Rechtspraak College van Beroep voor het bedrijfsleven 2017-10-11
ECLI:NL:CBB:2017:358
uitspraak COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN zaaknummer: 16/584 13950 uitspraak van de meervoudige kamer van 11 oktober 2017 in de zaak tussen [Stichting] , te [plaats] , appellante (gemachtigden: [naam 1] en [naam 2] ), en de Nederlandse Zorgautoriteit, verweerster (gemachtigde: mr. L. Cats, K. Versteeg-Boden MSc. en J. Lamers MSc.). Procesverloop Bij besluit van 19 november 2015 (het primaire besluit) heeft verweerster het opbrengstverschil inzake de Correcties 2012 vastgesteld op een bedrag van € -381.047,-. Bij besluit van 11 mei 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerster het bezwaar van appellante deels niet-ontvankelijk en deels ongegrond verklaard. Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerster heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 juni 2017. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden. Overwegingen 1.1. Appellante is een instelling voor geestelijke gezondheidszorg (ggz) die alle soorten psychische hulp biedt, waaronder basis ggz en specialistische ggz, gezamenlijk ook de curatieve ggz genoemd. Met ingang van 2013 is binnen de curatieve ggz de prestatiebekostiging ingevoerd. Vanaf dat moment bekostigen zorgaanbieders de zorg volledig op basis van gedeclareerde diagnose-behandelcombinaties (dbc’s) en niet meer op basis van budgetparameters. De periode van 2008 tot en met 2012 vormde daarbij een overgangsperiode. In die periode werden zorgaanbieders nog bekostigd op basis van jaarlijks vastgestelde aanvaardbare kosten (het budget). Het budget werd berekend op basis van tussen de zorgaanbieder en de representerende zorgverzekeraars overeengekomen productieafspraken waarbij voor de dekking van dit budget de dbc-declaraties dienden. Aan het einde van het jaar werden de budgetafspraken en de gefactureerde dbc’s bij nacalculatie met elkaar vergeleken. Het verschil vormde de eenmalige opbrengstverrekening. Indien de zorgaanbieder minder inkomsten uit dbc’s behaalde dan het vastgestelde budget ontving de zorgaanbieder het resterende bedrag van de zorgverzekeraars en indien de zorgaanbieder meer inkomsten uit dbc’s ontving dan het vastgestelde budget moest de zorgaanbieder het meerdere aan de zorgverzekeraars terugbetalen. Na de opbrengstverrekening kon de door de zorgaanbieder bij de opbrengstverrekening opgevoerde dbc-omzet echter nog aanzienlijk wijzigen. Dit had tot gevolg dat de zorgaanbieder het door verweerster toegekende budget niet volledig gedekt kreeg of dat er een overdekking ontstond. Om die reden is voorzien in de mogelijkheid om correcties door te voeren op de dbc-omzet uit de budgettering die reeds in een eerdere opbrengstverrekening is verantwoord. De vastgestelde correcties kunnen positief of negatief zijn en zijn van belang voor de finale opbrengstverrekening. 1.2. Op 30 september 2015 heeft appellante met gebruik van het formulier ‘Opgave correcties GGZ Zvw 2008-2012’ bij verweerster opgave gedaan van de Correcties GGZ Zvw 2008-2012. Bij deze opgave heeft appellante een rapport van bevindingen van haar accountant gevoegd. Op 6 oktober 2015 heeft appellante haar opgave gecomplementeerd. Bij de toelichting ten aanzien van de correctie 2012 heeft appellante onder meer te kennen gegeven dat de correcties bestaan uit de materiële controles welke zijn overeengekomen met de zorgverzekeraar die nog verwerkt gaan worden (dit saldo bedraagt € -135.841). Verder heeft appellante te kennen gegeven dat: “De reden dat deze materiële controles verwerkt gaan worden in de financiële administratie is dat we over de uitkomst en het bedrag van deze materiële controles pas overeenstemming hebben na 1 september 2015. Deze materiële controles konden daarom niet tijdig en volledig verwerkt worden in de financiële administratie voor de deadline (1 oktober 2015) van het aanleveren van het formulier “Opgave correcties GGZ Zvw 2008-2012” ”. 