Rechtspraak
College van Beroep voor het bedrijfsleven
2018-05-22
ECLI:NL:CBB:2018:199
Bestuursrecht
Eerste aanleg - meervoudig
4,786 tokens
Inleiding
uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 16/789
32100
uitspraak van de meervoudige kamer van 22 mei 2018 in de zaak tussen
[appellante] B.V. te [woonplaats] , appellante
(gemachtigden: mr. M.R. Plug en mr. M. Buitelaar)
en
de staatssecretaris van Economische Zaken, verweerder
(gemachtigden: mr. drs. K.K.E. Blom en dr. ir. D.J. van der Gaag).
Procesverloop
Bij besluit van 29 februari 2016 (primair besluit) heeft verweerder het verzoek van appellante om een tegemoetkoming als bedoeld in artikel 4 van de Plantenziektewet (Pzw) afgewezen.
Bij besluit van 28 juli 2016 heeft verweerder het bezwaar van appellante tegen het primaire besluit afgewezen.
Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 augustus 2017, gevoegd met de zaken 16/621, 16/957, 16/958 en 16/1033. De gemachtigden van partijen zijn verschenen. Voor het doen van uitspraak zijn de zaken weer gesplitst.
Overwegingen
1. Het College gaat uit van de navolgende, in dit geding van belang zijnde, feiten en omstandigheden.
1.1.
Appellante kweekte ten tijde hier van belang rozen. In de zomer van 2015 is in haar planten een besmetting met de bacterie Ralstonia Solanacearum (RS) vastgesteld.
1.2.
Bij besluit van 26 oktober 2015 heeft verweerder appellante, om verspreiding van dit organisme te voorkomen, onder verwijzing naar het bepaalde in de artikelen 3, 4, 5 en 6 van het Besluit bestrijding schadelijke organismen, maatregelen aangezegd. Daarbij heeft verweerder, onder meer en voor zo ver thans van belang, de partij planten Rosa Red Naomi als besmet aangemerkt en appellante geboden deze partij te vernietigen en de planten van het ras Penny Lane als “waarschijnlijk besmet” bestempeld en appellante aangezegd dat deze planten niet als voortkwekingsmateriaal mogen worden gebruikt.
1.3
Appellante heeft tegen het besluit van 26 oktober 2015 geen bezwaar gemaakt.
1.4.
Appellante heeft verweerder op 19 januari 2016 verzocht om haar met toepassing van artikel 4 van de Pzw een tegemoetkoming te verstrekken in de door haar, beweerdelijk, als gevolg van het besluit van 26 oktober 2015, geleden schade, tot een bedrag van in totaal € 4.606.067. De gestelde schade is in het door appellante in het geding gebrachte taxatierapport van 21 oktober – 14 december 2015 uitgesplitst over de schadeposten: gebruik plantversterkers en gewasbeschermingsmiddelen, onderzoekkosten, schoonmaakkosten, afvoerkosten, opbouwkosten, netto productiederving Red Naomi, netto opbrengstderving Penny Lane, extra arbeid, netto opbrengstderving over 2016 voor Red en Penny Lane; na aftrek van de becijferde besparingen resteert het hiervoor genoemde schadebedrag.
1.5
Bij het primaire besluit heeft verweerder het verzoek van appellante afgewezen.
2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van appellante ongegrond verklaard. Daartoe heeft verweerder, zoals nader toegelicht in het verweerschrift en ter zitting, overwogen dat de door appellante geleden schade is veroorzaakt door de aanwezigheid van RS en niet door de door verweerder opgelegde maatregelen, zodat een causaal verband tussen de maatregelen en de gestelde schade ontbreekt. Daar komt bij dat voor zover appellante al, voorafgaand aan het besluit van 26 oktober 2015, zelf is overgegaan tot het afvoeren en doen vernietigen van planten, waaronder de planten van het ras Penny Lane, ook in dat opzicht niet kan worden gezegd dat de daarmee samenhangende schade het gevolg is van de door verweerder opgelegde maatregel. Voorts heeft verweerder erop gewezen dat RS een bacteriesoort is met een grote diversiteit die zeer veel plantensoorten kan aantasten. De bacterie kwam voorafgaand aan de infectie van rozen al wereldwijd voor in aardappel, aubergine, banaan, geranium, tabak, olijf, paprika, sojabonen en gember. RS is daarom ook opgenomen in rubriek II van deel A van bijlage I van Richtlijn 2000/29/EG (Fytorichtlijn) als één van de schadelijke organismen waarvan bekend is dat zij in de Unie kunnen voorkomen en die risico’s opleveren voor de gehele Unie. Er wordt daarbij geen onderscheid gemaakt naar waardplanten. Het gaat derhalve, aldus verweerder, om een organisme dat reeds geruime tijd schadelijk wordt geacht voor in beginsel alle planten, dus ook voor rozen. Verweerder acht het risico op besmetting met RS, ook op rozen, voor de gehele glastuinbouwsector dan ook niet dermate ondenkbaar dat het intreden van dat risico niet tot het normale ondernemersrisico zou behoren. Los van de bij de rozen van appellante geconstateerde symptomen, is het bekend dat RS zichtbare aantasting in rozen veroorzaakt. Deze omstandigheden maken tevens, aldus verweerder, dat het onderhavige geval niet vergelijkbaar is met het geval van de kuipplantentelers in de zaken die onder meer hebben geleid tot de uitspraak van het College van 30 september 2009 (ECLI:NL:CBB:2009:B J9549). Bovendien zijn in het geval van de kuipplanten – waar de symptomen niet zichtbaar waren – de partijen ook uit de markt gehaald ter voorkoming van verspreiding naar andere waardplanten waar het desbetreffende organisme wel tot symptomen en zichtbare schade leidt.
3.1.
Appellante heeft in beroep aangevoerd dat zij geen rekening heeft hoeven houden met de mogelijkheid dat haar rozen met RS zouden worden besmet. Haar kan dan ook niet worden tegengeworpen dat zij geen preventieve maatregelen heeft genomen om besmetting te voorkomen. Volgens appellante is in haar geval sprake van een met de kuipplantentelerszaken vergelijkbaar geval. Het standpunt van verweerder dat sprake is van een normaal ondernemersrisico is daarom onjuist.
3.2.
Appellante heeft tevens betoogd dat de afwijzing van haar verzoek om een tegemoetkoming in de schade op gespannen voet staat met het verbod van vooringenomenheid. Zij heeft in dit verband gewezen op het volgende antwoord van verweerder van 17 december 2015 op vragen ter zake uit de Tweede Kamer:
“Bij hoge uitzondering kan schade worden vergoed op basis van artikel 4 van de Plantenziektenwet, die mij de bevoegdheid geeft om een tegemoetkoming van overheidswege te verlenen voor schade die het gevolg is van het toepassen van maatregelen ter voorkoming, verbreiding of bestrijding van schadelijke organismen (bestrijdingsmaatregelen), als deze schade onevenredig zwaar op één of meer personen zou drukken. In onderhavig geval is hier geen sprake van.”
Appellante heeft hieraan de conclusie verbonden dat verweerder met dit antwoord zijn standpunt heeft bepaald waardoor de motivering van het bestreden besluit niet anders kan worden gekwalificeerd dan als een doelredenering.
4. Het College overweegt als volgt.
4.1
Op grond van artikel 4 van de Pzw is de minister bevoegd in gevallen waarin de schade, welke het gevolg is van het toepassen van krachtens artikel 3 van de Pzw gegeven voorschriften, onevenredig zwaar op een of meer personen zou drukken, uit ’s Rijks schatkist een tegemoetkoming te verlenen in de geleden schade.
4.2
In dit geding staat centraal de beantwoording van de vraag of verweerder bij het bestreden besluit zijn weigering aan appellante een tegemoetkoming als bedoeld in
artikel 4 van de Pzw te verstrekken in redelijkheid heeft kunnen handhaven. Het College overweegt ter zake als volgt.
4.3
Uit vaste jurisprudentie van het College, bijvoorbeeld de uitspraak van 16 april 2009, ECLI:NL:CBB:2009:BI1931, volgt dat uit de geschiedenis van de totstandkoming van
artikel 4 van de Pzw blijkt dat met de introductie van dit artikel niet is beoogd een algemene schadevergoedingsplicht voor verweerder in het leven te roepen. Bovendien volgt uit deze jurisprudentie dat in de wetsgeschiedenis onvoldoende aanknopingspunten zijn te vinden om te komen tot het oordeel dat de wetgever met dit artikel ook een aanspraak op een tegemoetkoming heeft willen creëren voor degene die wordt geconfronteerd met schade die is terug te voeren op omstandigheden die tot zijn normale bedrijfsrisico behoren.
4.4
Eveneens volgens vaste jurisprudentie van het College (zie bijvoorbeeld de uitspraken van 24 juli 2013, ECLI:NL:CBB:2013:84 en van, onlangs, 15 maart 2018, ECLI:NL:CBB:2018:60) behoort het in beginsel tot het normale bedrijfsrisico van een professionele teler als appellante dat het bedrijf schade kan lijden door maatregelen ter bestrijding van een plantenziekte, ook als dit niet op voorhand te verwachten valt. De door appellante aangevoerde omstandigheden vormen geen aanleiding om van dit uitgangspunt af te wijken.
