Rechtspraak
College van Beroep voor het bedrijfsleven
2022-07-26
ECLI:NL:CBB:2022:431
Bestuursrecht
Eerste aanleg - meervoudig
9,368 tokens
Inleiding
uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
Zaaknummer: 21/671
uitspraak van de meervoudige kamer van 26 juli 2022 in de zaak tussen
[naam 1] B.V., te [woonplaats] , appellante
(gemachtigde: B.J. Crielaard),
en
de minister van Economische Zaken en Klimaat, verweerder
(gemachtigde: mr. M.W. Schilperoort).
Procesverloop
Bij besluit van 26 november 2020 heeft verweerder de door appellante aangevraagde subsidie afgewezen.
Bij besluit van 3 mei 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.
Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek op de zitting heeft plaatsgevonden op 2 mei 2022. Aanwezig waren de gemachtigde van appellante, bijgestaan door [naam 2] , en de gemachtigde van verweerder.
Overwegingen
1. De door appellante aangevraagde subsidie is gebaseerd op de Regeling nationale EZK- en LNV-subsidies (Regeling), titel 3.4 MKB innovatiestimulering topsectoren en paragraaf 3.4.5 MIT-R&D-samenwerkingsprojecten. De verdeling van deze subsidie vindt plaats op basis van het tenderprincipe, hetgeen inhoudt dat verweerder de ingediende aanvragen gelijktijdig inhoudelijk beoordeelt, onderling vergelijkt en ten opzichte van elkaar rangschikt. De rangschikking vindt plaats aan de hand van de in artikel 3.4.25 van de Regeling gegeven criteria. Dit artikel luidt als volgt:
“1. De minister kent aan een project aan de hand van de volgende criteria een hoger aantal punten toe naarmate:
a. er meer technologische vernieuwing of wezenlijke nieuwe toepassingen van een bestaand product, proces, of dienst wordt verwacht;
b. er meer economische waarde wordt gecreëerd voor de deelnemers in het MIT-R&D-samenwerkingsverband of de Nederlandse economie;
c. de kwaliteit van de R&D samenwerking hoger is, ten minste blijkend uit de mate van complementariteit van de deelnemers, de capaciteiten van de deelnemers en de kwaliteit van de projectorganisatie;
d. er meer positieve impact wordt gerealiseerd binnen een of meer van de programma’s, genoemd in bijlage 3.4.1.
2. Het aantal punten gegeven voor het eerste lid, onderdeel d, wordt verminderd naarmate het project meer negatieve impact heeft op een of meer van de programma’s, genoemd in bijlage 3.4.1.
3. De minister kent per onderdeel van het eerste lid ten hoogste 25 punten toe.
4. De minister rangschikt de aanvragen waarop niet afwijzend is beslist hoger naarmate in totaal meer punten aan het project zijn toegekend.
5. De minister verdeelt het subsidieplafond onder de aanvragen die het hoogste zijn gerangschikt.”
2. Appellante ontwikkelt hard- en software voor pluimveehouderijen. Zij richt zich vooral op broederijen. Appellante heeft op 9 september 2020 subsidie aangevraagd voor het ontwikkelen van een mobiel en draadloos sensorsysteem dat de broedomstandigheden in en om de broedkamer registreert en voor het ontwikkelen en testen van een datamodel op basis van machine learning. Het is de bedoeling dat met de verkregen data het broedproces inzichtelijk, voorspelbaar en nauwkeurig stuurbaar wordt gemaakt.
3. Naar aanleiding van deze aanvraag heeft verweerder enkele vragen aan appellante gesteld over de aanvang van het project. Deze vragen heeft appellante beantwoord bij e-mail van 16 oktober 2020. Vervolgens heeft verweerder bij besluit van 26 oktober 2020 de subsidieaanvraag van appellante afgewezen, omdat appellante al met het project zou zijn begonnen voordat de aanvraag was ingediend.
4. Appellante heeft hiertegen bezwaar gemaakt en is daarover op 9 februari 2021 gehoord door verweerder. Bij de heroverweging van zijn besluit heeft verweerder de aanvankelijke afwijzingsgrond laten vallen en de subsidie-aanvraag van appellante alsnog inhoudelijk beoordeeld aan de hand van de rangschikkingscriteria in artikel 3.4.25 van de Regeling. Het met deze beoordeling gescoorde aantal punten leverde een zodanig lage plaats op in de rangschikking dat appellante niet voor de subsidie in aanmerking komt. Bij het bestreden besluit heeft verweerder daarom de subsidie-aanvraag van appellante opnieuw afgewezen, nu op grond van artikel 4:25, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), waarin is bepaald dat een subsidie wordt geweigerd voor zover door verstrekking van de subsidie het subsidieplafond zou worden overschreden.
