Rechtspraak
College van Beroep voor het bedrijfsleven
2018-02-08
ECLI:NL:CBB:2018:62
Bestuursrecht
Eerste aanleg - meervoudig
5,372 tokens
Inleiding
uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 17/179
27000
uitspraak van de meervoudige kamer van 8 februari 2018 in de zaak tussen
[naam 1] B.V., te [plaats] , appellante
(gemachtigde: mr. I.H. van den Berg),
en
de minister van Economische Zaken en Klimaat, verweerder
(gemachtigde: mr. J. van Essen en ir. R. Mostert).
Procesverloop
Bij besluit van 29 juli 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van appellante om een S&O-verklaring in het kader van de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen (Wva) voor de periode van januari tot en met maart 2016 deels toegewezen en deels afgewezen.
Bij besluit van 23 december 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellante tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.
Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 november 2017. Appellante heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde, vergezeld van [naam 4] , Technology and Innovation Director, [naam 2] en [naam 3] , werkzaam bij [naam 5] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.
Overwegingen
1. Het College gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.
1.1.
Appellante heeft voor de periode van januari tot en met maart 2016 verklaringen voor het verrichten van speur en ontwikkelingswerk in de zin van de Wva (S&O-verklaringen) aangevraagd voor een aantal projecten met betrekking tot de ontwikkeling van programmatuur.
1.2
In de aanvraag heeft appellante ten aanzien van project 1303 onder het kopje “projectgegevens” onder meer vermeld: “Door fysieke (vanwege concurrentiegevoeligheid vermeldt het College het hier en hierna gemelde niet …) niet compatibel”.
Onder het kopje “Probleemstelling en oplossingsrichting” heeft appellante het volgende opgenomen:
“- Op het (…) en falen.”
In het aanvraagformulier heeft appellante verder onder de kopjes technische nieuwheid programmatuur en samenwerking nadere informatie verschaft.
1.3.
Ten aanzien van project 1403 heeft appellante onder het kopje “projectgegevens” onder meer vermeld: “Technische uitdagende (…) te creëren.”.
Onder het kopje “Probleemstelling en oplossingsrichting” heeft appellante het volgende opgenomen:
“- Afwijkende datasets (…) de automatisering.”
In het aanvraagformulier heeft appellante ook ten aanzien van dit project onder de kopjes technische nieuwheid programmatuur en samenwerking nadere informatie verschaft.
1.4
Bij e-mails van 12 mei 2016 en 17 mei 2016 heeft verweerder om aanvullende informatie verzocht in verband met de beoordeling van de aanvraag. Bij e-mails van 26 mei 2016, 9 juni 2016 en 8 juli 2016 heeft appellante hierop gereageerd.
1.5
Bij het primaire besluit heeft verweerder de aanvraag deels toegewezen, maar afgewezen voor onder meer een tweetal projecten, te weten project 1303 Next Generation Lithography & Metrology, met de deelprojecten LOAT, (op verzoek van appellante en buiten bezwaar van verweerder omwille van beweerdelijke concurrentiegevoeligheid vanwege de naamgeving, door het College louter aangeduid als) [project X] en [project Y], en project 1403 Automation Framework, met de deelprojecten EUV en ASOME, omdat het geen speur- en ontwikkelingswerk (S&O) betreft.
1.6
Tijdens de hoorzitting in bezwaar heeft appellante aan de hand van een presentatie per deelproject de technische knelpunten en oplossingsrichtingen nader uiteen gezet. Zo heeft ze voor het project ASOME onder meer gesteld dat een technische uitdaging is (…).
2.1.
