Rechtspraak College van Beroep voor het bedrijfsleven 2017-10-16
ECLI:NL:CBB:2017:344
uitspraak COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN zaaknummer: 14/679 27811 uitspraak van de meervoudige kamer van 16 oktober 2017 in de zaak tussen 1. [naam 1] te [plaats 1] , 2. [naam 2] te [plaats 2] , 3. [naam 3] , te [plaats 3] , 4. [naam 4] , te [plaats 3] , 5. [naam 5] , te [plaats 3] , 6. [naam 6] , te [plaats 4] , 7. [naam 7] , te [plaats 5] , 8. [naam 8] , te [plaats 6] , tezamen appellanten, en de staatssecretaris van Economische Zaken, verweerder (gemachtigden: mr. K.H. Klaver, ing. G.J.C. van Rooijen en ir. M. Goedhart). Procesverloop Bij besluit van 27 maart 2014 (het primaire besluit) heeft verweerder de subsidieaanvraag van appellanten in het kader van de Regeling LNV-subsidies (Regeling), onderdeel Collectieve acties in de visketen: aanlandplicht, afgewezen. Bij besluit van 8 september 2014 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellanten ongegrond verklaard. Appellanten hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 maart 2016. [naam 1] is mede namens alle andere appellanten verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden Klaver en Goedhart. Het onderzoek is ter zitting geschorst om partijen in de gelegenheid te stellen vragen van het College te beantwoorden en nadere stukken te leveren. Appellanten hebben bij brief van 28 oktober 2016 de gevraagde stukken overgelegd. Verweerder heeft bij brief van 25 januari 2017 de vragen van het College beantwoord en nadere stukken overgelegd. Tevens heeft verweerder ten aanzien van een aantal stukken met verwijzing naar artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) gemotiveerd meegedeeld dat uitsluitend het College hiervan kennis zal mogen nemen. Het gaat hierbij om de namen van deskundigen van een commissie die heeft geadviseerd over de aanvraag van appellanten. Voorts heeft verweerder bij brief van 17 februari 2017 nadere stukken overgelegd. Bij beslissing op grond van artikel 8:29, derde lid, van de Awb, van 12 mei 2017 heeft het College bepaald dat de gevraagde beperking van de kennisneming van bijlage A (voor wat betreft de pagina’s 2 en opvolgend) en bijlage B gerechtvaardigd is. Ten aanzien van de beperking van de kennisneming van bijlage C en bijlage A – het laatste stuk wat betreft de namen van de deskundigen op de eerste pagina – heeft het College bepaald dat deze niet gerechtvaardigd is. Appellanten hebben bij brief van 16 mei 2017 ermee ingestemd dat het College mede op grondslag van de vertrouwelijke stukken uitspraak doet op het beroep. Verweerder heeft bij brief van 19 mei 2017 ermee ingestemd dat bijlage C en bijlage A inclusief de namen van de deskundigen op de eerste pagina worden toegezonden aan appellanten. Appellanten hebben mede naar aanleiding van laatstgenoemde stukken bij brieven van 24 februari 2017, 7 maart 2017, 16 mei 2017 en 31 mei 2017 een nadere reactie en stukken ingediend. Het College heeft partijen schriftelijk een aantal vragen meegedeeld die hij ter nadere zitting aan de orde wil stellen. Appellanten hebben hierop bij brief van 7 juni 2017 gereageerd en nadere stukken ingediend. Het nadere onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 juni 2017. [naam 1] is mede namens alle andere appellanten verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden. Het onderzoek is vervolgens gesloten. Overwegingen 1. Het onderdeel Collectieve acties in de visketen: aanlandplicht van de Regeling betreft een zogenoemde tenderprocedure. Een tenderprocedure houdt in dat alle ingediende aanvragen na ommekomst van het aanvraagtijdvak ten opzichte van elkaar inhoudelijk worden vergeleken en vervolgens in een rangorde worden geplaatst, in het licht van het doel van de subsidie. 