Rechtspraak
College van Beroep voor het bedrijfsleven
2021-06-08
ECLI:NL:CBB:2021:587
Bestuursrecht
Eerste aanleg - meervoudig
7,936 tokens
Inleiding
uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 20/392
uitspraak van de meervoudige kamer van 8 juni 2021 op het hoger beroep van:
[naam BV] , te [plaats] , appellante
(gemachtigde: mr. L.J.L. Heukels),
tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 22 april 2020, kenmerk AWB 19/1675, in het geding tussen
appellanteende staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat, verweerder
(gemachtigde: mr. P.C. Cup).
Procesverloop
Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 22 april 2020.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek op de zitting heeft plaatsgevonden op 22 april 2021. Aanwezig waren de gemachtigde van appellante, bijgestaan door drs. J.J. van Arkel, en de gemachtigde van verweerder, bijgestaan door ing. J.J. de Boer.
Geschil
1.1
In een e-mail van 26 juni 2019 heeft verweerder aan appellante bevestigd dat zij op 25 juni 2019 door een inspecteur van de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) telefonisch op de hoogte is gebracht van het standpunt van de ILT dat het door appellante op de markt aangeboden product Dutri Rock Bedding Powder (DRBP) een biocide is waarvoor geen toelating is verleend, dat het op de markt aanbieden en het gebruik van een niet toegelaten biocide verboden is op grond van artikel 17, eerste lid, van Verordening (EU) Nr. 528/2012 van het Europees parlement en de raad van 22 mei 2012 betreffende het op de markt aanbieden en het gebruik van biociden (Verordening 528/2012) en dat appellante direct moet stoppen met het aanbieden, verkopen en gebruiken van DRBP en dat haar afnemers per direct met het gebruik ervan moeten stoppen.
1.2
Appellante heeft tegen deze e-mail bezwaar gemaakt. Verweerder heeft dat bezwaar bij besluit van 13 augustus 2019 niet-ontvankelijk verklaard, omdat volgens hem de e-mail van 26 juni 2019 geen besluit is in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Appellante heeft tegen dit besluit beroep ingesteld bij de rechtbank Overijssel, in overeenstemming met de door verweerder onder aan zijn besluit vermelde rechtsmiddelenverwijzing.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank Overijssel heeft het beroep van appellante ongegrond verklaard, omdat verweerder het bezwaar van appellante tegen e-mail van 26 juni 2019 terecht nietontvankelijk heeft verklaard.
Overwegingen
3.1
Het College ziet zich eerst ambtshalve gesteld voor de beantwoording van de vraag of de rechtbank Overijssel bevoegd is om van het beroep van appellante kennis te nemen.
3.2
Uit artikel 4 van de bij de Awb behorende Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak (bevoegdheidsregeling) volgt dat het College bevoegd is om in eerste en enige aanleg te oordelen over een beroep tegen besluiten op grond van de Wgb, met uitzondering van de artikelen 90 en 108.
3.3
De e-mail van 26 juni 2019, waartegen het bezwaar van appellante is gericht, heeft betrekking op het verbod om niet toegelaten biociden op de markt te brengen en te gebruiken. In de e-mail is daarbij gewezen op het verbod van artikel 17, eerste lid, van Verordening 528/2012, waarin is bepaald dat alleen biociden waarvoor overeenkomstig deze verordening een toelating is verleend, op de markt mogen worden aangeboden en gebruikt. Op grond van artikel 43 van de Wgb is het verboden om te handelen in strijd met onder meer artikel 17, eerste lid, van Verordening 528/2012. Hieruit volgt dat het College op grond van artikel 4 van de bevoegdheidsregeling bevoegd is om in eerste en enige aanleg te oordelen over het bestreden besluit waarbij verweerder het bezwaar van appellante tegen de e-mail van 26 juni 2019 niet-ontvankelijk heeft verklaard.
3.4
De rechtbank was dus niet bevoegd over het beroep van appellante tegen het besluit van 13 augustus 2019 te oordelen. De rechtbank had zich onbevoegd moeten verklaren en het beroep moeten doorsturen naar het College. Nu de rechtbank dit niet heeft gedaan zal het College de aangevallen uitspraak vernietigen en het beroep van appellante zelf beoordelen.
