Rechtspraak
College van Beroep voor het bedrijfsleven
2013-05-03
ECLI:NL:CBB:2013:CA1180
Bestuursrecht
Eerste aanleg - meervoudig
1,874 tokens
Inleiding
uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: AWB 11/469
11050 Zaaizaad- en plantgoedwet 2005
Uitspraak van de meervoudige kamer van 3 mei 2013 in de zaak tussen
Maatschap A en B, te C, appellante
(gemachtigde: mr. H.C. de Boer),
en
Stichting Nederlandse Algemene Keuringsdienst voor zaaizaad en pootgoed van landbouwgewassen, verweerster
(gemachtigde: mr. A.S.H. Kroon).
Procesverloop
Op 24 december 2010 heeft verweerster drie partijen pootaardappelen van appellante afgekeurd.
Bij besluit van 17 mei 2011 (het bestreden besluit) heeft verweerster het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.
Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 februari 2013.
Voor appellante zijn verschenen A (hierna: A) en B. Verweerster heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde.
Overwegingen
1. Naar aanleiding van het door appellante ingevulde formulier "Aangifte voor de keuring van
aardappelen 2010" van 14 mei 2010 hebben twee keurmeesters van verweerster op 16 december 2010
een keuring verricht op partijen pootaardappelen van appellante. Na de keuring is een aantal knollen
voor diagnostisch onderzoek gestuurd naar de Plantenziektenkundige Dienst (hierna: PD). Bij brief
van 21 december 2010 heeft de PD te kennen gegeven dat de uitslag van het onderzoek voor de
monsters positief is voor "Meloidogyne chitwoodi". Bij besluit van 22 december 2010 heeft de PD ten
aanzien van de partij pootaardappelen, ras Koruda, NAK-percelen 19, 20 en 21 een aantal maatregelen
aangezegd. Op 24 december 2010 heeft verweerster appellante bericht dat de klasse van deze
pootaardappelen is gewijzigd van klasse A naar AF.
2. Verweerster heeft in haar verweerschrift betoogd dat het bezwaar van appellante niet-ontvankelijk had moeten worden verklaard. De afkeuringen van de pootaardappelen van appellante zijn geen besluiten in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Verweerster heeft immers slechts feitelijk uitvoering gegeven aan het besluit van 22 december 2010 van de PD.
Dit betoogt slaagt naar het oordeel van het College niet. Daartoe wordt als volgt overwogen.
Ingevolge artikel 2 van het Besluit verhandeling teeltmateriaal (hierna: Besluit) is verweerster, belast met de keuring van landbouwgewassen als keuringsinstelling aangewezen.
Ingevolge artikel 3 van het Besluit is het in de handel brengen van teeltmateriaal van landbouwgewassen slechts toegestaan indien is voldaan aan de bij ministeriële regeling gestelde regels inzake de verhandeling en de kwaliteit van teeltmateriaal.
Ingevolge artikel 5, eerste lid, aanhef en onder b, van het Besluit kunnen de in artikel 3 bedoelde regels inzake de kwaliteit van het teeltmateriaal onder meer betrekking hebben op de classificatie, voor zover verband houdende met de rasechtheid, de gezondheid, de groeikracht, het vochtgehalte, de afmetingen en de zuiverheid van het teeltmateriaal.
Ingevolge artikel 62 van de Regeling verhandeling teeltmateriaal (hierna: Regeling) is de indeling in klassen afhankelijk van het gebruikte uitgangsmateriaal en de door verweerster tijdens het onderzoek, de keuring of controle aangetroffen ziekten, afwijkingen, gebreken, beschadigingen, verontreinigingen, mate van raszuiverheid en opslag, zoals vastgelegd in het keuringsreglement.
Ingevolge artikel 63, eerste lid, van de Regeling worden pootaardappelen slechts in de handel gebracht, indien zij door verweerster zijn goedgekeurd als prebasispootgoed, basispootgoed of gecertificeerd pootgoed.
Gelet op hetgeen in deze bepalingen is neergelegd, is het College van oordeel dat verweerster een zelfstandige bevoegdheid heeft tot het indelen van pootaardappelen in een klasse en tot het goedkeuren van pootaardappelen als gevolg waarvan pootaardappelen als prebasis-, basis- of gecertificeerd pootgoed in de handel mogen worden gebracht. Van deze bevoegdheid heeft zij op 24 december 2010 gebruik gemaakt door de klasse van de pootaardappelen van de percelen 19, 20 en 21 van klasse A (gecertificeerd pootgoed) te wijzigen naar AF. Naar het oordeel van het College vloeit uit de wijziging in classificering en het daarmee niet (meer) goedkeuren van de pootaardappelen als gecertificeerd pootgoed van appellante het zelfstandig rechtsgevolg voort dat deze pootaardappelen niet meer zoals zodanig in de handel mogen worden gebracht.
Verweerster heeft dan ook terecht in het bestreden besluit het bezwaar ontvankelijk verklaard en de gronden van het bezwaarschrift beoordeeld.
3. Appellante heeft aangevoerd dat verweerster zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de knollen die zijn onderzocht afkomstig waren van de percelen 19, 20 en 21. Ter zitting heeft A toegelicht dat op het moment van de keuring, hij en zijn zoon bezig waren met het sorteren van de pootaardappelen van perceel 21. Zij waren nog niet toegekomen aan het sorteren van de percelen 19 en 20. In de zogenoemde uitschotkrat zaten op dat moment dus alleen nog knollen afkomstig van perceel 21. Nu er geen pootaardappelen van de percelen 19 en 20 zijn onderzocht, heeft verweerster ten onrechte de pootaardappelen afkomstig van deze percelen afgekeurd, aldus appellante.
Namens verweerster is ter zitting te kennen gegeven dat de keurmeesters knollen hebben gehaald uit de uitschotkrat en dat in deze krat volgens de keurmeesters knollen zaten van de percelen 19, 20 en 21.
Het College stelt vast dat partijen van mening verschillen over de vraag welke (partijen) knollen precies zijn onderzocht. Voorts stelt het College vast dat thans niet meer kan worden nagegaan hoe de keuring van de pootaardappelen feitelijk is verlopen, mede nu een gedetailleerde weergave van hetgeen tijdens de keuring door de keurmeesters is verricht niet in een rapport is neergelegd. In de gedingstukken bevindt zich slechts een kopie van een formulier Diagnostisch Onderzoek, waaruit op geen enkele wijze valt af te leiden hoe de keuring van de knollen precies is verlopen. Dit bemoeilijkt naar het oordeel van het College de positie van appellante om de bevindingen van verweerster naar aanleiding van het onderzoek op 16 december 2010 gemotiveerd te weerspreken. Dit doet echter in dit geval geen afbreuk aan de rechtmatigheid van het besluit tot afkeuring. Immers, tijdens de bezwaarfase is, na herhaald onderzoek door de PD, gebleken dat de pootaardappelen van de percelen 19, 20 en 21 ten tijde van de besluiten van 24 december 2010 daadwerkelijk besmet waren met "Meloidogyne chitwoodi", hetgeen niet door appellante wordt betwist. Verweerster heeft derhalve terecht en op goede gronden de klasse van deze pootaardappelen gewijzigd.
4. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
Het College verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E. Dijt, voorzitter, en mr. C.J. Waterbolk en mr. J.A. Hagen, leden, in aanwezigheid van mr. P.M. Beishuizen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 mei 2013.
w.g. griffier w.g. voorzitter
Afschrift verzonden aan partijen op: