Rechtspraak
College van Beroep voor het bedrijfsleven
2020-10-27
ECLI:NL:CBB:2020:763
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,567 tokens
Inleiding
uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummers: 17/1769, 17/1770, 18/465, 18/466 en 18/547
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 oktober 2020 in de zaken tussen
De stille maatschap tussen [naam 1] , [naam 2] en [naam 3] , te [plaats] , gemeente [gemeente] , appellant
en
de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder
(gemachtigden: mr. G. Meijerink en mr. D.T. Steenhuizen)
en
de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid), de Staat.
Procesverloop
Bij besluiten van 27 mei 2017, 3 augustus 2017, 23 september 2017, 25 november 2017 en 27 januari 2018 (de primaire besluiten) heeft verweerder op grond van de Regeling fosfaatreductieplan 2017 (de Regeling) aan appellant heffingen opgelegd van € 68,00 voor periode 1, van € 91,00 voor periode 2, van € 446,00 voor periode 3, van € 3.005,00 voor periode 4 en van € 2.328,00 voor periode 5.
Bij besluiten van 17 oktober 2017, 15 februari 2018 en 28 februari 2018 (de bestreden besluiten) heeft verweerder de bezwaren van appellant ongegrond verklaard.
Appellant heeft beroep ingesteld tegen de bestreden besluiten.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 september 2020. Appellant is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.
Overwegingen
De Regeling is op 1 maart 2017 in werking getreden en heeft tot doel de fosfaatproductie te begrenzen. Voor de periodes van de Regeling (lopend van maart tot en met december 2017) legt verweerder een heffing op aan een melkveehouder die meer vrouwelijke runderen houdt dan het referentieaantal op 2 juli 2015 (de peildatum) en kent een bonusgeldsom toe indien een melkveehouder minder vrouwelijke runderen houdt dan het referentieaantal op de peildatum.Beroepsgronden
Appellant is het niet eens met de bestreden besluiten en betoogt dat verweerder hem ten onrechte niet heeft aangemerkt als knelgeval als bedoeld in artikel 12, tweede lid, van de Regeling. Er is sprake van bijzondere omstandigheden in de vorm van ziekte van één van de vennoten ( [naam 2] ) met een tijdelijke arbeidsongeschiktheid tot gevolg. Door de geconstateerde schouderproblemen van deze vennoot is, na advies van een arts, besloten om de veestapel te verkleinen en over te gaan op een bedrijfsvoering met een melkrobot. Dit heeft geleid tot diverse verbouwingen. Omdat de investering in de melkrobot gericht was op het produceren van 650.000 kilo melk en deze capaciteit pas bereikt werd op 1 oktober 2016, dient deze datum als alternatieve peildatum te worden gebruikt. Zonder bijzondere omstandigheden zou de ontwikkeling van het aantal GVE immers normaal zijn verlopen. Appellant wijst erop dat de melkrobot, naar algemeen advies, niet meteen ten volle kon worden benut en dat zijn trage herstel eveneens in de weg stond aan een spoedig volledig gebruik van de melkrobot. Als niet van 1 oktober 2016 kan worden uitgegaan, dan dient van 5 januari 2014 als bijzondere peildatum te worden uitgegaan omdat toen is begonnen met het afvoeren van vee. Appellant is het verder niet eens met de conclusie van verweerder dat er geen causaal verband is tussen de bijzondere omstandigheden (opstarten met een melkrobot en beweiden) en het lagere aantal GVE op de peildatum 2 juli 2015. Verder beroept appellant zich op de hardheidsclausule als bedoeld in artikel 13 van de Landbouwwet. Ter zitting heeft appellant verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (het EVRM). Tot slot heeft appellant ter zitting aangevoerd dat hij ten onrechte niet is gehoord op zijn bezwaren gericht tegen periode 4 en 5.
Knelgevallenregeling en hardheidsclausule
2.1.
Artikel 12, tweede lid, van de Regeling maakt het mogelijk het referentieaantal te bepalen aan de hand van het aantal runderen dat voor de intreding van een buitengewone omstandigheid, waaronder ziekte van de melkveehouder, is geregistreerd. Daarvoor geldt als voorwaarde dat appellanten aantonen dat het referentieaantal minimaal 5% lager is door die buitengewone omstandigheid. Het wetsartikel maakt het verhogen van het referentieaantal mogelijk door het vervroegen van het peilmoment. Bij de beoordeling of voldaan wordt aan de 5%-voorwaarde wordt een vergelijking gemaakt tussen de bedrijfssituatie op het moment van intreden van de buitengewone omstandigheid en de bedrijfssituatie op de peildatum van 2 juli 2015.
2.2.