Overwegingen
4.1
Het College is van oordeel dat verweerder terecht het standpunt heeft ingenomen dat de e-mail van 26 juni 2019 geen besluit is in de zin van de Awb. Het College overweegt daarover het volgende.
4.2
In artikel 1:3, eerste lid, van de Awb wordt onder besluit verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.
4.3
De e-mail van 26 juni 2019 is niet meer dan de mededeling dat DRBP een niet toegelaten biocide is, en dat het aanbieden daarvan in strijd is met artikel 17, eerste lid, van Verordening 528/2012. Deze e-mail brengt geen verandering in een bestaande situatie en is daarop ook niet gericht. Het verbod vloeit immers niet voort uit deze e-mail, maar rechtstreeks uit de in de e-mail genoemde wettelijke bepaling.
4.4
De mededeling van verweerder in deze e-mail dat DRBP een biocide is, is aan te merken als een oordeel over een rechtens bestaande situatie waartegen in beginsel geen rechtsbescherming door de bestuursrechter open staat.
5.1
Volgens vaste rechtspraak van onder meer het College (zie bijvoorbeeld de uitspraak van het College van 1 juli 2014, ECLI:NL:2014:256) bestaat voor het aanmerken van een rechtsoordeel als het verrichten van een op zichzelf staande publiekrechtelijke rechtshandeling die bij de bestuursrechter kan worden aangevochten, slechts grond in gevallen waarin niet kan worden geoordeeld dat het rechtsoordeel vooruitloopt op een door betrokkene te verwachten of door hem uit te lokken besluit tot toepassing van de wettelijke regeling, waartegen in rechte kan worden opgekomen zonder dat sprake is van een voor betrokkene onevenredig belastende weg naar de rechter.
5.2
Het College heeft geen aanknopingspunten gevonden dat in dit geval sprake is van een zodanige voor appellante onevenredig belastende weg. Daarbij is van belang dat appellante in rechte heeft kunnen opkomen en ook daadwerkelijk is opgekomen tegen het door verweerder op 4 september 2019 genomen besluit tot het opleggen van een last onder dwangsom vanwege overtreding van de artikelen 43, eerste en derde lid, en artikel 72, van de Wgb. Op het hiertegen door appellante gemaakte bezwaar heeft verweerder beslist bij besluit van 4 februari 2020. Het College heeft op het door appellante daartegen ingestelde beroep heden uitspraak gedaan (ECLI:NL:CBB:2021:575).
6. Gelet op het voorgaande komt het College tot de conclusie dat de e-mail van 26 juni 2019 voor wat betreft de mogelijkheid daartegen in rechte op te komen niet kan worden gelijkgesteld met een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb, zodat daartegen geen bezwaar of beroep openstaat. Verweerder heeft het door appellante gemaakte bezwaar terecht niet-ontvankelijk verklaard.
7. Het beroep hiertegen is ongegrond.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
Het College:
- vernietigt de aangevallen uitspraak;
- verklaart het beroep van appellante tegen het besluit van 13 augustus 2019 ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.H. de Wildt, mr. R.W.L. Koopmans en mr. D. Brugman, in aanwezigheid van mr. M.B. van Zantvoort, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 juni 2021.
De voorzitter is verhinderd om de
uitspraak te ondertekenen.
De griffier is verhinderd om de
uitspraak te onderteken
Inleiding
uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 20/392
uitspraak van de meervoudige kamer van 8 juni 2021 op het hoger beroep van:
[naam BV] , te [plaats] , appellante
(gemachtigde: mr. L.J.L. Heukels),
tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 22 april 2020, kenmerk AWB 19/1675, in het geding tussen
appellanteende staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat, verweerder
(gemachtigde: mr. P.C. Cup).
Procesverloop
Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 22 april 2020.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek op de zitting heeft plaatsgevonden op 22 april 2021. Aanwezig waren de gemachtigde van appellante, bijgestaan door drs. J.J. van Arkel, en de gemachtigde van verweerder, bijgestaan door ing. J.J. de Boer.
