Rechtspraak College van Beroep voor het bedrijfsleven 2006-03-07
ECLI:NL:CBB:2006:AX2054
Bestuursrecht
College van Beroep voor het bedrijfsleven AWB 03/1383 7 maart 2006 5196 Regeling verbod handel met bepaalde stoffen behandelde dieren en producten Uitspraak in de zaak van: A, te X, appellant, gemachtigde: mr. L.J.L. Heukels, advocaat te Haarlem, tegen de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder, gemachtigde: mr. R.C. Valenteijn, werkzaam bij verweerders ministerie. Appellant heeft bij brief van 11 november 2003, bij het College binnengekomen op 13 november 2003, beroep ingesteld tegen een besluit van verweerder van 14 oktober 2003. Bij dit besluit heeft verweerder beslist op het bezwaar van appellant tegen de aan hem in rekening gebrachte kosten van de ondertoezichtplaatsing van zijn bedrijf op grond van de Regeling verbod handel met bepaalde stoffen behandelde dieren en producten. Op 17 december 2003 heeft het College van verweerder een verweerschrift en op de zaak betrekking hebbende stukken ontvangen. Op 26 juli 2005 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij partijen bij monde van hun gemachtigden hun standpunten nader hebben toegelicht. 2. De grondslag van het geschil 2.1 De Regeling verbod handel met bepaalde stoffen behandelde dieren en producten (Stcrt. 1997, nr. 130, hierna ook: Regeling) strekt onder meer ter uitvoering van Richtlijn 96/23/EG van de Raad van 29 april 1996 inzake controlemaatregelen ten aanzien van bepaalde stoffen en residuen daarvan in levende dieren en in produkten daarvan en tot intrekking van de Richtlijnen 85/358/EEG en 86/496/EEG en de Beschikkingen 89/187/EEG en 91/664/EEG (Pb. 1996, L 125; hierna richtlijn 96/23/EG). In de Regeling is onder meer het volgende bepaald: "Artikel 4 1. Indien op een bedrijf de aanwezigheid wordt geconstateerd van diergeneesmiddelen of substanties die ingevolge de communautaire regelgeving niet aan landbouwhuisdieren (…) mogen worden toegediend alsmede indien in monsters residuen worden aangetroffen van dergelijke stoffen, wordt het betrokken bedrijf onder officieel toezicht van de minister geplaatst. (...) Artikel 6 1. Indien in een monster residuen van diergeneesmiddelen of substanties die niet aan landbouwhuisdieren (…) mogen worden toegediend, worden aangetroffen, worden de kosten van onderzoeken als bedoeld in artikel 16 van richtlijn 96/23/EG in rekening gebracht door de minister bij de eigenaar of houder van de bemonsterde dieren dan wel van de dieren, waarvan de bemonsterde producten afkomstig zijn. 2. De in het eerste lid bedoelde kosten hebben betrekking op: a. het onderzoek naar de redenen voor de aanwezigheid van residuen in de onderzochte monsters op enig bedrijf waar de bemonsterde dieren of producten van afkomstig zijn of zijn; b. het nemen van monsters; c. de analyse van de genomen monsters; d. overige onderzoeken. 3. De kosten, bedoeld in het eerste lid, zijn, in voorkomend geval, opgebouwd uit de volgende componenten: a. de laboratoriumkosten; b. de met de analyse van de monsters gemoeide verzendkosten; c. de administratiekosten; d. de verblijfskosten van de bij de werkzaamheden betrokkenen; e. de reiskosten van de bij de werkzaamheden betrokkenen; f. een bedrag per uur per met de werkzaamheden belaste persoon van de Algemene Inspectiedienst; g. overige kosten die verband houden met de werkzaamheden. (...)" Het derde lid van artikel 6 van de Regeling is bij wijziging van 21 augustus 2000 (Stcrt. 2000, nr. 161) ingevoegd. Aan de toelichting op deze wijziging wordt het volgende ontleend: "In de Regeling (…) is voorzien in de doorberekening van de kosten van de onderzoeken, bedoeld in artikel 16 van richtlijn nr. 96/23/EG (…). Met de onderhavige regeling wordt verduidelijkt waaruit de kosten van de bovenvermelde onderzoeken zijn opgebouwd. Ten algemene zijn de kosten die betrekking hebben op de monstername, de met de monstername verband houdende kosten van de controleurs, de verzendkosten van de naar laboratoria toegezonden monsters, de monsteranalyses en de administratiekosten. De kosten van het onderzoek naar de redenen voor de aanwezigheid