Niet in geschil is dat er bijzondere omstandigheden aan de orde zijn geweest. Artikel 12, tweede lid, van de Regeling maakt het vervroegen van het peilmoment mogelijk. In dit geval verzoekt appellant echter om een peilmoment aan te houden na de peildatum van 2 juli 2015. De Regeling biedt deze ruimte niet. Voor zover appellant betoogt dat de beoogde groei moet worden meegenomen en dat dan wel aan de 5%-voorwaarde wordt voldaan, kan dit betoog niet slagen. Zoals het College eerder heeft geoordeeld – onder meer in de uitspraken van 13 november 2018 (ECLI:NL:CBB:2018:598) en (ECLI:NL:CBB:2018:599) – biedt de knelgevallenregeling verweerder niet de mogelijkheid rekening te houden met beoogde, maar niet gerealiseerde groei van de veestapel. Bij de toepassing van de alternatieve peildatum van 5 januari 2014 stelt verweerder zich terecht op het standpunt dat niet voldaan is aan de 5%-voorwaarde. Dit heeft appellant ter zitting ook erkend. Hetgeen appellant heeft aangevoerd over het causale verband behoeft geen bespreking meer nu alleen al vanwege het voorgaande niet is voldaan aan artikel 12, tweede lid, van de Regeling. Verweerder heeft in de door appellant naar voren gebrachte omstandigheden ook geen grond hoeven zien voor toepassing van de hardheidsclausule. Appellant heeft in zijn stukken en ook ter zitting toegelicht hoe hij, in verband met schouderproblemen, tot zijn keuzes is gekomen. Zo heeft hij uitgelegd dat hij het belangrijk vindt om zelf dagelijks zijn koeien te melken, omdat hij dan precies weet hoe het met ze gaat. Daarom en ook om andere redenen heeft hij liever geen personeel. Dit betekende wel dat hij een manier moest vinden om zijn schouder te ontlasten. Dat is de robot geworden. Daarvoor waren flinke investeringen nodig, die hij ook moest proberen terug te verdienen. Hoewel deze keuzes begrijpelijk zijn, is niet gebleken dat hij geen andere keuzes had. Deze bedrijfskeuzes komen dan ook voor zijn rekening en risico. De betogen falen. Aantallen
2.3.
Omdat verweerder, zoals hij in zijn verweerschrift ook erkent, in zijn besluitvorming van een onjuist aantal GVE op peildatum 5 januari 2014 is uitgegaan en verweerder dit pas heeft hersteld in beroep, is de besluitvorming niet met de in artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) vereiste zorgvuldigheid tot stand gekomen. Het College ziet aanleiding toepassing te geven aan artikel 6:22 van de Awb, aangezien aannemelijk is dat appellant door dit gebrek niet is benadeeld. Bij de toepassing van het juiste aantal GVE zou immers geen ander besluit zijn genomen.Horen
2.4.
Aan het betoog van appellant dat hij ten onrechte niet is gehoord over periode 4 en 5 gaat het College voorbij, omdat dit betoog pas ter zitting is gehouden en daardoor niet kan worden vastgesteld wat de precieze gang van zaken is geweest.
Overschrijding van de redelijke termijn
3. Ter zitting heeft appellant een verzoek om schadevergoeding gedaan wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM. Het gaat hier om een niet-punitieve procedure die volgt op een primair besluit dat is bekend gemaakt na 1 februari 2014. In dat geval geldt als uitgangspunt dat de bezwaar- en beroepsfase tezamen niet langer mogen duren dan twee jaar. Daarbij mag de behandeling van het bezwaar ten hoogste een half jaar en de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar duren. Dit behoudens factoren die onder omstandigheden aanleiding kunnen geven overschrijding van deze behandelingsduren gerechtvaardigd te achten.
4. Verweerder heeft het bezwaarschrift voor periode 1 ontvangen op 20 juni 2017, voor periode 2 op 12 september 2017, voor periode 3 op 14 oktober 2017, voor periode 4 op 7 december 2017 en voor periode 5 op 8 februari 2018. Op het moment van het doen van deze uitspraak is de tweejaartermijn met ongeveer 16 maanden overschreden. Van factoren die onder omstandigheden aanleiding kunnen geven overschrijding van de behandelingsduur gerechtvaardigd te achten, is geen sprake. Uitgaande van een forfaitair tarief van € 500,00 per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond, heeft appellant daarom recht op een vergoeding van € 1.500,00 aan immateriële schade. Omdat de behandeling van het bezwaar minder dan een half jaar in beslag heeft genomen, is de overschrijding volledig toe te rekenen aan het College. Het College zal daarom op de voet van artikel 8:88 van de Awb de Staat der Nederlanden veroordelen tot betaling van € 1.500,00 aan appellant.Slotsom
5. De beroepen zijn ongegrond. Gezien het onder 2.3 geconstateerde gebrek draagt het College verweerder op om het betaalde griffierecht aan appellant te vergoeden. Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen is niet gebleken.
Dictum
Het College
- verklaart de beroepen ongegrond;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 1.680,00 aan appellant te vergoeden;
- veroordeelt de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) om aan appellant een vergoeding voor immateriële schade van € 1.500,00 te betalen.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.J.C. de Moor-van Vugt, in aanwezigheid van mr. B. van Dokkum, griffier.
Dictum
De voorzitter is verhinderd De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen. de uitspraak te ondertekenen.