Rechtspraak College van Beroep voor het bedrijfsleven 2007-02-01
ECLI:NL:CBB:2007:AZ9550
Bestuursrecht
College van Beroep voor het bedrijfsleven (vijfde enkelvoudige kamer) AWB 05/309 1 februari 2007 27349 Kaderwet EZ-subsidies Tijdelijke regeling ordersteun scheepsnieuwbouw Uitspraak in de zaak van: A Marine B.V., gevestigd te B, appellante, gemachtigde: mr. A.A. Bos, advocaat te Urk, tegen de Staatssecretaris van Economische Zaken, verweerder, gemachtigden: mr. D.N.T. van der Weerd en mr. R. Volkers, beiden werkzaam bij verweerders dienst SenterNovem. Appellante heeft bij brief van 11 mei 2005, bij het College per fax binnengekomen op dezelfde datum, beroep ingesteld tegen een besluit van verweerder van 7 april 2005. Bij dit besluit heeft verweerder beslist op de bezwaren van appellante tegen de afwijzing van een aanvraag om subsidie in het kader van de Tijdelijke regeling ordersteun scheepsnieuwbouw die gebaseerd is op de Kaderwet EZ-subsidies. Bij brief van 10 juni 2005 heeft appellante de gronden van het beroep aangevuld. Bij brief van 13 juli 2005 heeft verweerder een verweerschrift ingediend en op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd. Bij brief van 8 december 2006 heeft verweerder een aanvulling op het verweerschrift toegezonden. Op 21 december 2006 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij partijen bij monde van hun gemachtigden hun standpunt hebben toegelicht. 2. De grondslag van het geschil 2.1 In de Regeling van de Staatssecretaris van Economische Zaken van 17 juli 2003, nr. WJZ 3040972, houdende regels inzake het verstrekken van subsidies aan de scheepsbouwsector bij wijze van tijdelijke defensieve maatregel (Tijdelijke regeling ordersteun scheepsnieuwbouw, hierna: Regeling) is, onder meer, het volgende bepaald: "Artikel 1 1. In deze regeling wordt verstaan onder: (…) e. scheepswerf: een ondernemer die schepen ontwikkelt, ontwerpt, bouwt en uitrust; f. Koreaanse concurrentie: het naar de opdracht tot het bouwen van een schip dingen door een scheepswerf die is gevestigd in de Republiek Korea; (…) Artikel 2 1. De minister verstrekt op aanvraag een subsidie aan een in Nederland gevestigde scheepswerf met het oog op het, ondanks gebleken Koreaanse concurrentie, door die werf afsluiten van een order tot het in Nederland bouwen van een containerschip, chemicaliëntanker, productentanker of LNG-tanker. (…) Artikel 3 De subsidie bedraagt 6 procent van de prijs, tot ten hoogste het bij de subsidieverlening bepaalde bedrag. Artikel 4 Het subsidieplafond voor het op grond van deze regeling verlenen van subsidies bedraagt € 60 000 000. (…) Artikel 8 1. De minister verdeelt het beschikbare bedrag in de volgorde van ontvangst van de ontvangst van de aanvragen (…) (…)." 2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan. - Bij daartoe bestemde formulier, gedateerd 3 september 2004 en door verweerders agentschap EVD (hierna: EVD) ontvangen op 13 september 2004, heeft appellante subsidie gevraagd voor de bouw van een "highspeed multipurpose container feeder" tegen een prijs van EUR 8.500.000,- op grond van de Regeling. Opdrachtgever van dit schip is A Seatrade B.V. te B. - Op 10 november 2004 is het bedrijf van appellante bezocht door een medewerker van EVD. - Bij brief van 9 december 2004 heeft EVD appellante meegedeeld dat de termijn voor het afgeven van een beschikking is verlengd tot 14 maart 2005. - Bij besluit van 23 december 2004 heeft EVD, hierbij handelend namens verweerder, de aanvraag om subsidie afgewezen op de grond dat appellante zich niet kwalificeert als scheepswerf in de zin van artikel 1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Regeling omdat appellante geen organisatie is die zich duurzaam richt op het bouwen van schepen. Het niet beschikken over een vaste bouwlocatie waar de bouw van schepen in eigen beheer en voor eigen rekening en risico plaatsvinden is daarvoor een sterke indicatie. - Bij brief van 4 januari 2005 heeft appellante hiertegen bezwaar gemaakt en dit bezwaar bij brief van 7 februari 2005 aangevuld. - Op 4 maart 2005 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. - Vervolgens heeft SenterNovem, hierbij handelend namens verweerder, het bestreden besluit genomen. 