van betrokkene tegen het eerdere besluit van de minister van 16 juli 2021 niet-ontvankelijk verklaard omdat het bezwaarschrift te laat is ingediend en de termijnoverschrijding niet verschoonbaar (verontschuldigbaar) is. In de uitspraak van 23 augustus 2022 heeft het College geoordeeld dat de minister het bezwaar terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.
2. In verzet heeft betrokkene herhaald dat de beroepstermijn niet is aangevangen op 16 juli 2021 (de datum van bekendmaking van het eerdere besluit) maar pas op 19 juli 2021 (de datum van ontvangst), en daarmee is geëindigd op 30 augustus 2021 en niet al op 27 augustus 2021.
2.1.
In de uitspraak van 23 augustus 2022 is terecht overwogen dat dit betoog gelet op artikel 6:8 van de Awb niet opgaat. Daar komt bij dat het bezwaarschrift is gedateerd 31 augustus 2021.
3. Betrokkene heeft verder herhaald dat zijn raadsman door een medische complicatie niet in staat was hem tijdig te adviseren en dat hij daarom na verloop van tijd zelf maar een bezwaarschrift heeft ingediend.
3.1.
In de uitspraak van 23 augustus 2022 is eveneens terecht overwogen dat dit gegeven niet wegneemt dat onder het besluit van 16 juli 2021 duidelijk is vermeld dat de bezwaartermijn zes weken is. Niet valt in te zien waarom betrokkene op
31 augustus 2021 wel een bezwaarschrift kon indienen en niet al op 27 augustus 2021.
4. Het verzet is ongegrond.
5. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Dictum
Het College verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.G.M. Simons, in aanwezigheid van D.A. Bohlmeijer, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 6 juni 2023.
w.g. T.G.M. Simons w.g. D.A. Bohlmeijer
Inleiding
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 22/4
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 juni 2023 op het verzet van
[naam] , te [plaats] (betrokkene)
Procesverloop
Betrokkene heeft beroep ingesteld tegen de beslissing op bezwaar van de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 30 november 2021.
Bij uitspraak van 23 augustus 2022 heeft het College met toepassing van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), dus zonder zitting, het beroep ongegrond verklaard.
Betrokkene heeft tegen de uitspraak van 23 augustus 2022 verzet gedaan.
Overwegingen
1. Met het besluit van 30 november 2021 heeft de minister het bezwaar van betrokkene tegen het eerdere besluit van de minister van 16 juli 2021 niet-ontvankelijk verklaard omdat het bezwaarschrift te laat is ingediend en de termijnoverschrijding niet verschoonbaar (verontschuldigbaar) is. In de uitspraak van 23 augustus 2022 heeft het College geoordeeld dat de minister het bezwaar terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.
2. In verzet heeft betrokkene herhaald dat de beroepstermijn niet is aangevangen op 16 juli 2021 (de datum van bekendmaking van het eerdere besluit) maar pas op 19 juli 2021 (de datum van ontvangst), en daarmee is geëindigd op 30 augustus 2021 en niet al op 27 augustus 2021.
2.1.
In de uitspraak van 23 augustus 2022 is terecht overwogen dat dit betoog gelet op artikel 6:8 van de Awb niet opgaat. Daar komt bij dat het bezwaarschrift is gedateerd 31 augustus 2021.
3. Betrokkene heeft verder herhaald dat zijn raadsman door een medische complicatie niet in staat was hem tijdig te adviseren en dat hij daarom na verloop van tijd zelf maar een bezwaarschrift heeft ingediend.
3.1.
In de uitspraak van 23 augustus 2022 is eveneens terecht overwogen dat dit gegeven niet wegneemt dat onder het besluit van 16 juli 2021 duidelijk is vermeld dat de bezwaartermijn zes weken is. Niet valt in te zien waarom betrokkene op
31 augustus 2021 wel een bezwaarschrift kon indienen en niet al op 27 augustus 2021.
4. Het verzet is ongegrond.
5. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Dictum
Het College verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.G.M. Simons, in aanwezigheid van D.A. Bohlmeijer, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 6 juni 2023.
w.g. T.G.M. Simons w.g. D.A. Bohlmeijer
Inleiding
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 22/4
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 juni 2023 op het verzet van
[naam] , te [plaats] (betrokkene)
Procesverloop
Betrokkene heeft beroep ingesteld tegen de beslissing op bezwaar van de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 30 november 2021.
