Rechtspraak
College van Beroep voor het bedrijfsleven
2018-05-15
ECLI:NL:CBB:2018:247
Bestuursrecht
Hoger beroep
5,670 tokens
Inleiding
uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 17/420
20150
Uitspraak van de meervoudige kamer van 15 mei 2018 op het hoger beroep van:
[naam 1] , te [plaats] , appellant
(gemachtigde: mr. A.J. van Soelen),
tegen de uitspraak van de accountantskamer van 3 maart 2017, gegeven op een klacht, door appellant ingediend tegen
[naam 2] (betrokkene).
Procesverloop
Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de accountantskamer van 3 maart 2017, met nummer 16/1239 Wtra AK (ECLI:NL:TACAKN:2017:16).
Betrokkene heeft geen gebruik gemaakt van de gelegenheid om een schriftelijke reactie op het hogerberoepschrift te geven.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 januari 2018.
Appellant is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Betrokkene is verschenen.
Geschil
1.1
Voor een uitgebreide weergave van het verloop van de procedure en de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden, voor zover niet bestreden, wordt verwezen naar de inhoud van de bestreden uitspraak van de accountantskamer, die als hier ingelast wordt beschouwd. Het College volstaat met het volgende.
1.2
Betrokkene was als accountant (en bestuurder) verbonden aan het kantoor [naam 3] te Amsterdam. Betrokkene was van 2006 tot en met 2012 accountant van [naam 4] B.V., [naam 5] B.V. en [naam 6] B.V. ( [naam 6] ). Tevens was betrokkene vanaf de oprichting tot en met 2012 de accountant van [naam 4] Group.
Uitspraak van de accountantskamer
2.1
De klacht, zoals weergegeven in de uitspraak van de accountantskamer, welke weergave door partijen niet wordt bestreden, houdt de volgende verwijten in, voor zover voor het hoger beroep relevant:
(…)
betrokkene heeft de uitvoering van het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 12 november 2014 (ECLI:NL:RBAMS:2014:7405) (niet gepubliceerd) geobstrueerd;
betrokkene heeft na de mondelinge behandeling van de eerdere klacht met zaaknummer 14/318 Wtra AK (ECLI:NL:TACAKN:2015:31) door de accountantskamer op 13 oktober 2014 in een e-mail een verklaring gestuurd aan [naam 7] waarvan betrokkene wist dat die onjuistheden bevatte en dat deze bestemd was om ingebracht te worden in een gerechtelijke procedure, en zonder daarin te vermelden dat hij niet onafhankelijk stond ten opzichte van [naam 7] .
2.2
Bij de bestreden uitspraak heeft de accountantskamer klachtonderdeel a gegrond verklaard, klachtonderdeel b gedeeltelijk niet-ontvankelijk en gedeeltelijk ongegrond verklaard en klachtonderdeel c gedeeltelijk gegrond verklaard. De accountantskamer heeft aan betrokkene de maatregel opgelegd van doorhaling van de inschrijving van de accountant in de registers als bedoeld in artikel 2, aanhef en onder e, van de Wet tuchtrechtspraak accountants (Wtra) onder de bepaling van de termijn waarbinnen hij niet opnieuw kan worden ingeschreven op zes maanden.