Bij het bestreden besluit heeft verweerder, in voor ieder project gelijke bewoordingen, geoordeeld dat de aanvragen voor de vijf nog in geding zijnde deelprojecten terecht zijn afgewezen, omdat appellante niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij technische nieuwe (onderdelen van) programmatuur ontwikkelt. Voor de vijf deelprojecten heeft verweerder overwogen dat appellante aangeeft wat er binnen het deelproject gerealiseerd dient te worden en slechts (functionele) eisen benoemt waaraan zal moeten worden voldaan. Appellante heeft geen technische knelpunten genoemd die door haarzelf worden onderzocht en opgelost. Evenmin heeft zij aannemelijk gemaakt dat haar eigen werkzaamheden direct en uitsluitend gericht zijn op het aantonen van voor appellante onzekere en nieuwe informatietechnologische werkingsprincipes. Hierdoor heeft zij niet aannemelijk gemaakt dat zij in de aangevraagde periode werkzaamheden verricht die zijn gericht op de ontwikkeling van voor appellante technisch nieuwe (onderdelen van) programmatuur. Dit betekent dat deze werkzaamheden niet kunnen worden aangemerkt als S&O in de zin van de Wva, aldus verweerder.
2.2.
Appellante voert in beroep aan dat verweerder het bestreden besluit niet deugdelijk heeft gemotiveerd en onzorgvuldig heeft voorbereid, omdat het erg algemeen is geformuleerd en niet per deelproject is uitgewerkt waarom niet aan de eisen van S&O is voldaan en niet is ingegaan op de argumenten van appellante. Al in bezwaar heeft appellante aangegeven dat de werkzaamheden worden uitgevoerd door [naam 1] -werknemers, onder eigen regie. Ten onrechte merkt verweerder de door haar omschreven technische knelpunten aan als functionele eisen. Volgens appellante is een technisch knelpunt een probleem in de techniek dat door [naam 1] ondervonden wordt in de ontwikkelingen die worden uitgevoerd om een beoogde functionaliteit te realiseren. Een functionele eis is een randvoorwaarde die aan de beoogde functionaliteit wordt gesteld. De door appellante genoemde punten bij de deelprojecten zijn technische knelpunten en geen functionele eisen. Vervolgens geeft appellante per project een onderbouwing wat de technische knelpunten zijn die worden onderzocht en opgelost, dat de werkzaamheden direct en uitsluitend zijn gericht op het aantonen van voor [naam 1] onzekere en nieuwe informatietechnologische werkingsprincipes en dat daarmee wel degelijk sprake is van S&O.
3. Het College overweegt als volgt.
3.1.
Ingevolge artikel 23, eerste lid, van de Wva, gelezen in samenhang met artikel 1, eerste lid, aanhef en onder p, ten tweede, van de Wva, verstrekt verweerder op de voet van artikel 22 van de Wva aan een S&O-inhoudingsplichtige die voornemens is in een periode van een kalenderjaar speur- en ontwikkelingswerk te verrichten, als het verrichten van werkzaamheden, direct en uitsluitend gericht op het ontwikkelen van voor hem technisch nieuwe (onderdelen van) programmatuur, op zijn aanvraag een S&O-verklaring.
3.2.
Ter beoordeling staat de vraag of verweerder terecht heeft geweigerd om aan appellante op haar aanvraag voor de vijf deelprojecten een S&O-verklaring te verlenen, op de grond dat appellante niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij in die deelprojecten S&O verricht bestaande in de ontwikkeling van voor haar technisch nieuwe (onderdelen van) programmatuur. In dit verband stelt het College het volgende voorop. Uit het wettelijk systeem blijkt dat een aanvrager vooraf in voldoende mate moet specificeren op welke werkzaamheden de aanvraag betrekking heeft (zie de uitspraak van 21 december 2004, ECLI:NL:CBB:2004:AS2016). Om te kunnen beoordelen of de werkzaamheden waarvoor een verklaring wordt aangevraagd al dan niet onder de werkingssfeer van de Wva vallen, is het voor verweerder dan ook noodzakelijk om van de aanvrager voldoende gegevens te verkrijgen met betrekking tot deze werkzaamheden. Zoals het College al eerder heeft overwogen (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 16 juni 2015, ECLI:NL:CBB:2015:213) is bij de beoordeling van een aanvraag allereerst beslissend of uit hetgeen in de aanvraag is beschreven, kan worden afgeleid welke speur- en ontwikkelingswerkzaamheden de aanvrager voornemens is te gaan verrichten. Het is vervolgens aan verweerder om, mocht hij de aanvraag niet of niet ten volle inwilligen, een passende reactie te geven op hetgeen betrokkene in de aanvraag heeft uiteengezet. Wanneer verweerder naar aanleiding van de aanvraag aanleiding ziet nadere informatie bij de aanvrager in te winnen zal hij de aldus verkregen informatie in zijn beschouwingen en bij zijn besluitvorming moeten betrekken.