3. Het bestreden besluit Bij het bestreden besluit heeft verweerder de bezwaren ongegrond verklaard en hiertoe onder meer het volgende overwogen. In de toelichting bij de Regeling wordt aangegeven dat de doelgroep van de Regeling is vastgesteld overeenkomstig Verordening 1177/2002 van de Raad van 27 juni 2002 betreffende een tijdelijk defensief mechanisme voor de scheepsbouw (Pb 1998, 202, blz.1, hierna: Verordening 1177/2002). Die doelgroep is de Nederlandse scheepsnieuwbouwindustrie die containerschepen, producten-, chemicaliën- en LNG-tankers bouwt. De definitie van het begrip “scheepswerf” in de Regeling heeft tot gevolg dat niet iedere ondernemer die een order voor de bouw van een schip afsluit voor subsidie in aanmerking komt. Het moet gaan om ondernemers bij wie alle in de definitie genoemde activiteiten tot de normale dan wel duurzame bedrijfsactiviteiten behoren, waarbij de nadruk ligt op bouwen. De aanwezigheid van een locatie, al dan niet in eigendom, heeft verweerder als een sterke indicatie beschouwd. De definitie sluit uit dat makelaars of projectontwikkelaars voor subsidie in aanmerking komen. Appellante is een nieuwe onderneming. Zij beschikt niet over een eigen bedrijf, c.q. een vaste bouwlocatie waar schepen worden gebouwd of afgebouwd. De feitelijke bouwwerkzaamheden worden uitbesteed aan onderaannemers. Vooralsnog bestaan de activiteiten van appellante alleen uit de met de onderhavige bouwovereenkomst samenhangende werkzaamheden, die vergelijkbaar zijn met de activiteiten van een projectontwikkelaar. Er wordt niet geïnvesteerd in voorzieningen voor de bouw van schepen. Het is niet de bedoeling van de Regeling de scheepsbouwindustrie op indirecte wijze via andersoortige ondernemers te steunen. In het geval van appellante is door de aan de indiening van de aanvraag voorafgaande gesprekken twijfel ontstaan of appellante wel een scheepswerf was. Nader onderzoek heeft uitgewezen dat die twijfel terecht was. Bij de meerderheid van de ingediende aanvragen zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die aanleiding gaven voor nader onderzoek. Met betrekking tot de door appellante gestelde strijd met het gelijkheidsbeginsel heeft verweerder in zijn aanvullend verweer nog het volgende opgemerkt. “ Bij de beoordeling van de vraag of aanvragers zijn aan te merken als scheepswerf in de zin van de Regeling is in eerste instrantie gekeken naar informatie die de aanvrager op het aanvraagformulier heeft vermeld. Voor de overige beoordelingscriteria verwijs ik naar hetgeen reeds in mijn verweerschrift van 13 juli 2005 hierover is gesteld. In de uitspraak van uw College van 3 oktober 2006 (Awb 05/362 t/m 05/378 ….) inzake de procedure met STF B.V. uit Balk heeft u deze manier van beoordelen als een redelijke invulling van mijn discretionaire bevoegdheid aangemerkt. Overigens wil ik nog opmerken dat ik van mening ben dat er bij een niet of zeer summier beroep op het gelijkheidsbeginsel, niet van mij verwacht kan worden dat ik na iedere afwijzende beschikking alle positieve beschikkingen dien te motiveren. Toelichting per onderneming STF B.V. Allereerst wens ik op te merken dat STF B.V. geen subsidie heeft verkregen (…) De overige hieronder genoemde ondernemingen heb ik bij de beoordeling van de aanvragen op basis van de beschikbare informatie als scheepswerf in de zin van de TROS aangemerkt. IHDA Europe Feeder B.V./IHDA Bulk Oceantrans B.V. Ten aanzien van IHDA merk ik op dat er sprake is van in ieder geval twee vennootschappen. Deze vennootschappen beschikken als groep van scheepswerven over een vaste bouwlocatie waarop zij schepen (af)bouwen. Beide vennootschappen beschikken volgens het aanvraagformulier over personeelsleden en voldoen voor wat betreft SBI-code en omschrijving van activiteiten in het uittreksel uit het Handelsregister van de Kamer van Koophandel aan de criteria. (…) C Cargoship B.V. Ten aanzien van C Cargoship B.V. 5.1 Het bestreden besluit, gedateerd 7 april 2005, is ondertekend door het plaatsvervangend hoofd van de afdeling Juridische Zaken van SenterNovem mr. drs. M. Sprey (hierna: Sprey). Gebleken is evenwel dat eerst bij besluit van 12 augustus 2005 de algemeen directeur van EVD aan Sprey mandaat heeft verleend om namens hem beslissingen op bezwaarschriften te nemen op het werkterrein van EVD. De bestreden besluiten zijn derhalve onbevoegd genomen. Reeds gelet op het voorgaande moeten de beroepen gegrond worden verklaard en moeten de bestreden besluiten worden vernietigd. Het College zal hierna bezien of er aanleiding bestaat de rechtsgevolgen van de bestreden besluiten in stand te laten. Daartoe zullen deze besluiten, aan de hand van hetgeen appellante daartegen heeft aangevoerd, worden beoordeeld. 