Rechtspraak
College van Beroep voor het bedrijfsleven
2022-05-17
ECLI:NL:CBB:2022:248
Bestuursrecht
Eerste aanleg - meervoudig
6,925 tokens
Inleiding
uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 20/1035
uitspraak van de meervoudige kamer van 17 mei 2022 in de zaak tussen
[naam 1] B.V., te [woonplaats 1] ( [naam 1] ),
[naam 2] B.V., te [woonplaats 2] ( [naam 2] ),
hierna gezamenlijk te noemen: appellanten
(gemachtigde: G. Meun),
en
de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (de minister),
(gemachtigde: mr. P.J. Kooiman).
Waar gaat deze zaak over?
De minister heeft op 14 mei 2020 een subsidieregeling in het leven geroepen om de eigenaren van vissersvaartuigen die als gevolg van de coronamaatregelen hun inkomsten grotendeels zagen teruglopen, terwijl een groot deel van hun vaste lasten gewoon doorliep, snel een helpende hand te bieden (zie Stcrt. 2020, 25324). Deze regeling staat in Hoofdstuk 3 van de Regeling Europese EZK- en LNV-subsidies (Regeling): “Titel 3.11. Tijdelijk stopzetten van visserijactiviteiten als gevolg van COVID-19”.
[naam 1] heeft op 16 mei 2020 deze subsidie aangevraagd. Haar vissersvaartuig [nummer] (het schip) heeft vanaf 16 maart 2020 vanwege de coronamaatregelen vijf aaneengesloten weken stil gelegen.
3. De minister heeft de aanvraag afgewezen omdat [naam 1] op het moment van het indienen van de aanvraag niet langer de eigenaar van het schip was. [naam 1] heeft het schip namelijk op 8 mei 2020 verkocht. [naam 1] en [naam 2] (de exploitant van het schip) hebben gezamenlijk bezwaar gemaakt tegen de afwijzing. Verweerder heeft dat bezwaar bij besluit van 25 september 2020 (het bestreden besluit) ongegrond verklaard. Appellanten hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en het College heeft dat beroep behandeld op de zitting van 14 maart 2022.
Beoordeling
4. Het College is van oordeel dat de minister de subsidieaanvraag ten onrechte heeft afgewezen.
4.1
In artikel 3.11.2, eerste lid, van de Regeling staat: “De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan de eigenaar van een vissersvaartuig (..) voor de duur van het ten minste een en ten hoogste vijf maal een volledige ononderbroken week stopzetten van visserijactiviteiten met dat vissersvaartuig.”
4.2
Uit deze bepaling volgt niet dat vereist is dat de aanvrager op het moment van de aanvraag eigenaar was van het schip. Dit staat niet in de tekst van de bepaling en volgt ook niet uit het doel van de Regeling. Zoals in rechtsoverweging 1 al is beschreven, is het doel van de Regeling om de eigenaren van vissersvaartuigen die als gevolg van de coronamaatregelen hun inkomsten grotendeels zagen teruglopen snel een helpende hand te bieden. [naam 1] behoort dus tot de doelgroep. Daarbij is van belang dat de subsidie wordt verleend voor een ‘activiteit’ in het verleden, namelijk het stilliggen van vissersvaartuigen tijdens de eerste lockdown vanaf 16 maart 2020. Tijdens die lockdown was [naam 1] de eigenaar van het schip.
4.3
De minister legt de bepaling zo uit dat de subsidie alleen kan worden verleend als de aanvrager op het moment van de aanvraag (of op het moment dat het besluit wordt genomen) de eigenaar is van een vissersvaartuig. Deze uitleg leidt tot een onredelijke uitkomst, omdat [naam 1] de subsidie nu niet heeft gekregen terwijl zij wel tot de doelgroep behoort. Bovendien had de nieuwe eigenaar van het schip de subsidie wel kunnen aanvragen, terwijl hij niet tot de doelgroep behoort. Daarom is het beroep van appellanten gegrond.
Hoe nu verder?
5. Omdat het beroep gegrond is, wordt het bestreden besluit vernietigd. De minister heeft ter zitting bevestigd dat [naam 1] aan alle overige voorwaarden voor subsidieverlening voldoet. Ook over de hoogte van het subsidiebedrag bestaat geen verschil van mening, die volgt immers uit de Regeling. Het College kan daarom zelf in de zaak voorzien en zal aan [naam 1] een subsidie verlenen van € 22.000,-.