van residuen op een bedrijf waar de bemonsterde dieren of producten van afkomstig zijn en overige nodig geachte onderzoeken bestaan ten algemene uit een vergoeding voor de met de onderzoekswerkzaamheden gemoeide tijd, waaronder wordt begrepen de tijd die gemoeid is met de verplaatsingen die verband houden met de onderzoekswerkzaamheden van de controleurs en de daadwerkelijke aan onderzoeksactiviteiten bestede tijd, hun reis- en verblijfskosten en de administratiekosten. Voor de reis- en verblijfskosten gelden de daarvoor geldende normbedragen uit het Reisbesluit binnenland (…). Daarnaast is het mogelijk dat ook andere kosten worden gemaakt, zoals bijvoorbeeld de inschakeling van expertise van derden. Aangezien dit een onbepaalde factor is, kunnen de daarmee samenhangende kostencomponenten niet verder worden geconcretiseerd. Ook bij deze kostenpost is slechts sprake van het in rekening brengen van de daadwerkelijk gemaakte kosten. (…). Richtlijn 96/23/EG luidt onder meer als volgt: "Artikel 15 1. Officiële monsternemingen moeten worden uitgevoerd overeenkomstig de bijlagen III en IV teneinde in erkende laboratoria te worden onderzocht. De praktische regels voor het nemen van officiële monsters, alsmede de voor de analyse van deze monsters te bezigen routine- en referentiemethodes, worden volgens de procedure van artikel 33 vastgesteld. (…) 2. (…) Voor alle stoffen geldt dat, indien de uitkomst wordt aangevochten op basis van een analyse op tegenspraak, deze resultaten bevestigd moeten worden door het nationale referentielaboratorium dat overeenkomstig artikel 14, lid 1, voor de betrokken stof of het betrokken residu is aangewezen. Wanneer deze laatste bevestiging positief is, komen de kosten ten laste van de eiser. 3. Wanneer bij onderzoek van een officieel monster sprake is van een illegale behandeling, gelden de artikelen 16 tot en met 19, alsmede de in hoofdstuk V bedoelde maatregelen. (...) Artikel 16 De Lid-Staten zien erop toe dat bij een positieve uitkomst die volgens artikel 15 is verkregen, 1. (...) 2. de bevoegde autoriteit de volgende onderzoeken verricht: a) op het bedrijf van herkomst c.q. van oorsprong een onderzoek om de redenen voor de aanwezigheid van residuen vast te stellen b) in geval van niet-toegestane stoffen of produkten of van illegaal gebruikte toegestane stoffen, illegale behandeling in het stadium van de vervaardiging, de hantering, de opslag, het vervoer, de toediening, de distributie of de verkoop, een onderzoek naar de bron(nen) van de betrokken stoffen of produkten c) alle overige door haar noodzakelijk geachte aanvullende onderzoeken. 3. (...) Artikel 17 In geval van aanwezigheid van niet-toegestane stoffen of produken of illegale behandeling moet de bevoegde autoriteit zich ervan vergewissen dat de veehouderij(en) die bij de in artikel 13, onder b), bedoelde onderzoeken in het geding is (zijn) onverwijld onder officieel toezicht wordt (worden) geplaatst. De bevoegde autoriteit dient zich er tevens van te vergewissen dat alle betrokken dieren worden voorzien van een officieel merk- of identificatieteken en dat bij het nemen van officiële monsters in eerste instantie met statistisch representatieve aantallen op internationaal erkende wetenschappelijke basis wordt gewerkt. (…) Artikel 19 1. De kosten voor de in artikel 16 bedoelde onderzoeken en controles komen ten laste van de eigenaar of de houder van de dieren. Wanneer het onderzoek de juistheid van het vermoeden bevestigt, komen de kosten voor de analyses die op grond van het bepaalde in de artikelen 17 en 18 worden verricht ten laste van de eigenaar of de houder van de dieren. 2. (...) Artikel 23 1. (...) 2. Aansluitend op de monsterneming overeenkomstig artikel 17 worden de positief bevonden dieren, wanneer bevestigd wordt dat er sprake is van illegale behandeling, onmiddellijk ter plaatse gedood of, vergezeld van een officieel veterinair certificaat, rechtstreeks naar het aangewezen slachthuis of een destructiebedrijf gebracht om er te worden gedood. De gedode dieren worden vervolgens afgevoerd naar een bedrijf voor de verwerking van hoog-risicomateriaal als bedoeld in Richtlijn 90/667/EEG. Bovendien moeten, op kosten van het bedrijf, van alle partijen dieren die tot het gecontroleerde bedrijf behoren en mogelijk verdacht zijn, een monster genomen worden. 