Bij uitspraak van 23 augustus 2022 heeft het College met toepassing van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), dus zonder zitting, het beroep ongegrond verklaard.
Betrokkene heeft tegen de uitspraak van 23 augustus 2022 verzet gedaan.
Overwegingen
1. Met het besluit van 30 november 2021 heeft de minister het bezwaar van betrokkene tegen het eerdere besluit van de minister van 16 juli 2021 niet-ontvankelijk verklaard omdat het bezwaarschrift te laat is ingediend en de termijnoverschrijding niet verschoonbaar (verontschuldigbaar) is. In de uitspraak van 23 augustus 2022 heeft het College geoordeeld dat de minister het bezwaar terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.
2. In verzet heeft betrokkene herhaald dat de beroepstermijn niet is aangevangen op 16 juli 2021 (de datum van bekendmaking van het eerdere besluit) maar pas op 19 juli 2021 (de datum van ontvangst), en daarmee is geëindigd op 30 augustus 2021 en niet al op 27 augustus 2021.
2.1.
In de uitspraak van 23 augustus 2022 is terecht overwogen dat dit betoog gelet op artikel 6:8 van de Awb niet opgaat. Daar komt bij dat het bezwaarschrift is gedateerd 31 augustus 2021.
3. Betrokkene heeft verder herhaald dat zijn raadsman door een medische complicatie niet in staat was hem tijdig te adviseren en dat hij daarom na verloop van tijd zelf maar een bezwaarschrift heeft ingediend.
3.1.
In de uitspraak van 23 augustus 2022 is eveneens terecht overwogen dat dit gegeven niet wegneemt dat onder het besluit van 16 juli 2021 duidelijk is vermeld dat de bezwaartermijn zes weken is. Niet valt in te zien waarom betrokkene op
31 augustus 2021 wel een bezwaarschrift kon indienen en niet al op 27 augustus 2021.
4. Het verzet is ongegrond.
5. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Dictum
Het College verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.G.M. Simons, in aanwezigheid van D.A. Bohlmeijer, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 6 juni 2023.
w.g. T.G.M. Simons w.g. D.A. Bohlmeijer
Inleiding
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 22/4
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 juni 2023 op het verzet van
[naam] , te [plaats] (betrokkene)
Procesverloop
Betrokkene heeft beroep ingesteld tegen de beslissing op bezwaar van de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 30 november 2021.
Bij uitspraak van 23 augustus 2022 heeft het College met toepassing van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), dus zonder zitting, het beroep ongegrond verklaard.
Betrokkene heeft tegen de uitspraak van 23 augustus 2022 verzet gedaan.
Overwegingen
1. Met het besluit van 30 november 2021 heeft de minister het bezwaar van betrokkene tegen het eerdere besluit van de minister van 16 juli 2021 niet-ontvankelijk verklaard omdat het bezwaarschrift te laat is ingediend en de termijnoverschrijding niet verschoonbaar (verontschuldigbaar) is. In de uitspraak van 23 augustus 2022 heeft het College geoordeeld dat de minister het bezwaar terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.
2. In verzet heeft betrokkene herhaald dat de beroepstermijn niet is aangevangen op 16 juli 2021 (de datum van bekendmaking van het eerdere besluit) maar pas op 19 juli 2021 (de datum van ontvangst), en daarmee is geëindigd op 30 augustus 2021 en niet al op 27 augustus 2021.
2.1.
In de uitspraak van 23 augustus 2022 is terecht overwogen dat dit betoog gelet op artikel 6:8 van de Awb niet opgaat. Daar komt bij dat het bezwaarschrift is gedateerd 31 augustus 2021.
3. Betrokkene heeft verder herhaald dat zijn raadsman door een medische complicatie niet in staat was hem tijdig te adviseren en dat hij daarom na verloop van tijd zelf maar een bezwaarschrift heeft ingediend.
3.1.
In de uitspraak van 23 augustus 2022 is eveneens terecht overwogen dat dit gegeven niet wegneemt dat onder het besluit van 16 juli 2021 duidelijk is vermeld dat de bezwaartermijn zes weken is. Niet valt in te zien waarom betrokkene op
31 augustus 2021 wel een bezwaarschrift kon indienen en niet al op 27 augustus 2021.
4. Het verzet is ongegrond.
5. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Dictum
Het College verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.G.M. Simons, in aanwezigheid van D.A. Bohlmeijer, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 6 juni 2023.
w.g. T.G.M. Simons w.g. D.A. Bohlmeijer