3.3
In het verweerschrift heeft verweerder betoogd dat het bestreden besluit op een toereikende motivering steunt en met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid. In het bestreden besluit is immers per afzonderlijk deelproject vermeld dat deze projecten terecht zijn afgewezen, omdat appellante niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij technisch nieuwe (onderdelen van) programmatuur ontwikkelt. Ter zitting heeft verweerder evenwel toegelicht dat hij in het bestreden besluit heeft bedoeld te overwegen dat appellante in haar aanvraag weliswaar punten heeft aangevoerd die zij zelf beschouwt als “technische knelpunten”, maar dat deze door hem niet als technische knelpunten worden aangemerkt.
3.4
Het College overweegt ter zake als volgt.
Dictum
Het College:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het bestreden besluit;
draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 333,- aan appellante te vergoeden;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 1002,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.R. Winter, mr. R.W.L. Koopmans en mr. T. Pavićević, in aanwezigheid van mr. C.S. de Waal, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 februari 2018.
R.R. Winter C.S. de Waal
Tegen deze uitspraak kunnen partijen beroep in cassatie instellen ter zake van schending van de artikelen 1 en 2 van de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen met betrekking tot het bepaalde omtrent de begrippen 'inhoudingsplichtige', 'aangiftetijdvak', 'loon', 'onderneming', 'fiscale eenheid' en 'werknemer'.
Inleiding
uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 17/179
27000
uitspraak van de meervoudige kamer van 8 februari 2018 in de zaak tussen
[naam 1] B.V., te [plaats] , appellante
(gemachtigde: mr. I.H. van den Berg),
en
de minister van Economische Zaken en Klimaat, verweerder
(gemachtigde: mr. J. van Essen en ir. R. Mostert).
Procesverloop
Bij besluit van 29 juli 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van appellante om een S&O-verklaring in het kader van de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen (Wva) voor de periode van januari tot en met maart 2016 deels toegewezen en deels afgewezen.
Bij besluit van 23 december 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellante tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.
Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 november 2017. Appellante heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde, vergezeld van [naam 4] , Technology and Innovation Director, [naam 2] en [naam 3] , werkzaam bij [naam 5] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.
Overwegingen
1. Het College gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.
1.1.
Appellante heeft voor de periode van januari tot en met maart 2016 verklaringen voor het verrichten van speur en ontwikkelingswerk in de zin van de Wva (S&O-verklaringen) aangevraagd voor een aantal projecten met betrekking tot de ontwikkeling van programmatuur.
1.2
In de aanvraag heeft appellante ten aanzien van project 1303 onder het kopje “projectgegevens” onder meer vermeld: “Door fysieke (vanwege concurrentiegevoeligheid vermeldt het College het hier en hierna gemelde niet …) niet compatibel”.
Onder het kopje “Probleemstelling en oplossingsrichting” heeft appellante het volgende opgenomen:
“- Op het (…) en falen.”
In het aanvraagformulier heeft appellante verder onder de kopjes technische nieuwheid programmatuur en samenwerking nadere informatie verschaft.
1.3.
Ten aanzien van project 1403 heeft appellante onder het kopje “projectgegevens” onder meer vermeld: “Technische uitdagende (…) te creëren.”.
Onder het kopje “Probleemstelling en oplossingsrichting” heeft appellante het volgende opgenomen:
“- Afwijkende datasets (…) de automatisering.”
In het aanvraagformulier heeft appellante ook ten aanzien van dit project onder de kopjes technische nieuwheid programmatuur en samenwerking nadere informatie verschaft.
1.4
Bij e-mails van 12 mei 2016 en 17 mei 2016 heeft verweerder om aanvullende informatie verzocht in verband met de beoordeling van de aanvraag. Bij e-mails van 26 mei 2016, 9 juni 2016 en 8 juli 2016 heeft appellante hierop gereageerd.
1.5
Bij het primaire besluit heeft verweerder de aanvraag deels toegewezen, maar afgewezen voor onder meer een tweetal projecten, te weten project 1303 Next Generation Lithography & Metrology, met de deelprojecten LOAT, (op verzoek van appellante en buiten bezwaar van verweerder omwille van beweerdelijke concurrentiegevoeligheid vanwege de naamgeving, door het College louter aangeduid als) [project X] en [project Y], en project 1403 Automation Framework, met de deelprojecten EUV en ASOME, omdat het geen speur- en ontwikkelingswerk (S&O) betreft.
1.6
Tijdens de hoorzitting in bezwaar heeft appellante aan de hand van een presentatie per deelproject de technische knelpunten en oplossingsrichtingen nader uiteen gezet. Zo heeft ze voor het project ASOME onder meer gesteld dat een technische uitdaging is (…).
2.1.
Bij het bestreden besluit heeft verweerder, in voor ieder project gelijke bewoordingen, geoordeeld dat de aanvragen voor de vijf nog in geding zijnde deelprojecten terecht zijn afgewezen, omdat appellante niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij technische nieuwe (onderdelen van) programmatuur ontwikkelt. Voor de vijf deelprojecten heeft verweerder overwogen dat appellante aangeeft wat er binnen het deelproject gerealiseerd dient te worden en slechts (functionele) eisen benoemt waaraan zal moeten worden voldaan. Appellante heeft geen technische knelpunten genoemd die door haarzelf worden onderzocht en opgelost. Evenmin heeft zij aannemelijk gemaakt dat haar eigen werkzaamheden direct en uitsluitend gericht zijn op het aantonen van voor appellante onzekere en nieuwe informatietechnologische werkingsprincipes. Hierdoor heeft zij niet aannemelijk gemaakt dat zij in de aangevraagde periode werkzaamheden verricht die zijn gericht op de ontwikkeling van voor appellante technisch nieuwe (onderdelen van) programmatuur. Dit betekent dat deze werkzaamheden niet kunnen worden aangemerkt als S&O in de zin van de Wva, aldus verweerder.
2.2.
Appellante voert in beroep aan dat verweerder het bestreden besluit niet deugdelijk heeft gemotiveerd en onzorgvuldig heeft voorbereid, omdat het erg algemeen is geformuleerd en niet per deelproject is uitgewerkt waarom niet aan de eisen van S&O is voldaan en niet is ingegaan op de argumenten van appellante. Al in bezwaar heeft appellante aangegeven dat de werkzaamheden worden uitgevoerd door [naam 1] -werknemers, onder eigen regie. Ten onrechte merkt verweerder de door haar omschreven technische knelpunten aan als functionele eisen. Volgens appellante is een technisch knelpunt een probleem in de techniek dat door [naam 1] ondervonden wordt in de ontwikkelingen die worden uitgevoerd om een beoogde functionaliteit te realiseren. Een functionele eis is een randvoorwaarde die aan de beoogde functionaliteit wordt gesteld. De door appellante genoemde punten bij de deelprojecten zijn technische knelpunten en geen functionele eisen. Vervolgens geeft appellante per project een onderbouwing wat de technische knelpunten zijn die worden onderzocht en opgelost, dat de werkzaamheden direct en uitsluitend zijn gericht op het aantonen van voor [naam 1] onzekere en nieuwe informatietechnologische werkingsprincipes en dat daarmee wel degelijk sprake is van S&O.
