Rechtspraak College van Beroep voor het bedrijfsleven 2017-11-27
ECLI:NL:CBB:2017:459
uitspraak COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN zaaknummer: 16/683 16005 uitspraak van de meervoudige kamer van 27 november 2017 op het hoger beroep van: [naam] , te [plaats] , appellant tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 24 juni 2016, kenmerk LEE 15/4572, in het geding tussen appellant en de staatssecretaris van Economische Zaken (de staatssecretaris) (gemachtigden: mr. A.H. Spriensma-Heringa en mr. J.H. Eleveld). Procesverloop in hoger beroep Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 24 juni 2016 (aangevallen uitspraak). De staatssecretaris heeft een reactie op het hogerberoepschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 maart 2017. Appellant is verschenen. De staatssecretaris heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden. Grondslag van het geschil 1. Het geschil betreft een boete van € 300,- die de staatssecretaris aan appellant heeft opgelegd. Reden daarvoor is dat appellant (zoals blijkt uit een Rapport fysieke controles van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit van 4 september 2014) het Overzicht gewaspercelen bij de Gecombineerde opgave 2014 niet naar waarheid heeft aangeleverd. Dit vormt een overtreding van artikel 124 van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet, in samenhang gelezen met artikel 26, eerste en tweede lid, van het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet en artikel 34, aanhef en onder c, van de Meststoffenwet (Msw). Ter zake van deze overtreding kan de staatssecretaris een bestuurlijke boete opleggen op grond van artikel 51 van de Msw. Aan appellant is vanwege de onjuiste opgave van gewaspercelen een korting op de bedrijfstoeslag 2014 opgelegd op basis van tweemaal de afgekeurde oppervlakte die meetelt in de sanctieberekening. 2. De rechtbank heeft het beroep van appellant in de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard. Anders dan appellant bij de rechtbank had betoogd, oordeelde de rechtbank dat geen sprake was van een dubbele bestraffing van dezelfde overtreding. 3. Niet is in geschil dat appellant de overtreding heeft begaan. In hoger beroep is tussen partijen wel in geschil of de staatssecretaris had moeten afzien van het opleggen van een boete. Daartoe heeft appellant aangevoerd dat sprake is van dubbele bestraffing, nu hij niet alleen is beboet, maar ook een korting opgelegd heeft gekregen op de bedrijfstoeslag 2014. Oorzaak van zowel boete als de korting is 'hetzelfde feit', namelijk het niet juist aangeven van de percelen landbouwgrond die appellant in 2014 in gebruik had, aldus appellant. Beoordeling van het geschil in hoger beroep 4. Het College stelt het volgende voorop. 5. Bij besluit van 20 november 2014 heeft de staatssecretaris appellant een korting van 1% opgelegd op alle subsidies van het Gemeenschappelijk landbouwbeleid die appellant in 2014 heeft aangevraagd. In bezwaar – bij besluit van 27 mei 2015 – heeft de staatssecretaris het besluit echter herroepen, zodat de korting is vervallen. De uitspraak van het College van 17 november 2016 (zaaknummer 15/423, ECLI:NL:CBB:2016:362) op het beroep van appellant tegen het besluit van 27 mei 2015 heeft daarin geen wijziging gebracht. Nu het besluit van 20 november 2014 is herroepen, geeft dit besluit al daarom geen dubbele bestraffing met het boetebesluit dat nu aan de orde is. 6. Bij besluit van 30 april 2015 tot vaststelling van de bedrijfstoeslag 2014 heeft de staatssecretaris deze bedrijfstoeslag vastgesteld op € 0,-. Bij beslissing op bezwaar van 11 november 2015 is dit besluit gedeeltelijk herroepen. De staatssecretaris heeft de bedrijfstoeslag vastgesteld op € 3.418,12. Daarbij heeft de staatssecretaris de afgekeurde oppervlakte van steun uitgesloten en daarnaast, vanwege de onjuiste opgave van gewaspercelen, tweemaal de ten onrechte opgegeven oppervlakte van steun uitgesloten. Een en ander heeft geresulteerd in een vermindering van de over 2014 toegekende bedrijfstoeslag van in totaal € 1.548,27. Appellant heeft geen beroep i