5.1
In beroep voert appellante aan dat verweerder bij de inhoudelijke beoordeling van de subsidie-aanvraag informatie heeft gebruikt die niet in het projectplan stond, maar bij de hoorzitting naar voren is gekomen. Dit blijkt volgens appellante uit de toelichting op het scoreformulier bij het onderdeel technologische haalbaarheid/risico’s, waarin is vermeld dat een eerste prototype is gemaakt, maar dat deze niet robuust is en binnen een dag kapot gaat waardoor er geen sturing kan plaatsvinden. Appellante stelt dat verweerder deze informatie niet bij de inhoudelijke beoordeling had mogen betrekken, omdat het meenemen van informatie die dateert van na de sluiting van de aanvraagtermijn zich niet verdraagt met het tendersysteem. Appellante verwijst in dit verband naar rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en het College: ECLI:NL:RVS:2012:BX8283, ECLI:NL:RVS:2006:AZ4815, ECLI:NL:RVS:2009:BJ2654 en ECLI:NL:CBB:2001:AB1115.
5.2
Het College overweegt dat aan de door appellante genoemde uitspraken geen betekenis toekomt, omdat deze zien op situaties waarin de aanvrager na de sluiting van de aanvraagtermijn nog met informatie komt om de aanvraag aan te vullen of te wijzigen. Dat is hier niet aan de orde. Deze beroepsgrond slaagt niet.
6.1
Appellante voert vervolgens aan dat de subsidie-aanvraag in bezwaar ten onrechte mede is beoordeeld door een adviseur die bij de hoorzitting aanwezig was en informatie uit de hoorzitting bij de inhoudelijke beoordeling heeft gebruikt. Deze adviseur kon daarom niet als een onafhankelijke deskundige het projectplan zonder voorkennis beoordelen. Om het risico op subjectiviteit te minimaliseren, had verweerder uit zorgvuldigheid de beoordeling moeten laten doen door een deskundige zonder voorkennis, net zoals dat bij de concurrerende aanvragen is gebeurd. Verder wil appellante dat de rangschikking opnieuw wordt beoordeeld met inachtneming van de kwaliteit van de andere aanvragen. Een objectieve rangschikking is volgens appellante alleen nog mogelijk als op hetzelfde moment ook de andere aanvragen opnieuw beoordeeld worden.
6.2
Ook deze grond slaagt niet. Er is geen rechtsregel die inhoudt dat een adviseur die bij het horen in bezwaar is betrokken niet betrokken mag zijn bij de inhoudelijke beoordeling. Op basis van wat appellante heeft aangevoerd, constateert het College geen onzorgvuldigheden in de procedure. Verweerder is dan ook niet gehouden om het projectplan van appellante nogmaals inhoudelijk te laten beoordelen door andere deskundigen, laat staan om alle projectplannen nog eens te beoordelen.
7.1
Appellante voert verder aan dat uit de door haar aan de orde gestelde procedurele gebreken blijkt dat de beoordelings- en bezwaarprocedure de schijn heeft van vooringenomenheid bij verweerder. Volgens appellante heeft verweerder er belang bij om de in de bezwaarfase afgewezen aanvragen bij de heroverweging niet alsnog toe te wijzen. Appellante heeft zich in bewaar en beroep beperkt tot het aanvoeren van gronden over de wijze waarop de procedure is verlopen, omdat volgens haar reeds op grond daarvan het bestreden besluit niet in stand kan blijven, en bovendien zou het aanvoeren van gronden tegen de inhoudelijke beoordeling zinloos zijn, omdat verweerder zich toch altijd verschuilt achter het standpunt van de deskundigen die de inhoudelijke beoordeling hebben uitgevoerd. Volgens appellante is de procedure niet transparant geweest en is zij niet gelijk behandeld ten opzichte van andere aanvragers. Daarnaast stelt appellante dat verweerder de inhoudelijke beoordeling had moeten loskoppelen van de bezwaarprocedure, omdat de inhoudelijke beoordeling geen onderdeel was van het bezwaar, want dat was niet gericht tegen de inhoudelijke beoordeling. Het bezwaar was geslaagd en verweerder had de bezwaarprocedure als afgerond moeten beschouwen en niet de adviseur mogen betrekken bij zowel de hoorzitting als de inhoudelijke beoordeling, waardoor appellante benadeeld is ten opzichte van andere aanvragers.
7.2
De visie van appellante over de te volgen procedure is niet in lijn met de Awb. Uit oogpunt van rechtsbescherming voorziet de Awb er juist in dat na een geslaagde bezwaarprocedure een nieuwe beslissing de vorm heeft van een beslissing op bezwaar, waartegen vervolgens beroep openstaat.
Dictum
Het College verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.H. de Wildt, mr. R.W.L. Koopmans en mr. H.O. Kerkmeester, in aanwezigheid van mr. M.B. van Zantvoort, griffier.
Inleiding
uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
Zaaknummer: 21/671
uitspraak van de meervoudige kamer van 26 juli 2022 in de zaak tussen
[naam 1] B.V., te [woonplaats] , appellante
(gemachtigde: B.J. Crielaard),
en
de minister van Economische Zaken en Klimaat, verweerder
(gemachtigde: mr. M.W. Schilperoort).
Procesverloop
Bij besluit van 26 november 2020 heeft verweerder de door appellante aangevraagde subsidie afgewezen.
Bij besluit van 3 mei 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.
Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek op de zitting heeft plaatsgevonden op 2 mei 2022. Aanwezig waren de gemachtigde van appellante, bijgestaan door [naam 2] , en de gemachtigde van verweerder.
Overwegingen
1. De door appellante aangevraagde subsidie is gebaseerd op de Regeling nationale EZK- en LNV-subsidies (Regeling), titel 3.4 MKB innovatiestimulering topsectoren en paragraaf 3.4.5 MIT-R&D-samenwerkingsprojecten. De verdeling van deze subsidie vindt plaats op basis van het tenderprincipe, hetgeen inhoudt dat verweerder de ingediende aanvragen gelijktijdig inhoudelijk beoordeelt, onderling vergelijkt en ten opzichte van elkaar rangschikt. De rangschikking vindt plaats aan de hand van de in artikel 3.4.25 van de Regeling gegeven criteria. Dit artikel luidt als volgt:
“1. De minister kent aan een project aan de hand van de volgende criteria een hoger aantal punten toe naarmate:
a. er meer technologische vernieuwing of wezenlijke nieuwe toepassingen van een bestaand product, proces, of dienst wordt verwacht;
b. er meer economische waarde wordt gecreëerd voor de deelnemers in het MIT-R&D-samenwerkingsverband of de Nederlandse economie;
c. de kwaliteit van de R&D samenwerking hoger is, ten minste blijkend uit de mate van complementariteit van de deelnemers, de capaciteiten van de deelnemers en de kwaliteit van de projectorganisatie;
d. er meer positieve impact wordt gerealiseerd binnen een of meer van de programma’s, genoemd in bijlage 3.4.1.
2. Het aantal punten gegeven voor het eerste lid, onderdeel d, wordt verminderd naarmate het project meer negatieve impact heeft op een of meer van de programma’s, genoemd in bijlage 3.4.1.
3. De minister kent per onderdeel van het eerste lid ten hoogste 25 punten toe.
4. De minister rangschikt de aanvragen waarop niet afwijzend is beslist hoger naarmate in totaal meer punten aan het project zijn toegekend.
5. De minister verdeelt het subsidieplafond onder de aanvragen die het hoogste zijn gerangschikt.”
2. Appellante ontwikkelt hard- en software voor pluimveehouderijen. Zij richt zich vooral op broederijen. Appellante heeft op 9 september 2020 subsidie aangevraagd voor het ontwikkelen van een mobiel en draadloos sensorsysteem dat de broedomstandigheden in en om de broedkamer registreert en voor het ontwikkelen en testen van een datamodel op basis van machine learning. Het is de bedoeling dat met de verkregen data het broedproces inzichtelijk, voorspelbaar en nauwkeurig stuurbaar wordt gemaakt.
3. Naar aanleiding van deze aanvraag heeft verweerder enkele vragen aan appellante gesteld over de aanvang van het project. Deze vragen heeft appellante beantwoord bij e-mail van 16 oktober 2020. Vervolgens heeft verweerder bij besluit van 26 oktober 2020 de subsidieaanvraag van appellante afgewezen, omdat appellante al met het project zou zijn begonnen voordat de aanvraag was ingediend.
4. Appellante heeft hiertegen bezwaar gemaakt en is daarover op 9 februari 2021 gehoord door verweerder. Bij de heroverweging van zijn besluit heeft verweerder de aanvankelijke afwijzingsgrond laten vallen en de subsidie-aanvraag van appellante alsnog inhoudelijk beoordeeld aan de hand van de rangschikkingscriteria in artikel 3.4.25 van de Regeling. Het met deze beoordeling gescoorde aantal punten leverde een zodanig lage plaats op in de rangschikking dat appellante niet voor de subsidie in aanmerking komt. Bij het bestreden besluit heeft verweerder daarom de subsidie-aanvraag van appellante opnieuw afgewezen, nu op grond van artikel 4:25, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), waarin is bepaald dat een subsidie wordt geweigerd voor zover door verstrekking van de subsidie het subsidieplafond zou worden overschreden.