Geschil
1.1
In een e-mail van 26 juni 2019 heeft verweerder aan appellante bevestigd dat zij op 25 juni 2019 door een inspecteur van de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) telefonisch op de hoogte is gebracht van het standpunt van de ILT dat het door appellante op de markt aangeboden product Dutri Rock Bedding Powder (DRBP) een biocide is waarvoor geen toelating is verleend, dat het op de markt aanbieden en het gebruik van een niet toegelaten biocide verboden is op grond van artikel 17, eerste lid, van Verordening (EU) Nr. 528/2012 van het Europees parlement en de raad van 22 mei 2012 betreffende het op de markt aanbieden en het gebruik van biociden (Verordening 528/2012) en dat appellante direct moet stoppen met het aanbieden, verkopen en gebruiken van DRBP en dat haar afnemers per direct met het gebruik ervan moeten stoppen.
1.2
Appellante heeft tegen deze e-mail bezwaar gemaakt. Verweerder heeft dat bezwaar bij besluit van 13 augustus 2019 niet-ontvankelijk verklaard, omdat volgens hem de e-mail van 26 juni 2019 geen besluit is in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Appellante heeft tegen dit besluit beroep ingesteld bij de rechtbank Overijssel, in overeenstemming met de door verweerder onder aan zijn besluit vermelde rechtsmiddelenverwijzing.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank Overijssel heeft het beroep van appellante ongegrond verklaard, omdat verweerder het bezwaar van appellante tegen e-mail van 26 juni 2019 terecht nietontvankelijk heeft verklaard.
Overwegingen
3.1
Het College ziet zich eerst ambtshalve gesteld voor de beantwoording van de vraag of de rechtbank Overijssel bevoegd is om van het beroep van appellante kennis te nemen.
3.2
Uit artikel 4 van de bij de Awb behorende Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak (bevoegdheidsregeling) volgt dat het College bevoegd is om in eerste en enige aanleg te oordelen over een beroep tegen besluiten op grond van de Wgb, met uitzondering van de artikelen 90 en 108.
3.3
De e-mail van 26 juni 2019, waartegen het bezwaar van appellante is gericht, heeft betrekking op het verbod om niet toegelaten biociden op de markt te brengen en te gebruiken. In de e-mail is daarbij gewezen op het verbod van artikel 17, eerste lid, van Verordening 528/2012, waarin is bepaald dat alleen biociden waarvoor overeenkomstig deze verordening een toelating is verleend, op de markt mogen worden aangeboden en gebruikt. Op grond van artikel 43 van de Wgb is het verboden om te handelen in strijd met onder meer artikel 17, eerste lid, van Verordening 528/2012. Hieruit volgt dat het College op grond van artikel 4 van de bevoegdheidsregeling bevoegd is om in eerste en enige aanleg te oordelen over het bestreden besluit waarbij verweerder het bezwaar van appellante tegen de e-mail van 26 juni 2019 niet-ontvankelijk heeft verklaard.
3.4
De rechtbank was dus niet bevoegd over het beroep van appellante tegen het besluit van 13 augustus 2019 te oordelen. De rechtbank had zich onbevoegd moeten verklaren en het beroep moeten doorsturen naar het College. Nu de rechtbank dit niet heeft gedaan zal het College de aangevallen uitspraak vernietigen en het beroep van appellante zelf beoordelen.
Overwegingen
4.1
Het College is van oordeel dat verweerder terecht het standpunt heeft ingenomen dat de e-mail van 26 juni 2019 geen besluit is in de zin van de Awb. Het College overweegt daarover het volgende.
4.2
In artikel 1:3, eerste lid, van de Awb wordt onder besluit verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.
4.3
De e-mail van 26 juni 2019 is niet meer dan de mededeling dat DRBP een niet toegelaten biocide is, en dat het aanbieden daarvan in strijd is met artikel 17, eerste lid, van Verordening 528/2012. Deze e-mail brengt geen verandering in een bestaande situatie en is daarop ook niet gericht. Het verbod vloeit immers niet voort uit deze e-mail, maar rechtstreeks uit de in de e-mail genoemde wettelijke bepaling.
4.4
De mededeling van verweerder in deze e-mail dat DRBP een biocide is, is aan te merken als een oordeel over een rechtens bestaande situatie waartegen in beginsel geen rechtsbescherming door de bestuursrechter open staat.
