Rechtspraak
College van Beroep voor het bedrijfsleven
2018-06-05
ECLI:NL:CBB:2018:268
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,616 tokens
Inleiding
uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 17/322
5111
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 juni 2018 in de zaak tussen
[naam 1] , te [plaats] , appellante
(gemachtigde: mr. A. Tymersma),
en
de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder
(gemachtigde: mr. M.A.G. van Leeuwen).
Procesverloop
Bij besluit van 21 april 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder beslist op de aanvraag van appellante om toewijzing van betalingsrechten op grond van de Uitvoeringsregeling rechtstreekse betalingen GLB (Uitvoeringsregeling).
Bij besluit van 3 februari 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellant ongegrond verklaard, het primaire besluit herroepen en het aantal betalingsrechten opnieuw vastgesteld.
Appellant heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft bij brief van 19 april 2018 meegedeeld dat hij heeft besloten om het bestreden besluit te herzien. Bij brief van 9 mei 2018 heeft verweerder nadere informatie verstrekt.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 mei 2018. Namens appellante is, met kennisgeving, niemand verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde.
Overwegingen
1. Bij brief van 9 mei 2018 heeft verweerder meegedeeld dat hij het bestreden besluit zal herzien met betrekking tot de percelen 18, 19, 20, 59 en 60 (zweefvliegveld) en de percelen 21, 23, 24, 25, 26, 27, 28, 29 30, 31, 33, 34, 35, 54, 55, 56 en 57 ( [naam 2] ). Ter zitting heeft verweerder bevestigd dat hij daarmee de onrechtmatigheid van het bestreden besluit erkent.
Geschil
3. Verweerder heeft perceel 2 kleiner vastgesteld dan aangevraagd, omdat sprake is van een verhard pad aan de westzijde. Het College stelt vast dat appellante dit standpunt in haar beroepschrift niet heeft weersproken, zodat het College ervan uitgaat dat verweerder de subsidiabele oppervlakte van dit perceel juist heeft vastgesteld.
4. Appellante heeft perceel 47 opgegeven met een totale oppervlakte van 6,97 ha en verweerder heeft daarvan 6,94 ha subsidiabel geacht. In het bestreden besluit heeft verweerder uiteengezet dat het afgekeurde gedeelte een berm betreft. Appellante heeft dit bestreden. Ter zitting heeft verweerder meegedeeld dat op dit perceel geen sprake is van bermen, maar heeft niet duidelijk gemaakt waarom dit gedeelte wel is afgekeurd. In zoverre is het bestreden besluit onvoldoende gemotiveerd.
5. Bij de overige genoemde percelen is volgens verweerder sprake van bermen. Verweerder heeft ter zitting gewezen op de uitspraak van het College van 12 maart 2018 (ECLI:NL:CBB:2018:65). Bij die uitspraak heeft het College geoordeeld dat de nationale regelgever in redelijkheid tot het oordeel heeft kunnen komen dat bermen tot een breedte van drie meter van de weg overwegend voor niet landbouwactiviteiten worden gebruikt en deze aldus op grond van artikel 2.10, tweede lid, aanhef en onder c, van de Uitvoeringsregeling categoraal mocht uitsluiten. Het College is van oordeel dat ten aanzien van die percelen niet is gebleken dat verweerder bij het uittekenen van de bermstroken buiten deze grens van 3 meter is gegaan en ziet daarom geen aanleiding voor de conclusie dat verweerder de subsidiabele oppervlakte van deze percelen onjuist heeft vastgesteld.
6. Gelet op hetgeen onder 1. en 4. is overwogen is het beroep gegrond en moet het bestreden besluit worden vernietigd wegens strijd met de artikelen 3:2 (zorgvuldigheidsbeginsel) en artikel 7:12 (het motiveringsbeginsel) van de Algemene wet bestuursrecht. Het College acht geen termen aanwezig het geschil finaal te beslechten dan wel de bestuurlijke lus toe te passen. Verweerder zal daarom een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak. Het College stelt hiervoor een termijn van zes weken.
7. Het College veroordeelt verweerder in de door appellante gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt het College op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 501,-- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 501 en een wegingsfactor 1).
Dictum
Het College:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het bestreden besluit;
draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 334,- aan appellante te vergoeden;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 501,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Venekamp, in aanwezigheid van mr. J.B.C. van der Veer, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 5 juni 2018.
w.g. A. Venekamp w.g. J.B.C. van der Veer
Inleiding
uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 17/322
5111
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 juni 2018 in de zaak tussen
[naam 1] , te [plaats] , appellante
(gemachtigde: mr. A. Tymersma),
en
de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder
(gemachtigde: mr. M.A.G. van Leeuwen).
Procesverloop
Bij besluit van 21 april 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder beslist op de aanvraag van appellante om toewijzing van betalingsrechten op grond van de Uitvoeringsregeling rechtstreekse betalingen GLB (Uitvoeringsregeling).
Bij besluit van 3 februari 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellant ongegrond verklaard, het primaire besluit herroepen en het aantal betalingsrechten opnieuw vastgesteld.
Appellant heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft bij brief van 19 april 2018 meegedeeld dat hij heeft besloten om het bestreden besluit te herzien. Bij brief van 9 mei 2018 heeft verweerder nadere informatie verstrekt.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 mei 2018. Namens appellante is, met kennisgeving, niemand verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde.
Overwegingen
1. Bij brief van 9 mei 2018 heeft verweerder meegedeeld dat hij het bestreden besluit zal herzien met betrekking tot de percelen 18, 19, 20, 59 en 60 (zweefvliegveld) en de percelen 21, 23, 24, 25, 26, 27, 28, 29 30, 31, 33, 34, 35, 54, 55, 56 en 57 ( [naam 2] ). Ter zitting heeft verweerder bevestigd dat hij daarmee de onrechtmatigheid van het bestreden besluit erkent.
Geschil
3. Verweerder heeft perceel 2 kleiner vastgesteld dan aangevraagd, omdat sprake is van een verhard pad aan de westzijde. Het College stelt vast dat appellante dit standpunt in haar beroepschrift niet heeft weersproken, zodat het College ervan uitgaat dat verweerder de subsidiabele oppervlakte van dit perceel juist heeft vastgesteld.
4. Appellante heeft perceel 47 opgegeven met een totale oppervlakte van 6,97 ha en verweerder heeft daarvan 6,94 ha subsidiabel geacht. In het bestreden besluit heeft verweerder uiteengezet dat het afgekeurde gedeelte een berm betreft. Appellante heeft dit bestreden. Ter zitting heeft verweerder meegedeeld dat op dit perceel geen sprake is van bermen, maar heeft niet duidelijk gemaakt waarom dit gedeelte wel is afgekeurd. In zoverre is het bestreden besluit onvoldoende gemotiveerd.
5. Bij de overige genoemde percelen is volgens verweerder sprake van bermen. Verweerder heeft ter zitting gewezen op de uitspraak van het College van 12 maart 2018 (ECLI:NL:CBB:2018:65). Bij die uitspraak heeft het College geoordeeld dat de nationale regelgever in redelijkheid tot het oordeel heeft kunnen komen dat bermen tot een breedte van drie meter van de weg overwegend voor niet landbouwactiviteiten worden gebruikt en deze aldus op grond van artikel 2.10, tweede lid, aanhef en onder c, van de Uitvoeringsregeling categoraal mocht uitsluiten. Het College is van oordeel dat ten aanzien van die percelen niet is gebleken dat verweerder bij het uittekenen van de bermstroken buiten deze grens van 3 meter is gegaan en ziet daarom geen aanleiding voor de conclusie dat verweerder de subsidiabele oppervlakte van deze percelen onjuist heeft vastgesteld.
6. Gelet op hetgeen onder 1. en 4. is overwogen is het beroep gegrond en moet het bestreden besluit worden vernietigd wegens strijd met de artikelen 3:2 (zorgvuldigheidsbeginsel) en artikel 7:12 (het motiveringsbeginsel) van de Algemene wet bestuursrecht. Het College acht geen termen aanwezig het geschil finaal te beslechten dan wel de bestuurlijke lus toe te passen. Verweerder zal daarom een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak. Het College stelt hiervoor een termijn van zes weken.
7. Het College veroordeelt verweerder in de door appellante gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt het College op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 501,-- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 501 en een wegingsfactor 1).
Dictum
Het College:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het bestreden besluit;
draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 334,- aan appellante te vergoeden;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 501,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Venekamp, in aanwezigheid van mr. J.B.C. van der Veer, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 5 juni 2018.
w.g. A. Venekamp w.g. J.B.C. van der Veer