Rechtspraak College van Beroep voor het bedrijfsleven 2004-09-22
ECLI:NL:CBB:2004:AR3592
Bestuursrecht
College van Beroep voor het bedrijfsleven AWB 03/1203 22 september 2004 14918 Wet personenvervoer 2000 Exploitatiebijdrage Uitspraak in de zaak van: Burgemeester en Wethouders van Amersfoort, appellanten, gemachtigden: mr. T.P. Grünbauer en J.W. Wieltink, werkzaam bij de gemeente Amersfoort, tegen de Minister van Verkeer en Waterstaat, verweerder, gemachtigden: J. Bergmans, W. Bongaards en Y. Gerner, werkzaam bij verweerder. Appellanten hebben bij brief van 23 september 2003, bij het College binnengekomen op 25 september 2003, beroep ingesteld tegen een besluit van verweerder van 14 augustus 2003. Bij dit besluit heeft verweerder beslist op het bezwaar van appellanten gericht tegen een besluit waarbij op grond van de Regeling rijksbijdrage openbaar vervoer 2001 (hierna: de Regeling) een bijdrage aan appellanten is verleend. Op 27 november 2003 hebben appellanten de gronden voor hun beroep ingediend. Bij brief van 19 januari 2004 heeft verweerder een verweerschrift ingediend. Op 30 juni 2004 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij partijen bij monde van hun gemachtigden hun standpunten hebben toegelicht. 2. De grondslag van het geschil 2.1 In de Wet personenvervoer 2000 (hierna: de Wet) is, voorzover hier van belang, het volgende bepaald. "Artikel 75 In afwijking van artikel 4:21, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht is titel 4.2 van die wet van toepassing op de bijdrage voor exploitatie van openbaar vervoer. Artikel 76 Onze Minister verleent aan de concessieverlener een bijdrage voor de exploitatie van openbaar vervoer. Artikel 77 Bij de berekening van de bijdrage voor exploitatie van openbaar vervoer wordt uitgegaan van het gebruik van het openbaar vervoer, voor zover dit niet wordt verricht krachtens een ontheffing als bedoeld in artikel 29. Artikel 82 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over de daaraan te verbinden verplichtingen. Deze regels bevatten in ieder geval bepalingen over: a. de berekening van de bijdrage; b. de berekening van de vervoeropbrengsten; (…).” In het Besluit personenvervoer 2000 (hierna: het Besluit) is onder meer het volgende bepaald: '' Artikel 54 1. Voor het vaststellen van het gebruik van openbaar vervoer, bedoeld in artikel 77, van de wet gaat Onze Minister uit van de vervoeropbrengsten per concessieverlener of een bij ministeriële regeling vast te stellen deel daarvan. (…). Artikel 55 1. De bijdrage die wordt verleend voor exploitatie van openbaar vervoer aan een concessieverlener wordt berekend door de vervoeropbrengsten, bedoeld in artikel 54, te vermenigvuldigen met een rekenfactor. 2. Onze Minister kan bij de berekening van de rekenfactor, bedoeld in het eerste lid, rekening houden met: a. het bedrag van jaarlijks beschikbare middelen voor de exploitatie van openbaar vervoer zoals afgeleid uit het hoofdstuk van Verkeer en Waterstaat op de rijksbegroting, b. de vervoeropbrengsten, bedoeld in artikel 54. 3. Bij ministeriële regeling worden regels vastgesteld over de wijze waarop de rekenfactor wordt berekend.” In de Regeling is onder meer het volgende bepaald. “ Artikel 4 1. De rekenfactor, bedoeld in artikel 55 van het besluit, wordt jaarlijks berekend door de rekenfactor van het jaar voorafgaand aan het jaar waarop de rekenfactor betrekking heeft: a. te verlagen in verband met de taakstellende bezuiniging ter verbetering van de verhouding tussen de vervoeropbrengsten en de bijdrage; b. te verhogen of te verlagen, indien de gemiddelde landelijke tariefstijging lager respectievelijk hoger is dan de ontwikkelingen van de loonkosten en