5.1
Volgens vaste rechtspraak van onder meer het College (zie bijvoorbeeld de uitspraak van het College van 1 juli 2014, ECLI:NL:2014:256) bestaat voor het aanmerken van een rechtsoordeel als het verrichten van een op zichzelf staande publiekrechtelijke rechtshandeling die bij de bestuursrechter kan worden aangevochten, slechts grond in gevallen waarin niet kan worden geoordeeld dat het rechtsoordeel vooruitloopt op een door betrokkene te verwachten of door hem uit te lokken besluit tot toepassing van de wettelijke regeling, waartegen in rechte kan worden opgekomen zonder dat sprake is van een voor betrokkene onevenredig belastende weg naar de rechter.
5.2
Het College heeft geen aanknopingspunten gevonden dat in dit geval sprake is van een zodanige voor appellante onevenredig belastende weg. Daarbij is van belang dat appellante in rechte heeft kunnen opkomen en ook daadwerkelijk is opgekomen tegen het door verweerder op 4 september 2019 genomen besluit tot het opleggen van een last onder dwangsom vanwege overtreding van de artikelen 43, eerste en derde lid, en artikel 72, van de Wgb. Op het hiertegen door appellante gemaakte bezwaar heeft verweerder beslist bij besluit van 4 februari 2020. Het College heeft op het door appellante daartegen ingestelde beroep heden uitspraak gedaan (ECLI:NL:CBB:2021:575).
6. Gelet op het voorgaande komt het College tot de conclusie dat de e-mail van 26 juni 2019 voor wat betreft de mogelijkheid daartegen in rechte op te komen niet kan worden gelijkgesteld met een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb, zodat daartegen geen bezwaar of beroep openstaat. Verweerder heeft het door appellante gemaakte bezwaar terecht niet-ontvankelijk verklaard.
7. Het beroep hiertegen is ongegrond.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
Het College:
- vernietigt de aangevallen uitspraak;
- verklaart het beroep van appellante tegen het besluit van 13 augustus 2019 ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.H. de Wildt, mr. R.W.L. Koopmans en mr. D. Brugman, in aanwezigheid van mr. M.B. van Zantvoort, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 juni 2021.
De voorzitter is verhinderd om de
uitspraak te ondertekenen.
De griffier is verhinderd om de
uitspraak te onderteken
Inleiding
uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 20/392
uitspraak van de meervoudige kamer van 8 juni 2021 op het hoger beroep van:
[naam BV] , te [plaats] , appellante
(gemachtigde: mr. L.J.L. Heukels),
tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 22 april 2020, kenmerk AWB 19/1675, in het geding tussen
appellanteende staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat, verweerder
(gemachtigde: mr. P.C. Cup).
Procesverloop
Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 22 april 2020.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek op de zitting heeft plaatsgevonden op 22 april 2021. Aanwezig waren de gemachtigde van appellante, bijgestaan door drs. J.J. van Arkel, en de gemachtigde van verweerder, bijgestaan door ing. J.J. de Boer.
Geschil
1.1
In een e-mail van 26 juni 2019 heeft verweerder aan appellante bevestigd dat zij op 25 juni 2019 door een inspecteur van de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) telefonisch op de hoogte is gebracht van het standpunt van de ILT dat het door appellante op de markt aangeboden product Dutri Rock Bedding Powder (DRBP) een biocide is waarvoor geen toelating is verleend, dat het op de markt aanbieden en het gebruik van een niet toegelaten biocide verboden is op grond van artikel 17, eerste lid, van Verordening (EU) Nr. 528/2012 van het Europees parlement en de raad van 22 mei 2012 betreffende het op de markt aanbieden en het gebruik van biociden (Verordening 528/2012) en dat appellante direct moet stoppen met het aanbieden, verkopen en gebruiken van DRBP en dat haar afnemers per direct met het gebruik ervan moeten stoppen.
1.2
Appellante heeft tegen deze e-mail bezwaar gemaakt. Verweerder heeft dat bezwaar bij besluit van 13 augustus 2019 niet-ontvankelijk verklaard, omdat volgens hem de e-mail van 26 juni 2019 geen besluit is in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Appellante heeft tegen dit besluit beroep ingesteld bij de rechtbank Overijssel, in overeenstemming met de door verweerder onder aan zijn besluit vermelde rechtsmiddelenverwijzing.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank Overijssel heeft het beroep van appellante ongegrond verklaard, omdat verweerder het bezwaar van appellante tegen e-mail van 26 juni 2019 terecht nietontvankelijk heeft verklaard.
