Rechtspraak College van Beroep voor het bedrijfsleven 2017-11-16
ECLI:NL:CBB:2017:372
uitspraak COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN zaaknummer: 16/654 11350 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 november 2017 in de zaak tussen [naam 1] , te [plaats] , appellant (gemachtigde: mr. G. Martin), en de staatssecretaris van Economische Zaken, verweerder (gemachtigde: mr. W.C.M. Niekus). Procesverloop Bij besluit van 5 augustus 2014 (het primaire besluit) heeft verweerder aan appellant een last onder dwangsom opgelegd wegens overtreding van de Wet dieren. Bij besluit van 22 september 2015 (het kostenbesluit) heeft verweerder de kosten van de toepassing van bestuursdwang voor een bedrag van € 1.261,48 bij appellant in rekening gebracht. Bij besluit van 9 juni 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellant tegen het primaire besluit niet-ontvankelijk verklaard en het bezwaar tegen het kostenbesluit gedeeltelijk gegrond verklaard en het bedrag van de kosten van bestuursdwang gematigd naar € 1.036,48. Appellant heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 augustus 2017. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden. Overwegingen 1.1 Het College gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden. 1.2 Op 5 augustus 2014 hebben twee agenten van de politie Noord-Holland, naar aanleiding van een melding betreffende stankoverlast, een controle uitgevoerd in de woning van appellant. De bevindingen van deze controle zijn neergelegd in het door een toezichthouder van de Landelijke Inspectiedienst Dierenbescherming opgesteld toezichtrapport van 5 augustus 2015 met kenmerk [… 1] 10:00 uur/RT. Daarin is vermeld dat de politieagenten appellant en twee katten hebben aangetroffen in een sterk vervuilde woning, dat zij appellant hebben meegenomen naar het politiebureau en vervolgens de crisisdienst van de GGZ ter plaatse hebben laten komen. De agenten hebben de dierenpolitie verzocht om onderdak te verzorgen voor de twee katten die zich in de woning bevonden. In het toezichtrapport is geconcludeerd dat appellant artikel 2.2, achtste lid, van de Wet dieren heeft overtreden. 1.3 Bij het primaire besluit heeft verweerder aan appellant een last onder bestuursdwang opgelegd wegens overtreding van de Wet dieren. Volgens verweerder wordt de gezondheid en het welzijn van de katten aangetast door de tijdelijke afwezigheid van appellant, die voor onbepaalde tijd is opgenomen in een gezondheidsinstelling. Appellant dient de volgende maatregel te nemen binnen 1 uur na uitreiking van de last onder bestuursdwang: “zorg dat de dieren worden verzorgd door een voldoende aantal personen met de nodige kennis, vaardigheden en vakbekwaamheid gedurende uw afwezigheid”. 1.4 Ten aanzien van het uitreiken van het besluit vermeldt het toezichtrapport van 5 augustus 2014 het volgende: “Op 5 augustus 2014 om 08:39 uur stuurde [naam 2] het besluit voorzien van nummer [… 2] per email aan [naam 3] met cc aan de Binneninspectie van de Landelijke Inspectiedienst Dierenbescherming (LID). [naam 3] heeft vervolgens het besluit uitgeprint en op dezelfde dag om 09:00 uur uitgereikt aan een begeleider van [naam 1] , tevens medewerker van de betreffende GGZ instelling, waarvan de naam bij mij, rapporteur, bekend is. Vervolgens is er contact geweest tussen [naam 3] en Binneninspecteur van de LID [naam 4] en heeft [naam 3] de stukken (zijnde twee mutatierapporten van politie en enkele foto’s van de vervuilde woning) opgestuurd naar de Binneninspectie. In bewaringneming Op 5 augustus 2014 omstreeks 09:50 werd ik, rapporteur, gebeld door [naam 3] . Zij gaf aan dat zij was gebeld door de eerder genoemde begeleider van [naam 1] , welke had aangegeven dat zij wel hadden geprobeerd om naasten van [naam 1] te bereiken maar er niet in waren geslaagd om verzorging te regelen voor de katten van [naam 1] . (…)” 1.5 Op 5 augustus 2014 omstreeks 11:00 uur zijn de katten van appellant meegevoerd en opgeslagen. 