3. Indien echter de helft of meer dan de helft van de monsters die genomen zijn van een representatief percentage, overeenkomstig artikel 17, positief is, heeft de veehouder de keuze tussen een controle op alle dieren van het bedrijf die mogelijk verdacht zijn en het laten doden van de betrokken dieren." 2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan. - Op 9 maart 2000 heeft het Controle Bureau Dierlijke Sector (hierna: CBD) van 26 op het bedrijf van appellant aanwezige runderen urinemonsters genomen. Acht van deze monsters zijn door TNO-voeding te Zeist onderzocht en één daarvan is, na bevestigingsonderzoek dat is uitgevoerd volgens de daarvoor geldende criteria, positief bevonden op 16ß-hydroxyo-stanozolol (hierna: stanozolol). - Achttien van de op 9 maart 2000 genomen monsters zijn, vanwege capaciteitsproblemen bij TNO, op 25 april 2000 onder ambtsedig relaas overgedragen aan het Rijks-Kwaliteitsinstituut voor Land- en Tuinbouwprodukten (hierna: RIKILT) te Wageningen. - Bij besluit van 25 april 2000 heeft verweerder op grond van artikel 4 van de Regeling het bedrijf van appellant onder toezicht geplaatst. - Op 26 april 2000 heeft de Algemene Inspectiedienst (hierna: AID) van vier op het bedrijf van appellant aanwezige runderen monsters genomen, die voor onderzoek zijn overgebracht naar het RIKILT. - Op 11 mei 2000 heeft het RIKILT de uitslagen van de 18 aan haar overgedragen, op 9 maart 2000 genomen, monsters bekend gemaakt. Hieruit blijkt dat vijf daarvan positief zijn bevonden op de aanwezigheid van stanozolol. - Op 12 mei 2000 zijn de vier op 26 april 2000 genomen monsters door het RIKILT positief bevonden op stanozolol. Op die zelfde datum heeft de AID op het bedrijf van appellant van 14 runderen urinemonsters genomen en voor onderzoek gebracht naar RIKILT. - Op 22 mei 2000 heeft het RIKILT meegedeeld dat één van de op 12 mei 2000 genomen monsters positief is bevonden op stanozolol. - Op 26 mei 2000 zijn van alle resterende 62 runderen op het bedrijf van appellant monsters genomen en voor onderzoek naar het RIKILT gezonden. - Op 12 juni 2000 heeft het RIKILT meegedeeld dat één van deze monsters positief is bevonden op stanozolol. - Bij besluit van 21 juni 2000 is de ondertoezichtplaatsing opgeheven. - Bij besluit van 20 februari 2001 heeft verweerder de kosten voor de ondertoezichtplaatsing ter hoogte van totaal fl. 103.263,78 bij appellant in rekening gebracht. - Appellant heeft daartegen bij brief van 7 maart 2001 bezwaar gemaakt en verweerder verzocht om een specificatie van de kosten van de ondertoezichtplaatsing. - Bij brief van 20 maart 2003 is appellant naar aanleiding van zijn bezwaar uitgenodigd voor de hoorzitting van 3 april 2003. Appellant noch zijn gemachtigde zijn, zonder bericht van verhindering, op die hoorzitting verschenen. - Bij brief van 11 juli 2003 heeft verweerder appellant een specificatie van de aan hem in rekening gebrachte kosten gezonden en daarbij meegedeeld dat aan hem ten onrechte ook onderzoekskosten, die zijn gemaakt voorafgaand aan de ondertoezichtplaatsing in rekening zijn gebracht. Het bedrag van de door appellant te betalen kosten is hierbij gecorrigeerd naar fl. 90.103,78 (40.887,31 euro). - Appellant heeft bij brief van 9 oktober 2003 op voornoemde specificatie gereageerd. - Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen. 3. Het bestreden besluit 3.1 Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van appellant, voorzover dat betrekking heeft op een hoger kostenbedrag dan fl. 90.103,78 (€ 40.887,31), gegrond verklaard en voor het overige ongegrond verklaard. Verweerder heeft genoemd bedrag als volgt gespecificeerd: " A) De laboratoriumkosten m.b.t. 141 tijdens de OTP genomen monsters: 80 x (fl 800 + 17,5%)= 80 x fl 940= fl 75.200,-(€ 34.124,27). B) De administratiekosten die direct zijn gemaakt ter uitvoering van het onderzoek: fl. 165,00 (€ 74,87). C) De verblijfkosten van de AID t.w. de daadwerkelijk gemaakte kosten m.b.t. dagvergoeding, lunch- en dinerkosten: fl. 243,- (€ 110,27). D) De reiskosten, t.w. de daadwerkelijk gemaakte kosten per kilometer: fl. 0,60 / km x 1353 km = fl 811,80 (€ 368,38). E) Het arbeidsloon van de AID-ambtenaren is f1. 