van de prijzen, bedoeld in artikel 64 van het besluit; c. te verlagen indien de beschikbare middelen voor de exploitatie van openbaar vervoer zoals afgeleid uit het hoofdstuk van Verkeer en Waterstaat op de rijksbegroting, ontoereikend zijn. 2. De rekenfactor voor het desbetreffende jaar is opgenomen in bijlage 3, onderdeel b.” In de Algemene wet bestuursrecht is onder meer het volgende bepaald. “ Artikel 4:51 1. Indien aan een subsidie-ontvanger voor drie of meer achtereenvolgende jaren subsidie is verstrekt voor dezelfde of in hoofdzaak dezelfde voortdurende activiteiten, geschiedt gehele of gedeeltelijke weigering van de subsidie voor een daarop aansluitend tijdvak op de grond, dat veranderde omstandigheden of gewijzigde inzichten zich tegen voortzetting of ongewijzigde voortzetting van de subsidie verzetten, slechts met inachtneming van een redelijke termijn. 2. (…).” 2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan. - Aan de gemeente Amersfoort is voor het jaar 2002 een bijdrage voor het openbaar vervoer verleend van € 3.662.000,- - Bij brief van 18 september 2002 is de gemeente Amersfoort geïnformeerd over de door het kabinet voorgenomen bezuinigingen op het openbaar vervoer in de periode 2003-2006, oplopend van € 59.872.000,- tot € 133.781.000,- in 2006. - Bij brief van 21 november 2002 is de gemeente Amersfoort op de hoogte gesteld van het kabinetsvoorstel om de bezuiniging voor 2003 van € 59.872.000,- terug te brengen naar € 23.647.000,-. Voor de gemeente Amersfoort zal dit neerkomen op een bezuiniging van € 91.119,-. - Op 17 december 2002 heeft de Tweede Kamer ingestemd met het reduceren van de oorspronkelijke korting op subsidies openbaar vervoer tot € 23.647.000,-. - Bij besluit van 23 december 2002 heeft verweerder een bijdrage voor het openbaar vervoer voor het jaar 2003 verleend aan appellanten, zijnde een bedrag van € 4.071.000,-. - Bij brief van 3 februari 2003 hebben appellanten bezwaar gemaakt. - Op 3 april 2003 zijn appellanten gehoord omtrent hun bezwaar. - Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen. 3. Het bestreden besluit en het standpunt van verweerder Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard. Het bestreden besluit houdt onder meer het volgende in. “ (…) Bezuiniging 2003 Over bezuinigingen op subsidies openbaar vervoer is, zoals vermeld al vanaf juni 2002 gecommuniceerd. Bij brief van 18 september 2002 is de gemeente Amersfoort op de hoogte gebracht over de bezuinigingen op het gebied van subsidies openbaar vervoer. Over de exacte hoogte van de te verlenen subsidie kon op dat moment nog niets worden vermeld. Immers, evenals andere jaren, duurt het tot eind van het jaar voordat meer duidelijkheid over de hoogte van de subsidie kon worden verkregen. Met deze gebruikelijke gang van zaken had de gemeente Amersfoort rekening kunnen houden bij haar beleid met betrekking tot openbaar vervoer. Duidelijkheid omtrent de hoogte van de subsidie is afhankelijk van de begroting die door de Tweede Kamer dient te worden vastgesteld, en de gegevens over de opbrengsten. Deze gegevens, die de verdeling van subsidie voor 85% beïnvloeden, zijn begin november beschikbaar gekomen. De decentrale overheden en vervoerbedrijven dienen gegevens aan te leveren waarna de opbrengsten moeten worden verdeeld en gecontroleerd. De Tweede Kamer stelt de begroting van Verkeer en Waterstaat gebruikelijk half december vast, in het jaar 2002 was dat 17 december 2002. Vanaf de eerste mededeling dat er bezuinigd zou worden op de subsidies openbaar vervoer 2003 had de gemeente Amersfoort rekening kunnen houden met de mogelijkheid dat de bijdrage voor het jaar 2003 lager zou uitvallen dan de bijdrage voor