Overwegingen
Klachtonderdeel b
3.1
Ten aanzien van klachtonderdeel b heeft de accountantskamer – in de overwegingen 4.9.1 en 4.9.2 van de bestreden uitspraak – geoordeeld dat het ne bis in idem beginsel aan behandeling van dit klachtonderdeel in de weg staat. Volgens de accountantskamer blijkt uit de overwegingen 7.2 en 7.3 van de uitspraak van het College van 23 augustus 2016 (in de procedure met zaaknummers 15/241 en 15/255; ECLI:NL:CBB:2016:271), dat het College ten aanzien van het in onderdeel IV van de klacht van 5 februari 2014 gemaakte verwijt dat betrokkene een dossier niet heeft overgedragen, op basis van in essentie dezelfde feiten als die welke door appellant en betrokkene in de onderhavige zaak naar voren zijn gebracht heeft geoordeeld dat uit de hele gang van zaken blijkt dat betrokkene aan de vaststellingsovereenkomst van 14 mei 2013 (en de nadien gewezen vonnissen), op zijn zachtst gezegd, onvoldoende uitvoering heeft gegeven, dat de manier waarop betrokkene zich in deze kwestie heeft gedragen schadelijk is voor de goede naam van het accountantsberoep en dat hem derhalve het verwijt treft het fundamentele beginsel ‘professioneel gedrag’ zoals bedoeld in de (destijds geldende) Verordening Gedragscode RA’s (VGC) te hebben geschonden.
3.2
Appellant stelt dat de accountantskamer bij de beslissing om klachtonderdeel b niet-ontvankelijk te verklaren heeft miskend dat betrokkene – ook nadat het onderzoek ter zitting van het College op 8 maart 2016 is gesloten en zelfs na de uitspraak van het College van 23 augustus 2016 – niet aan het vonnis van 12 november 2014 heeft voldaan, terwijl de gang van zaken tijdens die zitting en in ieder geval de uitspraak van het College hem ertoe had moeten brengen alsnog uit eigen beweging en met bekwame spoed het vonnis na te komen. Betrokkene bleef echter volharden in zijn houding van obstructie en nalatigheid, wat volgens appellant in termen van het ne bis in idem beginsel als een nieuw feit kwalificeert. De kern van klachtonderdeel b is niet dat betrokkene het verwijt treft dat hij in de periode voorafgaand aan de eerste reeks van klachten de nakoming van bedoeld vonnis obstrueerde, maar dat hij dit wederom is blijven doen nadat het College hem daarover in niet mis te verstane bewoordingen op de vingers had getikt.
3.3
Het College overweegt dat de accountantskamer terecht heeft gewezen op hetgeen het College in de overwegingen 7.2 en 7.3 van de uitspraak van 23 augustus 2016 heeft overwogen. Daaruit blijkt onmiskenbaar dat het College bij de beoordeling of betrokkene als het gaat om de overdracht van stukken het verwijt treft het fundamentele beginsel van professioneel gedrag te hebben geschonden, het handelen of nalaten van betrokkene in de periode tot aan de uitspraak van 23 augustus 2016 in ogenschouw heeft genomen. Het College is met de accountantskamer van oordeel dat voor zover daarin de obstructie door betrokkene na het vonnis van 12 november 2014 aan de orde is gesteld, het ne bis in idem beginsel aan behandeling van klachtonderdeel b in de weg staat. Voor zover appellant met het in hoger beroep gestelde bedoelt dat betrokkene moet worden aangerekend dat de schending van het fundamentele beginsel van professioneel gedrag na de uitspraak van 23 augustus 2016 heeft voortgeduurd, overweegt het College dat betrokkene daarvan geen tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt, aangezien hij als gevolg van de hem bij die uitspraak opgelegde maatregel sindsdien gedurende ten minste achttien maanden niet (langer) in de registers is ingeschreven.
4.1
Voorts heeft de accountantskamer klachtonderdeel b, voor zover ontvankelijk, ongegrond verklaard, omdat appellant het verwijt dat betrokkene de nakoming van het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 13 januari 2016 tot betaling van om en nabij € 200.000 aan beslag- en proceskosten bewust heeft vertraagd, onvoldoende heeft onderbouwd.
4.2
Appellant stelt dat betrokkene tot op de dag van vandaag weigert te betalen. Volgens appellant voert betrokkene ten onrechte aan dat het aan [naam 8] ; een vennootschap van appellant) toekomende deel ad € 40.000 van de met de curatoren van [naam 4] Group getroffen betalingsregeling niet kan worden voldaan, omdat het valt onder een door [naam 9] B.V. ( [naam 9] ; een vennootschap van [naam 7] ) (althans [naam 7] ) onder hem en [naam 3] ten laste van [naam 8] gelegd derdenbeslag.