5.1
In beroep voert appellante aan dat verweerder bij de inhoudelijke beoordeling van de subsidie-aanvraag informatie heeft gebruikt die niet in het projectplan stond, maar bij de hoorzitting naar voren is gekomen. Dit blijkt volgens appellante uit de toelichting op het scoreformulier bij het onderdeel technologische haalbaarheid/risico’s, waarin is vermeld dat een eerste prototype is gemaakt, maar dat deze niet robuust is en binnen een dag kapot gaat waardoor er geen sturing kan plaatsvinden. Appellante stelt dat verweerder deze informatie niet bij de inhoudelijke beoordeling had mogen betrekken, omdat het meenemen van informatie die dateert van na de sluiting van de aanvraagtermijn zich niet verdraagt met het tendersysteem. Appellante verwijst in dit verband naar rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en het College: ECLI:NL:RVS:2012:BX8283, ECLI:NL:RVS:2006:AZ4815, ECLI:NL:RVS:2009:BJ2654 en ECLI:NL:CBB:2001:AB1115.
5.2
Het College overweegt dat aan de door appellante genoemde uitspraken geen betekenis toekomt, omdat deze zien op situaties waarin de aanvrager na de sluiting van de aanvraagtermijn nog met informatie komt om de aanvraag aan te vullen of te wijzigen. Dat is hier niet aan de orde. Deze beroepsgrond slaagt niet.
6.1
Appellante voert vervolgens aan dat de subsidie-aanvraag in bezwaar ten onrechte mede is beoordeeld door een adviseur die bij de hoorzitting aanwezig was en informatie uit de hoorzitting bij de inhoudelijke beoordeling heeft gebruikt. Deze adviseur kon daarom niet als een onafhankelijke deskundige het projectplan zonder voorkennis beoordelen. Om het risico op subjectiviteit te minimaliseren, had verweerder uit zorgvuldigheid de beoordeling moeten laten doen door een deskundige zonder voorkennis, net zoals dat bij de concurrerende aanvragen is gebeurd. Verder wil appellante dat de rangschikking opnieuw wordt beoordeeld met inachtneming van de kwaliteit van de andere aanvragen. Een objectieve rangschikking is volgens appellante alleen nog mogelijk als op hetzelfde moment ook de andere aanvragen opnieuw beoordeeld worden.
6.2
Ook deze grond slaagt niet. Er is geen rechtsregel die inhoudt dat een adviseur die bij het horen in bezwaar is betrokken niet betrokken mag zijn bij de inhoudelijke beoordeling. Op basis van wat appellante heeft aangevoerd, constateert het College geen onzorgvuldigheden in de procedure. Verweerder is dan ook niet gehouden om het projectplan van appellante nogmaals inhoudelijk te laten beoordelen door andere deskundigen, laat staan om alle projectplannen nog eens te beoordelen.
7.1
Appellante voert verder aan dat uit de door haar aan de orde gestelde procedurele gebreken blijkt dat de beoordelings- en bezwaarprocedure de schijn heeft van vooringenomenheid bij verweerder. Volgens appellante heeft verweerder er belang bij om de in de bezwaarfase afgewezen aanvragen bij de heroverweging niet alsnog toe te wijzen. Appellante heeft zich in bewaar en beroep beperkt tot het aanvoeren van gronden over de wijze waarop de procedure is verlopen, omdat volgens haar reeds op grond daarvan het bestreden besluit niet in stand kan blijven, en bovendien zou het aanvoeren van gronden tegen de inhoudelijke beoordeling zinloos zijn, omdat verweerder zich toch altijd verschuilt achter het standpunt van de deskundigen die de inhoudelijke beoordeling hebben uitgevoerd. Volgens appellante is de procedure niet transparant geweest en is zij niet gelijk behandeld ten opzichte van andere aanvragers. Daarnaast stelt appellante dat verweerder de inhoudelijke beoordeling had moeten loskoppelen van de bezwaarprocedure, omdat de inhoudelijke beoordeling geen onderdeel was van het bezwaar, want dat was niet gericht tegen de inhoudelijke beoordeling. Het bezwaar was geslaagd en verweerder had de bezwaarprocedure als afgerond moeten beschouwen en niet de adviseur mogen betrekken bij zowel de hoorzitting als de inhoudelijke beoordeling, waardoor appellante benadeeld is ten opzichte van andere aanvragers.
7.2
De visie van appellante over de te volgen procedure is niet in lijn met de Awb. Uit oogpunt van rechtsbescherming voorziet de Awb er juist in dat na een geslaagde bezwaarprocedure een nieuwe beslissing de vorm heeft van een beslissing op bezwaar, waartegen vervolgens beroep openstaat.
