Rechtspraak
College van Beroep voor het bedrijfsleven
2022-10-25
ECLI:NL:CBB:2022:724
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
6,740 tokens
Inleiding
uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 21/782
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 oktober 2022 in de zaak tussen
[naam] , te [plaats] , appellant,
en
de minister voor Klimaat en Energie, verweerder
(gemachtigde: mr. C. Cromheecke).
Procesverloop
Bij besluit van 16 maart 2021 heeft verweerder de aanvraag van appellant om een subsidie voor de aanschaf van twee zonneboilers op grond van titel 4.5 Investeringssubsidie duurzame energie (ISDE) van de Regeling Nationale EZK- en LNV-subsidies (Regeling) afgewezen.
Bij besluit van 2 juni 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellant ongegrond verklaard.
Appellant heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het College heeft de zaak op 9 augustus 2022 op een zitting behandeld. Aanwezig waren appellant en de gemachtigde van verweerder.
Overwegingen
1. Appellant heeft op 31 december 2020 subsidie aangevraagd voor twee zonneboilers op twee adressen. Op het aanvraagformulier heeft hij bij de vraag “verwachte aankoopdatum” ingevuld 1 oktober 2020 en bij de vraag “verwachte installatiedatum” 13 november 2020. De zonneboilers zijn geïnstalleerd op 13 november 2020. Onder het kopje “Verklaring en ondertekening” is op het formulier onder meer opgenomen dat de indiener verklaart dat de datum waarop de aankoopverplichting wordt aangegaan na datum indiening ligt.
2. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen omdat appellant de zonneboilers eerst heeft aangeschaft en pas daarna de subsidie heeft aangevraagd. Verweerder is van mening dat appellant een zakelijke aanvrager is, waardoor de subsidieverlening moet voldoen aan het vereiste van stimulerend effect. Verweerder wijst op het Europese steunkader op grond waarvan de subsidie mogelijk staatssteun is, maar dat deze steun wordt gerechtvaardigd als voldaan wordt aan het vereiste van het stimulerend effect. Daarbij is de hoofdregel dat subsidie geacht wordt geen stimulerend effect te hebben wanneer de subsidieaanvrager al begonnen is met de te subsidiëren activiteiten, voordat hij de subsidieaanvraag heeft ingediend. Artikel 22, eerste lid, aanhef en onder c, van het Kaderbesluit nationale EZK- en LNV-subsidies (Kaderbesluit) bepaalt dan ook dat de aanvraag wordt afgewezen als niet wordt voldaan aan het vereiste van het stimulerend effect in het Europese steunkader. Daarnaast wijst verweerder op artikel 10, tweede lid, van het Kaderbesluit waarin staat dat kosten die zijn gemaakt vóór indiening van de aanvraag niet voor subsidie in aanmerking komen.
3. Appellant voert in beroep aan dat verweerder hem de subsidie niet had mogen weigeren, omdat de Regeling inconsequent is en verweerder die te rigide heeft toegepast, zonder oog te hebben voor zijn positie. Verweerster merkt hem aan als bedrijf, omdat hij enkele ruimten verhuurt, maar hij heeft bij het aanvragen van de subsidie de regeling voor particulieren gevolgd, omdat hij het pand als particulier in bezit heeft. Daarom heeft hij de zonneboilers eerst aangeschaft en daarna pas de subsidie aangevraagd. Zijn installateur, die de subsidie-aanvraag heeft verzorgd, heeft in vergelijkbare gevallen wel een positieve beslissing op de subsidie-aanvraag gehad. Appellant vindt dat verweerder de aanvraag te zwart-wit heeft beoordeeld, omdat aan de bedoeling van de Regeling is voldaan. Het gaat om een mineur volgordeverschil in de aanvraagprocedure, terwijl de intentie en uitwerking hetzelfde blijven, namelijk het vergroenen van gebouwen. Die volgorde is voor de motivatie van appellant niet van belang, omdat hij zijn pand graag wil verduurzamen. In telefonische contacten met de dienst RVO van verweerder was er begrip voor de situatie en zag men mogelijkheden om tot een oplossing te komen. Verweerder had appellant daarom tegemoet kunnen komen en hem de ruimte moeten geven om de door hem gemaakte fout te herstellen. Verweerder heeft ook tussentijds geen signaal afgegeven om een eventueel misverstand te voorkomen.
