Rechtspraak
College van Beroep voor het bedrijfsleven
2022-09-06
ECLI:NL:CBB:2022:593
Bestuursrecht
Voorlopige voorziening
3,124 tokens
Inleiding
uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 22/1511
uitspraak van de voorzieningenrechter van 6 september 2022 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen
Compaxo Zevenaar B.V., te Zevenaar, verzoekster
(gemachtigden: mr. K.J. Defares en mr J. Jansen)
en
de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder
(gemachtigde: mr. E.M.M. Geerligs)
Procesverloop
Verzoekster heeft aan de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) verzocht om uitbreiding van het aantal uren keuringswerkzaamheden door Officiële dierenartsen van de NVWA en Officiële assistenten (KDS). De NVWA heeft bij e-mailbericht van 8 augustus 2022, namens verweerder, afwijzend op dit verzoek gereageerd.
Verzoekster heeft daartegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Overwegingen
1. Op grond van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een besluit bij het College beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep, bezwaar is gemaakt, op verzoek een voorlopige voorziening worden getroffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Het oordeel van de voorzieningenrechter en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen zijn niet bindend voor de hoofdzaak.
2. Op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter, als het verzoek om voorlopige voorziening kennelijk ongegrond is, uitspraak doen zonder dat partijen worden uitgenodigd om op een zitting te verschijnen. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter doet deze situatie zich hier voor. Met verwijzing naar de uitspraken van het College van 23 augustus 2022 (ECLI:NL:CBB:2022:567, ECLI:NL:CBB:2022:568 en ECLI:NL:CBB:2022:569) en 29 januari 2019 (ECLI:NL:CBB:2019:38) is de voorzieningenrechter namelijk van oordeel dat het e-mailbericht van de NVWA niet op enig publiekrechtelijk rechtsgevolg is gericht. Ook hier verandert de publiekrechtelijke rechtspositie van verzoekster immers niet. Het e-mailbericht van 8 augustus 2022 is geen besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb. Verweerder zal het bezwaar daartegen van verzoekster daarom niet-ontvankelijk moeten verklaren. Dat betekent dat er geen reden is om een voorlopige voorziening te treffen.
3. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af. Verweerder hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Dictum
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.G.M. Simons, in aanwezigheid van mr. P.M. Beishuizen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 6 september 2022.
w.g. T.G.M. Simons w.g. P.M. Beishuizen
Afschrift verzonden aan partijen op:
Inleiding
uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 22/1511
uitspraak van de voorzieningenrechter van 6 september 2022 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen
Compaxo Zevenaar B.V., te Zevenaar, verzoekster
(gemachtigden: mr. K.J. Defares en mr J. Jansen)
en
de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder
(gemachtigde: mr. E.M.M. Geerligs)
Procesverloop
Verzoekster heeft aan de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) verzocht om uitbreiding van het aantal uren keuringswerkzaamheden door Officiële dierenartsen van de NVWA en Officiële assistenten (KDS). De NVWA heeft bij e-mailbericht van 8 augustus 2022, namens verweerder, afwijzend op dit verzoek gereageerd.
Verzoekster heeft daartegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Overwegingen
1. Op grond van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een besluit bij het College beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep, bezwaar is gemaakt, op verzoek een voorlopige voorziening worden getroffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Het oordeel van de voorzieningenrechter en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen zijn niet bindend voor de hoofdzaak.
2. Op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter, als het verzoek om voorlopige voorziening kennelijk ongegrond is, uitspraak doen zonder dat partijen worden uitgenodigd om op een zitting te verschijnen. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter doet deze situatie zich hier voor. Met verwijzing naar de uitspraken van het College van 23 augustus 2022 (ECLI:NL:CBB:2022:567, ECLI:NL:CBB:2022:568 en ECLI:NL:CBB:2022:569) en 29 januari 2019 (ECLI:NL:CBB:2019:38) is de voorzieningenrechter namelijk van oordeel dat het e-mailbericht van de NVWA niet op enig publiekrechtelijk rechtsgevolg is gericht. Ook hier verandert de publiekrechtelijke rechtspositie van verzoekster immers niet. Het e-mailbericht van 8 augustus 2022 is geen besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb. Verweerder zal het bezwaar daartegen van verzoekster daarom niet-ontvankelijk moeten verklaren. Dat betekent dat er geen reden is om een voorlopige voorziening te treffen.
3. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af. Verweerder hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Dictum
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.G.M. Simons, in aanwezigheid van mr. P.M. Beishuizen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 6 september 2022.
w.g. T.G.M. Simons w.g. P.M. Beishuizen
Afschrift verzonden aan partijen op:
Inleiding
uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 22/1511
uitspraak van de voorzieningenrechter van 6 september 2022 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen
Compaxo Zevenaar B.V., te Zevenaar, verzoekster
(gemachtigden: mr. K.J. Defares en mr J. Jansen)
en
de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder
(gemachtigde: mr. E.M.M. Geerligs)
Procesverloop
Verzoekster heeft aan de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) verzocht om uitbreiding van het aantal uren keuringswerkzaamheden door Officiële dierenartsen van de NVWA en Officiële assistenten (KDS). De NVWA heeft bij e-mailbericht van 8 augustus 2022, namens verweerder, afwijzend op dit verzoek gereageerd.
Verzoekster heeft daartegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Overwegingen
1. Op grond van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een besluit bij het College beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep, bezwaar is gemaakt, op verzoek een voorlopige voorziening worden getroffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Het oordeel van de voorzieningenrechter en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen zijn niet bindend voor de hoofdzaak.
2. Op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter, als het verzoek om voorlopige voorziening kennelijk ongegrond is, uitspraak doen zonder dat partijen worden uitgenodigd om op een zitting te verschijnen. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter doet deze situatie zich hier voor. Met verwijzing naar de uitspraken van het College van 23 augustus 2022 (ECLI:NL:CBB:2022:567, ECLI:NL:CBB:2022:568 en ECLI:NL:CBB:2022:569) en 29 januari 2019 (ECLI:NL:CBB:2019:38) is de voorzieningenrechter namelijk van oordeel dat het e-mailbericht van de NVWA niet op enig publiekrechtelijk rechtsgevolg is gericht. Ook hier verandert de publiekrechtelijke rechtspositie van verzoekster immers niet. Het e-mailbericht van 8 augustus 2022 is geen besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb. Verweerder zal het bezwaar daartegen van verzoekster daarom niet-ontvankelijk moeten verklaren. Dat betekent dat er geen reden is om een voorlopige voorziening te treffen.
3. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af. Verweerder hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Dictum
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.G.M. Simons, in aanwezigheid van mr. P.M. Beishuizen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 6 september 2022.
w.g. T.G.M. Simons w.g. P.M. Beishuizen
Afschrift verzonden aan partijen op:
Inleiding
uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 22/1511
uitspraak van de voorzieningenrechter van 6 september 2022 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen
Compaxo Zevenaar B.V., te Zevenaar, verzoekster
(gemachtigden: mr. K.J. Defares en mr J. Jansen)
en
de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder
(gemachtigde: mr. E.M.M. Geerligs)
Procesverloop
Verzoekster heeft aan de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) verzocht om uitbreiding van het aantal uren keuringswerkzaamheden door Officiële dierenartsen van de NVWA en Officiële assistenten (KDS). De NVWA heeft bij e-mailbericht van 8 augustus 2022, namens verweerder, afwijzend op dit verzoek gereageerd.
Verzoekster heeft daartegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Overwegingen
1. Op grond van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een besluit bij het College beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep, bezwaar is gemaakt, op verzoek een voorlopige voorziening worden getroffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Het oordeel van de voorzieningenrechter en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen zijn niet bindend voor de hoofdzaak.
2. Op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter, als het verzoek om voorlopige voorziening kennelijk ongegrond is, uitspraak doen zonder dat partijen worden uitgenodigd om op een zitting te verschijnen. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter doet deze situatie zich hier voor. Met verwijzing naar de uitspraken van het College van 23 augustus 2022 (ECLI:NL:CBB:2022:567, ECLI:NL:CBB:2022:568 en ECLI:NL:CBB:2022:569) en 29 januari 2019 (ECLI:NL:CBB:2019:38) is de voorzieningenrechter namelijk van oordeel dat het e-mailbericht van de NVWA niet op enig publiekrechtelijk rechtsgevolg is gericht. Ook hier verandert de publiekrechtelijke rechtspositie van verzoekster immers niet. Het e-mailbericht van 8 augustus 2022 is geen besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb. Verweerder zal het bezwaar daartegen van verzoekster daarom niet-ontvankelijk moeten verklaren. Dat betekent dat er geen reden is om een voorlopige voorziening te treffen.
3. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af. Verweerder hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Dictum
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.G.M. Simons, in aanwezigheid van mr. P.M. Beishuizen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 6 september 2022.
w.g. T.G.M. Simons w.g. P.M. Beishuizen
Afschrift verzonden aan partijen op: