Rechtspraak College van Beroep voor het bedrijfsleven 2020-06-23
ECLI:NL:CBB:2020:417
Bestuursrecht
uitspraak COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN zaaknummer: 19/461 uitspraak van de meervoudige kamer van 23 juni 2020 in de zaak tussen Northend Systems B.V., te Amsterdam, appellante (gemachtigde: G. van ’t Noordende), en de minister van Economische Zaken en Klimaat, verweerder (gemachtigde: mr. S.F. Somer). Bij besluit van 4 oktober 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van appellante om een subsidie op grond van titel 3.4 MKB-innovatiestimulering topsectoren van de Regeling nationale EZ-subsidies afgewezen. Bij besluit van 5 februari 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellante ongegrond verklaard. Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 januari 2020. Appellante en verweerder hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden. Het College verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. H.O. Kerkmeester, mr. W.C.E. Winfield en mr. M. de Mol, in aanwezigheid van mr. C.S. de Waal, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 juni 2020. w.g. H.O. Kerkmeester De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen. 1. Op 6 september 2018 heeft appellante getracht elektronisch een aanvraag voor een MIT-R&D-samenwerkingsproject in te dienen. De bijlagen bij de aanvraag heeft appellante om 16.40 uur geüpload. Door twee foutmeldingen kon de elektronisch aanvraag zelf niet voor 17.00 uur worden verzonden. Appellante heeft vervolgens om 17.20 uur, 17.25 uur, 18.01 uur en 19.35 uur e-mailberichten verzonden aan verweerder. 2. Aan het bestreden besluit heeft verweerder ten grondslag gelegd dat een aanvraag als hier aan de orde tijdig is ingediend als deze op 6 september 2018, voor 17.00 uur is ontvangen. De aanvraag kon zowel elektronisch als per gewone post worden ingediend of in persoon worden afgegeven. Appellante heeft bij het invullen van het elektronische aanvraagformulier voor verzending enige vertraging opgelopen wegens foutmeldingen. Deze problemen konden echter relatief eenvoudig en snel worden verholpen. Dat appellante vanwege tijdnood geen contact meer kon opnemen met verweerder, dient voor haar risico te komen. Ten aanzien van het fout ingevoerde IBAN nummer stelt verweerder dat het elektronische aanvraagformulier de mogelijkheid bood om bij afronding van elke pagina van het aanvraagformulier te controleren op de juistheid van de ingevulde informatie. 3. Appellante heeft aangevoerd dat verweerder niet heeft weersproken dat er problemen op de website waren. De inzending van het aanvraagformulier werd geblokkeerd totdat alle problemen waren opgelost. Deze striktheid is disproportioneel. Een papieren aanvraag zou wel zijn ingenomen met een foutief ingevuld IBAN nummer. Bovendien stond het juiste IBAN nummer vermeld in de bijlagen. De bijlagen had appellante al op 6 september 2018 om 16.40 uur geüpload. Met deze bijlagen beschikte verweerder ook al over de benodigde gegevens om op de aanvraag te kunnen beslissen. De foutmelding op de site was bovendien niet correct. De foutmelding van het foutief ingevulde IBAN nummer verwees ten onrechte niet door naar de pagina waar dit nummer foutief was ingevuld, maar naar een pagina met een correct ingevulde IBAN. Het traceren en corrigeren van het onjuiste IBAN nummer heeft daardoor te veel tijd gekost. De afwijzing is dan ook bovenmatig en disproportioneel. 4.1 Op grond van artikel 1, eerste en tweede lid, van de Regeling openstelling EZK- en LNV-subsidies 2018 geldt als periode waarin subsidieaanvragen op grond van titel 3.4 MKB-innovatiestimulering topsectoren van de Regeling nationale EZ-subsidies kunnen worden ingediend, de periode van 17 april 2018 tot en met 6 september 2018. Aanvragen zijn tijdig ingediend indien zij op de genoemde einddatum vóór 17.00 uur zijn ontvangen. 4.2 Op grond van artikel 2:17, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geldt als tijdstip waarop een bericht door een bestuursorgaan elektronisch is ontvangen, het tijdstip waarop het bericht zijn systeem voor gegevensverwerking heeft bereikt. 