4.3
Het College constateert dat appellant er ook in hoger beroep niet in is geslaagd aannemelijk te maken dat betrokkene het tuchtrechtelijke verwijt treft dat hij het beroep van accountant in diskrediet brengt, doordat hij het ten uitvoer brengen van het vonnis van 13 januari 2016 bewust traineert. Het College acht aannemelijk dat een ten laste van [naam 8] / appellant onder [naam 3] en betrokkene gelegd derdenbeslag eraan in de weg staat dit vonnis volledig na te komen. Overigens betekent de aard van het beslag dat appellant hiervan moet hebben geweten. Van obstructie is naar het oordeel van het College geen sprake.
Klachtonderdeel c
5.1
De accountantskamer heeft klachtonderdeel c in zoverre gegrond verklaard dat betrokkene het verwijt treft dat hij het fundamentele beginsel van integriteit heeft geschonden door [naam 7] er in zijn e-mailbericht van 13 oktober 2014 niet op te wijzen dat de inbrengverklaring, die betrokkene handhaafde en van de juistheid waarvan hij in zijn bericht uitging, op dat moment (in de eerdere klachtzaak met nummer 14/318 Wtra AK) voorwerp van discussie was. Voor het overige heeft de accountantskamer klachtonderdeel c – in overweging 4.12 van de bestreden uitspraak – ongegrond verklaard.
5.2
Appellant vindt dat betrokkene, zeker na de zitting van de accountantskamer op 3 oktober 2014, zonder meer had moeten nalaten nog enige waarde aan de door hem afgegeven inbrengverklaring te hechten, ook omdat hij wist dat zijn e-mailbericht meteen in een civiele procedure zou worden ingebracht. Appellant stelt dat betrokkene bovendien heeft verzwegen dat hij ook accountant was van [naam 9] (en daar een andere waarde hanteerde) en dat hij feiten naar voren heeft gebracht die hij niet zelf heeft kunnen vaststellen en die onjuist zijn. Ook heeft betrokkene bij zijn kritiek op het rapport van [naam 10] niet vermeld dat hij eerder met de concept-bevindingen van [naam 10] had ingestemd. Appellant is van mening dat de accountantskamer in de bestreden uitspraak het belang miskent van deze – in de woorden van appellant – “verklaring” van betrokkene als voormalig huisaccountant voor het oordeel van de rechtbank Midden-Nederland in de uitspraak van (eveneens) 13 januari 2016. In dat vonnis kwam de rechtbank met een analyse waaruit volgt dat zij het rapport van [naam 10] niet als basis voor haar beslissing kon hanteren, maar het vorenstaande was niet bij de rechtbank bekend. Volgens appellant werd ook ter zitting door de rechtbank evident gewicht toegekend aan het oordeel en een schriftelijke verklaring van betrokkene. Dat betrokkene op dat moment een zware tuchtrechtelijke maatregel boven het hoofd hing bleef daarbij buiten beeld. De zitting van de accountantskamer op 3 oktober 2014 had voor betrokkene aanleiding moeten zijn de werkelijke gang van zaken rond de overname van [naam 4] in 2010 te beschrijven, maar desgevraagd weigerde hij dit. Het spreekt volgens appellant voor zich dat de rechtbank dan tot een ander oordeel zou zijn gekomen. De uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland is vervolgens door [naam 7] en [naam 9] gebruikt om op 17 maart 2016 (wederom) het faillissement van [naam 8] aan te vragen.