3. Het College overweegt als volgt.
3.1.
Ingevolge artikel 23, eerste lid, van de Wva, gelezen in samenhang met artikel 1, eerste lid, aanhef en onder p, ten tweede, van de Wva, verstrekt verweerder op de voet van artikel 22 van de Wva aan een S&O-inhoudingsplichtige die voornemens is in een periode van een kalenderjaar speur- en ontwikkelingswerk te verrichten, als het verrichten van werkzaamheden, direct en uitsluitend gericht op het ontwikkelen van voor hem technisch nieuwe (onderdelen van) programmatuur, op zijn aanvraag een S&O-verklaring.
3.2.
Ter beoordeling staat de vraag of verweerder terecht heeft geweigerd om aan appellante op haar aanvraag voor de vijf deelprojecten een S&O-verklaring te verlenen, op de grond dat appellante niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij in die deelprojecten S&O verricht bestaande in de ontwikkeling van voor haar technisch nieuwe (onderdelen van) programmatuur. In dit verband stelt het College het volgende voorop. Uit het wettelijk systeem blijkt dat een aanvrager vooraf in voldoende mate moet specificeren op welke werkzaamheden de aanvraag betrekking heeft (zie de uitspraak van 21 december 2004, ECLI:NL:CBB:2004:AS2016). Om te kunnen beoordelen of de werkzaamheden waarvoor een verklaring wordt aangevraagd al dan niet onder de werkingssfeer van de Wva vallen, is het voor verweerder dan ook noodzakelijk om van de aanvrager voldoende gegevens te verkrijgen met betrekking tot deze werkzaamheden. Zoals het College al eerder heeft overwogen (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 16 juni 2015, ECLI:NL:CBB:2015:213) is bij de beoordeling van een aanvraag allereerst beslissend of uit hetgeen in de aanvraag is beschreven, kan worden afgeleid welke speur- en ontwikkelingswerkzaamheden de aanvrager voornemens is te gaan verrichten. Het is vervolgens aan verweerder om, mocht hij de aanvraag niet of niet ten volle inwilligen, een passende reactie te geven op hetgeen betrokkene in de aanvraag heeft uiteengezet. Wanneer verweerder naar aanleiding van de aanvraag aanleiding ziet nadere informatie bij de aanvrager in te winnen zal hij de aldus verkregen informatie in zijn beschouwingen en bij zijn besluitvorming moeten betrekken.
3.3
In het verweerschrift heeft verweerder betoogd dat het bestreden besluit op een toereikende motivering steunt en met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid. In het bestreden besluit is immers per afzonderlijk deelproject vermeld dat deze projecten terecht zijn afgewezen, omdat appellante niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij technisch nieuwe (onderdelen van) programmatuur ontwikkelt. Ter zitting heeft verweerder evenwel toegelicht dat hij in het bestreden besluit heeft bedoeld te overwegen dat appellante in haar aanvraag weliswaar punten heeft aangevoerd die zij zelf beschouwt als “technische knelpunten”, maar dat deze door hem niet als technische knelpunten worden aangemerkt.
3.4
Het College overweegt ter zake als volgt.
Dictum
Het College:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het bestreden besluit;
draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 333,- aan appellante te vergoeden;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 1002,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.R. Winter, mr. R.W.L. Koopmans en mr. T. Pavićević, in aanwezigheid van mr. C.S. de Waal, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 februari 2018.
R.R. Winter C.S. de Waal
Tegen deze uitspraak kunnen partijen beroep in cassatie instellen ter zake van schending van de artikelen 1 en 2 van de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen met betrekking tot het bepaalde omtrent de begrippen 'inhoudingsplichtige', 'aangiftetijdvak', 'loon', 'onderneming', 'fiscale eenheid' en 'werknemer'.