Dictum
Het College verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.H. de Wildt, mr. R.W.L. Koopmans en mr. H.O. Kerkmeester, in aanwezigheid van mr. M.B. van Zantvoort, griffier.
Inleiding
uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
Zaaknummer: 21/671
uitspraak van de meervoudige kamer van 26 juli 2022 in de zaak tussen
[naam 1] B.V., te [woonplaats] , appellante
(gemachtigde: B.J. Crielaard),
en
de minister van Economische Zaken en Klimaat, verweerder
(gemachtigde: mr. M.W. Schilperoort).
Procesverloop
Bij besluit van 26 november 2020 heeft verweerder de door appellante aangevraagde subsidie afgewezen.
Bij besluit van 3 mei 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.
Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek op de zitting heeft plaatsgevonden op 2 mei 2022. Aanwezig waren de gemachtigde van appellante, bijgestaan door [naam 2] , en de gemachtigde van verweerder.
Overwegingen
1. De door appellante aangevraagde subsidie is gebaseerd op de Regeling nationale EZK- en LNV-subsidies (Regeling), titel 3.4 MKB innovatiestimulering topsectoren en paragraaf 3.4.5 MIT-R&D-samenwerkingsprojecten. De verdeling van deze subsidie vindt plaats op basis van het tenderprincipe, hetgeen inhoudt dat verweerder de ingediende aanvragen gelijktijdig inhoudelijk beoordeelt, onderling vergelijkt en ten opzichte van elkaar rangschikt. De rangschikking vindt plaats aan de hand van de in artikel 3.4.25 van de Regeling gegeven criteria. Dit artikel luidt als volgt:
“1. De minister kent aan een project aan de hand van de volgende criteria een hoger aantal punten toe naarmate:
a. er meer technologische vernieuwing of wezenlijke nieuwe toepassingen van een bestaand product, proces, of dienst wordt verwacht;
b. er meer economische waarde wordt gecreëerd voor de deelnemers in het MIT-R&D-samenwerkingsverband of de Nederlandse economie;
c. de kwaliteit van de R&D samenwerking hoger is, ten minste blijkend uit de mate van complementariteit van de deelnemers, de capaciteiten van de deelnemers en de kwaliteit van de projectorganisatie;
d. er meer positieve impact wordt gerealiseerd binnen een of meer van de programma’s, genoemd in bijlage 3.4.1.
2. Het aantal punten gegeven voor het eerste lid, onderdeel d, wordt verminderd naarmate het project meer negatieve impact heeft op een of meer van de programma’s, genoemd in bijlage 3.4.1.
3. De minister kent per onderdeel van het eerste lid ten hoogste 25 punten toe.
4. De minister rangschikt de aanvragen waarop niet afwijzend is beslist hoger naarmate in totaal meer punten aan het project zijn toegekend.
5. De minister verdeelt het subsidieplafond onder de aanvragen die het hoogste zijn gerangschikt.”
2. Appellante ontwikkelt hard- en software voor pluimveehouderijen. Zij richt zich vooral op broederijen. Appellante heeft op 9 september 2020 subsidie aangevraagd voor het ontwikkelen van een mobiel en draadloos sensorsysteem dat de broedomstandigheden in en om de broedkamer registreert en voor het ontwikkelen en testen van een datamodel op basis van machine learning. Het is de bedoeling dat met de verkregen data het broedproces inzichtelijk, voorspelbaar en nauwkeurig stuurbaar wordt gemaakt.
3. Naar aanleiding van deze aanvraag heeft verweerder enkele vragen aan appellante gesteld over de aanvang van het project. Deze vragen heeft appellante beantwoord bij e-mail van 16 oktober 2020. Vervolgens heeft verweerder bij besluit van 26 oktober 2020 de subsidieaanvraag van appellante afgewezen, omdat appellante al met het project zou zijn begonnen voordat de aanvraag was ingediend.
4. Appellante heeft hiertegen bezwaar gemaakt en is daarover op 9 februari 2021 gehoord door verweerder. Bij de heroverweging van zijn besluit heeft verweerder de aanvankelijke afwijzingsgrond laten vallen en de subsidie-aanvraag van appellante alsnog inhoudelijk beoordeeld aan de hand van de rangschikkingscriteria in artikel 3.4.25 van de Regeling. Het met deze beoordeling gescoorde aantal punten leverde een zodanig lage plaats op in de rangschikking dat appellante niet voor de subsidie in aanmerking komt. Bij het bestreden besluit heeft verweerder daarom de subsidie-aanvraag van appellante opnieuw afgewezen, nu op grond van artikel 4:25, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), waarin is bepaald dat een subsidie wordt geweigerd voor zover door verstrekking van de subsidie het subsidieplafond zou worden overschreden.