Dictum
Het College verklaart het hoger beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Smorenburg, mr. H.S.J. Albers en mr. J.L. Verbeek, in aanwezigheid van mr. C.G.M. van Ede, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 15 mei 2018.
w.g. M.M. Smorenburg w.g. C.G.M. van Ede
Inleiding
uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 17/420
20150
Uitspraak van de meervoudige kamer van 15 mei 2018 op het hoger beroep van:
[naam 1] , te [plaats] , appellant
(gemachtigde: mr. A.J. van Soelen),
tegen de uitspraak van de accountantskamer van 3 maart 2017, gegeven op een klacht, door appellant ingediend tegen
[naam 2] (betrokkene).
Procesverloop
Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de accountantskamer van 3 maart 2017, met nummer 16/1239 Wtra AK (ECLI:NL:TACAKN:2017:16).
Betrokkene heeft geen gebruik gemaakt van de gelegenheid om een schriftelijke reactie op het hogerberoepschrift te geven.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 januari 2018.
Appellant is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Betrokkene is verschenen.
Geschil
1.1
Voor een uitgebreide weergave van het verloop van de procedure en de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden, voor zover niet bestreden, wordt verwezen naar de inhoud van de bestreden uitspraak van de accountantskamer, die als hier ingelast wordt beschouwd. Het College volstaat met het volgende.
1.2
Betrokkene was als accountant (en bestuurder) verbonden aan het kantoor [naam 3] te Amsterdam. Betrokkene was van 2006 tot en met 2012 accountant van [naam 4] B.V., [naam 5] B.V. en [naam 6] B.V. ( [naam 6] ). Tevens was betrokkene vanaf de oprichting tot en met 2012 de accountant van [naam 4] Group.
Uitspraak van de accountantskamer
2.1
De klacht, zoals weergegeven in de uitspraak van de accountantskamer, welke weergave door partijen niet wordt bestreden, houdt de volgende verwijten in, voor zover voor het hoger beroep relevant:
(…)
betrokkene heeft de uitvoering van het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 12 november 2014 (ECLI:NL:RBAMS:2014:7405) (niet gepubliceerd) geobstrueerd;
betrokkene heeft na de mondelinge behandeling van de eerdere klacht met zaaknummer 14/318 Wtra AK (ECLI:NL:TACAKN:2015:31) door de accountantskamer op 13 oktober 2014 in een e-mail een verklaring gestuurd aan [naam 7] waarvan betrokkene wist dat die onjuistheden bevatte en dat deze bestemd was om ingebracht te worden in een gerechtelijke procedure, en zonder daarin te vermelden dat hij niet onafhankelijk stond ten opzichte van [naam 7] .
2.2
Bij de bestreden uitspraak heeft de accountantskamer klachtonderdeel a gegrond verklaard, klachtonderdeel b gedeeltelijk niet-ontvankelijk en gedeeltelijk ongegrond verklaard en klachtonderdeel c gedeeltelijk gegrond verklaard. De accountantskamer heeft aan betrokkene de maatregel opgelegd van doorhaling van de inschrijving van de accountant in de registers als bedoeld in artikel 2, aanhef en onder e, van de Wet tuchtrechtspraak accountants (Wtra) onder de bepaling van de termijn waarbinnen hij niet opnieuw kan worden ingeschreven op zes maanden.
Overwegingen
Klachtonderdeel b
3.1
Ten aanzien van klachtonderdeel b heeft de accountantskamer – in de overwegingen 4.9.1 en 4.9.2 van de bestreden uitspraak – geoordeeld dat het ne bis in idem beginsel aan behandeling van dit klachtonderdeel in de weg staat. Volgens de accountantskamer blijkt uit de overwegingen 7.2 en 7.3 van de uitspraak van het College van 23 augustus 2016 (in de procedure met zaaknummers 15/241 en 15/255; ECLI:NL:CBB:2016:271), dat het College ten aanzien van het in onderdeel IV van de klacht van 5 februari 2014 gemaakte verwijt dat betrokkene een dossier niet heeft overgedragen, op basis van in essentie dezelfde feiten als die welke door appellant en betrokkene in de onderhavige zaak naar voren zijn gebracht heeft geoordeeld dat uit de hele gang van zaken blijkt dat betrokkene aan de vaststellingsovereenkomst van 14 mei 2013 (en de nadien gewezen vonnissen), op zijn zachtst gezegd, onvoldoende uitvoering heeft gegeven, dat de manier waarop betrokkene zich in deze kwestie heeft gedragen schadelijk is voor de goede naam van het accountantsberoep en dat hem derhalve het verwijt treft het fundamentele beginsel ‘professioneel gedrag’ zoals bedoeld in de (destijds geldende) Verordening Gedragscode RA’s (VGC) te hebben geschonden.
