Rechtspraak
College van Beroep voor het bedrijfsleven
2015-02-25
ECLI:NL:CBB:2015:63
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,396 tokens
Inleiding
uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 14/220
5101
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 februari 2015 in de zaak tussen
[naam], te [plaats], appellant
(gemachtigde: mr. R. Scholten),
en
de staatssecretaris van Economische Zaken, verweerder
(gemachtigde: mr. M.M. de Vries).
Procesverloop
Bij besluit van 25 november 2013 (het primaire besluit) heeft verweerder appellants verzoek om herziening van het besluit tot vaststelling van appellants bedrijfstoeslag voor het jaar 2008 afgewezen.
Bij besluit van 28 februari 2014 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellant ongegrond verklaard.
Appellant heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 december 2014. Appellant is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1.1
Verweerder heeft bij besluit van 3 april 2009 de aan appellant voor het jaar 2008 toekomende bedrijfstoeslag vastgesteld en bij besluit van 2 oktober 2009 het door appellant daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Het hiertegen gerichte beroep heeft het College ongegrond verklaard in zijn uitspraak van 27 oktober 2010 (ECLI:NL:CBB:2010:BO2437). Appellant heeft het College verzocht om herziening van deze uitspraak, maar dit verzoek heeft het College bij uitspraak van 23 november 2012 (ECLI:NL:CBB:2012:BY5045) afgewezen.
1.2
Op 24 november 2010 heeft appellant verzocht om herziening van het besluit van 2 oktober 2009 met verwijzing naar een arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 14 oktober 2010 (Landkreis Bad Dürkheim, C-61/09; ECLI:EU:C:2010:606;het arrest). Bij besluit van 24 december 2010 heeft verweerder dit verzoek om herziening afgewezen. Appellant heeft tegen dit besluit geen bezwaar gemaakt.
1.3
Op 8 augustus 2013 heeft appellant opnieuw verzocht om herziening van het besluit van 2 oktober 2009. Bij het primaire besluit heeft verweerder dit verzoek afgewezen. Bij het bestreden besluit heeft verweerder dit besluit gehandhaafd.
2. In geschil is of verweerder appellants tweede verzoek om herziening van het besluit tot vaststelling van de bedrijfstoeslag voor het jaar 2008 terecht heeft afgewezen.
3. Het College stelt vast dat het besluit van 2 oktober 2009 rechtens onaantastbaar is geworden, aangezien het College het hiertegen gerichte beroep bij genoemde uitspraak van 27 oktober 2010 ongegrond heeft verklaard. Het primaire besluit houdt de weigering van verweerder in om naar aanleiding van een daartoe strekkend verzoek van appellant van dat besluit terug te komen.
Aan de mogelijkheid om een besluit in rechte aan te tasten zijn door de wetgever beperkingen en voorwaarden gesteld. De belanghebbende die meent dat een bestuursorgaan ten onrechte een bepaald besluit heeft genomen, is voor het in rechte opkomen tegen dat besluit aangewezen op het aanwenden van een rechtsmiddel binnen een bepaalde termijn en met inachtneming van de overige processuele vereisten. Zoals het College eerder heeft overwogen (zie de uitspraak van 15 februari 2013, ECLI:NL:CBB:2013:BZ4423) staat naar Nederlands bestuursrecht geen rechtsregel eraan in de weg dat een bestuursorgaan terugkomt van een door hem genomen besluit, dat naar nationaal recht definitief is geworden, zelfs niet indien geen sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden. Indien het bestuursorgaan echter weigert van een definitief geworden besluit terug te komen, dient de bestuursrechter het oorspronkelijke besluit tot uitgangspunt te nemen en zich in beginsel te beperken tot de vraag of sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden en zo ja, of het bestuursorgaan daarin aanleiding had behoren te vinden van het oorspronkelijke besluit terug te komen. Daarbij ligt het op de weg van de indiener van het verzoek om zodanige feiten of omstandigheden naar voren te brengen.
4. Appellant voert in dit kader het volgende aan. In het arrest van het Hof is uitleg gegeven aan enkele bepalingen in Verordening (EG) nr. 1782/2003, waarbij ten aanzien van schapenhouders die gebruik maken van gronden van anderen de vraag aan de orde was wanneer in die situatie sprake is van het “beheer van de grond” en in hoeverre de gronden zijn aan te merken als landbouwgrond. Verweerder is naar aanleiding van het arrest in zijn besluitvorming ten aanzien van de bedrijfstoeslag van appellant voor 2009 en 2010 tot een andere beoordeling gekomen dan voor 2008. Verweerder heeft appellants aanvragen om uitbetaling van de bedrijfstoeslag voor 2009 en 2010 alsnog deels gehonoreerd. Anders dan in 2008 zou er volgens verweerder in 2009 en 2010 wel sprake zijn geweest van het beheer van landbouwgrond door appellant. Appellant stelt dat de situatie met betrekking tot de aanvraag om bedrijfstoeslag voor 2008 exact gelijk was aan die voor 2009 en 2010. Het feit dat voor 2009 en 2010 door verweerder alsnog een andere beoordeling is toegepast en bedrijfstoeslag is toegekend aan appellant dient daarom te worden gezien als een nieuw feit of veranderde omstandigheid dat voor verweerder aanleiding diende te zijn om terug te komen van zijn besluit van 2 oktober 2009 met betrekking tot de bedrijfstoeslag voor 2008. Appellant benadrukt dat het arrest van het Hof niet als novum geldt, maar de gewijzigde beoordeling van verweerder ten aanzien van de bedrijfstoeslag voor 2009 en 2010.