4. Het College overweegt als volgt.
4.1
Het staat vast dat appellant de zonneboilers voor de door hem verhuurde woningen heeft aangeschaft voordat hij de subsidie heeft aangevraagd.
4.2
Appellant heeft de zonneboilers niet aangeschaft voor zijn eigen woning, zodat de afwijkende volgorde die voortvloeit uit artikel 4.5.3, tweede lid, van de Regeling – eerst aanschaffen en dan aanvragen – niet op de aanvraag van appellant van toepassing is.
4.3
Verweerder heeft de subsidieaanvraag beoordeeld als een zakelijke aanvraag. Dat is juist. Door het verhuren van de woningen oefent appellant een economische activiteit uit en neemt hij deel aan het economisch verkeer. In zo’n geval moet de subsidie worden aangevraagd voordat met de te subsidiëren activiteit is begonnen. Dit volgt uit artikel 22, eerste lid, aanhef en onder c, van het Kaderbesluit, waarin dwingend is voorgeschreven dat afwijzend wordt beslist op een aanvraag om subsidie als niet voldaan is aan de eis van het stimulerend effect, bedoeld in het toepasselijke Europese steunkader (zie bijvoorbeeld de uitspraak van het College van 12 oktober 2021, ECLI:NL:CBB:2021:930). Zoals verweerder uiteengezet heeft, wordt aan de eis van het stimulerend effect niet voldaan als al een verplichting is aangegaan voordat de aanvraag tot subsidieverlening wordt ingediend.
4.4
Het College deelt niet het standpunt van appellant dat de volgorde van aanvragen en aanschaffen er niet toe doet, omdat het stimulerende effect toch wel aanwezig is. De Regeling en het Europees recht bieden verweerder geen ruimte om af te wijken van de volgorde eerst aanvragen dan aanschaffen. Achteraf valt de door appellant gevolgde volgorde van eerst aanschaffen en dan aanvragen ook niet meer te herstellen, zodat het voor verweerder ook niet mogelijk is appellant tegemoet te komen.
4.5
Het standpunt van appellant dat er in vergelijkbare gevallen wel positief beslist zou zijn leidt niet tot een ander oordeel, omdat appellant niet concreet heeft gemaakt over welke vergelijkbare gevallen het zou gaan.
5. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
Het College verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Smorenburg, in aanwezigheid van mr. M.B. van Zantvoort, griffier.
Inleiding
uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 21/782
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 oktober 2022 in de zaak tussen
[naam] , te [plaats] , appellant,
en
de minister voor Klimaat en Energie, verweerder
(gemachtigde: mr. C. Cromheecke).
Procesverloop
Bij besluit van 16 maart 2021 heeft verweerder de aanvraag van appellant om een subsidie voor de aanschaf van twee zonneboilers op grond van titel 4.5 Investeringssubsidie duurzame energie (ISDE) van de Regeling Nationale EZK- en LNV-subsidies (Regeling) afgewezen.
Bij besluit van 2 juni 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellant ongegrond verklaard.
Appellant heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het College heeft de zaak op 9 augustus 2022 op een zitting behandeld. Aanwezig waren appellant en de gemachtigde van verweerder.
Overwegingen
1. Appellant heeft op 31 december 2020 subsidie aangevraagd voor twee zonneboilers op twee adressen. Op het aanvraagformulier heeft hij bij de vraag “verwachte aankoopdatum” ingevuld 1 oktober 2020 en bij de vraag “verwachte installatiedatum” 13 november 2020. De zonneboilers zijn geïnstalleerd op 13 november 2020. Onder het kopje “Verklaring en ondertekening” is op het formulier onder meer opgenomen dat de indiener verklaart dat de datum waarop de aankoopverplichting wordt aangegaan na datum indiening ligt.
2. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen omdat appellant de zonneboilers eerst heeft aangeschaft en pas daarna de subsidie heeft aangevraagd. Verweerder is van mening dat appellant een zakelijke aanvrager is, waardoor de subsidieverlening moet voldoen aan het vereiste van stimulerend effect. Verweerder wijst op het Europese steunkader op grond waarvan de subsidie mogelijk staatssteun is, maar dat deze steun wordt gerechtvaardigd als voldaan wordt aan het vereiste van het stimulerend effect. Daarbij is de hoofdregel dat subsidie geacht wordt geen stimulerend effect te hebben wanneer de subsidieaanvrager al begonnen is met de te subsidiëren activiteiten, voordat hij de subsidieaanvraag heeft ingediend. Artikel 22, eerste lid, aanhef en onder c, van het Kaderbesluit nationale EZK- en LNV-subsidies (Kaderbesluit) bepaalt dan ook dat de aanvraag wordt afgewezen als niet wordt voldaan aan het vereiste van het stimulerend effect in het Europese steunkader. Daarnaast wijst verweerder op artikel 10, tweede lid, van het Kaderbesluit waarin staat dat kosten die zijn gemaakt vóór indiening van de aanvraag niet voor subsidie in aanmerking komen.
