Rechtspraak College van Beroep voor het bedrijfsleven 2010-01-25
ECLI:NL:CBB:2010:BM1597
Bestuursrecht
College van Beroep voor het bedrijfsleven AWB 09/67 25 januari 2010 5101 Regeling GLB-inkomenssteun 2006 Uitspraak in de zaak van: A, te B, appellant, tegen de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder, gemachtigden: mr. M.A.G. van Leeuwen en mr. D. Özdemir, beiden werkzaam bij verweerders Dienst Regelingen. Appellant heeft bij brief van 6 januari 2009, bij het College binnengekomen op 8 januari 2009, beroep ingesteld tegen een besluit van verweerder van 28 november 2008. Bij dit besluit heeft verweerder beslist op het bezwaar van appellant tegen een besluit van 12 juni 2008, waarbij verweerder de aan appellant toekomende bedrijfstoeslag op grond van de Regeling GLB-inkomenssteun 2006 (hierna: de Regeling) voor het jaar 2007 heeft vastgesteld. Bij brief van 26 februari 2009 heeft verweerder een verweerschrift ingediend en de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd. Op 2 november 2009 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij appellant is verschenen. Verweerder werd ter zitting vertegenwoordigd door zijn gemachtigden. 2.1 Bij besluit van 12 juni 2008 heeft verweerder de bedrijfstoeslag van appellant voor 2007, na aftrek van 5% modulatiekorting, vastgesteld op € 37.111,12. Bij het bestreden besluit is het bezwaar van appellant tegen dit besluit ongegrond verklaard. 2.2 Appellant heeft, samengevat weergegeven, het volgende tegen het bestreden besluit aangevoerd. Hij heeft in zijn aanvraag om uitbetaling van bedrijfstoeslag een kennelijke fout in de zin van artikel 19 van Verordening (EG) nr. 796/2004 gemaakt door achter perceel 13 van 15.05 ha op het Overzicht gewaspercelen geen kruisje te plaatsen ten teken dat hij dit voor uitbetaling van zijn toeslagrechten wenst te benutten. Doordat dit per abuis niet is gebeurd, heeft verweerder een gedeelte van de op zijn naam staande toeslagrechten niet uitbetaald. Het is duidelijk dat hier sprake is van een kennelijke fout, nu het volstrekt onlogisch is dat hij geen volledige uitbetaling van zijn toeslagrechten zou wensen. Ter zitting heeft appellant hieraan toegevoegd dat verweerder een onjuiste interpretatie heeft gegeven aan artikel 44, derde lid, van Verordening (EG) nr. 1782/2003. Dat daar vermeld staat dat de landbouwer dient aan te geven welke percelen overeenstemmen met subsidiabele hectaren die met een toeslagrecht gepaard gaan, betekent niet dat dit slechts kan gebeuren door het plaatsen van een kruisje bij een perceel dat men wenst te benutten voor uitbetaling van toeslagrechten. Met de gegevens die elders met de Gecombineerde opgave per perceel worden verstrekt, heeft appellant - zo vindt hij - aan artikel 44, derde lid van Verordening (EG) nr. 1782/2003 voldaan en heeft hij aangegeven welke percelen aan de voorwaarden voor uitbetaling voldoen. 2.3 Verweerder stelt zich op het standpunt dat appellant pas in zijn bezwaarschrift te kennen heeft gegeven dat hij ook perceel 13 voor uitbetaling van toeslagrechten wil gebruiken. Volgens verweerder is geen sprake van een kennelijke fout, omdat bij de beoordeling van de aanvraag geen tegenstrijdigheid is gebleken. Naar de mening van verweerder behoort het niet tot zijn taak om zich bij de beoordeling van de aanvraag te verdiepen in de motieven van de aanvrager om zijn toeslagrechten al dan niet geheel uit te laten betalen. 2.4 Het College overweegt, mede onder verwijzing naar zijn uitspraken van 2 oktober 2009 (www.rechtspraak.nl, LJN: BJ9418, BJ9420, BJ9441 en BJ9445), het volgende. 2.4.1 Met betrekking tot de vraag wanneer een kennelijke fout als zodanig erkend moet worden, heeft de Europese Commissie een Werkdocument uitgebracht. Dit document, met het kenmerk AGR 49533/2002, wordt door verweerder gehanteerd bij de beoordeling van verzoeken om na de uiterste indieningstermijn nog wijzigingen in een aanvraag te mogen aanbrengen. In vaste jurisprudentie heeft het College deze benadering aanvaardbaar geoordeeld. In het document wordt als beginsel geformuleerd dat de beslissing of het al dan niet om een kennelijke fout gaat afhankelijk is van alle feiten en omstandigheden in elk individueel geval. Daarom moet elk geval afzonderlijk worden onderzocht. Belangrijkste invalshoek daarbij is (het gebrek aan) samenhang tussen de in de aanvraag opgenomen gegevens. Voor de Europese Commissie is, blijkens het document, voorts van groot belang dat vastgesteld wordt dat een fout onopzettelijk gemaakt is, dat de landbouwer te goeder trouw gehandeld heeft en dat ieder gevaar van bedrog wordt uitgesloten. Het College heeft het Werkdocument in