Rechtspraak
College van Beroep voor het bedrijfsleven
2015-01-14
ECLI:NL:CBB:2015:13
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,314 tokens
Inleiding
uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 12/279
5101
Uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 januari 2015 in de zaak tussen
[naam 1], te [plaats], appellant
(gemachtigde: [naam 2]),
en
de staatssecretaris van Economische Zaken, verweerder
(gemachtigden: drs. M. Star).
Procesverloop
Bij besluit van 5 juli 2011 (het primaire besluit) heeft verweerder de bedrijfstoeslag van appellant voor het jaar 2010 vastgesteld op grond van de Regeling GLB-inkomenssteun 2006 (de Regeling).
Bij besluit van 23 januari 2012 (het bestreden besluit) heeft verweerder het hiertegen door appellant gemaakte bezwaar gedeeltelijk gegrond verklaard. Daarbij zijn de kosten van verleende rechtsbijstand in de bezwaarprocedure vergoed volgens het forfaitaire tarief van het Besluit proceskosten bestuursrecht.
Appellant heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Bij besluit van 26 november 2012 heeft verweerder het bestreden besluit herzien. Daarbij is het bezwaar van appellant gegrond verklaard, het primaire besluit herroepen en de bedrijfstoeslag voor 2010 alsnog volledig uitbetaald.
Bij brief van 23 januari 2013 heeft appellant verzocht om uitspraak te doen over de gevraagde integrale kostenvergoeding.
Bij brief van 4 april 2013 heeft verweerder op dat verzoek gereageerd.
Desgevraagd hebben partijen toestemming verleend voor het achterwege laten van een zitting.
Overwegingen
1. Vast staat dat verweerder met het herziene besluit van 26 november 2012 volledig aan het beroep is tegemoetgekomen. Appellant heeft geen belang meer heeft bij een inhoudelijke toetsing, noch van het oorspronkelijk bestreden besluit, noch van het herziene besluit.
2. Wel is nog in geschil de hoogte van de vergoeding van de proceskosten.
Uit de brief van appellants gemachtigde van 23 januari 2013 maakt het College op dat appellant alsnog een integrale vergoeding van de door hem in de bezwaarprocedure gemaakte kosten verlangt. Hiertoe voert appellant aan dat verweerder met het nemen van het nieuwe besluit volmondig erkent dat het eerdere besluit onrechtmatig was.
3. Het College overweegt dienaangaande als volgt.
3.1
Ingevolge artikel 2, eerste lid, aanhef en onder a, in verbinding met artikel 1, eerste lid, aanhef en onder a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (het Besluit) wordt het bedrag van de kosten bij de uitspraak, onderscheidenlijk de beslissing op het bezwaar of het administratief beroep, ten aanzien van de kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld overeenkomstig het in de bijlage opgenomen tarief. Op grond van artikel 2, derde lid, van het Besluit kan in bijzondere omstandigheden van het eerste lid worden afgeweken.
3.2
Voor toekenning van een proceskostenvergoeding in afwijking van het forfaitaire bedrag in het Besluit proceskosten bestuursrecht is naar het oordeel van het College grond indien het bestuursorgaan het verwijt treft dat het een besluit op bezwaar neemt terwijl op dat moment al duidelijk is dat dat besluit in een daartegen ingestelde procedure geen stand zal houden (vergelijk het arrest van de Hoge Raad van 4 februari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP2975) 3.3 Van een dergelijke situatie is hier geen sprake. De uitspraak van het College van 18 juli 2012 (ECLI:NL:CBB:2012:BX3513) is voor verweerder aanleiding geweest om het bestreden besluit van 23 januari 2012 te herzien, omdat door die uitspraak duidelijk werd dat dit besluit geen stand kon houden. Toen verweerder het besluit van 23 januari 2012 nam was echter niet duidelijk dat dat besluit geen stand zou houden.
3.4
Ook overigens is niet gebleken van omstandigheden die voor verweerder aanleiding hadden moeten zijn om van het forfaitaire tarief voor vergoeding van de kosten van rechtsbijstand af te wijken. Het beroep is ongegrond.
4. Aangezien het instellen van beroep heeft geleid tot een nieuw, voor appellant gunstig besluit, waarmee volledig aan het beroep is tegemoetgekomen, acht het College termen aanwezig om verweerder te veroordelen tot vergoeding van de kosten die appellant in verband met de beroepsprocedure heeft moeten maken. Deze kosten zijn met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 487,- waarbij is uitgegaan van verleende rechtsbijstand bij het opstellen van het beroepschrift in een zaak van gemiddeld gewicht.
Dictum
Het College:
verklaart het beroep ongegrond;
veroordeelt verweerder in de kosten van de beroepsprocedure tot een bedrag van € 487,- te betalen aan appellant.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.J. Waterbolk, in aanwezigheid van R. van Cuilenborg, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 14 januari 2015.
w.g. C.J. Waterbolk w.g. R. van Cuilenborg