5.2.1 Met betrekking tot het betoog van appellante dat de kring van potentiële subsidieontvangers in de Regeling ten onrechte, want in strijd met Verordening 1177/2002 is beperkt tot scheepswerven, aangezien volgens deze verordening steun kan worden verleend voor scheepsbouwcontracten overweegt het College, evenals in zijn door partijen aangehaalde uitspraak van 3 oktober 2006 AWB 05/362 t/m 05/378, www.rechtspraak.nl LJN AY9810, het volgende. In Verordening 1177/2002 worden randvoorwaarden gegeven waarbinnen nationale overheden steun voor orders in de scheepsbouw kunnen geven. Indien aan die randvoorwaarden is voldaan, kan deze steun als verenigbaar met de gemeenschappelijke markt worden beschouwd. Verordening 1177/2002 behelst dan ook geen opdracht aan de lidstaten om overeenkomstig deze randvoorwaarden steun te verlenen, maar legitimeert slechts daartoe. Dit brengt met zich dat, voor zover de Regeling al voorziet in een beperktere doelgroep voor steunverlening dan Verordening 1177/2002, zij – zolang de reikwijdte van Verordening 1177/2002 maar niet wordt overschreden – daarmee niet in strijd komt. In aanmerking genomen dat in de preambule van Verordening 1177/2002 scheepswerven uitdrukkelijk worden genoemd als doelgroep voor tijdelijke steun, kan niet worden staande gehouden dat de Regeling, die uitsluitend voorziet in steunverlening aan scheepswerven, de reikwijdte van Verordening 1177/2002 overschrijdt. Het College wijst er voorts op dat de Regeling conform artikel 3 van Verordening 1177/2002 op 25 november 2002 is gemeld bij de Commissie van de Europese Gemeenschapen die – naar verweerder onweersproken heeft gesteld – op 9 juli 2003 kenbaar heeft gemaakt geen bezwaren te hebben tegen het ten uitvoer brengen van de Regeling. 5.2.2 Ook de grief van appellante dat de door verweerder gegeven (beperkte) invulling van de term 'scheepswerf' in strijd zou zijn met de Regeling en Verordening 1177/2002 faalt. Het College overweegt hiertoe, evenals in zijn uitspraak van 3 oktober 2006, het volgende. Verweerder heeft vermeld dat onder scheepswerven als bedoeld in artikel 1, eerste lid, aanhef en onderdeel e, van de Regeling moeten worden verstaan ondernemingen die de in de definitie genoemde activiteiten zelf uitvoeren dan wel tot hun normale ofwel duurzame ondernemingsactiviteiten rekenen. De nadruk ligt daarbij op het bouwen en daarvoor moet de ondernemer over de nodige voorzieningen beschikken. Of feitelijk sprake is van een ondernemer die schepen ontwerpt, ontwikkelt, bouwt en uitrust kan volgens verweerder blijken uit een opname van de onderneming in het scheepsregister als scheepsbouwer, de doelomschrijving in de statuten, het aantal werknemers, de omschrijving in het handelsregister, het al dan niet beschikken over (milieu)vergunningen, een lidmaatschap van de Vereniging Nederlandse Scheepsbouw Industrie, de formele presentatie van de aanvrager en het al dan niet beschikken over een vaste bouwlocatie. Het College ziet geen plaats voor het oordeel dat verweerder door het hanteren van voornoemde uitgangspunten en criteria de hem toekomende beoordelingsruimte bij de interpretatie van het begrip scheepswerf bedoeld in artikel 1, eerste lid, aanhef en onderdeel e, van de Regeling te buiten is gegaan. Het College heeft bij dit oordeel in aanmerking genomen dat de gegeven invulling overeenstemt met hetgeen in het normale spraakgebruik onder scheepswerf wordt verstaan. Hierbij heeft het College betrokken dat de toelichting op de Regeling onvoldoende aanknopingspunten biedt om tot een andersluidend oordeel te komen. De vraag of ook de ondernemer die de bouw van een schip aanneemt en