2. Het doel van de subsidie is gelegen in de voorbereiding van de implementatie van de aanlandplicht die gefaseerd ingevoerd wordt vanuit het nieuwe Gemeenschappelijke Visserijbeleid (GVB). De 6.2 Op grond van artikel 6:2, tweede lid, aanhef en onder c, van de Regeling Europese EZ-subsidies blijft het recht zoals het gold voor 1 januari 2016 van toepassing op subsidies die voor die datum zijn vastgesteld op grond van de Regeling LNV (http://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021281&g=2017-06-08&z=2017-06-08)-subsidies. 6.3 Op grond van artikel 4:26a, eerste lid, aanhef van de Regeling verstrekt verweerder in overeenstemming met artikel 37 van Verordening 1198/2006 subsidie voor de uitvoering van projecten die gericht zijn op het in het gemeenschappelijk belang ontwikkelen van systemen, procedures of processen ter bevordering van de invoering van de aanlandplicht. De criteria voor de rangschikking naar geschiktheid van de aanvragen staan vermeld in artikel 4:26b van de Regeling. Het tweede lid van dit artikel bepaalt dat het Visserij Innovatie Platform een beoordelingscommissie is als bedoeld in artikel 1:4, derde lid, dat de Minister adviseert over de rangschikking van aanvragen. 6.4 Het “Huishoudelijk Reglement deskundigen, beoordelingscommissie (VIP) collectieve acties in de visketen 2013 aanlandplicht” beschrijft de beoordelingsprocedure die wordt toegepast op de aanvragen in deze tenderprocedure als volgt: “ActiviteitVerantwoording Acceptatie 1) acceptatie aanvraag (…) Analyse van het project 3A) (…) 3B) Deskundigensessies: geaccepteerde aanvragen worden ter beoordeling aan vakdeskundigen voorgelegd. Deze geven hun visie op de projecten in hun vakgebied op basis van de criteria van de regeling. Opstellen eindadvies en classificeren van de aanvragen (Score 1 t/m 10 per criterium) door DR (College: Dienst Regelingen) i.s.m. de deskundigen. DR zit de deskundigensessies voor en voert het secretariaat hierover. Deskundigen/Dienst Regelingen Advisering 4) DR legt alle projecten en analyses, met de visie van de deskundigen, voor aan de Beoordelingscommissie. De Beoordelingscommissie is het Visserij Innovatieplatform (VIP). De Beoordelingscommissie beoordeelt de aanvragen inhoudelijk op basis van de beoordelingscriteria van de regeling en de criteria uit het openstellingsbesluit m.b.v. het door DR opgestelde beoordelingsmemorandum. DR voert het secretariaat van de Beoordelingscommissie. Beoordelingscommissie (VIP) / Dienst Regelingen Beschikking 5) Op basis van stap 1 t/m 4 verstuurt DR namens de staatssecretaris beslissingsbrieven. (…) Dienst Regelingen. (…) Puntentelling De projecten worden hoger gerangschikt naarmate: 1A) het resultaat van het project meer uitstraling naar de sector heeft; 1B) de samenwerking die ten grondslag ligt aan het project meer uitstraling heeft; 2) het project meer bijdraagt aan marktontwikkeling/productontwikkeling; 3) het project meer bijdraagt aan het vergroten van de selectiviteit van vismethoden; 4) het project bijdraagt aan het vergroten van het rendement van ondernemingen. Voor elke categorie worden per criterium argumenten verzameld. Op basis hiervan wordt de score per categorie bepaald. Aanvragen kunnen per categorie maximaal een 10 scoren en minimaal een 1. Aanvragen die op één criterium onvoldoende scoren (van 1 t/m 4) worden niet gerangschikt en komen niet in aanmerking voor subsidie. (…)” 7.1 Appellanten kunnen zich niet met het bestreden besluit verenigen. Hun beroepsgronden hebben allereerst betrekking op de beoordelingsprocedure. Doordat de [naam 10] en de [naam 11] in de gelegenheid zijn gesteld op het beoordelingscriterium van samenwerking hun aanvragen aan te vullen, hebben zij met kunstgrepen subsidie verkregen. Aanvulling van een aanvraag is in het kader van een tenderprocedure niet toegestaan. Verder is ten onrechte gedurende de procedure besloten om de projecten niet op alle vooraf vastgestelde criteria te beoordelen, maar alleen op die criteria die op de desbetreffende aanvraag van toepassing zijn. Appellanten vinden de wijze waarop de eindweging van de aanvragen tot stand is gekomen niet transparant. Daarnaast hebben appellanten betoogd dat één van de leden van het Ter beoordeling staat of verweerder het advies van de beoordelingscommissie en daarmee dat van de deskundigencommissie op genoemd punt aan zijn besluit omtrent de aanvraag van appellanten ten grondslag heeft kunnen leggen. 