110,00 / uur. Op uw bedrijf is 90,25 uur gewerkt. De kosten bedragen derhalve: fl. 9.927,50 (€ 4.504,90) F) De post overige kosten heeft betrekking op de door het Controle Bureau Dierlijke Sector gedeclareerde kosten inzake verleende assistentie aan de AID bij de monsterneming op het bedrijf. In totaal heeft het CBD 34,75 uur mankracht geleverd. Dit heeft fl. 92,00 per uur + 17, 5 % BTW gekost. Deze kosten komen derhalve op: 34,75 x fl 92,-- + 17,5 % BTW = fl. 3.756,48 (€ 1.704,62). De totaalfactuur dient derhalve fl. 90.103,78 (€ 40.887,31) te bedragen." Verweerder heeft overwogen dat artikel 6 van de Regeling de nationaalrechtelijk uitwerking vormt van artikel 19, eerste lid, van richtlijn 96/23/EG, dat kostenverhaal dwingend voorschrijft. Uit artikel 6, derde lid, van de Regeling blijkt dat niet alleen laboratoriumkosten maar ook verblijf-, reis- en loonkosten, kort gezegd, alle kosten van onderzoeken die tijdens de ondertoezichtplaatsing worden verricht in verband met de aanwezigheid van illegale stoffen in rekening moeten worden gebracht. Bij de facturering is, overeenkomstig de van belang zijnde betalingsvoorwaarden die bij het bestreden besluit zijn gevoegd, uitgegaan van de daadwerkelijk gemaakte kosten. 3.2 Het standpunt van appellant dat zolang geen contra-analyse heeft plaatsgevonden, de in het kader van de OTP gemaakte kosten niet op hem verhaald zouden mogen worden, vindt geen steun in de toepasselijke regelgeving. 3.3 De stelling van appellant dat ingevolge artikel 19 van richtlijn 96/23/EG geen kosten verschuldigd zouden zijn indien het testresultaat van een (of meer) rund(eren) negatief is, berust op een onjuiste lezing van dat artikel, aangezien de bewoordingen ‘wanneer het onderzoek de juistheid van het vermoeden bevestigt’ niet zien op het testresultaat met betrekking tot één dier. 3.4 Niet valt in te zien dat met de ambtelijke correctiebrief van 11 juli 2003 enig bestuursrechtelijk voorschrift zou zijn gezonden. De hierin ten gunste van appellant opgenomen correctie terzake van de aan de OTP voorafgaand gemaakte kosten, getuigt juist van zorgvuldigheid jegens appellant. 4. Het standpunt van appellant 4.1 Allereerst heeft appellant aangevoerd dat de bezwaarprocedure niet is verlopen volgens de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, aangezien reeds voordat appellant een reactie heeft gekregen op zijn verzoek om een kostenspecificatie, op 3 april 2003 een hoorzitting is gehouden. Pas na de hoorzitting heeft verweerder bij brief van 11 juli 2003 gereageerd op de door appellant gevraagde specificatie. Appellant vermoedt dat op 3 april 2003 buiten zijn aanwezigheid een en ander in aanwezigheid van ambtenaren van de AID is besproken, hetgeen heeft geresulteerd in genoemde brief. 4.2 Voorts betoogt appellant dat de door verweerder opgevoerde kosten niet vallen onder de artikelen 16, 17, 18 en 23 van richtlijn 96/23/EG. Uit de specificatie blijkt slechts dat het bedrijf van appellant onder toezicht is geplaatst en dat gedurende die ondertoezichtplaatsing op verschillende dagen een aantal monsters is genomen. 5.1 In geding is uitsluitend de vraag of verweerder de bevoegdheid toekomt de totale onderzoekskosten in het kader van de ondertoezichtplaatsing bij appellant in rekening te brengen. 