3.2
Appellant stelt dat de accountantskamer bij de beslissing om klachtonderdeel b niet-ontvankelijk te verklaren heeft miskend dat betrokkene – ook nadat het onderzoek ter zitting van het College op 8 maart 2016 is gesloten en zelfs na de uitspraak van het College van 23 augustus 2016 – niet aan het vonnis van 12 november 2014 heeft voldaan, terwijl de gang van zaken tijdens die zitting en in ieder geval de uitspraak van het College hem ertoe had moeten brengen alsnog uit eigen beweging en met bekwame spoed het vonnis na te komen. Betrokkene bleef echter volharden in zijn houding van obstructie en nalatigheid, wat volgens appellant in termen van het ne bis in idem beginsel als een nieuw feit kwalificeert. De kern van klachtonderdeel b is niet dat betrokkene het verwijt treft dat hij in de periode voorafgaand aan de eerste reeks van klachten de nakoming van bedoeld vonnis obstrueerde, maar dat hij dit wederom is blijven doen nadat het College hem daarover in niet mis te verstane bewoordingen op de vingers had getikt.
3.3
Het College overweegt dat de accountantskamer terecht heeft gewezen op hetgeen het College in de overwegingen 7.2 en 7.3 van de uitspraak van 23 augustus 2016 heeft overwogen. Daaruit blijkt onmiskenbaar dat het College bij de beoordeling of betrokkene als het gaat om de overdracht van stukken het verwijt treft het fundamentele beginsel van professioneel gedrag te hebben geschonden, het handelen of nalaten van betrokkene in de periode tot aan de uitspraak van 23 augustus 2016 in ogenschouw heeft genomen. Het College is met de accountantskamer van oordeel dat voor zover daarin de obstructie door betrokkene na het vonnis van 12 november 2014 aan de orde is gesteld, het ne bis in idem beginsel aan behandeling van klachtonderdeel b in de weg staat. Voor zover appellant met het in hoger beroep gestelde bedoelt dat betrokkene moet worden aangerekend dat de schending van het fundamentele beginsel van professioneel gedrag na de uitspraak van 23 augustus 2016 heeft voortgeduurd, overweegt het College dat betrokkene daarvan geen tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt, aangezien hij als gevolg van de hem bij die uitspraak opgelegde maatregel sindsdien gedurende ten minste achttien maanden niet (langer) in de registers is ingeschreven.
4.1
Voorts heeft de accountantskamer klachtonderdeel b, voor zover ontvankelijk, ongegrond verklaard, omdat appellant het verwijt dat betrokkene de nakoming van het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 13 januari 2016 tot betaling van om en nabij € 200.000 aan beslag- en proceskosten bewust heeft vertraagd, onvoldoende heeft onderbouwd.
4.2
Appellant stelt dat betrokkene tot op de dag van vandaag weigert te betalen. Volgens appellant voert betrokkene ten onrechte aan dat het aan [naam 8] ; een vennootschap van appellant) toekomende deel ad € 40.000 van de met de curatoren van [naam 4] Group getroffen betalingsregeling niet kan worden voldaan, omdat het valt onder een door [naam 9] B.V. ( [naam 9] ; een vennootschap van [naam 7] ) (althans [naam 7] ) onder hem en [naam 3] ten laste van [naam 8] gelegd derdenbeslag.