Dictum
Het College verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.R. Winter, mr. H.O. Kerkmeester en mr. J.A. Hagen, in aanwezigheid van mr. J.W.E. Pinckaers, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 mei 2018.
w.g. R.R. Winter w.g. J.W.E. Pinckaers
Inleiding
uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 16/789
32100
uitspraak van de meervoudige kamer van 22 mei 2018 in de zaak tussen
[appellante] B.V. te [woonplaats] , appellante
(gemachtigden: mr. M.R. Plug en mr. M. Buitelaar)
en
de staatssecretaris van Economische Zaken, verweerder
(gemachtigden: mr. drs. K.K.E. Blom en dr. ir. D.J. van der Gaag).
Procesverloop
Bij besluit van 29 februari 2016 (primair besluit) heeft verweerder het verzoek van appellante om een tegemoetkoming als bedoeld in artikel 4 van de Plantenziektewet (Pzw) afgewezen.
Bij besluit van 28 juli 2016 heeft verweerder het bezwaar van appellante tegen het primaire besluit afgewezen.
Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 augustus 2017, gevoegd met de zaken 16/621, 16/957, 16/958 en 16/1033. De gemachtigden van partijen zijn verschenen. Voor het doen van uitspraak zijn de zaken weer gesplitst.
Overwegingen
1. Het College gaat uit van de navolgende, in dit geding van belang zijnde, feiten en omstandigheden.
1.1.
Appellante kweekte ten tijde hier van belang rozen. In de zomer van 2015 is in haar planten een besmetting met de bacterie Ralstonia Solanacearum (RS) vastgesteld.
1.2.
Bij besluit van 26 oktober 2015 heeft verweerder appellante, om verspreiding van dit organisme te voorkomen, onder verwijzing naar het bepaalde in de artikelen 3, 4, 5 en 6 van het Besluit bestrijding schadelijke organismen, maatregelen aangezegd. Daarbij heeft verweerder, onder meer en voor zo ver thans van belang, de partij planten Rosa Red Naomi als besmet aangemerkt en appellante geboden deze partij te vernietigen en de planten van het ras Penny Lane als “waarschijnlijk besmet” bestempeld en appellante aangezegd dat deze planten niet als voortkwekingsmateriaal mogen worden gebruikt.
1.3
Appellante heeft tegen het besluit van 26 oktober 2015 geen bezwaar gemaakt.
1.4.
Appellante heeft verweerder op 19 januari 2016 verzocht om haar met toepassing van artikel 4 van de Pzw een tegemoetkoming te verstrekken in de door haar, beweerdelijk, als gevolg van het besluit van 26 oktober 2015, geleden schade, tot een bedrag van in totaal € 4.606.067. De gestelde schade is in het door appellante in het geding gebrachte taxatierapport van 21 oktober – 14 december 2015 uitgesplitst over de schadeposten: gebruik plantversterkers en gewasbeschermingsmiddelen, onderzoekkosten, schoonmaakkosten, afvoerkosten, opbouwkosten, netto productiederving Red Naomi, netto opbrengstderving Penny Lane, extra arbeid, netto opbrengstderving over 2016 voor Red en Penny Lane; na aftrek van de becijferde besparingen resteert het hiervoor genoemde schadebedrag.
1.5
Bij het primaire besluit heeft verweerder het verzoek van appellante afgewezen.
2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van appellante ongegrond verklaard. Daartoe heeft verweerder, zoals nader toegelicht in het verweerschrift en ter zitting, overwogen dat de door appellante geleden schade is veroorzaakt door de aanwezigheid van RS en niet door de door verweerder opgelegde maatregelen, zodat een causaal verband tussen de maatregelen en de gestelde schade ontbreekt. Daar komt bij dat voor zover appellante al, voorafgaand aan het besluit van 26 oktober 2015, zelf is overgegaan tot het afvoeren en doen vernietigen van planten, waaronder de planten van het ras Penny Lane, ook in dat opzicht niet kan worden gezegd dat de daarmee samenhangende schade het gevolg is van de door verweerder opgelegde maatregel. Voorts heeft verweerder erop gewezen dat RS een bacteriesoort is met een grote diversiteit die zeer veel plantensoorten kan aantasten. De bacterie kwam voorafgaand aan de infectie van rozen al wereldwijd voor in aardappel, aubergine, banaan, geranium, tabak, olijf, paprika, sojabonen en gember. RS is daarom ook opgenomen in rubriek II van deel A van bijlage I van Richtlijn 2000/29/EG (Fytorichtlijn) als één van de schadelijke organismen waarvan bekend is dat zij in de Unie kunnen voorkomen en die risico’s opleveren voor de gehele Unie. Er wordt daarbij geen onderscheid gemaakt naar waardplanten. Het gaat derhalve, aldus verweerder, om een organisme dat reeds geruime tijd schadelijk wordt geacht voor in beginsel alle planten, dus ook voor rozen. Verweerder acht het risico op besmetting met RS, ook op rozen, voor de gehele glastuinbouwsector dan ook niet dermate ondenkbaar dat het intreden van dat risico niet tot het normale ondernemersrisico zou behoren. Los van de bij de rozen van appellante geconstateerde symptomen, is het bekend dat RS zichtbare aantasting in rozen veroorzaakt. Deze omstandigheden maken tevens, aldus verweerder, dat het onderhavige geval niet vergelijkbaar is met het geval van de kuipplantentelers in de zaken die onder meer hebben geleid tot de uitspraak van het College van 30 september 2009 (ECLI:NL:CBB:2009:B J9549). Bovendien zijn in het geval van de kuipplanten – waar de symptomen niet zichtbaar waren – de partijen ook uit de markt gehaald ter voorkoming van verspreiding naar andere waardplanten waar het desbetreffende organisme wel tot symptomen en zichtbare schade leidt.