1.3. Bij het primaire besluit heeft verweerster de correcties en opbrengstverschillen o Een afgrendelingstermijn lopende tot 1 oktober 2015 in plaats van 1 september 2015 ligt meer in lijn met het doel dat met de beleidsregel diende te worden behaald; namelijk binnen een zo kort mogelijke termijn tot een zorgvuldige finale opbrengstverrekening komen. Daar komt bij dat in de circulaire van 13 augustus 2015 een afgrendelingstermijn tot 1 oktober 2015 is genoemd. Om deze redenen heeft verweerster besloten dat, indien correcties zijn gefactureerd/gecrediteerd voor 1 oktober 2015, deze correcties alsnog in bezwaar worden gehonoreerd. Nu de door appellante opgegeven correcties van zorgverzekeraars Menzis en CZ niet voor deze afgrendelingsdatum van 1 oktober 2015 zijn gefactureerd of gecrediteerd, kunnen ze niet worden betrokken bij de berekening en vaststelling van het opbrengstverschil voor 2012. Van bijzondere omstandigheden die ertoe zouden nopen om in verdergaande mate ten gunste van appellante van de beleidsregel BR/CU-5137 af te wijken en de opgegeven correcties alsnog volledig te honoreren is volgens verweerster geen sprake. 3. Appellante heeft in beroep aangevoerd dat verweerster ten onrechte een bedrag van € 108.039,- van de ingediende correcties niet heeft betrokken bij de vaststelling van het opbrengstverschil voor 2012. Zij heeft erop gewezen dat er een landelijke discussie gaande was tussen zorgverzekeraars, het ministerie van VWS en verweerster over het feit dat instellingen soms patiënten de maximale 365 dagen zorg verleenden zonder te weten dat die patiënt elders reeds soortgelijke zorg genoten had, zodat daarvoor op grond van de Zorgverzekeringswet geen vergoeding betaald kon worden, de zogeheten 365-dagen problematiek. Om hierover met verweerster in gesprek te kunnen blijven was het naar de mening van appellante gewenst om bij verweerster een zaak aanhangig te houden. Daarom heeft zij de materiële controles niet voor 1 september 2015 dan wel voor 1 oktober 2015 afgerond. De discussie heeft uiteindelijk geleid tot een aanpassing in de regelgeving. Appellante heeft verweerster per 1 oktober 2015 wel geïnformeerd over het bedrag dat nog betrokken diende te worden bij de correcties 2008-2012. Appellante heeft al het mogelijke gedaan om de juiste bedragen tijdig aan te leveren. Nadat appellante het formulier Correctie opgave GGZ Zvw 2008-2012 heeft ingediend heeft geen wijziging in de verschillende opgegeven bedragen plaatsgevonden en is het opbrengstverschil voor 2012 ook niet gewijzigd. Vanwege deze bijzondere omstandigheden had verweerster het bedrag van € 108.039,- alsnog dienen te betrekken bij de vaststelling van het opbrengstverschil voor 2012. 4. Verweerster heeft, kort samengevat, aangevoerd dat indien appellante reeds voor 1 oktober 2015 overeenstemming met de zorgverzekeraars had bereikt over de hoogte van de correcties er niets aan in de weg stond om een creditnota aan de zorgverzekeraar te versturen. Verder heeft verweerster er op gewezen dat tussen GGZ Nederland, namens de aangesloten zorgaanbieders, waaronder appellante, en Zorgverzekeraars Nederland een convenant is gesloten met daarin een zelfgekozen tijdpad voor de opgave van de correcties 2008-2012. Appellante is daarom in de gelegenheid geweest om te anticiperen op het daarop aansluitende beleid van verweerster. Verweerster heeft de zorgaanbieders bovendien nog een maand extra de tijd gegeven voor het administratief afronden van de correcties. De gestelde termijnen zijn niet onredelijk. Verder verlengen van de termijnen was niet haalbaar, omdat de verschillende bij het convenant betrokken partijen tot spoedige afronding van de finale opbrengstverrekening wilden komen. Appellante is de enige zorgaanbieder die er niet in is geslaagd om tijdig en op juiste wijze opgave te doen van de correcties. Appellante heeft verder tot op heden ook geen bewijs geleverd van de correcties in de vorm van facturen. Volgens verweerster doen zich voorts geen bijzondere omstandigheden voor op grond waarvan zij in verdergaande mate had dienen af te wijken van