5. Verweerder stelt zich op het standpunt dat appellant geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden in de hiervoor bedoelde zin naar voren heeft gebracht. Het College heeft in zijn uitspraak van 23 november 2012 geoordeeld dat het arrest van het Hof geen aanleiding vormde om terug te komen van zijn oordeel over de rechtmatigheid van het besluit van verweerder van 3 april 2009 over de vaststelling van de bedrijfstoeslag van appellant voor 2008. Het feit dat aan appellant bedrijfstoeslag is toegekend voor 2009 en 2010 kan evenmin als een nieuw feit of veranderde omstandigheid worden aangemerkt. Er wordt immers ieder jaar opnieuw, op basis van een nieuwe aanvraag en een nieuwe controle, een nieuw besluit genomen over de uitbetaling van bedrijfstoeslag. Hierdoor wordt het verschil in uitkomst tussen de jaren 2008 en de jaren 2009 en 2010 veroorzaakt. Er zijn volgens verweerder wat betreft de feitelijke situatie relevante verschillen tussen de aanvragen van appellant om bedrijfstoeslag voor 2008, 2009 en 2010. De aanvragen voor deze jaren zien niet volledig op dezelfde percelen. De uitbetaling van bedrijfstoeslag over 2009 en 2010 is derhalve niet het gevolg van een beleidswijziging als uitvloeisel van het arrest van het Hof.
6.1
Met betrekking tot de besluitvorming van verweerder over de bedrijfstoeslag van appellant voor 2009 en 2010 gaat het College uit van de volgende feiten en omstandigheden. Bij besluit van 26 mei 2011 heeft verweerder de bedrijfstoeslag van appellant voor 2009 vastgesteld op € 0,00. Tegen dat besluit heeft appellant bezwaar gemaakt. Bij besluit van 23 juli 2013 heeft verweerder dit bezwaar gegrond verklaard, het besluit van 26 mei 2011 herroepen en de bedrijfstoeslag vastgesteld op € 20.946,29. Uit dit besluit op bezwaar blijkt dat verweerder op grond van het arrest van het Hof met betrekking tot een aantal percelen alsnog heeft aangenomen dat appellant over deze percelen het beheer heeft gehad en dat deze percelen kunnen worden aangemerkt als subsidiabele landbouwgrond, wat tot toekenning van de bedrijfstoeslag voor 2009 heeft geleid.Bij besluit van 5 juli 2011 heeft verweerder de bedrijfstoeslag van appellant voor 2010 vastgesteld op € 0,00. Tegen dit besluit heeft appellant eveneens bezwaar gemaakt. Bij besluit van 27 juni 2013 heeft verweerder dit bezwaar gedeeltelijk gegrond verklaard, het besluit van 5 juli 2011 herroepen en de bedrijfstoeslag voor 2010 vastgesteld op € 18.950,13. Ook in dit besluit heeft verweerder op grond van het arrest van het Hof alsnog aangenomen dat appellant over een aantal opgegeven percelen het beheer heeft gehad en dat deze percelen kunnen worden aangemerkt als subsidiabele landbouwgrond. Dit heeft tot gevolg dat aan appellant ook voor 2010 nog bedrijfstoeslag is toegekend.
6.2
Het College ziet in hetgeen appellant heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat in dit geval grond bestaat om terug te komen van het betreffende besluit. Uit de in 6.1 geschetste besluitvorming volgt dat verweerder met betrekking tot de bedrijfstoeslag van appellant voor 2009 en 2010 bij de heroverweging in bezwaar op basis van de daartoe specifiek voor deze jaren nader vastgestelde feiten, aan het toepasselijke recht van de Unie, zoals dat volgens het arrest van het Hof moet worden uitgelegd, tot een andere beoordeling en opvatting is gekomen over de subsidiabiliteit van de betreffende percelen grond dan in de betreffende primaire besluiten nog het geval was.
Dictum
Het College verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.C. Stuldreher in aanwezigheid van mr. C.M. Leliveld, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 25 februari 2015.
w.g. S.C. Stuldreher w.g. C.M. Leliveld