6. Omdat het beroep gegrond is, moet de minister ook de proceskosten van appellanten vergoeden. Deze kosten stelt het College op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.518,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 759,- en een wegingsfactor 1). Ook moet de minister het door appellanten betaalde griffierecht aan hen vergoeden.
Dictum
Het College:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het bestreden besluit;
verleent aan [naam 1] een subsidie van € 22.000,-;
bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;
draagt de minister op het betaalde griffierecht van € 354,- aan appellanten te vergoeden;
- veroordeelt de minister in de proceskosten van appellanten tot een bedrag van € 1.518,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B. Bastein, mr. H.S.J. Albers en mr. I.M. Ludwig, in aanwezigheid van mr. A.A. Dijk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 17 mei 2022.
De voorzitter is niet in de gelegenheid w.g. A.A. Dijk
deze uitspraak te ondertekenen.
Inleiding
uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 20/1035
uitspraak van de meervoudige kamer van 17 mei 2022 in de zaak tussen
[naam 1] B.V., te [woonplaats 1] ( [naam 1] ),
[naam 2] B.V., te [woonplaats 2] ( [naam 2] ),
hierna gezamenlijk te noemen: appellanten
(gemachtigde: G. Meun),
en
de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (de minister),
(gemachtigde: mr. P.J. Kooiman).
Waar gaat deze zaak over?
De minister heeft op 14 mei 2020 een subsidieregeling in het leven geroepen om de eigenaren van vissersvaartuigen die als gevolg van de coronamaatregelen hun inkomsten grotendeels zagen teruglopen, terwijl een groot deel van hun vaste lasten gewoon doorliep, snel een helpende hand te bieden (zie Stcrt. 2020, 25324). Deze regeling staat in Hoofdstuk 3 van de Regeling Europese EZK- en LNV-subsidies (Regeling): “Titel 3.11. Tijdelijk stopzetten van visserijactiviteiten als gevolg van COVID-19”.
[naam 1] heeft op 16 mei 2020 deze subsidie aangevraagd. Haar vissersvaartuig [nummer] (het schip) heeft vanaf 16 maart 2020 vanwege de coronamaatregelen vijf aaneengesloten weken stil gelegen.
3. De minister heeft de aanvraag afgewezen omdat [naam 1] op het moment van het indienen van de aanvraag niet langer de eigenaar van het schip was. [naam 1] heeft het schip namelijk op 8 mei 2020 verkocht. [naam 1] en [naam 2] (de exploitant van het schip) hebben gezamenlijk bezwaar gemaakt tegen de afwijzing. Verweerder heeft dat bezwaar bij besluit van 25 september 2020 (het bestreden besluit) ongegrond verklaard. Appellanten hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en het College heeft dat beroep behandeld op de zitting van 14 maart 2022.
Beoordeling
4. Het College is van oordeel dat de minister de subsidieaanvraag ten onrechte heeft afgewezen.
4.1
In artikel 3.11.2, eerste lid, van de Regeling staat: “De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan de eigenaar van een vissersvaartuig (..) voor de duur van het ten minste een en ten hoogste vijf maal een volledige ononderbroken week stopzetten van visserijactiviteiten met dat vissersvaartuig.”
4.2
Uit deze bepaling volgt niet dat vereist is dat de aanvrager op het moment van de aanvraag eigenaar was van het schip. Dit staat niet in de tekst van de bepaling en volgt ook niet uit het doel van de Regeling. Zoals in rechtsoverweging 1 al is beschreven, is het doel van de Regeling om de eigenaren van vissersvaartuigen die als gevolg van de coronamaatregelen hun inkomsten grotendeels zagen teruglopen snel een helpende hand te bieden. [naam 1] behoort dus tot de doelgroep. Daarbij is van belang dat de subsidie wordt verleend voor een ‘activiteit’ in het verleden, namelijk het stilliggen van vissersvaartuigen tijdens de eerste lockdown vanaf 16 maart 2020. Tijdens die lockdown was [naam 1] de eigenaar van het schip.