1.6 Bij het kostenbeslu Appellant betoogt verder dat de gestelde begunstigingstermijn te kort was en dat verweerder appellant had moeten horen ter zake van het voornemen hem een last onder bestuursdwang op te leggen. Verweerder had volgens appellant moeten afzien van het verhaal van de kosten van de toepassing van bestuursdwang op appellant, gelet op de bijzondere omstandigheden waarin appellant verkeerde. Gezien de geestesgesteldheid van appellant kan de verwijtbare gedraging hem in redelijkheid niet worden toegerekend. Die omstandigheid was aan verweerder bekend en had reden moeten zijn om de last achterwege te laten. Voorts was het verweerder evenzeer duidelijk dat appellant in zware financiële problemen verkeerde en dat hij de kosten vermoedelijk niet zou kunnen dragen. 3.2 Verweerder voert gemotiveerd verweer. 4. De Awb luidt voor zover van belang als volgt: “Artikel 3:40 Een besluit treedt niet in werking voordat het is bekendgemaakt. Artikel 3:41 1. De bekendmaking van besluiten die tot een of meer belanghebbenden zijn gericht, geschiedt door toezending of uitreiking aan hen, onder wie begrepen de aanvrager. 2. Indien de bekendmaking van het besluit niet kan geschieden op de wijze als voorzien in het eerste lid, geschiedt zij op een andere geschikte wijze.” 5.1 Het College moet eerst de vraag beantwoorden of verweerder het bezwaar van appellant tegen het primaire besluit terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard, omdat het bezwaar niet tijdig is ingediend. Het College beantwoordt deze vraag ontkennend en overweegt daartoe als volgt. 5.2 Naar het oordeel van het College moet het ervoor worden gehouden dat het primaire besluit eerst door de toezending ervan aan de gemachtigde van appellant, mr. G. Martin, op 5 oktober 2016 op de in artikel 3:41, eerste lid, van de Awb voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. Dit betekent dat het door deze gemachtigde namens appellant bij brief van 16 oktober 2015 tegen dit besluit ingediende bezwaarschrift tijdig is ingediend. 5.3 Het College volgt verweerder niet in zijn stelling dat het primaire besluit reeds door de uitreiking ervan op 5 augustus 2014 aan een medewerker van de GGZ-instelling waar appellant toen was opgenomen, op de in artikel 3:41, eerste lid, van de Awb voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. Ingevolge deze bepaling moet de bekendmaking van besluiten die tot één of meer belanghebbenden zijn gericht, zoals het aan appellant gerichte primaire besluit, worden bekendgemaakt door uitreiking aan de belanghebbenden. Vast staat dat het primaire besluit niet is uitgereikt aan appellant zelf. Voorts is gesteld noch gebleken dat genoemde medewerker van de GGZ-instelling was aangewezen als gemachtigde van appellant. Dit betekent dat de uitreiking van het primaire besluit aan deze medewerker niet kan worden aangemerkt als een uitreiking in de zin van artikel 3:41, eerste lid, van de Awb. Met deze uitreiking is het primaire besluit dan ook niet in werking getreden en is de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift tegen dit besluit dus ook niet aangevangen. 5.4 Vast staat dat appellant bij beschikking van de kantonrechter van de rechtbank Haarlem van 7 december 2011 onder bewind is gesteld. Niet gebleken is dat verweerder het primaire besluit heeft gezonden aan de bewindvoerder van appellant. Naar het oordeel van het College is niet evident dat dit wel had moeten gebeuren omdat niet duidelijk is of het bewind ook ziet op de katten van appellant. Het College wijst hierbij nog op de handelwijze van de bewindvoerder die, nadat verweerder haar er telefonisch van op de hoogte had gesteld dat hij bij het primaire besluit een last onder bestuursdwang had opgelegd aan appellant, verweerder per e-mail niet heeft verzocht om de toezending van het primaire besluit maar alleen om informatie over de kosten van de opvang van de katten van appellant. 5.5 Gelet op het vorenstaande is het beroep voor zover gericht tegen het onderdeel van het bestreden besluit waarbij het bezwaar tegen het primaire besluit niet-ontvank