5.2 Het College stelt voorop dat op grond van artikel 15, derde lid, van richtlijn 96/23/EG de artikelen 16 tot en met 19 van die richtlijn, alsmede de in hoofdstuk V daarvan bedoelde maatregelen gelden, wanneer bij onderzoek van een officieel monster sprake is van een illegale behandeling. Dit houdt onder meer in dat ingevolge artikel 17 van de richtlijn de betrokken veehouderij onverwijld onder toezicht moet worden geplaatst. Weliswaar komt op grond van artikel 15, tweede lid en tweede volzin, van richtlijn 96/23/EG aan de betrokken eigenaar/houder van de dieren de bevoegdheid toe om op kosten van ongelijk de uitkomst op basis van een analyse op tegenspraak aan te vechten, maar dit kan aan het vorenstaande niet afdoen. Overigens merkt het College in dit verband op dat appellant, naar ter zitting uitdrukkelijk is erkend, in het kader van de ondertoezichtplaatsing niet om een analyse op tegenspraak heeft verzocht, terwijl het besluit tot ondertoezichtplaatsing van 25 april 2000 - waartegen door appellant geen rechtsmiddel is aangewend - formele rechtskracht heeft verkregen. Het standpunt van appellant dat in het onderhavige geval de artikelen 16 en volgende van richtlijn 96/23/EG - nog - niet aan de orde zouden zijn, faalt derhalve. 5.3 Artikel 6, eerste lid, van de Regeling bepaalt dat verweerder kosten van onderzoeken als bedoeld in artikel 16 van Richtlijn 96/23/EG bij de houder of eigenaar van dieren in rekening kan brengen. In het tweede en derde lid van artikel 6 van de Regeling worden de in het eerste lid bedoelde kosten nader gespecificeerd. Verweerders standpunt dat uit de opsomming in artikel 6, derde lid, van de Regeling zou volgen dat alle kosten van tijdens de ondertoezichtplaatsing verrichte onderzoeken aan de eigenaar/houder van de dieren in rekening kunnen worden gebracht, kan naar het oordeel van het College niet worden aanvaard. Artikel 6 van de Regeling biedt blijkens de bewoordingen daarvan voor verweerder uitsluitend een grondslag de kosten van onderzoeken als bedoeld in artikel 16 van richtlijn 96/23/EG bij de eigenaar/houder van de dieren in rekening te brengen. In zoverre kan artikel 6 van de Regeling worden beschouwd als de nationaal-rechtelijke uitwerking van het bepaalde in artikel 19, eerste lid, eerste volzin, van richtlijn 96/23/EG. Het College kan hieruit niet anders concluderen dan dat artikel 6 van de Regeling geen grondslag biedt andere in het kader van de ondertoezichtplaatsing gemaakte kosten, in het bijzonder kosten van monsterneming als bedoeld in artikel 23, tweede lid, van richtlijn 96/23/EG bij de eigenaar/houder van de dieren in rekening te brengen. Evengenoemde kosten komen pas aan de orde na monsterneming overeenkomstig artikel 17 van die richtlijn, terwijl verweerder evenmin duidelijk heeft gemaakt op grond waarvan de kosten van laatstgenoemde monsterneming gelet op de tekst van artikel 6 van de Regeling aan appellant in rekening kunnen worden gebracht. 5.4 Uit de in het bestreden besluit opgenomen specificatie van de aan appellant in rekening gebrachte kosten kan niet worden opgemaakt welke daarvan betrekking hebben op onderzoeken en controles als bedoeld in artikel 16 van de Richtlijn en welke kosten zijn gemaakt in het kader van andere onderzoeken en controles. Het College komt dan ook tot de conclusie dat het bestreden besluit een deugdelijke grondslag ontbeert en derhalve wegens strijd met het bepaalde in artikel 7:12 van de Awb voor vernietiging in aanmerking komt. 5.5 Het beroep is derhalve gegrond. Verweerder wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen. 5.6 Het College ziet aanleiding verweerder te veroordelen in de door appellant gemaakte proceskosten, waarbij met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht het gewicht van de zaak wordt bepaald op één en voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand (het indienen van een beroepschrift, het verschijnen ter zitting) twee punten worden toegekend. Het College: - verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit van 14 oktober 2003; - draagt verweerder opnieuw op het bezwaar van appellant te beslissen, met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen; - veroordeelt verweerder in de door appellant gemaakte proceskosten, tot een bedrag van € 644,--, welke kosten de Staat der Nederlanden aan appellant moet vergoeden; - bepaalt dat de Staat der Nederlanden aan appellant het door hem betaalde griffierecht, te weten € 116,--, vergoedt. Aldus gewezen door mr. M.A. van der Ham, mr. H.A.B. van Dorst-Tatomir en mr. M.J. Kuiper, in tegenwoordigheid van mr. L. van Duuren, en uitgesproken in het openbaar op 7 maart 2006. w.g. M.A. van der Ham w.g. L. van Duuren