het jaar 2002. Over de hoogte van de bezuinigingen is enige tijd onderhandeld in het kabinet en uitgebreid gesproken in de Tweede Kamer. Het was in ieder geval duidelijk dat er een bezuinigingsronde zou plaatsvinden binnen de subsidies voor openbaar vervoer voor het jaar 2003 en volgende jaren. Het maximale bedrag van de totale bezuinigingen voor 2003 heeft in die periode € 64 mln bedragen. De uiteindelijke bezuinigen voor 2003 van € 24 mln is uiteindelijk slechts een derde van de eerder voorgestelde bezuinigingen. De bezuiniging van € 24 mln leidt tot een subsidievermindering van 2,2 %. Voor de gemeente Amersfoort gaat het dan om een bedrag van € 91.000,- in relatie tot het verleende subsidiebedrag van € 4.071.000,-. Tussen partijen is in geschil of verweerder gehandeld heeft in overeenstemming met het bepaalde in artikel 4:51 van de Awb. Alvorens deze vraag te beantwoorden dient te worden beoordeeld of deze bepaling van toepassing is in onderhavige zaak. Voor toepassing van artikel 4:51 Awb dient sprake te zijn van een ‘gehele of gedeeltelijke weigering van de subsidie voor een daarop aansluitend tijdvak’. Het College overweegt hieromtrent als volgt. Vooropgesteld dient te worden dat verweerder de jaarlijkse bijdrage voor de exploitatie van openbaar vervoer ambtshalve vaststelt. Van een (gedeeltelijke) weigering van subsidie in de zin dat voor 2003 een lager bedrag is toegekend dan waar de gemeente om heeft verzocht, is aldus geen sprake. Hiernaast is de bij het besluit van 23 december 2002 toegekende bijdrage voor 2003 (€ 4.071.000,-) hoger dan de toegekende bijdrage voor 2002 (€ 3.662.000,-), zodat ook in zoverre niet van een gedeeltelijke weigering kan worden gesproken. Ten slotte is het College evenmin gebleken van rechtens te honoreren verwachtingen op grond waarvan het besluit van 23 december 2002 als een gedeeltelijke weigering van subsidie moet worden aangemerkt. Hiertoe wordt allereerst overwogen dat het College niet is gebleken dat verweerder aan de gemeente Amersfoort toezeggingen heeft gedaan dat de gemeente voor 2003 een hoger bedrag zou ontvangen dan uiteindelijk is toegekend. Voorts is ingevolge artikel 55 van het Besluit juncto artikel 4 van de Regeling de hoogte van de jaarlijkse bijdrage onder meer afhankelijk van het bedrag van jaarlijkse beschikbare middelen voor de exploitatie van openbaar vervoer zoals afgeleid uit het hoofdstuk van Verkeer en Waterstaat op de rijksbegroting. Dit betekent dat de vaststelling van de bijdrage pas ná de vaststelling van dit hoofdstuk op de rijksbegroting kan geschieden en ook pas dan zekerheid over de hoogte van de bijdrage aan de concessieverlener kan worden verschaft. Het feit dat de gemeente Amersfoort reeds vóór de vaststelling van het hoofdstuk van Verkeer en Waterstaat op de rijksbegroting voor 2003 het aanbestedingstraject voor het openbaar vervoer had voltooid en bij de verlening van de concessie op 9 juli 2002 kennelijk onvoldoende rekening heeft gehouden met de toen nog bestaande onzekerheid inzake de hoogte van de bijdrage voor 2003, dient voor haar rekening en risico te blijven. Onder bovengenoemde omstandigheden kan, naar het oordeel van het College, niet gesproken worden van een (gedeeltelijke) weigering van de rijksbijdrage openbaar vervoer, waardoor artikel 4:51 Awb in onderhavige zaak niet van toepassing is. Het beroep dient dat ook ongegrond te worden verklaard. Het College verklaart het beroep ongegrond. Aldus gewezen door mr. J.A. Hagen, mr. E.J.M. Heijs en mr. F.W. du Marchie Sarvaas, in tegenwoordigheid van mr. M.H. Vazquez Muñoz als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 22 september 2004. w.g. J.A. Hagen w.g. M.H. Vazquez Muñoz