4.3
De minister legt de bepaling zo uit dat de subsidie alleen kan worden verleend als de aanvrager op het moment van de aanvraag (of op het moment dat het besluit wordt genomen) de eigenaar is van een vissersvaartuig. Deze uitleg leidt tot een onredelijke uitkomst, omdat [naam 1] de subsidie nu niet heeft gekregen terwijl zij wel tot de doelgroep behoort. Bovendien had de nieuwe eigenaar van het schip de subsidie wel kunnen aanvragen, terwijl hij niet tot de doelgroep behoort. Daarom is het beroep van appellanten gegrond.
Hoe nu verder?
5. Omdat het beroep gegrond is, wordt het bestreden besluit vernietigd. De minister heeft ter zitting bevestigd dat [naam 1] aan alle overige voorwaarden voor subsidieverlening voldoet. Ook over de hoogte van het subsidiebedrag bestaat geen verschil van mening, die volgt immers uit de Regeling. Het College kan daarom zelf in de zaak voorzien en zal aan [naam 1] een subsidie verlenen van € 22.000,-.
6. Omdat het beroep gegrond is, moet de minister ook de proceskosten van appellanten vergoeden. Deze kosten stelt het College op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.518,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 759,- en een wegingsfactor 1). Ook moet de minister het door appellanten betaalde griffierecht aan hen vergoeden.
Dictum
Het College:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het bestreden besluit;
verleent aan [naam 1] een subsidie van € 22.000,-;
bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;
draagt de minister op het betaalde griffierecht van € 354,- aan appellanten te vergoeden;
- veroordeelt de minister in de proceskosten van appellanten tot een bedrag van € 1.518,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B. Bastein, mr. H.S.J. Albers en mr. I.M. Ludwig, in aanwezigheid van mr. A.A. Dijk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 17 mei 2022.
De voorzitter is niet in de gelegenheid w.g. A.A. Dijk
deze uitspraak te ondertekenen.
Inleiding
uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 20/1035
uitspraak van de meervoudige kamer van 17 mei 2022 in de zaak tussen
[naam 1] B.V., te [woonplaats 1] ( [naam 1] ),
[naam 2] B.V., te [woonplaats 2] ( [naam 2] ),
hierna gezamenlijk te noemen: appellanten
(gemachtigde: G. Meun),
en
de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (de minister),
(gemachtigde: mr. P.J. Kooiman).
Waar gaat deze zaak over?
De minister heeft op 14 mei 2020 een subsidieregeling in het leven geroepen om de eigenaren van vissersvaartuigen die als gevolg van de coronamaatregelen hun inkomsten grotendeels zagen teruglopen, terwijl een groot deel van hun vaste lasten gewoon doorliep, snel een helpende hand te bieden (zie Stcrt. 2020, 25324). Deze regeling staat in Hoofdstuk 3 van de Regeling Europese EZK- en LNV-subsidies (Regeling): “Titel 3.11. Tijdelijk stopzetten van visserijactiviteiten als gevolg van COVID-19”.
[naam 1] heeft op 16 mei 2020 deze subsidie aangevraagd. Haar vissersvaartuig [nummer] (het schip) heeft vanaf 16 maart 2020 vanwege de coronamaatregelen vijf aaneengesloten weken stil gelegen.
3. De minister heeft de aanvraag afgewezen omdat [naam 1] op het moment van het indienen van de aanvraag niet langer de eigenaar van het schip was. [naam 1] heeft het schip namelijk op 8 mei 2020 verkocht. [naam 1] en [naam 2] (de exploitant van het schip) hebben gezamenlijk bezwaar gemaakt tegen de afwijzing. Verweerder heeft dat bezwaar bij besluit van 25 september 2020 (het bestreden besluit) ongegrond verklaard. Appellanten hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en het College heeft dat beroep behandeld op de zitting van 14 maart 2022.
Beoordeling
4. Het College is van oordeel dat de minister de subsidieaanvraag ten onrechte heeft afgewezen.
4.1
In artikel 3.11.2, eerste lid, van de Regeling staat: “De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan de eigenaar van een vissersvaartuig (..) voor de duur van het ten minste een en ten hoogste vijf maal een volledige ononderbroken week stopzetten van visserijactiviteiten met dat vissersvaartuig.”