3. Appellant voert in beroep aan dat verweerder hem de subsidie niet had mogen weigeren, omdat de Regeling inconsequent is en verweerder die te rigide heeft toegepast, zonder oog te hebben voor zijn positie. Verweerster merkt hem aan als bedrijf, omdat hij enkele ruimten verhuurt, maar hij heeft bij het aanvragen van de subsidie de regeling voor particulieren gevolgd, omdat hij het pand als particulier in bezit heeft. Daarom heeft hij de zonneboilers eerst aangeschaft en daarna pas de subsidie aangevraagd. Zijn installateur, die de subsidie-aanvraag heeft verzorgd, heeft in vergelijkbare gevallen wel een positieve beslissing op de subsidie-aanvraag gehad. Appellant vindt dat verweerder de aanvraag te zwart-wit heeft beoordeeld, omdat aan de bedoeling van de Regeling is voldaan. Het gaat om een mineur volgordeverschil in de aanvraagprocedure, terwijl de intentie en uitwerking hetzelfde blijven, namelijk het vergroenen van gebouwen. Die volgorde is voor de motivatie van appellant niet van belang, omdat hij zijn pand graag wil verduurzamen. In telefonische contacten met de dienst RVO van verweerder was er begrip voor de situatie en zag men mogelijkheden om tot een oplossing te komen. Verweerder had appellant daarom tegemoet kunnen komen en hem de ruimte moeten geven om de door hem gemaakte fout te herstellen. Verweerder heeft ook tussentijds geen signaal afgegeven om een eventueel misverstand te voorkomen.
4. Het College overweegt als volgt.
4.1
Het staat vast dat appellant de zonneboilers voor de door hem verhuurde woningen heeft aangeschaft voordat hij de subsidie heeft aangevraagd.
4.2
Appellant heeft de zonneboilers niet aangeschaft voor zijn eigen woning, zodat de afwijkende volgorde die voortvloeit uit artikel 4.5.3, tweede lid, van de Regeling – eerst aanschaffen en dan aanvragen – niet op de aanvraag van appellant van toepassing is.
4.3
Verweerder heeft de subsidieaanvraag beoordeeld als een zakelijke aanvraag. Dat is juist. Door het verhuren van de woningen oefent appellant een economische activiteit uit en neemt hij deel aan het economisch verkeer. In zo’n geval moet de subsidie worden aangevraagd voordat met de te subsidiëren activiteit is begonnen. Dit volgt uit artikel 22, eerste lid, aanhef en onder c, van het Kaderbesluit, waarin dwingend is voorgeschreven dat afwijzend wordt beslist op een aanvraag om subsidie als niet voldaan is aan de eis van het stimulerend effect, bedoeld in het toepasselijke Europese steunkader (zie bijvoorbeeld de uitspraak van het College van 12 oktober 2021, ECLI:NL:CBB:2021:930). Zoals verweerder uiteengezet heeft, wordt aan de eis van het stimulerend effect niet voldaan als al een verplichting is aangegaan voordat de aanvraag tot subsidieverlening wordt ingediend.
4.4
Het College deelt niet het standpunt van appellant dat de volgorde van aanvragen en aanschaffen er niet toe doet, omdat het stimulerende effect toch wel aanwezig is. De Regeling en het Europees recht bieden verweerder geen ruimte om af te wijken van de volgorde eerst aanvragen dan aanschaffen. Achteraf valt de door appellant gevolgde volgorde van eerst aanschaffen en dan aanvragen ook niet meer te herstellen, zodat het voor verweerder ook niet mogelijk is appellant tegemoet te komen.
4.5
Het standpunt van appellant dat er in vergelijkbare gevallen wel positief beslist zou zijn leidt niet tot een ander oordeel, omdat appellant niet concreet heeft gemaakt over welke vergelijkbare gevallen het zou gaan.
5. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
Het College verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Smorenburg, in aanwezigheid van mr. M.B. van Zantvoort, griffier.
Inleiding
uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 21/782
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 oktober 2022 in de zaak tussen
[naam] , te [plaats] , appellant,
en
de minister voor Klimaat en Energie, verweerder
(gemachtigde: mr. C. Cromheecke).
Procesverloop
Bij besluit van 16 maart 2021 heeft verweerder de aanvraag van appellant om een subsidie voor de aanschaf van twee zonneboilers op grond van titel 4.5 Investeringssubsidie duurzame energie (ISDE) van de Regeling Nationale EZK- en LNV-subsidies (Regeling) afgewezen.
Bij besluit van 2 juni 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellant ongegrond verklaard.
Appellant heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het College heeft de zaak op 9 augustus 2022 op een zitting behandeld. Aanwezig waren appellant en de gemachtigde van verweerder.
Overwegingen
1. Appellant heeft op 31 december 2020 subsidie aangevraagd voor twee zonneboilers op twee adressen. Op het aanvraagformulier heeft hij bij de vraag “verwachte aankoopdatum” ingevuld 1 oktober 2020 en bij de vraag “verwachte installatiedatum” 13 november 2020. De zonneboilers zijn geïnstalleerd op 13 november 2020. Onder het kopje “Verklaring en ondertekening” is op het formulier onder meer opgenomen dat de indiener verklaart dat de datum waarop de aankoopverplichting wordt aangegaan na datum indiening ligt.
2. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen omdat appellant de zonneboilers eerst heeft aangeschaft en pas daarna de subsidie heeft aangevraagd. Verweerder is van mening dat appellant een zakelijke aanvrager is, waardoor de subsidieverlening moet voldoen aan het vereiste van stimulerend effect. Verweerder wijst op het Europese steunkader op grond waarvan de subsidie mogelijk staatssteun is, maar dat deze steun wordt gerechtvaardigd als voldaan wordt aan het vereiste van het stimulerend effect. Daarbij is de hoofdregel dat subsidie geacht wordt geen stimulerend effect te hebben wanneer de subsidieaanvrager al begonnen is met de te subsidiëren activiteiten, voordat hij de subsidieaanvraag heeft ingediend. Artikel 22, eerste lid, aanhef en onder c, van het Kaderbesluit nationale EZK- en LNV-subsidies (Kaderbesluit) bepaalt dan ook dat de aanvraag wordt afgewezen als niet wordt voldaan aan het vereiste van het stimulerend effect in het Europese steunkader. Daarnaast wijst verweerder op artikel 10, tweede lid, van het Kaderbesluit waarin staat dat kosten die zijn gemaakt vóór indiening van de aanvraag niet voor subsidie in aanmerking komen.
3. Appellant voert in beroep aan dat verweerder hem de subsidie niet had mogen weigeren, omdat de Regeling inconsequent is en verweerder die te rigide heeft toegepast, zonder oog te hebben voor zijn positie. Verweerster merkt hem aan als bedrijf, omdat hij enkele ruimten verhuurt, maar hij heeft bij het aanvragen van de subsidie de regeling voor particulieren gevolgd, omdat hij het pand als particulier in bezit heeft. Daarom heeft hij de zonneboilers eerst aangeschaft en daarna pas de subsidie aangevraagd. Zijn installateur, die de subsidie-aanvraag heeft verzorgd, heeft in vergelijkbare gevallen wel een positieve beslissing op de subsidie-aanvraag gehad. Appellant vindt dat verweerder de aanvraag te zwart-wit heeft beoordeeld, omdat aan de bedoeling van de Regeling is voldaan. Het gaat om een mineur volgordeverschil in de aanvraagprocedure, terwijl de intentie en uitwerking hetzelfde blijven, namelijk het vergroenen van gebouwen. Die volgorde is voor de motivatie van appellant niet van belang, omdat hij zijn pand graag wil verduurzamen. In telefonische contacten met de dienst RVO van verweerder was er begrip voor de situatie en zag men mogelijkheden om tot een oplossing te komen. Verweerder had appellant daarom tegemoet kunnen komen en hem de ruimte moeten geven om de door hem gemaakte fout te herstellen. Verweerder heeft ook tussentijds geen signaal afgegeven om een eventueel misverstand te voorkomen.
4. Het College overweegt als volgt.
4.1
Het staat vast dat appellant de zonneboilers voor de door hem verhuurde woningen heeft aangeschaft voordat hij de subsidie heeft aangevraagd.
4.2
Appellant heeft de zonneboilers niet aangeschaft voor zijn eigen woning, zodat de afwijkende volgorde die voortvloeit uit artikel 4.5.3, tweede lid, van de Regeling – eerst aanschaffen en dan aanvragen – niet op de aanvraag van appellant van toepassing is.
4.3
Verweerder heeft de subsidieaanvraag beoordeeld als een zakelijke aanvraag. Dat is juist. Door het verhuren van de woningen oefent appellant een economische activiteit uit en neemt hij deel aan het economisch verkeer. In zo’n geval moet de subsidie worden aangevraagd voordat met de te subsidiëren activiteit is begonnen. Dit volgt uit artikel 22, eerste lid, aanhef en onder c, van het Kaderbesluit, waarin dwingend is voorgeschreven dat afwijzend wordt beslist op een aanvraag om subsidie als niet voldaan is aan de eis van het stimulerend effect, bedoeld in het toepasselijke Europese steunkader (zie bijvoorbeeld de uitspraak van het College van 12 oktober 2021, ECLI:NL:CBB:2021:930). Zoals verweerder uiteengezet heeft, wordt aan de eis van het stimulerend effect niet voldaan als al een verplichting is aangegaan voordat de aanvraag tot subsidieverlening wordt ingediend.
4.4
Het College deelt niet het standpunt van appellant dat de volgorde van aanvragen en aanschaffen er niet toe doet, omdat het stimulerende effect toch wel aanwezig is. De Regeling en het Europees recht bieden verweerder geen ruimte om af te wijken van de volgorde eerst aanvragen dan aanschaffen. Achteraf valt de door appellant gevolgde volgorde van eerst aanschaffen en dan aanvragen ook niet meer te herstellen, zodat het voor verweerder ook niet mogelijk is appellant tegemoet te komen.
4.5
Het standpunt van appellant dat er in vergelijkbare gevallen wel positief beslist zou zijn leidt niet tot een ander oordeel, omdat appellant niet concreet heeft gemaakt over welke vergelijkbare gevallen het zou gaan.
5. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
Het College verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Smorenburg, in aanwezigheid van mr. M.B. van Zantvoort, griffier.
Inleiding
uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 21/782
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 oktober 2022 in de zaak tussen
[naam] , te [plaats] , appellant,
en
de minister voor Klimaat en Energie, verweerder
(gemachtigde: mr. C. Cromheecke).
Procesverloop
Bij besluit van 16 maart 2021 heeft verweerder de aanvraag van appellant om een subsidie voor de aanschaf van twee zonneboilers op grond van titel 4.5 Investeringssubsidie duurzame energie (ISDE) van de Regeling Nationale EZK- en LNV-subsidies (Regeling) afgewezen.
Bij besluit van 2 juni 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellant ongegrond verklaard.
Appellant heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het College heeft de zaak op 9 augustus 2022 op een zitting behandeld. Aanwezig waren appellant en de gemachtigde van verweerder.
Overwegingen
1. Appellant heeft op 31 december 2020 subsidie aangevraagd voor twee zonneboilers op twee adressen. Op het aanvraagformulier heeft hij bij de vraag “verwachte aankoopdatum” ingevuld 1 oktober 2020 en bij de vraag “verwachte installatiedatum” 13 november 2020. De zonneboilers zijn geïnstalleerd op 13 november 2020. Onder het kopje “Verklaring en ondertekening” is op het formulier onder meer opgenomen dat de indiener verklaart dat de datum waarop de aankoopverplichting wordt aangegaan na datum indiening ligt.
2. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen omdat appellant de zonneboilers eerst heeft aangeschaft en pas daarna de subsidie heeft aangevraagd. Verweerder is van mening dat appellant een zakelijke aanvrager is, waardoor de subsidieverlening moet voldoen aan het vereiste van stimulerend effect. Verweerder wijst op het Europese steunkader op grond waarvan de subsidie mogelijk staatssteun is, maar dat deze steun wordt gerechtvaardigd als voldaan wordt aan het vereiste van het stimulerend effect. Daarbij is de hoofdregel dat subsidie geacht wordt geen stimulerend effect te hebben wanneer de subsidieaanvrager al begonnen is met de te subsidiëren activiteiten, voordat hij de subsidieaanvraag heeft ingediend. Artikel 22, eerste lid, aanhef en onder c, van het Kaderbesluit nationale EZK- en LNV-subsidies (Kaderbesluit) bepaalt dan ook dat de aanvraag wordt afgewezen als niet wordt voldaan aan het vereiste van het stimulerend effect in het Europese steunkader. Daarnaast wijst verweerder op artikel 10, tweede lid, van het Kaderbesluit waarin staat dat kosten die zijn gemaakt vóór indiening van de aanvraag niet voor subsidie in aanmerking komen.