8.4 Appellanten hebben aangevoerd dat de beoordelingscommissie partijdig is. Zij hebben in dat verband erop gewezen dat de beoordelingscommissie de scores van andere aanvragen in afwijking van de deskundigencommissie lager heeft vastgesteld, waardoor de projecten van de [naam 10] en [naam 11] hoger zijn gerangschikt. Het College stelt vast dat de beoordelingscommissie in het geval van het project van appellanten het oordeel van de deskundigencommissie integraal heeft overgenomen. Appellanten hebben de onpartijdigheid van de deskundigencommissie niet betwist. Daarom komt het College bij de beoordeling of aan de aanvraag van appellanten een te lage score is toegekend niet toe aan deze beroepsgrond. 8.5 Volgens het beoordelingsmemorandum is de deskundigencommissie van oordeel dat in het plan van appellanten veel beloftes worden gemaakt, maar dat niet duidelijk wordt gemaakt hoe die door het project behaald gaan worden. Hierdoor is de verwachting dat het rendement niet zal verbeteren. Een rendementsverbetering van 100 euro per vaartuig achten de commissies een rekenfout. Appellanten stellen dat hun project het enige is dat daadwerkelijk waarde creëert. Zij erkennen dat de 100 euro een rekenfout is. 8.6 Naar het oordeel van het College dienen de beoordelingscommissie en vervolgens verweerder gelet op artikel 3:2 van de Awb zich ervan te vergewissen dat het advies van de deskundigencommissie naar wijze van totstandkoming zorgvuldig en naar inhoud inzichtelijk en concludent is. Gebleken is dat het advies overeenkomstig de procedure van het Huishoudelijk Reglement tot stand is gekomen. Wat inhoud betreft acht het College het advies concludent. Het College is van oordeel dat hetgeen appellanten hebben aangevoerd niet leidt tot twijfel aan de beoordeling van de aanvraag van appellanten door de deskundigencommissie. Dit betekent dat geen aanleiding bestaat voor het oordeel dat de beoordelingscommissie dit advies niet had mogen volgen en vervolgens verweerder het advies van de beoordelingscommissie niet aan zijn besluit ten grondslag heeft kunnen leggen. Nu de score voor dit criterium een 2,7 bedraagt, heeft verweerder de aanvraag van appellanten reeds hierom terecht niet in aanmerking gebracht voor subsidie. 9. Gelet op het voorgaande kan hetgeen overigens door appellanten is aangevoerd onbesproken blijven, omdat zij hiermee niet kunnen bereiken dat zij alsnog in aanmerking kunnen komen voor subsidie. 10.1 Bij het bestreden besluit heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat appellanten niet in aanmerking komen voor een dwangsom wegens het niet tijdig beslissen op het bezwaar tegen het besluit van 27 maart 2014. Verweerder stelt in dit kader dat hij de beslistermijn met zes weken heeft verlengd met zijn brief van 17 juni 2014 en dat appellanten daarnaast bij brief van 7 mei 2014 hebben verzocht om meer tijd voor het indienen van bezwaar dan wel om het indienen van aanvullende gronden. Verweerder heeft naar aanleiding hiervan op 31 juli 2014 documenten toegestuurd en de termijn voor afhandeling van het bezwaarschrift opgeschort met drie weken. De beslistermijn eindigde hierdoor op 21 augustus 2014, zodat de ingebrekestelling van appellanten van 18 augustus 2014 prematuur is en het verzoek dient te worden afgewezen. 10.2 Het College stelt vast dat appellanten bij hun bezwaarschrift gronden hebben ingediend. Omdat het bezwaarschrift gronden bevat, behoefde verweerder appellanten niet met toepassing van artikel 7:10, tweede lid, van de Awb te verzoeken alsnog de gronden in te dienen. Daarmee is de termijn voor het beslissen op het bezwaar niet opgeschort. De omstandigheid dat appellanten bij hun bezwaarschrift van 7 mei 2014 hebben verzocht om een nadere termijn voor het indienen van nadere gronden, kan niet worden