vervolgens het productief technische werk uitbesteedt een 'scheepswerf' in de zin van de Regeling is, wordt in de toelichting op de Regeling niet verduidelijkt. Het enkele feit dat in de toelichting ook wordt gesproken over de "Nederlandse scheepsnieuwbouwindustrie" als doelgroep van de subsidieregeling acht het College ontoereikend. Wat betreft de beweerdelijke strijd van de door verweerder gegeven invulling aan de term 'scheepswerf' met Verordening 1177/2002 verwijst het College naar hetgeen hiervoor onder 5.2.1 is overwogen. Aangezien Verordening 1177/2002 slechts randvoorwaarden voor steunverlening geeft, kan niet worden staande gehouden dat de door verweerder gegeven invulling van deze term – die in elk geval de reikwijdte van deze verordening niet te buiten gaat – in strijd zou komen met Verordening 1177/2002. 5.3 Met betrekking tot de grief dat verweerder voornoemde uitgangspunten en criteria bij de beoordeling van de vraag of de aanvragers als 'scheepswerf' kwalificeren niet consequent heeft toegepast, heeft het College in zijn hogervermelde uitspraak als volgt overwogen. “Appellante heeft gesteld dat aan ten minste vier andere aanvragers subsidie op grond van de Regeling is verleend hoewel zij, evenals appellante, de activiteiten – het ontwikkelen, ontwerpen, bouwen en uitrusten van het schip – door derden laten uitvoeren en aldus op eenzelfde wijze te werk gaan als appellante. De genoemde aanvragers hebben, naar appellante heeft gesteld, geen personeelslid in dienst, zijn geen lid van de brancheorganisatie VNSI, zijn opgericht in de zomer van 2004, beschikken over een ruime omschrijving van de bedrijfsactiviteiten en hebben, althans de firma C Cargoships, geen eigen dok, helling of kade. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat in deze gevallen, alles overwegende, wel voldoende aanleiding was om deze bedrijven als scheepswerf aan te merken. De genoemde criteria zoals het beschikken over een eigen (vaste) bouwlocatie of het in dienst hebben van personeel zijn geen exclusieve criteria ofwel noodzakelijke voorwaarden om als scheepswerf te kwalificeren, maar slechts (sterke) indicaties. Naar het oordeel van het College schiet deze motivering van verweerder tekort. Niet duidelijk is geworden aan de hand van welke maatstaven is vastgesteld dat de aangehaalde gevallen wel en de voorliggende gevallen niet als scheepswerf kunnen worden aangemerkt. Ook is niet duidelijk geworden wat onder het criterium 'vaste bouwlocatie' moet worden verstaan. Bij het nemen van beslissingen over de vraag welke aanvrager als scheepswerf wordt aangemerkt en welke niet, dient verweerder zich rekenschap te geven van de uit het gelijkheidsbeginsel voortvloeiende plicht tot het gelijk behandelen van gelijke gevallen. Gelet op het voorgaande is het College dan ook van oordeel dat verweerder in reactie op hetgeen appellante te dien aanzien naar voren heeft gebracht, niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij de criteria die hij stelt te hanteren bij de beoordeling of een bedrijf kwalificeert als scheepswerf consequent heeft toegepast. Dit leidt het College tot de slotsom dat de bestreden besluiten in strijd met artikel 7:12, eerste lid, Awb een deugdelijke motivering missen.” Verweerder heeft in zijn aanvulling op het verweerschrift en ter zitting uiteengezet dat naar zijn opvatting geen sprake is van inconsistentie in de toepassing van zijn beleid met betrekking tot de toekenning van subsidie. Het College - verklaart het beroep gegrond; - vernietigt het bestreden besluit van 7 april 2005; - draagt verweerder op met inachtneming van deze uitspraak opnieuw op de bezwaren te beslissen; - bepaalt dat de Staat der Nederlanden aan appellante het door haar betaalde griffierecht, te weten € 276,- (zegge: tweehonderd zesenzeventig euro), vergoedt; - veroordeelt verweerder in de door appellante gemaakte proceskosten, tot een bedrag van € 644,- (zegge: zeshonderdvierenveertig euro), welke kosten de Staat der Nederlanden aan appellante moet vergoeden. Aldus gewezen door mr. C.M. Wolters, in tegenwoordigheid van mr. A. Graefe als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 1 februari 2007. w.g. C.M. Wolters w.g. A.Graefe