5.1
In beroep voert appellante aan dat verweerder bij de inhoudelijke beoordeling van de subsidie-aanvraag informatie heeft gebruikt die niet in het projectplan stond, maar bij de hoorzitting naar voren is gekomen. Dit blijkt volgens appellante uit de toelichting op het scoreformulier bij het onderdeel technologische haalbaarheid/risico’s, waarin is vermeld dat een eerste prototype is gemaakt, maar dat deze niet robuust is en binnen een dag kapot gaat waardoor er geen sturing kan plaatsvinden. Appellante stelt dat verweerder deze informatie niet bij de inhoudelijke beoordeling had mogen betrekken, omdat het meenemen van informatie die dateert van na de sluiting van de aanvraagtermijn zich niet verdraagt met het tendersysteem. Appellante verwijst in dit verband naar rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en het College: ECLI:NL:RVS:2012:BX8283, ECLI:NL:RVS:2006:AZ4815, ECLI:NL:RVS:2009:BJ2654 en ECLI:NL:CBB:2001:AB1115.
5.2
Het College overweegt dat aan de door appellante genoemde uitspraken geen betekenis toekomt, omdat deze zien op situaties waarin de aanvrager na de sluiting van de aanvraagtermijn nog met informatie komt om de aanvraag aan te vullen of te wijzigen. Dat is hier niet aan de orde. Deze beroepsgrond slaagt niet.
6.1
Appellante voert vervolgens aan dat de subsidie-aanvraag in bezwaar ten onrechte mede is beoordeeld door een adviseur die bij de hoorzitting aanwezig was en informatie uit de hoorzitting bij de inhoudelijke beoordeling heeft gebruikt. Deze adviseur kon daarom niet als een onafhankelijke deskundige het projectplan zonder voorkennis beoordelen. Om het risico op subjectiviteit te minimaliseren, had verweerder uit zorgvuldigheid de beoordeling moeten laten doen door een deskundige zonder voorkennis, net zoals dat bij de concurrerende aanvragen is gebeurd. Verder wil appellante dat de rangschikking opnieuw wordt beoordeeld met inachtneming van de kwaliteit van de andere aanvragen. Een objectieve rangschikking is volgens appellante alleen nog mogelijk als op hetzelfde moment ook de andere aanvragen opnieuw beoordeeld worden.
6.2
Ook deze grond slaagt niet. Er is geen rechtsregel die inhoudt dat een adviseur die bij het horen in bezwaar is betrokken niet betrokken mag zijn bij de inhoudelijke beoordeling. Op basis van wat appellante heeft aangevoerd, constateert het College geen onzorgvuldigheden in de procedure. Verweerder is dan ook niet gehouden om het projectplan van appellante nogmaals inhoudelijk te laten beoordelen door andere deskundigen, laat staan om alle projectplannen nog eens te beoordelen.
7.1
Appellante voert verder aan dat uit de door haar aan de orde gestelde procedurele gebreken blijkt dat de beoordelings- en bezwaarprocedure de schijn heeft van vooringenomenheid bij verweerder. Volgens appellante heeft verweerder er belang bij om de in de bezwaarfase afgewezen aanvragen bij de heroverweging niet alsnog toe te wijzen. Appellante heeft zich in bewaar en beroep beperkt tot het aanvoeren van gronden over de wijze waarop de procedure is verlopen, omdat volgens haar reeds op grond daarvan het bestreden besluit niet in stand kan blijven, en bovendien zou het aanvoeren van gronden tegen de inhoudelijke beoordeling zinloos zijn, omdat verweerder zich toch altijd verschuilt achter het standpunt van de deskundigen die de inhoudelijke beoordeling hebben uitgevoerd. Volgens appellante is de procedure niet transparant geweest en is zij niet gelijk behandeld ten opzichte van andere aanvragers. Daarnaast stelt appellante dat verweerder de inhoudelijke beoordeling had moeten loskoppelen van de bezwaarprocedure, omdat de inhoudelijke beoordeling geen onderdeel was van het bezwaar, want dat was niet gericht tegen de inhoudelijke beoordeling. Het bezwaar was geslaagd en verweerder had de bezwaarprocedure als afgerond moeten beschouwen en niet de adviseur mogen betrekken bij zowel de hoorzitting als de inhoudelijke beoordeling, waardoor appellante benadeeld is ten opzichte van andere aanvragers.
7.2
De visie van appellante over de te volgen procedure is niet in lijn met de Awb. Uit oogpunt van rechtsbescherming voorziet de Awb er juist in dat na een geslaagde bezwaarprocedure een nieuwe beslissing de vorm heeft van een beslissing op bezwaar, waartegen vervolgens beroep openstaat.
Dictum
Het College verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.H. de Wildt, mr. R.W.L. Koopmans en mr. H.O. Kerkmeester, in aanwezigheid van mr. M.B. van Zantvoort, griffier.