eerdere jurisprudentie aldus uitgelegd en samengevat, dat van een kennelijke fout over het algemeen alleen kan worden gesproken indien verweerder bij een summier onderzoek na ontvangst van de aanvraag had kunnen vaststellen dat de aanvraag waarschijnlijk geen goede weergave was van hetgeen de aanvrager beoogde aan te vragen. Verweerder heeft op basis van het Werkdocument voor zichzelf als criterium geformuleerd dat slechts dan een kennelijke fout erkend kan worden, als sprake is van een tegenstrijdigheid in de aanvraag die wijst op een vergissing, terwijl het redelijkerwijs uitgesloten is dat de aanvraag conform de bedoeling van de aanvrager is ingevuld. Verweerder stelt zich in het algemeen op het standpunt, dat het de landbouwer vrij staat zijn toeslagrechten al dan niet te laten uitbetalen. Verweerder ziet het dan ook niet als zijn taak om zich te verdiepen in de eventuele motieven van de aanvrager om van het laten uitbetalen van de rechten af te zien. Hij vindt het evenmin op zijn weg liggen om met de aanvrager mee te denken en te bezien of deze door de aanvraag anders in te vullen, wellicht meer subsidie had kunnen krijgen. Derhalve kan het feit dat een landbouwer zijn toeslagrechten blijkens zijn aanvraag niet of niet geheel wil laten uitbetalen, naar zijn mening op zichzelf niet als een kennelijke fout beschouwd worden. 2.4.2 Ingevolge artikel 12, eerste lid, onder c, van Verordening (EG) nr. 796/2004 moet in de verzamelaanvraag het aantal en het bedrag van de toeslagrechten worden vermeld. Ingevolge artikel 12, tweede lid, van Verordening (EG) nr. 796/2004 wordt op de aan de landbouwers verstrekte voorbedrukte formulieren, waarop een verzamelaanvraag gedaan moet worden, melding gemaakt van de identificatie van de toeslagrechten. In Nederland wordt aan deze bepalingen geen gevolg gegeven. Naar het oordeel van het College mag een landbouwer van een dergelijk in gebreke blijven van verweerder, dat ertoe leidt dat uit de ingediende aanvraag niet valt af te leiden hoeveel en welke toeslagrechten ter beschikking van de aanvrager staan, geen nadelige gevolgen ondervinden. Daarom zal het College het hier te beslechten geschil beoordelen alsof er sprake is van een situatie waarin de genoemde informatie wel uit de ingediende aanvraag kan worden opgemaakt. Derhalve wordt er bij de vraag of sprake is van een kennelijke fout vanuit gegaan, dat ook de ambtenaar die de aanvraag bij ontvangst beoordeelt, er op dat moment van op de hoogte is over hoeveel toeslagrechten de aanvrager kan beschikken. 2.4.3 Ter beantwoording ligt dan voor de vraag of de aanvraag van appellant, die over 3,94 braaktoeslagrechten met een waarde van € 301,51 per recht en 101,17 gewone toeslagrechten met een waarde van € 397,94 per recht beschikt en die op het Overzicht gewaspercelen 18 percelen met een totale oppervlakte van 119.17 ha hectaren heeft opgegeven, geacht kan worden een kennelijke fout in te houden, als hij slechts voor 99,12 ( 3.94 braaktoeslagrechten en, na braakcorrectie, 95,18 gewone toeslagrechten) van deze toeslagrechten om uitbetaling vraagt. Bij beantwoording van die vraag dient onder ogen gezien te worden dat slechts die landbouwers over toeslagrechten beschikken, die in het verleden steeds Europese landbouwsteun hebben gevraagd en gekregen en vervolgens uitdrukkelijk om toewijzing van toeslagrechten verzocht hebben, alsmede landbouwers die dergelijke rechten gekocht of, in verband met bijzondere omstandigheden, op hun aanvraag verkregen hebben. Derhalve kan in beginsel worden aangenomen, dat het gaat om landbouwers die Europese landbouwsteun wensen te ontvangen. Gelet ook op de mogelijkheid dat toeslagrechten wegens het niet-gebruiken daarvan vervallen, zullen landbouwers in beginsel een zo groot mogelijk deel van hun toeslagrechten willen laten uitbetalen. Het College tekent daarbij echter aan, dat denkbaar is dat een landbouwer voornemens zou zijn om bepaalde percelen nog gedurende het aanvraagjaar aan de bestemming als landbouwgrond te onttrekken. In een dergelijk geval kunnen er, in elk geval naar het recht zoals dat in 2007 gold, redenen zijn die percelen niet in de aanvraag op te geven, omdat een perceel gedurende een periode van tien maanden voor de landbouw ter beschikking moet staan. Ook kunnen er zich misschien incidenteel nog wel andere gronden voordoen om percelen niet op te geven. Het College verklaart het beroep ongegrond. Aldus gewezen door mr. C.M. Wolters, mr. E.J.M. Heijs en mr. M. Munsterman, in tegenwoordigheid van mr. F.W. du Marchie Sarvaas als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 25 januari 2010. w.g. C.M. Wolters w.g. F.W. du Marchie Sarvaas