3. Appellant voert in beroep aan dat verweerder hem de subsidie niet had mogen weigeren, omdat de Regeling inconsequent is en verweerder die te rigide heeft toegepast, zonder oog te hebben voor zijn positie. Verweerster merkt hem aan als bedrijf, omdat hij enkele ruimten verhuurt, maar hij heeft bij het aanvragen van de subsidie de regeling voor particulieren gevolgd, omdat hij het pand als particulier in bezit heeft. Daarom heeft hij de zonneboilers eerst aangeschaft en daarna pas de subsidie aangevraagd. Zijn installateur, die de subsidie-aanvraag heeft verzorgd, heeft in vergelijkbare gevallen wel een positieve beslissing op de subsidie-aanvraag gehad. Appellant vindt dat verweerder de aanvraag te zwart-wit heeft beoordeeld, omdat aan de bedoeling van de Regeling is voldaan. Het gaat om een mineur volgordeverschil in de aanvraagprocedure, terwijl de intentie en uitwerking hetzelfde blijven, namelijk het vergroenen van gebouwen. Die volgorde is voor de motivatie van appellant niet van belang, omdat hij zijn pand graag wil verduurzamen. In telefonische contacten met de dienst RVO van verweerder was er begrip voor de situatie en zag men mogelijkheden om tot een oplossing te komen. Verweerder had appellant daarom tegemoet kunnen komen en hem de ruimte moeten geven om de door hem gemaakte fout te herstellen. Verweerder heeft ook tussentijds geen signaal afgegeven om een eventueel misverstand te voorkomen.
4. Het College overweegt als volgt.
4.1
Het staat vast dat appellant de zonneboilers voor de door hem verhuurde woningen heeft aangeschaft voordat hij de subsidie heeft aangevraagd.
4.2
Appellant heeft de zonneboilers niet aangeschaft voor zijn eigen woning, zodat de afwijkende volgorde die voortvloeit uit artikel 4.5.3, tweede lid, van de Regeling – eerst aanschaffen en dan aanvragen – niet op de aanvraag van appellant van toepassing is.
4.3
Verweerder heeft de subsidieaanvraag beoordeeld als een zakelijke aanvraag. Dat is juist. Door het verhuren van de woningen oefent appellant een economische activiteit uit en neemt hij deel aan het economisch verkeer. In zo’n geval moet de subsidie worden aangevraagd voordat met de te subsidiëren activiteit is begonnen. Dit volgt uit artikel 22, eerste lid, aanhef en onder c, van het Kaderbesluit, waarin dwingend is voorgeschreven dat afwijzend wordt beslist op een aanvraag om subsidie als niet voldaan is aan de eis van het stimulerend effect, bedoeld in het toepasselijke Europese steunkader (zie bijvoorbeeld de uitspraak van het College van 12 oktober 2021, ECLI:NL:CBB:2021:930). Zoals verweerder uiteengezet heeft, wordt aan de eis van het stimulerend effect niet voldaan als al een verplichting is aangegaan voordat de aanvraag tot subsidieverlening wordt ingediend.
4.4
Het College deelt niet het standpunt van appellant dat de volgorde van aanvragen en aanschaffen er niet toe doet, omdat het stimulerende effect toch wel aanwezig is. De Regeling en het Europees recht bieden verweerder geen ruimte om af te wijken van de volgorde eerst aanvragen dan aanschaffen. Achteraf valt de door appellant gevolgde volgorde van eerst aanschaffen en dan aanvragen ook niet meer te herstellen, zodat het voor verweerder ook niet mogelijk is appellant tegemoet te komen.
4.5
Het standpunt van appellant dat er in vergelijkbare gevallen wel positief beslist zou zijn leidt niet tot een ander oordeel, omdat appellant niet concreet heeft gemaakt over welke vergelijkbare gevallen het zou gaan.
5. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
Het College verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Smorenburg, in aanwezigheid van mr. M.B. van Zantvoort, griffier.