Inleiding
uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
Zaaknummer: 21/671
uitspraak van de meervoudige kamer van 26 juli 2022 in de zaak tussen
[naam 1] B.V., te [woonplaats] , appellante
(gemachtigde: B.J. Crielaard),
en
de minister van Economische Zaken en Klimaat, verweerder
(gemachtigde: mr. M.W. Schilperoort).
Procesverloop
Bij besluit van 26 november 2020 heeft verweerder de door appellante aangevraagde subsidie afgewezen.
Bij besluit van 3 mei 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.
Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek op de zitting heeft plaatsgevonden op 2 mei 2022. Aanwezig waren de gemachtigde van appellante, bijgestaan door [naam 2] , en de gemachtigde van verweerder.
Overwegingen
1. De door appellante aangevraagde subsidie is gebaseerd op de Regeling nationale EZK- en LNV-subsidies (Regeling), titel 3.4 MKB innovatiestimulering topsectoren en paragraaf 3.4.5 MIT-R&D-samenwerkingsprojecten. De verdeling van deze subsidie vindt plaats op basis van het tenderprincipe, hetgeen inhoudt dat verweerder de ingediende aanvragen gelijktijdig inhoudelijk beoordeelt, onderling vergelijkt en ten opzichte van elkaar rangschikt. De rangschikking vindt plaats aan de hand van de in artikel 3.4.25 van de Regeling gegeven criteria. Dit artikel luidt als volgt:
“1. De minister kent aan een project aan de hand van de volgende criteria een hoger aantal punten toe naarmate:
a. er meer technologische vernieuwing of wezenlijke nieuwe toepassingen van een bestaand product, proces, of dienst wordt verwacht;
b. er meer economische waarde wordt gecreëerd voor de deelnemers in het MIT-R&D-samenwerkingsverband of de Nederlandse economie;
c. de kwaliteit van de R&D samenwerking hoger is, ten minste blijkend uit de mate van complementariteit van de deelnemers, de capaciteiten van de deelnemers en de kwaliteit van de projectorganisatie;
d. er meer positieve impact wordt gerealiseerd binnen een of meer van de programma’s, genoemd in bijlage 3.4.1.
2. Het aantal punten gegeven voor het eerste lid, onderdeel d, wordt verminderd naarmate het project meer negatieve impact heeft op een of meer van de programma’s, genoemd in bijlage 3.4.1.
3. De minister kent per onderdeel van het eerste lid ten hoogste 25 punten toe.
4. De minister rangschikt de aanvragen waarop niet afwijzend is beslist hoger naarmate in totaal meer punten aan het project zijn toegekend.
5. De minister verdeelt het subsidieplafond onder de aanvragen die het hoogste zijn gerangschikt.”
2. Appellante ontwikkelt hard- en software voor pluimveehouderijen. Zij richt zich vooral op broederijen. Appellante heeft op 9 september 2020 subsidie aangevraagd voor het ontwikkelen van een mobiel en draadloos sensorsysteem dat de broedomstandigheden in en om de broedkamer registreert en voor het ontwikkelen en testen van een datamodel op basis van machine learning. Het is de bedoeling dat met de verkregen data het broedproces inzichtelijk, voorspelbaar en nauwkeurig stuurbaar wordt gemaakt.
3. Naar aanleiding van deze aanvraag heeft verweerder enkele vragen aan appellante gesteld over de aanvang van het project. Deze vragen heeft appellante beantwoord bij e-mail van 16 oktober 2020. Vervolgens heeft verweerder bij besluit van 26 oktober 2020 de subsidieaanvraag van appellante afgewezen, omdat appellante al met het project zou zijn begonnen voordat de aanvraag was ingediend.
4. Appellante heeft hiertegen bezwaar gemaakt en is daarover op 9 februari 2021 gehoord door verweerder. Bij de heroverweging van zijn besluit heeft verweerder de aanvankelijke afwijzingsgrond laten vallen en de subsidie-aanvraag van appellante alsnog inhoudelijk beoordeeld aan de hand van de rangschikkingscriteria in artikel 3.4.25 van de Regeling. Het met deze beoordeling gescoorde aantal punten leverde een zodanig lage plaats op in de rangschikking dat appellante niet voor de subsidie in aanmerking komt. Bij het bestreden besluit heeft verweerder daarom de subsidie-aanvraag van appellante opnieuw afgewezen, nu op grond van artikel 4:25, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), waarin is bepaald dat een subsidie wordt geweigerd voor zover door verstrekking van de subsidie het subsidieplafond zou worden overschreden.