4.3 De memorie van toelichting bij de Wet elektronisch bestuurlijk verkeer (Tweede Kamer, vergaderjaar 2001–2002, 28 483, nr. 3) vermeldt onder meer het volgende: “Het bestuur dient ervoor te waken dat, indien de elektronische weg is opengesteld, geen ongerechtvaardigde belemmeringen voor elektronisch dataverkeer worden opgeworpen. Om dit te kunnen bepalen dient een afweging te worden gemaakt tussen het belang van het bestuursorgaan op een uniforme, veilige, praktisch toepasbare en betaalbare elektronische weg enerzijds en het belang van de burger op toegang tot het bestuursorgaan anderzijds. (…) Artikel 2:17, tweede lid (Tijdstip van ontvangst) Deze bepaling strekt ertoe het tijdstip van ontvangst door een bestuursorgaan van een langs elektronische weg verzonden bericht vast te stellen. Dit is in het bijzonder van belang om te kunnen constateren of het bericht tijdig is ontvangen (bijvoorbeeld de tijdige ontvangst van een zienswijze, bezwaar- of beroepschrift).” 5. In geschil is of de aanvraag terecht is afgewezen omdat deze te laat is ingediend. Niet in geschil is, en ook het College gaat hiervan uit, dat de aanvraag niet uiterlijk op 6 september 2018 vóór 17.00 uur door verweerder is ontvangen mede door twee verschillende fouten (bugs) in het systeem van de elektronische aanvraag. Het geschil spitst zich toe op de vraag of de afwijzing terecht is gelet op de verschillen tussen een papieren en elektronische aanvraag, de omstandigheid dat onder meer het juiste IBAN nummer wel in de bijlagen was opgenomen en het feit dat sprake was van fouten (bugs) in de elektronische aanvraag. 6. Het College stelt voorop dat de keuze van appellante om de aanvraag op de laatste dag en het laatste uur van de termijn elektronisch in te dienen voor haar eigen rekening en risico dient te komen. De door haar gestelde omstandigheid dat zij niet eerder beschikte over de benodigde, door anderen aan te leveren, gegevens doet daaraan niet af. Appellante had de keuze de aanvraag per post in te dienen of in persoon af te geven aan de balie van verweerder, maar zij heeft dit niet gedaan. Ook voor de papieren aanvraag geldt dat de aanvraag voor het verstrijken van de termijn door verweerder moet zijn ontvangen. Appellante betwist niet dat de aanvraag na het verstrijken van de termijn is ingediend. Nadat zij de fouten in het elektronische aanvraagformulier had hersteld, was het technisch niet meer mogelijk om de aanvraag nog digitaal in te dienen via het eLoket en heeft zij het volledig ingevulde aanvraagformulier per e-mail aan verweerder verzonden. De termijn voor tijdige indiening was toen echter al verstreken. 7.1 Bij appellante was sprake van twee foutmeldingen bij het invullen van het elektronische aanvraagformulier. Verweerder erkent dat hierbij sprake was van bugs in het systeem. De eerste foutmelding betrof het subsidiebedrag. Ten onrechte gaf het systeem aan dat het ingevulde bedrag niet correct was. Deze foutmelding hebben meerdere aanvragers ontvangen, volgens verweerder. Deze fout was echter relatief eenvoudig te herstellen door het bedrag met één euro te verlagen en ook appellante is daar volgens haar eigen verklaring binnen een aantal minuten in geslaagd. Het College acht aannemelijk dat het indienen van de aanvraag hierdoor weliswaar enige vertraging heeft opgelopen, maar dat appellante na aanpassing van het subsidiebedrag nog in staat was de aanvraag tijdig in te dienen. Dit wordt als zodanig ook niet door appellante betwist. 7.2 Ten aanzien van het foutief ingevulde IBAN nummer overweegt het College als volgt. Niet wordt betwist dat appellante zelf een foutief IBAN nummer heeft ingevuld. Bij het verzenden van het formulier verscheen een foutmelding dat een IBAN nummer niet correct was ingevuld. De link bij deze foutmelding kwam echter niet uit bij het onjuiste IBAN nummer, maar bij een ander IBAN nummer dat wel correct was ingevuld. Het heeft appellante veel tijd gekost om te achterhalen dat de link van de foutmelding niet juist was en dat derhalve een ander IBAN nummer niet correct was ingevuld. Ondanks dat de foutmelding een onjuiste doorklikmogelijkheid had, moet dit in dit geval voor rekening en risico van appellante komen. Appellante heeft niet weersproken dat op elke pagina van het digitale aanvraagformulier de mogelijkheid was opgenomen om de ingevoerde gegevens op juistheid te controleren. Als appellante van deze controlemogelijkheid gebruik zou hebben gemaakt, zou zij relatief eenvoudig hebben kunnen achterhalen waar de door haar gemaakte fout was gemaakt. Aannemelijk is dat zij de aanvraag dan tijdig ingediend zou hebben. Appellante heeft van deze mogelijkheid echter geen gebruik gemaakt. Het College acht van belang dat appellante zelf pas tegen het einde van de termijn heeft gepoogd de aanvraag digitaal in te dienen en daarmee het risico heeft genomen dat de aanvraag niet in één keer ingediend kon worden door technische mankementen aan de kant van verweerder, maar ook door fouten aan eigen zijde.