4.3
Het College constateert dat appellant er ook in hoger beroep niet in is geslaagd aannemelijk te maken dat betrokkene het tuchtrechtelijke verwijt treft dat hij het beroep van accountant in diskrediet brengt, doordat hij het ten uitvoer brengen van het vonnis van 13 januari 2016 bewust traineert. Het College acht aannemelijk dat een ten laste van [naam 8] / appellant onder [naam 3] en betrokkene gelegd derdenbeslag eraan in de weg staat dit vonnis volledig na te komen. Overigens betekent de aard van het beslag dat appellant hiervan moet hebben geweten. Van obstructie is naar het oordeel van het College geen sprake.
Klachtonderdeel c
5.1
De accountantskamer heeft klachtonderdeel c in zoverre gegrond verklaard dat betrokkene het verwijt treft dat hij het fundamentele beginsel van integriteit heeft geschonden door [naam 7] er in zijn e-mailbericht van 13 oktober 2014 niet op te wijzen dat de inbrengverklaring, die betrokkene handhaafde en van de juistheid waarvan hij in zijn bericht uitging, op dat moment (in de eerdere klachtzaak met nummer 14/318 Wtra AK) voorwerp van discussie was. Voor het overige heeft de accountantskamer klachtonderdeel c – in overweging 4.12 van de bestreden uitspraak – ongegrond verklaard.
5.2
Appellant vindt dat betrokkene, zeker na de zitting van de accountantskamer op 3 oktober 2014, zonder meer had moeten nalaten nog enige waarde aan de door hem afgegeven inbrengverklaring te hechten, ook omdat hij wist dat zijn e-mailbericht meteen in een civiele procedure zou worden ingebracht. Appellant stelt dat betrokkene bovendien heeft verzwegen dat hij ook accountant was van [naam 9] (en daar een andere waarde hanteerde) en dat hij feiten naar voren heeft gebracht die hij niet zelf heeft kunnen vaststellen en die onjuist zijn. Ook heeft betrokkene bij zijn kritiek op het rapport van [naam 10] niet vermeld dat hij eerder met de concept-bevindingen van [naam 10] had ingestemd. Appellant is van mening dat de accountantskamer in de bestreden uitspraak het belang miskent van deze – in de woorden van appellant – “verklaring” van betrokkene als voormalig huisaccountant voor het oordeel van de rechtbank Midden-Nederland in de uitspraak van (eveneens) 13 januari 2016. In dat vonnis kwam de rechtbank met een analyse waaruit volgt dat zij het rapport van [naam 10] niet als basis voor haar beslissing kon hanteren, maar het vorenstaande was niet bij de rechtbank bekend. Volgens appellant werd ook ter zitting door de rechtbank evident gewicht toegekend aan het oordeel en een schriftelijke verklaring van betrokkene. Dat betrokkene op dat moment een zware tuchtrechtelijke maatregel boven het hoofd hing bleef daarbij buiten beeld. De zitting van de accountantskamer op 3 oktober 2014 had voor betrokkene aanleiding moeten zijn de werkelijke gang van zaken rond de overname van [naam 4] in 2010 te beschrijven, maar desgevraagd weigerde hij dit. Het spreekt volgens appellant voor zich dat de rechtbank dan tot een ander oordeel zou zijn gekomen. De uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland is vervolgens door [naam 7] en [naam 9] gebruikt om op 17 maart 2016 (wederom) het faillissement van [naam 8] aan te vragen.
Dictum
Het College verklaart het hoger beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Smorenburg, mr. H.S.J. Albers en mr. J.L. Verbeek, in aanwezigheid van mr. C.G.M. van Ede, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 15 mei 2018.
w.g. M.M. Smorenburg w.g. C.G.M. van Ede