4.2
Uit deze bepaling volgt niet dat vereist is dat de aanvrager op het moment van de aanvraag eigenaar was van het schip. Dit staat niet in de tekst van de bepaling en volgt ook niet uit het doel van de Regeling. Zoals in rechtsoverweging 1 al is beschreven, is het doel van de Regeling om de eigenaren van vissersvaartuigen die als gevolg van de coronamaatregelen hun inkomsten grotendeels zagen teruglopen snel een helpende hand te bieden. [naam 1] behoort dus tot de doelgroep. Daarbij is van belang dat de subsidie wordt verleend voor een ‘activiteit’ in het verleden, namelijk het stilliggen van vissersvaartuigen tijdens de eerste lockdown vanaf 16 maart 2020. Tijdens die lockdown was [naam 1] de eigenaar van het schip.
4.3
De minister legt de bepaling zo uit dat de subsidie alleen kan worden verleend als de aanvrager op het moment van de aanvraag (of op het moment dat het besluit wordt genomen) de eigenaar is van een vissersvaartuig. Deze uitleg leidt tot een onredelijke uitkomst, omdat [naam 1] de subsidie nu niet heeft gekregen terwijl zij wel tot de doelgroep behoort. Bovendien had de nieuwe eigenaar van het schip de subsidie wel kunnen aanvragen, terwijl hij niet tot de doelgroep behoort. Daarom is het beroep van appellanten gegrond.
Hoe nu verder?
5. Omdat het beroep gegrond is, wordt het bestreden besluit vernietigd. De minister heeft ter zitting bevestigd dat [naam 1] aan alle overige voorwaarden voor subsidieverlening voldoet. Ook over de hoogte van het subsidiebedrag bestaat geen verschil van mening, die volgt immers uit de Regeling. Het College kan daarom zelf in de zaak voorzien en zal aan [naam 1] een subsidie verlenen van € 22.000,-.
6. Omdat het beroep gegrond is, moet de minister ook de proceskosten van appellanten vergoeden. Deze kosten stelt het College op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.518,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 759,- en een wegingsfactor 1). Ook moet de minister het door appellanten betaalde griffierecht aan hen vergoeden.
Dictum
Het College:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het bestreden besluit;
verleent aan [naam 1] een subsidie van € 22.000,-;
bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;
draagt de minister op het betaalde griffierecht van € 354,- aan appellanten te vergoeden;
- veroordeelt de minister in de proceskosten van appellanten tot een bedrag van € 1.518,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B. Bastein, mr. H.S.J. Albers en mr. I.M. Ludwig, in aanwezigheid van mr. A.A. Dijk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 17 mei 2022.
De voorzitter is niet in de gelegenheid w.g. A.A. Dijk
deze uitspraak te ondertekenen.
Inleiding
uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 20/1035
uitspraak van de meervoudige kamer van 17 mei 2022 in de zaak tussen
[naam 1] B.V., te [woonplaats 1] ( [naam 1] ),
[naam 2] B.V., te [woonplaats 2] ( [naam 2] ),
hierna gezamenlijk te noemen: appellanten
(gemachtigde: G. Meun),
en
de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (de minister),
(gemachtigde: mr. P.J. Kooiman).
Waar gaat deze zaak over?
De minister heeft op 14 mei 2020 een subsidieregeling in het leven geroepen om de eigenaren van vissersvaartuigen die als gevolg van de coronamaatregelen hun inkomsten grotendeels zagen teruglopen, terwijl een groot deel van hun vaste lasten gewoon doorliep, snel een helpende hand te bieden (zie Stcrt. 2020, 25324). Deze regeling staat in Hoofdstuk 3 van de Regeling Europese EZK- en LNV-subsidies (Regeling): “Titel 3.11. Tijdelijk stopzetten van visserijactiviteiten als gevolg van COVID-19”.
[naam 1] heeft op 16 mei 2020 deze subsidie aangevraagd. Haar vissersvaartuig [nummer] (het schip) heeft vanaf 16 maart 2020 vanwege de coronamaatregelen vijf aaneengesloten weken stil gelegen.
3. De minister heeft de aanvraag afgewezen omdat [naam 1] op het moment van het indienen van de aanvraag niet langer de eigenaar van het schip was. [naam 1] heeft het schip namelijk op 8 mei 2020 verkocht. [naam 1] en [naam 2] (de exploitant van het schip) hebben gezamenlijk bezwaar gemaakt tegen de afwijzing. Verweerder heeft dat bezwaar bij besluit van 25 september 2020 (het bestreden besluit) ongegrond verklaard. Appellanten hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en het College heeft dat beroep behandeld op de zitting van 14 maart 2022.