Overwegingen
3.1
Het College ziet zich eerst ambtshalve gesteld voor de beantwoording van de vraag of de rechtbank Overijssel bevoegd is om van het beroep van appellante kennis te nemen.
3.2
Uit artikel 4 van de bij de Awb behorende Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak (bevoegdheidsregeling) volgt dat het College bevoegd is om in eerste en enige aanleg te oordelen over een beroep tegen besluiten op grond van de Wgb, met uitzondering van de artikelen 90 en 108.
3.3
De e-mail van 26 juni 2019, waartegen het bezwaar van appellante is gericht, heeft betrekking op het verbod om niet toegelaten biociden op de markt te brengen en te gebruiken. In de e-mail is daarbij gewezen op het verbod van artikel 17, eerste lid, van Verordening 528/2012, waarin is bepaald dat alleen biociden waarvoor overeenkomstig deze verordening een toelating is verleend, op de markt mogen worden aangeboden en gebruikt. Op grond van artikel 43 van de Wgb is het verboden om te handelen in strijd met onder meer artikel 17, eerste lid, van Verordening 528/2012. Hieruit volgt dat het College op grond van artikel 4 van de bevoegdheidsregeling bevoegd is om in eerste en enige aanleg te oordelen over het bestreden besluit waarbij verweerder het bezwaar van appellante tegen de e-mail van 26 juni 2019 niet-ontvankelijk heeft verklaard.
3.4
De rechtbank was dus niet bevoegd over het beroep van appellante tegen het besluit van 13 augustus 2019 te oordelen. De rechtbank had zich onbevoegd moeten verklaren en het beroep moeten doorsturen naar het College. Nu de rechtbank dit niet heeft gedaan zal het College de aangevallen uitspraak vernietigen en het beroep van appellante zelf beoordelen.
Overwegingen
4.1
Het College is van oordeel dat verweerder terecht het standpunt heeft ingenomen dat de e-mail van 26 juni 2019 geen besluit is in de zin van de Awb. Het College overweegt daarover het volgende.
4.2
In artikel 1:3, eerste lid, van de Awb wordt onder besluit verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.
4.3
De e-mail van 26 juni 2019 is niet meer dan de mededeling dat DRBP een niet toegelaten biocide is, en dat het aanbieden daarvan in strijd is met artikel 17, eerste lid, van Verordening 528/2012. Deze e-mail brengt geen verandering in een bestaande situatie en is daarop ook niet gericht. Het verbod vloeit immers niet voort uit deze e-mail, maar rechtstreeks uit de in de e-mail genoemde wettelijke bepaling.
4.4
De mededeling van verweerder in deze e-mail dat DRBP een biocide is, is aan te merken als een oordeel over een rechtens bestaande situatie waartegen in beginsel geen rechtsbescherming door de bestuursrechter open staat.
5.1
Volgens vaste rechtspraak van onder meer het College (zie bijvoorbeeld de uitspraak van het College van 1 juli 2014, ECLI:NL:2014:256) bestaat voor het aanmerken van een rechtsoordeel als het verrichten van een op zichzelf staande publiekrechtelijke rechtshandeling die bij de bestuursrechter kan worden aangevochten, slechts grond in gevallen waarin niet kan worden geoordeeld dat het rechtsoordeel vooruitloopt op een door betrokkene te verwachten of door hem uit te lokken besluit tot toepassing van de wettelijke regeling, waartegen in rechte kan worden opgekomen zonder dat sprake is van een voor betrokkene onevenredig belastende weg naar de rechter.
5.2
Het College heeft geen aanknopingspunten gevonden dat in dit geval sprake is van een zodanige voor appellante onevenredig belastende weg. Daarbij is van belang dat appellante in rechte heeft kunnen opkomen en ook daadwerkelijk is opgekomen tegen het door verweerder op 4 september 2019 genomen besluit tot het opleggen van een last onder dwangsom vanwege overtreding van de artikelen 43, eerste en derde lid, en artikel 72, van de Wgb. Op het hiertegen door appellante gemaakte bezwaar heeft verweerder beslist bij besluit van 4 februari 2020. Het College heeft op het door appellante daartegen ingestelde beroep heden uitspraak gedaan (ECLI:NL:CBB:2021:575).
