Rechtspraak
College van Beroep voor het bedrijfsleven
2021-09-21
ECLI:NL:CBB:2021:897
Bestuursrecht
Eerste aanleg - meervoudig
2,503 tokens
Inleiding
uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 19/1990
uitspraak van de meervoudige kamer van 21 september 2021 in de zaak tussen
[naam onderneming] , te [plaats 1]
[naam BV 1] , te [plaats 2] , en[naam BV 2], te [plaats 3] , appellanten
(gemachtigde: mr. R.J.H. van den Dungen),
en
de minister van Economische Zaken en Klimaat, verweerder
(gemachtigden: mr. M.W. Schilperoort en ir. D. Huele).
Procesverloop
Bij besluit van 2 april 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder de aan appellanten verleende subsidie op grond van de Regeling nationale EZ-subsidies (thans: Regeling nationale EZK- en LNV-subsidies) (de Regeling) vastgesteld op nihil en de verleende voorschotten teruggevorderd.
Bij besluit van 20 november 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellanten ongegrond verklaard.
Appellanten hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Appellanten hebben een nader stuk ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 mei 2021. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden. Voor appellanten zijn tevens verschenen [naam 1] en [naam 2] .
Overwegingen
1.1
Op 1 februari 2016 heeft verweerder een subsidieaanvraag ontvangen voor het project “AR en VR voor Publiek”, dat kort gezegd ziet op het ontwikkelen van innovatieve Augmented Reality (AR) en Virtual Reality (VR) streamingdiensten via een computer, tablet of smartphone. De subsidie valt onder titel 3.5 Innovatieprestatiecontracten (IPC) van de Regeling, zoals deze gold ten tijde van belang. De subsidieaanvraag is ingediend door de [naam stichting] (de penvoerder) (mede) namens de (overige) deelnemers van het project, waaronder appellanten. In het bij de aanvraag behorende projectplan zijn de deelnemers en hun projectbijdragen beschreven. Uit dit projectplan blijkt dat appellanten verantwoordelijk zijn voor het onderzoek naar sensoren in smart devices voor het gebruik van AR en VR.
1.2
In het projectplan is onder het kopje ‘Aanleiding voor het IPC-project’ opgenomen dat de deelnemers bij de innovatieve toepassingen op het gebied van AR- en VR streamingdiensten worden ondersteund door diverse kennisinstellingen, zoals TNO, Fontys en de TU Eindhoven (TU/e). Bij de beschrijving van de verschillende collectieven binnen het IPC-project is bij het collectief ‘AR, VR Sensor onderzoek’ van appellanten, voor zover hier van belang, het volgende vermeld:
“(…)
Stap 1:
Waar liggen de grenzen van sensoren in Smart Devices voor het gebruik van AR en VR. We laten dit onderzoek grotendeels uitvoeren bij een externe kennisinstelling, waarbij de TU/e onze geprefereerde partner is. Zij zullen in nauw overleg met ons kijken aan welke eisen de sensoren moeten voldoen, daarvoor de benodigde literatuurstudies en technische onderzoeken doen. (…)
STAP 2Ook zullen ze uitzoeken in hoeverre de verschillende platforms (IOS, OSX, Windows in vele varianten etc.) van zowel PC’s als smartdevices om kunnen gaan met de data van elkaar. Dit is onderdeel van de opdracht aan de kennisinstelling.(…)”.
1.3
Bij (ongedateerd) besluit, verzonden op 24 maart 2016 (het verleningsbesluit), heeft verweerder subsidie voor het project verleend voor een bedrag van maximaal € 335.643,- en besloten om voorschotten tot 100% van de verleende subsidie te betalen. In het verleningsbesluit is vermeld dat dit voorschot wordt overgemaakt naar de in bijlage 1 ‘Overzicht deelnemers en [naam stichting] ’ genoemde bankrekeningnummers van de deelnemers. Tevens is in dit besluit, onder verwijzing naar de bepalingen uit de Regeling en het Kaderbesluit nationale EZ-subsidies (het Kaderbesluit), vermeld dat aan de subsidieverlening een aantal algemene voorwaarden en verplichtingen is verbonden. Als één van de belangrijkste verplichtingen is in het verleningsbesluit vermeld dat de penvoerder en de (overige) deelnemers de activiteiten in het project moeten uitvoeren zoals deze in de aanvraag zijn beschreven. Voor het vertragen, stopzetten of op essentiële punten wijzigen van het project moet schriftelijk vooraf toestemming worden gevraagd bij RVO.nl.
2. Bij het primaire besluit, zoals gehandhaafd bij het bestreden besluit, heeft verweerder de subsidie voor appellanten op nihil vastgesteld en de betaalde voorschotten van appellanten teruggevorderd. Aan deze besluiten heeft verweerder primair ten grondslag gelegd dat appellanten de onderzoeksactiviteiten niet volgens het projectplan hebben uitgevoerd – nu zij niet een kennisinstelling hebben ingeschakeld voor het doen van een technisch onderzoek naar de grenzen en toepasbaarheid van sensoren voor de individuele projecten –, en dat zij deze wijziging niet vooraf hebben gemeld bij RVO.nl.
3. Appellanten hebben zich in het beroepschrift primair op het standpunt gesteld dat zij door verweerder ten onrechte ontvankelijk zijn verklaard in hun bezwaren, omdat het verleningsbesluit alsmede het primaire besluit aan de penvoerder zijn gericht, die (in bestuursrechtelijk opzicht) de begunstigde en subsidieontvanger is. Dat de voorschotten feitelijk op de bankrekeningen van appellanten terecht zijn gekomen, doet daaraan volgens appellanten niet af. Appellanten wijzen in dit verband naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 19 september 2012 (ECLI:NL:RVS:2012:BX7724). Voor het geval moet worden geoordeeld dat zij wel belanghebbenden zijn bij het primaire besluit, stellen appellanten zich subsidiair op het standpunt dat geen sprake is van een essentiële wijziging van het projectplan waarvoor subsidie is verleend, omdat in het (goedgekeurde) projectplan niet is vermeld dat de TU/e zal worden ingeschakeld. Tot slot zijn appellanten van mening dat de vaststelling van de subsidie op nihil disproportioneel is.
4. Het College overweegt als volgt.
4.1
Ingevolge artikel 4:46, tweede lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan het bestuursorgaan de subsidie lager vaststellen indien de subsidie-ontvanger niet heeft voldaan aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen.
In artikel 1:2, eerste lid, van de Awb wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.
In artikel 37, eerste lid, van het Kaderbesluit is bepaald dat indien een beschikking tot subsidieverlening betrekking heeft op een plan, de subsidieontvanger de activiteiten uitvoert overeenkomstig dit plan. In het derde lid is bepaald dat verweerder voor het vertragen of het essentieel wijzigen van de wijze van uitvoering van de activiteiten op voorafgaand verzoek van de subsidieontvanger ontheffing kan verlenen van de verplichting, bedoeld in het eerste lid, tenzij hierdoor afbreuk wordt gedaan aan doelstellingen als omschreven in het plan. Aan de ontheffing kunnen voorschriften worden verbonden.
In artikel 3.5.17, eerste lid, onder a, van de Regeling is bepaald dat de minister op aanvraag aan de deelnemers in een IPC-verband subsidie verstrekt voor het uitvoeren van een IPC-project, waarbij de IPC-penvoerder subsidie ontvangt voor de uitvoering van zijn activiteiten die zijn beschreven in het overkoepelend plan. In artikel 3.5.17, eerste lid, onder b, is bepaald dat een IPC-deelnemer subsidie ontvangt voor de uitvoering van zijn innovatieplan.
In artikel 3.4.1, eerste lid, van de Regeling wordt onder ‘kennisinstelling’ verstaan:
a. onder a, b, c, g of h van de bijlage van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek genoemde instelling voor hoger onderwijs en een onder j van de bijlage bij die wet bedoelde academisch ziekenhuis en Nyenrode Business Universiteit;
b. andere dan onder a bedoelde geheel of gedeeltelijk, meerjarig door de overheid gefinancierde onderzoeksorganisatie zonder winstoogmerk die activiteiten verricht met als doel de algemene wetenschappelijke of technische kennis uit te breiden;
(…)
e. onderzoeksorganisatie zonder winstoogmerk met eigen medewerkers in loondienst, die tot doel heeft via het structureel doen van eigen onderzoek en het ontwikkelen en testen van technische toepassingen door haar medewerkers, de technologische kennis op een specifiek terrein te bevorderen, die geen instelling is als bedoeld onder a tot en met d.
4.2
Voor zover appellanten hebben betoogd dat verweerder hun bezwaar gericht tegen het primaire besluit ten onrechte ontvankelijk heeft verklaard, overweegt het College als volgt. In het verleningsbesluit zijn geen aanknopingspunten te vinden voor het standpunt van appellanten dat de penvoerder in dit geval de (enige) subsidieontvanger is. Het besluit is weliswaar gericht aan de penvoerder, die door de deelnemers was gemachtigd om de subsidieaanvraag in te dienen, maar gebleken is dat de (voorschotten op de) subsidie rechtstreeks aan de individuele deelnemers van het project, waaronder aan appellanten, zijn uitbetaald.
Dictum
Het College verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H.O. Kerkmeester, mr. H.S.J. Albers en mr. B. Bastein, in aanwezigheid van mr. C.E.C.M. van Roosmalen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 21 september 2021.
w.g. H.O. Kerkmeester De griffier is buiten staat
de uitspraak te ondertekenen.