Beoordeling
4. Het College is van oordeel dat de minister de subsidieaanvraag ten onrechte heeft afgewezen.
4.1
In artikel 3.11.2, eerste lid, van de Regeling staat: “De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan de eigenaar van een vissersvaartuig (..) voor de duur van het ten minste een en ten hoogste vijf maal een volledige ononderbroken week stopzetten van visserijactiviteiten met dat vissersvaartuig.”
4.2
Uit deze bepaling volgt niet dat vereist is dat de aanvrager op het moment van de aanvraag eigenaar was van het schip. Dit staat niet in de tekst van de bepaling en volgt ook niet uit het doel van de Regeling. Zoals in rechtsoverweging 1 al is beschreven, is het doel van de Regeling om de eigenaren van vissersvaartuigen die als gevolg van de coronamaatregelen hun inkomsten grotendeels zagen teruglopen snel een helpende hand te bieden. [naam 1] behoort dus tot de doelgroep. Daarbij is van belang dat de subsidie wordt verleend voor een ‘activiteit’ in het verleden, namelijk het stilliggen van vissersvaartuigen tijdens de eerste lockdown vanaf 16 maart 2020. Tijdens die lockdown was [naam 1] de eigenaar van het schip.
4.3
De minister legt de bepaling zo uit dat de subsidie alleen kan worden verleend als de aanvrager op het moment van de aanvraag (of op het moment dat het besluit wordt genomen) de eigenaar is van een vissersvaartuig. Deze uitleg leidt tot een onredelijke uitkomst, omdat [naam 1] de subsidie nu niet heeft gekregen terwijl zij wel tot de doelgroep behoort. Bovendien had de nieuwe eigenaar van het schip de subsidie wel kunnen aanvragen, terwijl hij niet tot de doelgroep behoort. Daarom is het beroep van appellanten gegrond.
Hoe nu verder?
5. Omdat het beroep gegrond is, wordt het bestreden besluit vernietigd. De minister heeft ter zitting bevestigd dat [naam 1] aan alle overige voorwaarden voor subsidieverlening voldoet. Ook over de hoogte van het subsidiebedrag bestaat geen verschil van mening, die volgt immers uit de Regeling. Het College kan daarom zelf in de zaak voorzien en zal aan [naam 1] een subsidie verlenen van € 22.000,-.
6. Omdat het beroep gegrond is, moet de minister ook de proceskosten van appellanten vergoeden. Deze kosten stelt het College op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.518,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 759,- en een wegingsfactor 1). Ook moet de minister het door appellanten betaalde griffierecht aan hen vergoeden.
Dictum
Het College:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het bestreden besluit;
verleent aan [naam 1] een subsidie van € 22.000,-;
bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;
draagt de minister op het betaalde griffierecht van € 354,- aan appellanten te vergoeden;
- veroordeelt de minister in de proceskosten van appellanten tot een bedrag van € 1.518,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B. Bastein, mr. H.S.J. Albers en mr. I.M. Ludwig, in aanwezigheid van mr. A.A. Dijk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 17 mei 2022.
De voorzitter is niet in de gelegenheid w.g. A.A. Dijk
deze uitspraak te ondertekenen.
Inleiding
uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 20/1035
uitspraak van de meervoudige kamer van 17 mei 2022 in de zaak tussen
[naam 1] B.V., te [woonplaats 1] ( [naam 1] ),
[naam 2] B.V., te [woonplaats 2] ( [naam 2] ),
hierna gezamenlijk te noemen: appellanten
(gemachtigde: G. Meun),
en
de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (de minister),
(gemachtigde: mr. P.J. Kooiman).
Waar gaat deze zaak over?
De minister heeft op 14 mei 2020 een subsidieregeling in het leven geroepen om de eigenaren van vissersvaartuigen die als gevolg van de coronamaatregelen hun inkomsten grotendeels zagen teruglopen, terwijl een groot deel van hun vaste lasten gewoon doorliep, snel een helpende hand te bieden (zie Stcrt. 2020, 25324). Deze regeling staat in Hoofdstuk 3 van de Regeling Europese EZK- en LNV-subsidies (Regeling): “Titel 3.11. Tijdelijk stopzetten van visserijactiviteiten als gevolg van COVID-19”.