6. Gelet op het voorgaande komt het College tot de conclusie dat de e-mail van 26 juni 2019 voor wat betreft de mogelijkheid daartegen in rechte op te komen niet kan worden gelijkgesteld met een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb, zodat daartegen geen bezwaar of beroep openstaat. Verweerder heeft het door appellante gemaakte bezwaar terecht niet-ontvankelijk verklaard.
7. Het beroep hiertegen is ongegrond.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
Het College:
- vernietigt de aangevallen uitspraak;
- verklaart het beroep van appellante tegen het besluit van 13 augustus 2019 ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.H. de Wildt, mr. R.W.L. Koopmans en mr. D. Brugman, in aanwezigheid van mr. M.B. van Zantvoort, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 juni 2021.
De voorzitter is verhinderd om de
uitspraak te ondertekenen.
De griffier is verhinderd om de
uitspraak te onderteken
Inleiding
uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 20/392
uitspraak van de meervoudige kamer van 8 juni 2021 op het hoger beroep van:
[naam BV] , te [plaats] , appellante
(gemachtigde: mr. L.J.L. Heukels),
tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 22 april 2020, kenmerk AWB 19/1675, in het geding tussen
appellanteende staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat, verweerder
(gemachtigde: mr. P.C. Cup).
Procesverloop
Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 22 april 2020.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek op de zitting heeft plaatsgevonden op 22 april 2021. Aanwezig waren de gemachtigde van appellante, bijgestaan door drs. J.J. van Arkel, en de gemachtigde van verweerder, bijgestaan door ing. J.J. de Boer.
Geschil
1.1
In een e-mail van 26 juni 2019 heeft verweerder aan appellante bevestigd dat zij op 25 juni 2019 door een inspecteur van de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) telefonisch op de hoogte is gebracht van het standpunt van de ILT dat het door appellante op de markt aangeboden product Dutri Rock Bedding Powder (DRBP) een biocide is waarvoor geen toelating is verleend, dat het op de markt aanbieden en het gebruik van een niet toegelaten biocide verboden is op grond van artikel 17, eerste lid, van Verordening (EU) Nr. 528/2012 van het Europees parlement en de raad van 22 mei 2012 betreffende het op de markt aanbieden en het gebruik van biociden (Verordening 528/2012) en dat appellante direct moet stoppen met het aanbieden, verkopen en gebruiken van DRBP en dat haar afnemers per direct met het gebruik ervan moeten stoppen.
1.2
Appellante heeft tegen deze e-mail bezwaar gemaakt. Verweerder heeft dat bezwaar bij besluit van 13 augustus 2019 niet-ontvankelijk verklaard, omdat volgens hem de e-mail van 26 juni 2019 geen besluit is in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Appellante heeft tegen dit besluit beroep ingesteld bij de rechtbank Overijssel, in overeenstemming met de door verweerder onder aan zijn besluit vermelde rechtsmiddelenverwijzing.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank Overijssel heeft het beroep van appellante ongegrond verklaard, omdat verweerder het bezwaar van appellante tegen e-mail van 26 juni 2019 terecht nietontvankelijk heeft verklaard.
Overwegingen
3.1
Het College ziet zich eerst ambtshalve gesteld voor de beantwoording van de vraag of de rechtbank Overijssel bevoegd is om van het beroep van appellante kennis te nemen.
3.2
Uit artikel 4 van de bij de Awb behorende Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak (bevoegdheidsregeling) volgt dat het College bevoegd is om in eerste en enige aanleg te oordelen over een beroep tegen besluiten op grond van de Wgb, met uitzondering van de artikelen 90 en 108.