5.1
In beroep voert appellante aan dat verweerder bij de inhoudelijke beoordeling van de subsidie-aanvraag informatie heeft gebruikt die niet in het projectplan stond, maar bij de hoorzitting naar voren is gekomen. Dit blijkt volgens appellante uit de toelichting op het scoreformulier bij het onderdeel technologische haalbaarheid/risico’s, waarin is vermeld dat een eerste prototype is gemaakt, maar dat deze niet robuust is en binnen een dag kapot gaat waardoor er geen sturing kan plaatsvinden. Appellante stelt dat verweerder deze informatie niet bij de inhoudelijke beoordeling had mogen betrekken, omdat het meenemen van informatie die dateert van na de sluiting van de aanvraagtermijn zich niet verdraagt met het tendersysteem. Appellante verwijst in dit verband naar rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en het College: ECLI:NL:RVS:2012:BX8283, ECLI:NL:RVS:2006:AZ4815, ECLI:NL:RVS:2009:BJ2654 en ECLI:NL:CBB:2001:AB1115.
5.2
Het College overweegt dat aan de door appellante genoemde uitspraken geen betekenis toekomt, omdat deze zien op situaties waarin de aanvrager na de sluiting van de aanvraagtermijn nog met informatie komt om de aanvraag aan te vullen of te wijzigen. Dat is hier niet aan de orde. Deze beroepsgrond slaagt niet.
6.1
Appellante voert vervolgens aan dat de subsidie-aanvraag in bezwaar ten onrechte mede is beoordeeld door een adviseur die bij de hoorzitting aanwezig was en informatie uit de hoorzitting bij de inhoudelijke beoordeling heeft gebruikt. Deze adviseur kon daarom niet als een onafhankelijke deskundige het projectplan zonder voorkennis beoordelen. Om het risico op subjectiviteit te minimaliseren, had verweerder uit zorgvuldigheid de beoordeling moeten laten doen door een deskundige zonder voorkennis, net zoals dat bij de concurrerende aanvragen is gebeurd. Verder wil appellante dat de rangschikking opnieuw wordt beoordeeld met inachtneming van de kwaliteit van de andere aanvragen. Een objectieve rangschikking is volgens appellante alleen nog mogelijk als op hetzelfde moment ook de andere aanvragen opnieuw beoordeeld worden.
6.2
Ook deze grond slaagt niet. Er is geen rechtsregel die inhoudt dat een adviseur die bij het horen in bezwaar is betrokken niet betrokken mag zijn bij de inhoudelijke beoordeling. Op basis van wat appellante heeft aangevoerd, constateert het College geen onzorgvuldigheden in de procedure. Verweerder is dan ook niet gehouden om het projectplan van appellante nogmaals inhoudelijk te laten beoordelen door andere deskundigen, laat staan om alle projectplannen nog eens te beoordelen.
7.1
Appellante voert verder aan dat uit de door haar aan de orde gestelde procedurele gebreken blijkt dat de beoordelings- en bezwaarprocedure de schijn heeft van vooringenomenheid bij verweerder. Volgens appellante heeft verweerder er belang bij om de in de bezwaarfase afgewezen aanvragen bij de heroverweging niet alsnog toe te wijzen. Appellante heeft zich in bewaar en beroep beperkt tot het aanvoeren van gronden over de wijze waarop de procedure is verlopen, omdat volgens haar reeds op grond daarvan het bestreden besluit niet in stand kan blijven, en bovendien zou het aanvoeren van gronden tegen de inhoudelijke beoordeling zinloos zijn, omdat verweerder zich toch altijd verschuilt achter het standpunt van de deskundigen die de inhoudelijke beoordeling hebben uitgevoerd. Volgens appellante is de procedure niet transparant geweest en is zij niet gelijk behandeld ten opzichte van andere aanvragers. Daarnaast stelt appellante dat verweerder de inhoudelijke beoordeling had moeten loskoppelen van de bezwaarprocedure, omdat de inhoudelijke beoordeling geen onderdeel was van het bezwaar, want dat was niet gericht tegen de inhoudelijke beoordeling. Het bezwaar was geslaagd en verweerder had de bezwaarprocedure als afgerond moeten beschouwen en niet de adviseur mogen betrekken bij zowel de hoorzitting als de inhoudelijke beoordeling, waardoor appellante benadeeld is ten opzichte van andere aanvragers.
7.2
De visie van appellante over de te volgen procedure is niet in lijn met de Awb. Uit oogpunt van rechtsbescherming voorziet de Awb er juist in dat na een geslaagde bezwaarprocedure een nieuwe beslissing de vorm heeft van een beslissing op bezwaar, waartegen vervolgens beroep openstaat.
Dictum
Het College verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.H. de Wildt, mr. R.W.L. Koopmans en mr. H.O. Kerkmeester, in aanwezigheid van mr. M.B. van Zantvoort, griffier.