3.1.
Appellante heeft in beroep aangevoerd dat zij geen rekening heeft hoeven houden met de mogelijkheid dat haar rozen met RS zouden worden besmet. Haar kan dan ook niet worden tegengeworpen dat zij geen preventieve maatregelen heeft genomen om besmetting te voorkomen. Volgens appellante is in haar geval sprake van een met de kuipplantentelerszaken vergelijkbaar geval. Het standpunt van verweerder dat sprake is van een normaal ondernemersrisico is daarom onjuist.
3.2.
Appellante heeft tevens betoogd dat de afwijzing van haar verzoek om een tegemoetkoming in de schade op gespannen voet staat met het verbod van vooringenomenheid. Zij heeft in dit verband gewezen op het volgende antwoord van verweerder van 17 december 2015 op vragen ter zake uit de Tweede Kamer:
“Bij hoge uitzondering kan schade worden vergoed op basis van artikel 4 van de Plantenziektenwet, die mij de bevoegdheid geeft om een tegemoetkoming van overheidswege te verlenen voor schade die het gevolg is van het toepassen van maatregelen ter voorkoming, verbreiding of bestrijding van schadelijke organismen (bestrijdingsmaatregelen), als deze schade onevenredig zwaar op één of meer personen zou drukken. In onderhavig geval is hier geen sprake van.”
Appellante heeft hieraan de conclusie verbonden dat verweerder met dit antwoord zijn standpunt heeft bepaald waardoor de motivering van het bestreden besluit niet anders kan worden gekwalificeerd dan als een doelredenering.
4. Het College overweegt als volgt.
4.1
Op grond van artikel 4 van de Pzw is de minister bevoegd in gevallen waarin de schade, welke het gevolg is van het toepassen van krachtens artikel 3 van de Pzw gegeven voorschriften, onevenredig zwaar op een of meer personen zou drukken, uit ’s Rijks schatkist een tegemoetkoming te verlenen in de geleden schade.
4.2
In dit geding staat centraal de beantwoording van de vraag of verweerder bij het bestreden besluit zijn weigering aan appellante een tegemoetkoming als bedoeld in
artikel 4 van de Pzw te verstrekken in redelijkheid heeft kunnen handhaven. Het College overweegt ter zake als volgt.
4.3
Uit vaste jurisprudentie van het College, bijvoorbeeld de uitspraak van 16 april 2009, ECLI:NL:CBB:2009:BI1931, volgt dat uit de geschiedenis van de totstandkoming van
artikel 4 van de Pzw blijkt dat met de introductie van dit artikel niet is beoogd een algemene schadevergoedingsplicht voor verweerder in het leven te roepen. Bovendien volgt uit deze jurisprudentie dat in de wetsgeschiedenis onvoldoende aanknopingspunten zijn te vinden om te komen tot het oordeel dat de wetgever met dit artikel ook een aanspraak op een tegemoetkoming heeft willen creëren voor degene die wordt geconfronteerd met schade die is terug te voeren op omstandigheden die tot zijn normale bedrijfsrisico behoren.
4.4
Eveneens volgens vaste jurisprudentie van het College (zie bijvoorbeeld de uitspraken van 24 juli 2013, ECLI:NL:CBB:2013:84 en van, onlangs, 15 maart 2018, ECLI:NL:CBB:2018:60) behoort het in beginsel tot het normale bedrijfsrisico van een professionele teler als appellante dat het bedrijf schade kan lijden door maatregelen ter bestrijding van een plantenziekte, ook als dit niet op voorhand te verwachten valt. De door appellante aangevoerde omstandigheden vormen geen aanleiding om van dit uitgangspunt af te wijken.
Dictum
Het College verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.R. Winter, mr. H.O. Kerkmeester en mr. J.A. Hagen, in aanwezigheid van mr. J.W.E. Pinckaers, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 mei 2018.
w.g. R.R. Winter w.g. J.W.E. Pinckaers