3.3
De e-mail van 26 juni 2019, waartegen het bezwaar van appellante is gericht, heeft betrekking op het verbod om niet toegelaten biociden op de markt te brengen en te gebruiken. In de e-mail is daarbij gewezen op het verbod van artikel 17, eerste lid, van Verordening 528/2012, waarin is bepaald dat alleen biociden waarvoor overeenkomstig deze verordening een toelating is verleend, op de markt mogen worden aangeboden en gebruikt. Op grond van artikel 43 van de Wgb is het verboden om te handelen in strijd met onder meer artikel 17, eerste lid, van Verordening 528/2012. Hieruit volgt dat het College op grond van artikel 4 van de bevoegdheidsregeling bevoegd is om in eerste en enige aanleg te oordelen over het bestreden besluit waarbij verweerder het bezwaar van appellante tegen de e-mail van 26 juni 2019 niet-ontvankelijk heeft verklaard.
3.4
De rechtbank was dus niet bevoegd over het beroep van appellante tegen het besluit van 13 augustus 2019 te oordelen. De rechtbank had zich onbevoegd moeten verklaren en het beroep moeten doorsturen naar het College. Nu de rechtbank dit niet heeft gedaan zal het College de aangevallen uitspraak vernietigen en het beroep van appellante zelf beoordelen.
Overwegingen
4.1
Het College is van oordeel dat verweerder terecht het standpunt heeft ingenomen dat de e-mail van 26 juni 2019 geen besluit is in de zin van de Awb. Het College overweegt daarover het volgende.
4.2
In artikel 1:3, eerste lid, van de Awb wordt onder besluit verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.
4.3
De e-mail van 26 juni 2019 is niet meer dan de mededeling dat DRBP een niet toegelaten biocide is, en dat het aanbieden daarvan in strijd is met artikel 17, eerste lid, van Verordening 528/2012. Deze e-mail brengt geen verandering in een bestaande situatie en is daarop ook niet gericht. Het verbod vloeit immers niet voort uit deze e-mail, maar rechtstreeks uit de in de e-mail genoemde wettelijke bepaling.
4.4
De mededeling van verweerder in deze e-mail dat DRBP een biocide is, is aan te merken als een oordeel over een rechtens bestaande situatie waartegen in beginsel geen rechtsbescherming door de bestuursrechter open staat.
5.1
Volgens vaste rechtspraak van onder meer het College (zie bijvoorbeeld de uitspraak van het College van 1 juli 2014, ECLI:NL:2014:256) bestaat voor het aanmerken van een rechtsoordeel als het verrichten van een op zichzelf staande publiekrechtelijke rechtshandeling die bij de bestuursrechter kan worden aangevochten, slechts grond in gevallen waarin niet kan worden geoordeeld dat het rechtsoordeel vooruitloopt op een door betrokkene te verwachten of door hem uit te lokken besluit tot toepassing van de wettelijke regeling, waartegen in rechte kan worden opgekomen zonder dat sprake is van een voor betrokkene onevenredig belastende weg naar de rechter.
5.2
Het College heeft geen aanknopingspunten gevonden dat in dit geval sprake is van een zodanige voor appellante onevenredig belastende weg. Daarbij is van belang dat appellante in rechte heeft kunnen opkomen en ook daadwerkelijk is opgekomen tegen het door verweerder op 4 september 2019 genomen besluit tot het opleggen van een last onder dwangsom vanwege overtreding van de artikelen 43, eerste en derde lid, en artikel 72, van de Wgb. Op het hiertegen door appellante gemaakte bezwaar heeft verweerder beslist bij besluit van 4 februari 2020. Het College heeft op het door appellante daartegen ingestelde beroep heden uitspraak gedaan (ECLI:NL:CBB:2021:575).
6. Gelet op het voorgaande komt het College tot de conclusie dat de e-mail van 26 juni 2019 voor wat betreft de mogelijkheid daartegen in rechte op te komen niet kan worden gelijkgesteld met een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb, zodat daartegen geen bezwaar of beroep openstaat. Verweerder heeft het door appellante gemaakte bezwaar terecht niet-ontvankelijk verklaard.
7. Het beroep hiertegen is ongegrond.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
Het College:
- vernietigt de aangevallen uitspraak;
- verklaart het beroep van appellante tegen het besluit van 13 augustus 2019 ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.H. de Wildt, mr. R.W.L. Koopmans en mr. D. Brugman, in aanwezigheid van mr. M.B. van Zantvoort, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 juni 2021.
De voorzitter is verhinderd om de
uitspraak te ondertekenen.
De griffier is verhinderd om de
uitspraak te onderteken