[naam 1] heeft op 16 mei 2020 deze subsidie aangevraagd. Haar vissersvaartuig [nummer] (het schip) heeft vanaf 16 maart 2020 vanwege de coronamaatregelen vijf aaneengesloten weken stil gelegen.
3. De minister heeft de aanvraag afgewezen omdat [naam 1] op het moment van het indienen van de aanvraag niet langer de eigenaar van het schip was. [naam 1] heeft het schip namelijk op 8 mei 2020 verkocht. [naam 1] en [naam 2] (de exploitant van het schip) hebben gezamenlijk bezwaar gemaakt tegen de afwijzing. Verweerder heeft dat bezwaar bij besluit van 25 september 2020 (het bestreden besluit) ongegrond verklaard. Appellanten hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en het College heeft dat beroep behandeld op de zitting van 14 maart 2022.
Beoordeling
4. Het College is van oordeel dat de minister de subsidieaanvraag ten onrechte heeft afgewezen.
4.1
In artikel 3.11.2, eerste lid, van de Regeling staat: “De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan de eigenaar van een vissersvaartuig (..) voor de duur van het ten minste een en ten hoogste vijf maal een volledige ononderbroken week stopzetten van visserijactiviteiten met dat vissersvaartuig.”
4.2
Uit deze bepaling volgt niet dat vereist is dat de aanvrager op het moment van de aanvraag eigenaar was van het schip. Dit staat niet in de tekst van de bepaling en volgt ook niet uit het doel van de Regeling. Zoals in rechtsoverweging 1 al is beschreven, is het doel van de Regeling om de eigenaren van vissersvaartuigen die als gevolg van de coronamaatregelen hun inkomsten grotendeels zagen teruglopen snel een helpende hand te bieden. [naam 1] behoort dus tot de doelgroep. Daarbij is van belang dat de subsidie wordt verleend voor een ‘activiteit’ in het verleden, namelijk het stilliggen van vissersvaartuigen tijdens de eerste lockdown vanaf 16 maart 2020. Tijdens die lockdown was [naam 1] de eigenaar van het schip.
4.3
De minister legt de bepaling zo uit dat de subsidie alleen kan worden verleend als de aanvrager op het moment van de aanvraag (of op het moment dat het besluit wordt genomen) de eigenaar is van een vissersvaartuig. Deze uitleg leidt tot een onredelijke uitkomst, omdat [naam 1] de subsidie nu niet heeft gekregen terwijl zij wel tot de doelgroep behoort. Bovendien had de nieuwe eigenaar van het schip de subsidie wel kunnen aanvragen, terwijl hij niet tot de doelgroep behoort. Daarom is het beroep van appellanten gegrond.
Hoe nu verder?
5. Omdat het beroep gegrond is, wordt het bestreden besluit vernietigd. De minister heeft ter zitting bevestigd dat [naam 1] aan alle overige voorwaarden voor subsidieverlening voldoet. Ook over de hoogte van het subsidiebedrag bestaat geen verschil van mening, die volgt immers uit de Regeling. Het College kan daarom zelf in de zaak voorzien en zal aan [naam 1] een subsidie verlenen van € 22.000,-.
6. Omdat het beroep gegrond is, moet de minister ook de proceskosten van appellanten vergoeden. Deze kosten stelt het College op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.518,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 759,- en een wegingsfactor 1). Ook moet de minister het door appellanten betaalde griffierecht aan hen vergoeden.
Dictum
Het College:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het bestreden besluit;
verleent aan [naam 1] een subsidie van € 22.000,-;
bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;
draagt de minister op het betaalde griffierecht van € 354,- aan appellanten te vergoeden;
- veroordeelt de minister in de proceskosten van appellanten tot een bedrag van € 1.518,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B. Bastein, mr. H.S.J. Albers en mr. I.M. Ludwig, in aanwezigheid van mr. A.A. Dijk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 17 mei 2022.
De voorzitter is niet in de gelegenheid w.g. A.A. Dijk
deze uitspraak te ondertekenen.